id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080214.7 Rolnummer: F.07.0058.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2008-03-11 Raadplegingen: 152 - laatst gezien 2026-07-03 05:29 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080214.7 Fiches 1 - 2 Een tijdelijke handelsvereniging die geen rechtspersoon is, kan, behalve wanneer de wet dit ondanks het gebrek aan rechtspersoonlijkheid toestaat, geen belastingschuldige zijn; de aanslag in de gemeentebelasting die uitsluitend ten name van een tijdelijke handelsvereniging is gevestigd, is niet nietig en kan niet als uitvoerbare titel gelden voor tenuitvoerlegging tegen de vennoten
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Vennootschappen - Algemene beginselen - Rechtspersoonlijkheid - Vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag Vrije woorden: Belastingplicht - Aanslag gevestigd ten name van een tijdelijke handelsvereniging Wettelijke bepalingen: Wet - 30-11-1935 - Artt. 3, 175 en 192 - 31 ELI link Pub nr 1935113051 Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - VENNOOTSCHAPPEN ZONDER RECHTSPERSOONLIJKHEID UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Vennootschappen - Algemene beginselen - Rechtspersoonlijkheid - Vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag Vrije woorden: Tijdelijke handelsverenigingen - Gebrek aan rechtspersoonlijkheid - Aanslag gevestigd ten name van een tijdelijke handelsvereniging Wettelijke bepalingen: Wet - 30-11-1935 - Artt. 3, 175 en 192 - 31 ELI link Pub nr 1935113051 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 14 feb. 2008, AR F.07.0058.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Vennootschappen - Algemene beginselen - Rechtspersoonlijkheid - Vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag Vrije woorden: Belastingplicht - Aanslag gevestigd ten name van een tijdelijke handelsvereniging Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - VENNOOTSCHAPPEN ZONDER RECHTSPERSOONLIJKHEID UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Vennootschappen - Algemene beginselen - Rechtspersoonlijkheid - Vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag Vrije woorden: Tijdelijke handelsverenigingen - Gebrek aan rechtspersoonlijkheid - Aanslag gevestigd ten name van een tijdelijke handelsvereniging Annotaties Publicaties: R.A.G.B. - Petra GABRIËL; Aanslag in de gemeentebelasting kan niet gevestigd worden namens tijdelijke handelsvennootschap. - 2008, 527-530 Tekst van de conclusie F.07.0058.N Conclusie van de Heer Advocaat-generaal Dirk THIJS I. Feiten. Dit dossier betreft de vraag of een belastingaanslag ten kohiere kan worden gebracht "ten name" van een tijdelijke vereniging (thans tijdelijke handelsvennootschap). Artikel 2 van het belastingreglement op grond waarvan de bestreden aanslag in de gemeentebelasting werd gevestigd, wijst onder meer de houder van de bouwvergunning die nalaat in de vergunning voorziene parkeerplaatsen aan te leggen aan als belastingplichtige. Verweersters waren deelgenoten van een tijdelijke handelsvereniging "Marina Mercator". Deze vereniging vroeg en kreeg van eiseres een bouwvergunning voor het optrekken van een appartementsgebouw. Eiseres heeft ten name van de tijdelijke vereniging een aanslag in de gemeentebelasting ingekohierd omdat een aantal in de bouwvergunning voorziene parkeerplaatsen niet werden aangelegd. Verweersters wierpen de nietigheid van de aanslag op omdat deze ten name van een niet-rechtspersoon werd gevestigd en kregen in eerste aanleg en in hoger beroep gelijk. II. Het bestreden arrest. De beslissing van het bestreden arrest is in overeenstemming met oude rechtspraak van Uw Hof. Het Hof besliste op 17 juni 1946 dat de aanslag in de bedrijfsbelasting die gevestigd is op naam van een vereniging die geen rechtspersoonlijkheid bezit, nietig is (Cass., 17 juni 1946, A.C., 1946, 223). Het bestreden arrest past deze regel toe op de bestreden aanslag in de gemeentebelasting die door eiseres werd ingekohierd op naam van de TV Marina Mercator. III. Het enig middel. Eiseres voert aan dat de appelrechters artikel 2 van het belastingreglement op het ontbreken van parkeerruimten, op grond waarvan de bestreden aanslag werd gevestigd, en artikel 175 G.W.H.V. (thans art. 47 en 53 W.Venn.) schenden. Blijkens artikel 2 van het kwestieuze reglement is de belasting verschuldigd door de houder van een na de invoering van het reglement afgeleverde bouwvergunning, die (onder meer) één of meer in zijn bouwvergunning begrepen parkeerplaatsen niet heeft aangelegd (art. 2, 2°) Eiseres stelt dat de tijdelijke vereniging de bouwvergunning heeft aangevraagd en verkregen aangezien er stedenbouwkundig geen enkel bezwaar bestaat om een bouwvergunning aan een tijdelijke vereniging af te leveren. Eiseres stelt dat eenieder aan wie een bouwvergunning wordt afgeleverd als een belastingplichtige moet worden beschouwd. Eiseres stelt dat er binnen het kader van het Vlaams Decreet Ruimtelijke ordening algemeen wordt aanvaard dat ook een tijdelijke vereniging een bouwvergunning kan aanvragen en bekomen. Het onrechtstreekse gevolg daarvan is dat een tijdelijke vereniging belastingplichtige kan zijn. Eiseres stelt dat er geen wettelijk beletsel is om het statuut van belastingplichtige aan een tijdelijke vereniging toe te kennen en verwijst naar de toestand op het vlak van de BTW, waar ingevolge een BTW-aanschrijving van 22 januari 1971 tijdelijke verenigingen als btw-plichtigen kunnen worden aangemerkt. IV Bespreking.
- Artikel 175 G.W.H.V. (thans de artt. 47 en 53 W. Venn.) schrijft een hoofdelijke aansprakelijkheid voor tussen de vennoten van de tijdelijke handelsvereniging, thans tijdelijke handelsvennootschap. Elke vennoot is hoofdelijk gehouden tot voldoening van de schulden die door de vennoten zijn aangegaan in het kader van een tijdelijke handelsvereniging. De hoofdelijke gehoudenheid van de beide vennoten beperkt zich tot de verbintenissen die de vennoten gezamenlijk hebben aangegaan. Wanneer een vennoot in eigen naam handelt met een derde, verbindt hij enkel zichzelf. Derden hebben in dat geval in principe geen vordering ten aanzien van de andere vennoten (Denis-Bruno FLOOR, Tijdelijke handelsvennootschappen, Larcier, Gent, 2007, nrs. 135 en 136). Artikel 175 Venn. W. kan dus hoogstens tot gevolg hebben dat in de gevallen waarin een belasting wordt gevestigd ten name van de vennoten, deze hoofdelijk gehouden zijn tot voldoening van de gehele belastingschuld. Zoals verweerders opwerpen in hun memorie van antwoord, houdt deze bepaling niet in dat een gemeentebelasting kan gevestigd worden op naam van een tijdelijke handelsvereniging, noch dat de vennoten van een tijdelijke handelsvereniging hoofdelijk zouden gehouden zijn tot betaling van een gemeentebelasting gevestigd op naam van de tijdelijke handelsvereniging. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 175 G.W.H.V. (artt. 47 en 53 W. Venn.), faalt het naar recht.
- Een vereniging of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, zoals een tijdelijke handelsvereniging is geen rechtssubject. Zij kan niet optreden in rechte, noch verbintenissen aangaan. Het recht erkent haar niet als drager van rechten en verplichtingen (D. VAN GERVEN, Handboek verenigingen, Kalmthout, Biblo, 2002, 1). Zulks impliceert dat een tijdelijke handelsvereniging zonder rechtspersoonlijkheid geen maatschappelijke zetel heeft, geen eigen vermogen, geen maatschappelijke naam en geen schuldenaars en schuldeisers (Cass. 30 maart 1962, R.W. 1962-63, 538; Cass. 10 mei 1979, A.C. 1978-79, 1080; Gent 12 januari 2007, N.J.W. 2007, 608; K. GEENS, "De fundamenten van het vennootschapsrecht dooreengeschud voor de eeuwwende" in De nieuwe vennootschapswetten van 7 en 13 april 1995, Jan Ronse Instituut (ed.), p. 27, nr. 17; V. CARRON, "De aansprakelijkheid van de vennoten van een tijdelijke vereniging voor "vennootschapsschulden": vertegenwoordiging en baattrekking", T.R.V. 1991, p. 371, nr. 3; M. SENELLE, Het bouwrecht in België, Brussel, Bruylant, 1992, 136). De tijdelijke handelsvereniging wordt louter opgericht als samenwerkingsakkoord tussen de deelgenoten tot het verrichten van een of meer welbepaalde handelsverrichtingen zonder op burgerlijk vlak als rechtspersoon te bestaan. De regelen van gemeen recht zijn in beginsel van toepassing op het fiscaal recht, voor zover dit laatste er niet van afwijkt (A. TIBERGHIEN, Handboek voor Fiscaal Recht 2003, Brussel, Larcier, 2003, 23-24). Bij gebrek aan enige formele fiscale bepaling die van het gemeen recht afwijkt, bestaat de tijdelijke handelsvereniging niet als een (rechts)persoon op fiscaal vlak, en kan zij principieel niet worden onderworpen aan enige belastingplicht. Omtrent de belastingplicht van tijdelijke handelsverenigingen is niets bepaald door enige formele wettelijke bepaling. Gelet op het fiscaal legaliteitsbeginsel en de strikte interpretatie die dient te worden gegeven aan de fiscale wetgeving, kan slechts worden besloten dat de belasting niet kan worden gevestigd op naam van een tijdelijke handelsvereniging (cfr. memorie van antwoord, nrs 16 en 17). Terzake kan tevens worden verwezen naar het arrest van Uw Hof van 17 juni 1946.
(1)3. Eiseres voert voorts aan dat een onderscheid moet gemaakt worden tussen de 'fiscale obligatio' (de 'belastingplichtige') en de 'fiscale contributio' (de 'belastingschuldige') hetgeen volgens eiseres impliceert dat een titel zou kunnen worden gecreëerd ten aanzien van een tijdelijke handelsvereniging als 'belastingplichtige' die zou kunnen worden uitgevoerd tegen de vennoten van de tijdelijke handelsvereniging als 'belastingschuldigen'. Mijns inziens kan het cassatiemiddel ook op dit punt niet worden aangenomen. Overeenkomstig het ten deze ingevolge artikel 12 van de Wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen toepasselijk artikel 133, eerste lid, van het K.B./W.I.B.
(1992), "worden de aanslagen op naam van de betrokken belastingschuldigen ten kohiere gebracht", terwijl overeenkomstig artikel 136 van dat K.B. "aan de betrokken belastingschuldigen" een aanslagbiljet wordt gezonden, zodra de kohieren uitvoerbaar verklaard zijn. De fiscale wetgeving maakt aldus geen onderscheidt tussen "belastingplichtigen" en "belastingschuldigen", en bevat voorts, zoals gezegd, geen bepaling die belastingheffing op naam van tijdelijke handelsverenigingen zou wettigen.
- Eiseres verwijst tenslotte inzake BTW naar de administratieve Aanschrijving nr. 17 van 22 januari 1971 dat de mogelijkheid biedt om een tijdelijke handelsvereniging als belastingplichtige in de zin van artikel 4 van het BTW-Wetboek te doen identificeren. Het ontbreken van rechtspersoonlijkheid in hoofde van de tijdelijke handelsvereniging impliceert dat deze in beginsel geen BTW-plichtige kan zijn (A. HAELTERMAN, Fiscale transparantie, Kalmthout, Biblo, 1992, 392; P. FAES, "Vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid en transparante vennootschappen", in Vennootschap en belastingen, Antwerpen, Kluwer, 1999, deel III, 4, 2088; F. BURSSENS, "Hoofdstuk 1, Tijdelijke vennootschap" in Handboek Bouwrecht, K. DEKETELAERE, M. SCHOUPS en A. VERBEKE (eds.), Intersentia, 2004, Deel VII; D-B FLOOR, "Droit des sociétés. La société momentanée", Larcier, 2002, 57, nr. 15; T. TILQUIN en V. SIMONART, Traité des sociétés, Deel I, Kluwer, 1996, nrs. 831-838). Ook in de voorbereidende werken van het B.T.W.-Wetboek wordt uitdrukkelijk bevestigd dat de tijdelijke handelsvereniging noch rechten noch verplichtingen heeft op het vlak van de B.T.W. gelet op de afwezigheid van rechtspersoonlijkheid (Gedr. St. Senaat 1968-69, nr. 455, 73). De BTW-Administratie aanvaardt weliswaar vanuit pragmatisch oogpunt dat de tijdelijke handelsvereniging een inschrijving als belastingplichtige aanvraagt. De desbetreffende BTW-Aanschrijving nr. 17 van 22 januari 1971 heeft evenwel geen kracht van wet en kan dan ook geen afbreuk doen aan het feit dat de tijdelijke handelsvereniging in beginsel niet de hoedanigheid van belastingplichtige heeft. De aanschrijving formuleert louter welke praktische handelswijze de bevoegde administratie voor de toepassing van de BTW-wetgeving aanvaardt ten aanzien van personen die handelen in het kader van een tijdelijke handelsvereniging. Dat het veeleer om een praktische regeling gaat en niet om de erkenning van een tijdelijke handelsvereniging als volwaardig juridische entiteit, blijkt onder meer uit het feit dat de aanschrijving voorziet in de aanduiding van een persoon die belast is met de nakoming van de BTW-verplichtingen, en voorschrijft dat de vennoten hun domicilie kiezen in België (cfr. memorie van antwoord, nr. 21). Dergelijke praktische voorschriften van het belastingbestuur, die niet kunnen gelijkgesteld worden met een wettelijke regeling, kunnen geenszins naar analogie toegepast worden ten aanzien van andere belastingen. Het middel faalt op dit punt naar recht.
- Waar de tijdelijke handelsvereniging geen rechtspersoonlijkheid heeft, valt niet in te zien op welke wijze een gemeentelijke belastingverordening hierin wijziging zou kunnen brengen. Een vereniging of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid kan immers in beginsel geen belastingplichtige zijn zoals blijkt uit voormeld cassatiearrest van 17 juni
- De appelrechters hebben dan ook terecht beslist dat "bij afwezigheid van enige wettelijke bepaling in andere zin een vereniging van personen, die zelf geen rechtspersoon is, geen schuldenaar (kan) zijn van een belasting (...), zodat te dezen op naam van de tijdelijke handelsvereniging geen aanslag kon gevestigd worden, en de aanslag diende te worden gevestigd op naam van beide geïntimeerden, die hoofdelijk gehouden waren (artikel 175, tweede lid Venn. W.)". Het middel kan niet worden aangenomen. Besluit: VERWERPING. ARREST __________________
(1)Cass., 17 juni 1946, A.C., 1946, 223; Pas., 1946, I, p. 241: "attendu qu'à défaut de personnification civile octroyée par la loi, une simple association de fait ne saurait être redevable d'impôts. (...) Attendu que les dispositions légales relatives à l'établissement et à la perception de l'impôt sont d'ordre public et que leur inobservation entraîne la nullité de la cotisation." Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080214.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div