← België

ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080320.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080320.1 Rolnummer: F.07.0016.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-16 Raadplegingen: 330 - laatst gezien 2026-07-03 08:21 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080320.1 Fiche 1 Een dwangbevel inzake belasting over de toegevoegde waarde is een bestuurshandeling waarop de Wet Motivering Bestuurshandelingen van toepassing is zodat het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd; als taxatietitel, waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt, dient het dwangbevel het belastbaar feit, het bedrag en de hoedanigheid van de schuldenaar duidelijk te maken

(1).
(1)Zie concl. O.M. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Vervolging en gedingen - voorrechten Schatkist (B.T.W.) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Gebrek aan voldoening van de belasting - Dwangbevel - Aard Fiche 2 Het is noodzakelijk dat het proces-verbaal, als bijlage waarnaar het dwangbevel verwijst, mee betekend wordt om de belastingplichtige in de mogelijkheid te stellen zich rekenschap te geven van het voorwerp en de oorzaak van de vordering van de administratie; geen enkele wettelijke bepaling voorziet evenwel dat de stukken waarnaar in het proces-verbaal wordt verwezen, mee moeten betekend worden met het dwangbevel
(1).
(1)Zie concl. O.M. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Vervolging en gedingen - voorrechten Schatkist (B.T.W.) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Gebrek aan voldoening van de belasting - Dwangbevel - Rechtsgeldigheid - Voorwaarden - Te betekenen stukken Fiche 3 De wet motivering bestuurshandelingen, noch enige andere wettelijke bepaling staan eraan in de weg dat het bestuur na het opstellen van een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert ter ondersteuning van hetgeen in het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld
(1).
(1)Zie concl. O.M. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Vervolging en gedingen - voorrechten Schatkist (B.T.W.) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Gebrek aan voldoening van de belasting - Bewijsvoering van de fiscale schuld - Dwangbevel - Door het bestuur naderhand aangevoerde nieuwe elementen Fiche 4 De motivering van het dwangbevel moet "afdoende" zijn, hetgeen impliceert dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen; de feitelijke gegevens van het administratief onderzoek waaruit blijkt op welke wijze het bestuur in kennis werd gesteld van het belastbaar feit en zodus over welke bewijsmiddelen het beschikt, behoren niet tot het gebied van de motivering van het dwangbevel, maar tot de bewijsvoering van de fiscale schuld
(1).
(1)Zie concl. O.M. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Vervolging en gedingen - voorrechten Schatkist (B.T.W.) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Gebrek aan voldoening van de belasting - Dwangbevel - Bestuurshandeling - Motivering Wettelijke bepalingen: Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 85, § 1, eerste lid Wet - 29-07-1991 - Art. 3 Fiches 5 - 8 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 20 maart 2008, AR F.07.0016.N, A.C., 2008, nr. ... Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Vervolging en gedingen - voorrechten Schatkist (B.T.W.) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Gebrek aan voldoening van de belasting - Dwangbevel - Aard Gebrek aan voldoening van de belasting - Dwangbevel - Rechtsgeldigheid - Voorwaarden - Te betekenen stukken Gebrek aan voldoening van de belasting - Bewijsvoering van de fiscale schuld - Dwangbevel - Door het bestuur naderhand aangevoerde nieuwe elementen Gebrek aan voldoening van de belasting - Dwangbevel - Bestuurshandeling - Motivering Tekst van de conclusie F.07.0016.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:
  1. Onderhavige betwisting betreft de motivering van het dwangbevel van 17 oktober 1996 waarbij de B.T.W.- administratie B.T.W. navorderde op de meeromzet die eiseres als frituuruitbaatster had gerealiseerd op aankopen die door haar leverancier niet op haar naam maar op naam van "particulier" werden gefactureerd. Het proces-verbaal van 15 oktober 1996 dat met het dwangbevel mee werd betekend, neemt de feitelijke vaststellingen over vervat in een proces-verbaal van 5 april 1996, welke vaststellingen gedaan werden bij de leverancier van eiseres, die blijkens dat proces-verbaal aankopen door B.T.W.-belastingplichtigen niet op hun naam maar op "particulier" factureerde. Dit proces-verbaal van 5 april 1996 werd niet mee betekend met het dwangbevel. Het bestreden arrest oordeelt dat het dwangbevel op basis van het proces-verbaal van 15 oktober 1996 op afdoende en uitvoerige wijze zowel de juridische als de feitelijke overwegingen weergeeft die er ten grondslag aan liggen.
  2. In het enig middel tot cassatie voert eiseres aan dat het bestreden arrest door in die zin te oordelen de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (hierna: Wet Motivering Bestuurshandelingen) schendt. Eiseres argumenteert ter zake dat het proces-verbaal van 15 oktober 1996 dat mee betekend werd met het dwangbevel niet kan worden aangevuld met andere bewijselementen (voorziening, p. 6, laatste alinea), en dat het proces-verbaal van 5 april 1996 een onderdeel is van de motivering van het dwangbevel zodat het eveneens diende mee te worden betekend wat in casu niet gebeurde (voorziening, p. 6, derdelaatste alinea, en p. 7, vierdelaatste alinea).
  3. Inzake B.T.W. is het dwangbevel een bestuurshandeling waarop de Wet Motivering bestuurshandelingen van toepassing is, zodat het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd (cfr. Cass. 12 januari 2OO5, A.R. nr. C.O3.O354.N, www.cass.be). Ik kan voorts verwijzen naar de principes uiteengezet in mijn gepubliceerde conclusie voor dat arrest. De motivering moet tevens ‘afdoende' zijn (cfr. de artt. 2 en 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen). Zulks impliceert dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen (Cass. 11 september 2OO3, A.R. nr. C.O1.O114.N, www. cass.be; Cass. 3 februari 2OOO, A.C. 2OOO, nr. 89). Ter zake kan tevens verwezen worden naar het antwoord op de parlementaire vraag van senator de Clippele van 11 mei 2OO1, waarin o.m. het volgende wordt gesteld: "Inzake B.T.W. geldt als algemene regel dat de motieven in de akte zelf worden uiteengezet, vermits de motivering in beginsel deel uitmaakt van de eigenlijke beslissing. Bijgevolg is het dwangbevel steeds in rechte en in feite gemotiveerd, waardoor wordt beantwoord aan de vereisten van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Bovendien vormt het proces-verbaal één geheel met het dwangbevel en vult het aan, zodat de belastingplichtige de gegrondheid van zijn schuldvordering kan verifiëren." (Vraag nr. 1283, DE CLIPPELE van 11 mei 2OO1, Vr. en Antw., Senaat, 2OO1-2OO2, nr. 2-44, 2277-2279). Het is noodzakelijk dat het proces-verbaal, als bijlage waarnaar het dwangbevel verwijst, mee betekend wordt om de belastingplichtige in de mogelijkheid te stellen zich rekeningschap te geven van het voorwerp en de oorzaak van de vordering van de administratie. Geen enkele wettelijke bepaling voorziet evenwel dat de stukken waarnaar in het proces-verbaal wordt verwezen, mee moeten betekend worden met het dwangbevel (Cass. 17 september 1998, F.J.F., nr. 2OO1/28).
  4. Uw Hof oordeelde tevens dat een afdoende uitdrukkelijke motivering van een bestuurshandeling evenredigheid vereist tussen het gewicht en de motivering van de beslissing (Cass. 15 februari 1999, A.C. 1999, nr. 88). De omvang van de motivering moet aldus aangepast zijn aan het belang van de beslissing (P. VAN ORSHOVEN, "Uitdrukkelijke motivering van fiscale bestuurshandelingen", Fisc. Koerier 1991, 91/5O9 en 51O).
  5. De formele motiveringsplicht is er in essentie op gericht de bestuurde een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de bestuurshandeling dat hij in staat is met kennis van zaken te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verzetten (G. DEBERSAQUES, "De sanctie verbonden aan het verzuim van een afdoende formele motivering in de zin van de uitdrukkelijke motiveringswet: enkele kanttekeningen", T.B.P. 1994, 644). Met deze verplichting wenste de wetgever inderdaad het fundamenteel recht van de burger om de gronden te kennen van een beslissing die hem aanbelangt, te verstevigen. Zo wordt de formele motiveringsplicht beschouwd als een uitvloeisel van het fundamentele recht van de burger op informatie in zijn betrekkingen met het bestuur (G. VAN HAEGHENBORGH, "De invordering van de inkomstenbelastingen en de wet motivering bestuurshandelingen", in E. DIRIX en P. TAELMAN (Eds.), Fiscaal Executierecht, Intersentia, 2OO3, 349, nr. 4).
  6. Zoals verweerster voorhoudt in haar memorie van antwoord varieert wat een afdoende motivering is bijgevolg van geval tot geval en moet in concreto worden beoordeeld, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, zoals het belang van de beslissing voor de bestuurde, de aard van de betrokken bevoegdheid en de reeds door de bestuurde gekende gegevens van het dossier (I. OPDEBEEK en A. COOLSAET, Formele motivering van bestuurshandelingen, die Keure, Brugge, 1999, 144, nr. 18O; Memorie van antwoord, p. 6, voorlaatste alinea). Wat dit laatste element betreft, kan men inderdaad moeilijk aannemen dat het fundamentele recht van de burger op informatie in zijn betrekkingen met het bestuur in het gedrang wordt gebracht in gevallen waarin die burger voorafgaandelijk aan de bestuurshandeling kennis heeft genomen van de gegevens van het administratief dossier die tot de bestuurshandeling hebben geleid.
  7. Uit de vaste rechtspraak van Uw Hof blijkt dat het in eerste instantie aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of de motivering al dan niet afdoende is, met dien verstande dat hij daarbij het wettelijk begrip van de motiveringsplicht van de overheid niet mag schenden (Cass. 11 september 2OO3, A.R. C.O1.O144.N, www.cass.be; Cass. 14 april 2OO3, A.R. S.OO.O116.N, www.cass.be, en Cass. 3 februari 2OOO, A.C. 2OOO, nr. 28O). Het dwangbevel moet overeenkomstig de termen van twee recente arresten van Uw Hof de fiscale schuld "concretiseren", hetgeen impliceert dat het belastbaar feit, het bedrag en de hoedanigheid van schuldenaar duidelijk wordt gemaakt (Cass. 9 maart 2OO6, A.R. nrs. C.O3.OO74.N en C.O4.O153.N, www.cass.be).
  8. De feitelijke gegevens van het administratief onderzoek waaruit blijkt op welke wijze het bestuur in kennis werd gesteld van het belastbaar feit en zo dus over welke bewijsmiddelen het beschikt, behoren niet tot het gebied van de motivering van het dwangbevel, zijnde de juridische en feitelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan de belastingschuld, maar tot de bewijsvoering van de fiscale schuld. Het vereiste dat de motivering van het dwangbevel "afdoende" moet zijn, kan immers geen afbreuk doen aan de rechten van de partijen met betrekking tot het te leveren bewijs van de aangevoerde feiten (H. VANDEBERGH, De geschillenprocedure inzake BTW, Bibliotheek Fiscaal Recht Larcier, Larcier, Gent, 2OO5, p. nr. 24 e.v.). Het dwangbevel kan, in geval van verzet, steeds aangevuld worden met stukken die het bestuur als bewijsmiddel van de fiscale schuld aanvoert zonder dat de juridische grondslag van de vordering daarbij mag worden gewijzigd. Zelfs in de loop van een rechtsgeding mag de fiscus in dat verband binnen de perken van het geding aanvullende processen-verbaal opstellen en deze ter kennis brengen van de belastingplichtige (cfr. Cass. 7 juni 1983, R.W. 1983-84, 1342, met noot A. VANDEPLAS; Cass. 9 oktober 1984, F.J.F., nr. 85/65; H. VANDEBERGH, o.c., nr. 46). In een arrest van 1 december 2OO5 bevestigde Uw Hof in dit verband dat de Wet Motivering Bestuurshandelingen, noch enige andere wettelijke bepaling eraan in de weg staan dat na het opstellen van een proces-verbaal en een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, het bestuur nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert voor zover die argumenten en gegevens worden aangevoerd ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld. Uit dit arrest blijkt dat het dwangbevel niet alle stavende feitelijke gegevens moet bevatten van hetgeen in het dwangbevel is vastgesteld (Cass. 1 december 2OO5, www.cass.be; T.F.R, 2OO6/76).
  9. Het middel faalt naar recht waar het er enerzijds van uitgaat dat de stukken waarnaar in het proces-verbaal wordt verwezen mee moeten betekend worden met het dwangbevel, en anderzijds dat het proces-verbaal niet kan aangevuld worden met andere bewijselementen. 1O. Ten overvloede weze opgemerkt dat Uw Hof er ook kan van uitgaan dat het middel feitelijke grondslag mist nu het in wezen geen rekening houdt met het feitelijk gegeven dat de vaststellingen vervat in het proces-verbaal van 5 april 1996 door het bestuur werden overgenomen in het proces-verbaal van 15 oktober 1996 dat met het litigieus dwangbevel aan eiseres werd betekend. Besluit: VERWERPING. ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080320.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240321.1N.1 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240502.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.