id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080320.2 Rolnummer: F.07.0027.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2008-04-16 Raadplegingen: 284 - laatst gezien 2026-07-03 12:10 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080320.2 Fiche 1 Een van de voorwaarden voor de pauliaanse vordering is dat de schuldvordering van de schuldeiser bestaat op het ogenblik dat de aangevochten handeling wordt gesteld; het is daartoe voldoende dat de grondslag van de schuldvordering bestaat op het ogenblik van de aangevochten handeling, zonder dat is vereist dat die schuldvordering op dat ogenblik opeisbaar is, vaststaand is of door de rechter erkend
(1).
(1)Zie concl. O.M. Thesaurus CAS: PAULIAANSE RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Gevolgen overeenkomsten t.a.v. derden - Actio pauliana Vrije woorden: Schuldeiser - Schuldvordering - Tijdstip - Ontstaan - Vaststelling - Vereisten Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1167, eerste lid Fiche 2 De grondslag van de hoofdelijke gehoudenheid tot betaling van de ontdoken belasting als wettelijk gevolg van de strafrechtelijke veroordeling van daders of medeplichtigen van fiscale misdrijven, berust in het plegen van deze misdrijven, zodat het tijdstip waarop ze werden gepleegd in aanmerking dient te worden genomen voor de beoordeling van de anterioriteitsvereiste gesteld voor de door het bestuur ingestelde pauliaanse vordering
(1).
(1)Zie concl. O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Gevolgen overeenkomsten t.a.v. derden - Actio pauliana Vrije woorden: Fiscale misdrijven - Daders of medeplichtigen - Strafrechtelijke veroordeling - Burgerrechtelijk gevolg - Betaling van de ontdoken belasting - Hoofdelijke gehoudenheid - Grondslag - Pauliaanse vordering - Anterioriteitsvereiste Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 458 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1167, eerste lid Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 20 maart 2008, AR F.07.0027.N, A.C., 2008, nr. ... Thesaurus CAS: PAULIAANSE RECHTSVORDERING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Gevolgen overeenkomsten t.a.v. derden - Actio pauliana Vrije woorden: Schuldeiser - Schuldvordering - Tijdstip - Ontstaan - Vaststelling - Vereisten Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Gevolgen overeenkomsten t.a.v. derden - Actio pauliana Vrije woorden: Fiscale misdrijven - Daders of medeplichtigen - Strafrechtelijke veroordeling - Burgerrechtelijk gevolg - Betaling van de ontdoken belasting - Hoofdelijke gehoudenheid - Grondslag - Pauliaanse vordering - Anterioriteitsvereiste Annotaties Publicaties: Fiscoloog - Alexandre MISSAL; Cassatie over anterioriteitsvoorwaarde. - 2008, 3-5 Fisc.Act. - Luc DE GREEF; Actio pauliana: hoofdelijk gehoudene is al schuldenaar van ontdoken belasting van misdrijf, niet vanaf de veroordeling. - 2008, 10-11 Tekst van de conclusie F.07.0027.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. Eerste verweerder was betrokken in een fraudezaak, waarbij, in de schoot van een B.V.B.A., in de periode van 7 februari 1988 tot 4 maart 1993, valse facturen waren geboekt. Op 14 april 1993 werd hij in dat verband in het kader van een strafonderzoek voor het eerst verhoord door de Gerechtelijke Politie bij het Parket te Antwerpen. Enkele maanden na dat verhoor verkochten eerste verweerder en tweede verweerster, bij notariële akte verleden op 26 juli 1993, hun gezinswoning aan hun dochter en schoonzoon (derde en vierde verweerders). Bij vonnis van 14 oktober 1994 van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen werd eerste verweerder strafrechtelijk veroordeeld wegens inbreuken op de artikelen 449 t.e.m. 452 van het W.I.B.
(1992)met zijn hoofdelijke aansprakelijkheid tot gevolg voor de ontdoken vennootschapsbelasting conform artikel 458 van dat wetboek. In februari 1995 werden als gevolg van deze fraude supplementaire aanslagen gevestigd in de vennootschapsbelasting lastens de BVBA die evenwel bij vonnis van 17 maart 1995 failliet werd verklaard. Bij dagvaardingen van 2 en 8 mei 1995 stelde eiser daarop een pauliaanse vordering in lastens verweerders die strekte tot nietigverklaring van voormelde notariële verkoop welke volgens eiser was ingegeven met de bedoeling om de woning aan de aanspraken van eiser te onttrekken. In graad van beroep bevestigde het Hof van beroep te Antwerpen het vonnis van de eerste rechter die oordeelde dat de pauliaanse vordering van eiser niet kon worden ingewilligd nu aan de anterioriteitsvereiste niet was voldaan omdat de strafrechtelijke veroordeling van eerste verweerder, die zijn hoofdelijkheid tot gevolg had, pas was tussengekomen nadat de woning was verkocht.
- In het eerste middel tot cassatie voert eiser aan dat het bestreden niet wettig heeft kunnen oordelen dat in casu niet aan de anterioriteitsvereiste was voldaan en bijgevolg zijn pauliaanse vordering niet wettig ongegrond heeft kunnen verklaren op grond dat zijn schuldvordering niet anterieur was aan de gewraakte notariële verkoop.
- De anterioriteitsvereiste vormt één van de vier toepassingsvoorwaarden van de pauliaanse vordering, naast de vereiste van de benadeling van de schuldeiser, het bedrog van de schuldenaar en de medeplichtigheid van een derde aan dat bedrog. De anterioriteitsvereiste impliceert dat een pauliaanse vordering slechts kan worden ingesteld door een schuldeiser wiens schuldvordering in beginsel ontstaan is voor de bestreden handeling. Volgens de vigerende rechtspraak en rechtsleer is aan deze voorwaarde evenwel reeds voldaan van zodra het principe of de oorzaak van de schuldvordering is ontstaan voor de bestreden handeling die met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeiser is verricht (Cass. 5 januari 2006, C.O4.O6O7.N, www.cass.be; Antwerpen 15 februari 1989, Pas. 1989, II, 209; Brussel 6 december 1967, Pas. 1968, II, 114; H. DE PAGE, Traité, Deel III, Brussel, 1967, 238, nr. 226; A. VAN OEVELEN, "Kroniek van het verbintenissenrecht (1993-2004), R.W. 2004-2005, 1661, nr. 43; K. VAN RAEMDONCK, " De draagwijdte van de anterioriteitsvereiste als een van de toepassingsvoorwaarden van de Pauliaanse vordering", R.W. 1998-99, 1179, nr. 5; C. VERBRUGGEN, "L'antériorité de la créance du demandeur dans l'action paulienne: du nouveau à l'occasion de l'action intentée contre une caution", T.B.H. 1998, 537, n° 7). In die optiek oordeelde Uw Hof reeds dat het niet vereist is dat het bedrag van de schuldvordering op het tijdstip van de bestreden handeling reeds is bepaald of dat de schuldvordering op dat tijdstip reeds werd vastgesteld in een rechterlijke beslissing (Cass. 5 januari 2OO5, C.O4.O6O7.N, www.cass.be; Cass. 19 maart 1998, A.C. 1998, nr. 156). Het volstaat m.a.w. dat het beginsel of de oorzaak van de schuldvordering bestond op het ogenblik dat de nadelige handeling door de schuldenaar werd gesteld, ook al wordt dat beginsel pas later verder uitgewerkt en zelfs al ondergaat de aard van de schuld nadien nog een verandering (Cass. 3 oktober 1985, A.C. 1985-86, nr. 62). De schuldvordering moet niet vaststaand of opeisbaar zijn op het ogenblik dat de gewraakte handeling wordt gesteld, maar wel op het ogenblik dat de Pauliaanse vordering wordt ingesteld (R. KRUITHOF, H. BOCKEN, F. DE LY en B. DE TEMMERMAN, "Overzicht van rechtspraak (1981-1992) - Verbintenissen", T.P.R. 1994, 689, nr. 363; K. VAN RAEMDONCK, o.c., 1179, nr. 5).
- Volgens het bestreden arrest was eerste verweerder slechts schuldenaar geworden van eiser door en ingevolge zijn strafrechtelijke veroordeling die krachtens de wet (art. 458 W.I.B. 1992) tot gevolg had hij hoofdelijk gehouden is tot betaling van de ontdoken belastingen. Het strafrechtelijk vonnis was volgens het hof van beroep bijgevolg ‘constitutief' voor het ontstaan van de schuld en vormde de ‘titel' op grond waarvan eerste verweerder als schuldenaar kon worden beschouwd van de ontdoken belasting. In zoverre de schuldvordering van eiser slechts door de strafrechtelijke veroordeling van 14 oktober 1994 was ontstaan, was deze schuldvordering volgens de appelrechters bijgevolg posterieur aan de gewraakte verkoop van 26 juli
- De appelrechters kunnen worden bijgetreden waar zij stellen dat de schuldvordering van eiser op eerste verweerder formeel is ontstaan op het tijdstip van de correctionele veroordeling die wettelijk de hoofdelijke gehoudenheid van eerste verweerder voor de betaling van de ontdoken vennootschapsbelasting voor gevolg had. Voor de beoordeling van de anterioriteitsvereiste inzake de pauliaanse vordering moet volgens de hoger vermelde principes evenwel tevens worden nagegaan op welk ogenblik de oorzaak van de schuldvordering van eiser op eerste verweerder te situeren valt. De fiscale inbreuken waarvoor eerste verweerder werd vervolgd zijn m.i. de oorzaak van eisers schuldvordering. De strafrechtelijke inbreuken kunnen beschouwd worden als de initiële oorzaak van de gehoudenheid van de schuldenaar in de zin waarop DE PAGE de oorzaak of titel van de schuldvordering opvat (H DE PAGE, o.c., nr. 226). Het tijdstip van het schadeverwekkende misdrijf, dat erop was gericht belastingen te ontduiken, is bijgevolg bepalend voor de beoordeling van de anterioriteitsvereiste. Zoals hoger reeds werd gesteld, kan het feit dat het exacte bedrag van de schuldvordering van eiser nog niet vaststond op het ogenblik van de gewraakte verkoop, noch de omstandigheid dat de hoofdelijkheid pas later zou worden vastgesteld in een rechterlijke beslissing, daaraan geen afbreuk doen. Eiser verwijst in dit verband terecht naar de zaak (C.O4.O6O7.N) die aanleiding gaf tot het cassatiearrest van 5 januari 2006, waarin beslist werd dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder van een vennootschap voor de betaling van het passief van de in faling gestelde vennootschap - zijnde een hoofdelijkheid die krachtens artikel 63ter van de Vennootschapswet het gevolg is van een veroordeling wegens bestuursfouten - zijn oorzaak vindt in die bestuursfouten zelf en niet in het veroordelend vonnis. Het in die zaak aangevochten arrest kon volgens Uw Hof wettig beslissen dat de verweerders aan de anterioriteitsvoorwaarde voldeden door te stellen dat de oorzaak van de schuldvordering is gelegen in de bestuursfouten die eiser gemaakt heeft als bestuurder van de gefailleerde vennootschap ofschoon hij slechts na de gewraakte schenking en verkoop bij vonnis van 7 juni 1993 hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor het passief van de faling. Deze rechtspraak is m.i. ook toepasbaar op onderhavige zaak. Deze interpretatie van de anterioriteitsvoorwaarde lijkt mij ook het best in overeenstemming te brengen met het doel van artikel 458 W.I.B. 1992 dat er in bestaat daders of medeplichtigen van fiscale misdrijven hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de door die misdrijven ontdoken belasting. In de interpretatie van het bestreden arrest, krijgt de dader of mededader van fiscale misdrijven die aan de ontduiking ten grondslag liggen, ruimschoots de mogelijkheid om hangende het strafonderzoek zijn vermogen te onttrekken aan de schuldeiser van de ontdoken belasting. Aldus wordt artikel 458 W.I.B. 1992 voor een groot stuk uitgehold. Zulks is des te meer het geval omdat de administratie, hangende de strafprocedure, de door een vennootschap ontdoken belasting niet als verdoken inkomsten kan belasten in hoofde van haar bestuurders die de fraude als ‘mededaders' hebben gepleegd, en dus zichzelf geen titel kan verschaffen (Antwerpen 15 december 1998, F.J.F. nr. 99/96; L. HUYBRECHTS, "Fiscaal strafrecht", in APR, 2002, E. Story-Scientia, p. 93, nr. 179). Het bestreden arrest heeft derhalve in het kader van de beoordeling van de anterioriteitsvoorwaarde van de door eiser ingestelde pauliaanse vordering niet wettig kunnen oordelen dat de schuldvordering van eiser op eerste verweerder is ontstaan door diens strafrechtelijke veroordeling van 14 oktober 1994, zonder na te gaan op welk tijdstip de fiscale inbreuken werden gepleegd die als oorzaak van die schuldvordering in aanmerking te nemen waren. Besluit: VERNIETIGING. ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080320.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div