← België

ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080331.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 31 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080331.4 Rolnummer: C.07.0102.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-04-16 Raadplegingen: 227 - laatst gezien 2026-07-03 04:57 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080331.4 Fiche 1 Een middel dat schending aanvoert van een wetsartikel dat werd opgeheven, maar nadien terug van kracht wordt, verwijst naar de inmiddels opnieuw van kracht zijnde bepaling

(1).
(1)Zie conclusie O.M. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Vereiste vermeldingen UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Planschade en -baten Vrije woorden: Opgeheven wetsbepaling Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1080 Fiche 2 De akte deling tussen onverdeelde eigenaars is declaratief van aard en niet eigendomsoverdragend, zodat de appelrechters die voor het bepalen van de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, de datum van de akte deling in aanmerking nemen, hun beslissing niet naar recht verantwoorden
(1).
(1)Zie conclusie O.M. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - RUIMTELIJKE ORDENING. PLAN VAN AANLEG UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Planschade en -baten Vrije woorden: Planschade - Schadevergoeding - Berekening - Verwervingswaarde - Akte deling Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 22-10-1996 - Art. 35 oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 577-2, § 8 en 883 Fiche 3 De rente verschuldigd wegens het uitblijven van planschadevergoeding, is ten vroegste verschuldigd vanaf het ontstaan van dit recht op schadevergoeding overeenkomstig artikel 35, derde lid van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening
(1).
(1)Zie conclusie O.M. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - RUIMTELIJKE ORDENING. PLAN VAN AANLEG UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Planschade en -baten Vrije woorden: Planschade - Recht op schadevergoeding - Verschuldigde rente - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 22-10-1996 - Art. 35 Tekst van de conclusie C.07.0102.N Advocaat-generaal Mortier heeft in substantie gezegd: In huidig geschil staat artikel 35 van het coördinatiedecreet betreffende de ruimtelijke ordening van 22 oktober 1996 centraal. Dit artikel voorziet in een schadevergoeding, verschuldigd door het Vlaamse gewest, de vereniging van gemeenten of de gemeente, wanneer het bouw- of verkavelingsverbod volgend uit een plan dat bindende kracht heeft verkregen, een einde maakt aan het gebruik waarvoor het goed dient of normaal bestemd is de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding. Het principe van de planschadevergoeding was reeds voorzien in artikel 37 van de stedenbouwwet van 29 maart 1962 en dit als tegenpool van de mogelijkheid tot het opmaken van een plan van aanleg met een bouwverbod, maar hield niet in dat een eigenaar in alle omstandigheden recht had op (volledige) schadeloosstelling. De in de stedenbouwwet voorziene regeling kende een grondige wijziging door de wet van 22 december 1977 houdende budgettaire voorstellen, die beoogde de budgettaire weerslag van de planschadeverplichtingen in te perken door te sleutelen aan de berekeningswijze van de vergoedingen. Het ontstaan van het recht op een planschadevergoeding werd onderworpen aan een aantal voorwaarden. De regeling die in het artikel 35 van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 werd opgenomen voorziet dat het recht op planschadevergoeding ontstaat bij overdracht van het goed, ofwel bij weigering van een bouw- of verkavelingsvergunning of bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest. In de rechtspraak van Uw Hof, maar bepaald de arresten van 16 april 1999
(1), 17 maart 2000
(2)en 21 september 2000
(3)werd deze regel verduidelijkt in die zin dat de minderwaarde wel ontstaat op het ogenblik waarop het plan van aanleg dat de nieuwe bestemming voorziet uitwerking krijgt, maar dat het recht op schadevergoeding slechts ontstaat vanaf het ogenblik dat een daad gesteld wordt die de minderwaarde tot uiting brengt. Het tweede lid van artikel 35 van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 werd bij decreet van 19 december 1998 aangevuld met bepalingen die verduidelijkten hoe de waardevermindering van een goed diende berekend te worden. Dit artikel werd aanvankelijk door een decreetswijziging opgeheven maar nadien opnieuw ingevoerd en is thans nog steeds opgenomen in het decreet van 18 mei 1999 houdende de ruimtelijke ordening. Verweerder voert in zijn memorie van antwoord aan dat het eerste onderdeel niet ontvankelijk is omdat eiser deze herhaalde wijzigingen niet gepreciseerd opneemt in de vermelding van geschonden bepalingen. Het middel van niet-ontvankelijkheid kan m.i. niet aangenomen worden nu een middel dat schending aanvoert van een wetsartikel dat inmiddels werd gewijzigd verwijst naar het artikel zoals het gewijzigd is. Het als geschonden aangeduide wetsartikel is het artikel in zijn laatste versie en niets verplicht eiser de wijzigingshistoriek van een wetsartikel in extenso weer te geven wanneer duidelijk de schending van het wetsartikel in zijn laatste versie wordt bedoeld. Bij het ramen van de waardevermindering die voor schadeloosstelling in aanmerking komt, dient, aldus artikel 35 van het coördinatiedecreet, uitgegaan te worden van de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving. Die verwerving kan gebeuren door aankoop, inbreng, ruil, schenking, erfenis en vereist dat de gerechtigde minstens de naakte eigendom van het onroerend goed bezit, eventueel in onverdeeldheid met anderen.
(4)De verwervingswaarde is de waarde van het goed op dat ogenblik. Dit kan de "verkoopwaarde" of de "grondslagwaarde" van het onroerend goed zijn. Indien de verwerving aanleiding heeft gegeven tot de heffing van registratierechten of successierechten over de volle eigendom van het goed, geldt enkel het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor deze heffing ("grondslagwaarde"). Bij ontstentenis van dergelijke heffing geldt als verwervingswaarde, de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de dag van de verwerving. Zo oordeelde Uw Hof bij arrest van 3 januari 2003 dat wanneer een goed wordt verworven in een nalatenschap vooraleer enig recht op planschadevergoeding is ontstaan, de beginwaarde van dit goed, op basis waarvan de waardevermindering die voor schadeloosstelling in aanmerking komt wordt geraamd, bepaald wordt op het ogenblik van het overlijden, op grond van het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de successierechten.
(5)Het eerste onderdeel van het middel gaat er terecht van uit dat de appelrechters het begrip "volle eigendom van het goed" zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 35 van het stedenbouwdecreet hebben miskend door te oordelen dat "De aankoop van de gronden in 1963 niet als basis heeft gediend voor de heffing van de registratie- en successierechten voor de volle eigendom van de gronden nu uit de verkoopakte blijkt dat verweerders slechts eigenaar werden van één derde van de betrokken percelen. Als verwervingswaarde dient derhalve te worden weerhouden de waarde van de percelen als bouwgrond op datum van de akte deling, als gevolg waarvan verweerders uiteindelijk de volle eigendom dit is de eigendom over de volledige betrokken percelen verwierven." Dit standpunt schakelt immers het begrip "volle eigendom" zoals bedoeld in artikel 544 BW gelijk met het begrip "eigendom van het volledig onroerend goed". Artikel 544 BW definieert de eigendom als het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken. Dat dit recht niet noodzakelijk exclusief aan 1 persoon dient toe te behoren blijkt uit de bepalingen met betrekking tot de mede-eigendom, waarbij, althans artikel 577BW de eigendom van de zaak onverdeeld aan verscheidene personen toebehoort waarbij de mede-eigenaar over zijn aandeel kan beschikken en hij recht heeft op het gebruik en genot van de gemeenschappelijke zaak, overeenkomstig haar bestemming en voor zover zulks met het recht van de deelgenoten verenigbaar is. Het feit dat diverse personen mede-eigenaar zijn van een onroerend goed staat er bijgevolg niet aan in de weg dat elk van die mede-eigenaars de volle eigendom heeft over zijn aandeel in de zaak. Evenmin vereisen de voormelde bepalingen van het B.W. noch de bepalingen van het stedenbouw decreet dat een planschadevordering slechts kan ingesteld worden door de persoon die eigenaar is van het volledig goed. Door voor de toepassing van artikel 35, tweede lid van het stedenbouwdecreet de datum voor het bepalen van de waarde van het onroerend goed te situeren op de datum waarop verweerders eigenaar werden over het volledig goed hebben zij dit artikel geschonden. Eveneens hebben zij, zoals aangevoerd wordt in het tweede onderdeel, ten onrechte aangenomen dat verweerders op het moment van de akte deling eigenaars werden van het volledig onroerend goed waardoor zij aan deze akte deling een eigendomsoverdragend karakter hebben toegekend. Uw Hof besliste bij de hogervermelde arresten van 16 april 1999 en 21 september 2000 dat recht op planschadevergoeding ontstaat ofwel bij overdracht van het goed, ofwel bij de weigering van een bouw- of verkavelingsvergunning of nog bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest; dat wanneer erfgenamen in onverdeeldheid bepaalde goederen hebben die het voorwerp zijn van een plan van aanleg, de minderwaarde ontstaat op het ogenblik dat het plan van aanleg uitwerking heeft, maar het recht op schadevergoeding slechts ontstaat vanaf het ogenblik dat een daad wordt gesteld die de minderwaarde tot uiting brengt; dat wanneer een mede-eigenaar van een onroerend goed door de vereffening en verdeling van de nalatenschap dit goed in zijn kavel krijgt er geen overdracht is in de zin van artikel 37, derde lid van de stedenbouwwet. Een akte deling heeft dus geen eigendomsoverdragend karakter en is enkel declaratief van aard. Het onderdeel is bijgevolg gegrond. Ook het tweede middel is gegrond. Zoals vermeld ontstaat het recht op schadevergoeding niet op het ogenblik dat de minwaarde ontstaat, namelijk op het ogenblik waarop het plan van aanleg dat de nieuwe bestemming voorziet uitwerking krijgt, maar wel op het ogenblik dat een daad gesteld wordt die de minderwaarde tot uiting brengt. Deze daad vormt het startfeit van de planschadevordering en betreft de ontvankelijkheid van de vordering. De rente die verschuldigd is wegens het uitblijven van de planschadevergoeding kan bijgevolg ten vroegste verschuldigd zijn vanaf het ontstaan van het recht op schadevergoeding. De appelrechters hebben evenwel interesten toegekend vanaf een datum die zich situeert lang voor het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verantwoorden in die zin hun beslissing niet naar recht. Conclusie: VERNIETIGING ARREST ____________________
(1)Cass., 16 april 1999, A.R. C.97.0134.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990416.7; A.C. 1999, nr. 215.
(2)Cass., 17 maart 2000, A.R. C.98.0406.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000317.6, A.C.2000, nr. 185.
(3)Cass., 21 september 2000, A.R. C.96.0429.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000921.4, A.C.2000, nr. 485.
(4)De Preter F. Planschade en planbaten, Handboek ruimtelijke ordening en stedenbouw, Die Keure, 2004, 490.
(5)Cass., 3 januari 2003, A.R. C.01.0349.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030103.6; A.C. 2003, nr.7. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080331.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990416.7 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000317.6 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000921.4 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030103.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.