← België

ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080410.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 april 2008 EC

Art. 46

Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechten van de schuldeisers Vrije woorden: Faillissement - Door de failliet gesloten lopende overeenkomst - Beëindiging door de curator - Criteria Wettelijke bepalingen:

Art. 46

Fiches 3 - 5 Het staat aan de curator te bewijzen dat de beëindiging van een door de failliet gesloten lopende overeenkomst noodzakelijk is voor het beheer van de boedel. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechten van de schuldeisers Vrije woorden: Door de failliet gesloten lopende overeenkomst - Beëindiging door de curator - Noodzakelijkheid - Bewijslast Wettelijke bepalingen:

Art. 46

Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechten van de schuldeisers Vrije woorden: Faillissement - Door de failliet gesloten lopende overeenkomst - Beëindiging door de curator - Noodzakelijkheid - Bewijslast Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechten van de schuldeisers Vrije woorden: Faillissement - Door de failliet gesloten lopende overeenkomst - Beëindiging door de curator - Noodzakelijkheid - Bewijslast Wettelijke bepalingen:

Art. 46Fiches 6 - 7 Concl.

adv.-gen. DUBRULLE, Cass., 10 april 2008, AR C.05.0527.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechten van de schuldeisers Vrije woorden: Door de failliet gesloten lopende overeenkomst - Beëindiging door de curator - Criteria Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechten van de schuldeisers Vrije woorden: Faillissement - Door de failliet gesloten lopende overeenkomst - Beëindiging door de curator - Criteria Annotaties Publicaties: J.T. - Thomas HÜRNER; La poursuite des contracts en cours en cas de faillite : essai de rationalisation. - 2008, 341-348 N.J.W. - Peter COUSSEMENT; Beëindiging tegenwerpelijke huurovereenkomst door curatoren. - nr.184, 494-496 Juristenkrant - Filiz LORKMAZER; Zijn er grenzen aan de bevoegdheid van de curator? - 2008, 8 Tekst van de conclusie C.05.0527.N Conclusie van het openbaar ministerie

  1. Het bestreden arrest beslist dat de schriftelijke pachtovereenkomst van 1 oktober 1997 tussen eiser - de pachter - en de N.V. BATILOC - de verpachter - zonder inachtneming van de dwingende pachtwetgeving op 24 juli 1998 kon beëindigd worden door de curator van de op 14 juli 1998 faillietverklaarde N.V. BATILOC, zodat het gepachte onroerend goed vrij van verhuring en van pacht kon verkocht worden. Het arrest oordeelt dat het pachtrecht er niet aan in de weg staat dat de curator een overeenkomst krachtens de hem door artikel 46 van de Faillissementswet daartoe verleende bevoegdheid beëindigt als "het goede beheer van de boedel en de vrijwaring van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de schuldeisers" zulks vereist (met verwijzing naar het arrest van het Hof van 24 juni 2004) en dat zulks het geval is nu de omstandigheid dat de landbouwpercelen verpacht worden een substantiële negatieve weerslag heeft op de prijs die ervoor geboden wordt.
  2. In het eerste onderdeel van het cassatiemiddel wordt in hoofdorde een schending van artikel 46 van de Faillissementswet 1997 aangevoerd. Het eerste lid van § 1

(1)van dit artikel bepaalt: "Na hun ambtsaanvaarding beslissen de curators onverwijld of zij de overeenkomsten die gesloten zijn voor de datum van het vonnis van faillietverklaring en waaraan door dat vonnis geen einde wordt gemaakt, al dan niet verder uit te voeren". Het onderdeel stelt de vraag naar de betekenis van dit laatste concept. Het gaat uit van de opvatting dat het de curator niet toelaat de pachtovereenkomst "te beëindigen", tenzij mits eerbiediging van de Pachtwet. De doctrine heeft aan deze vraag, waarop de wetvoorbereiding geen antwoord biedt, heel wat aandacht besteed, inzonderheid na het voormelde arrest van het Hof van 24 juni 2004
(2), gewezen op strijdige conclusie van het O.M.
(3). Dit arrest verklaart gegrond het (tweede onderdeel) van het cassatiemiddel, aangevoerd door de curator van een gefailleerde verhuurder, wegens schending van artikel 46 van de Faillissementswet, doordat het hof van beroep zijn beoordeling op onwettige wijze in de plaats stelde van de wettige beoordeling, door die curator, van de opportuniteit om de handelshuurovereenkomst, waardoor de gefailleerde verbonden was, bij toepassing van die bepaling te beëindigen. Na eraan te hebben herinnerd dat het faillissement geen einde stelt aan een bestaande overeenkomst, die (tenzij ze een uitdrukkelijk ontbindend beding inhoudt of intuitu personae met de failliet is gesloten) aan de boedel kan worden tegengeworpen en aldus in beginsel door de curator moet worden uitgevoerd, oordeelt het Hof dat de beslissingbevoegdheid die de curator ontleent aan artikel 46 van de Faillissementswet en die alle tegenwerpelijke overeenkomsten gesloten door de failliet aangaat, beperkt blijft tot hetgeen vereist wordt door het goede beheer van de boedel en de vrijwaring van het beginsel van de gelijkheid van de schuldeisers. Het Hof beslist dat het de curator niet staat aan dergelijke overeenkomst een einde te stellen wanneer haar voortzetting de normale vereffening van de boedel niet belet maar dat hij aan die overeenkomst wel een einde kan stellen indien haar beëindiging noodzakelijk is voor het beheer van de boedel als een goede huisvader, onverminderd de rechten die dan voortvloeien voor de medecontractant van de failliet wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst. Het bestreden arrest wordt verbroken omdat de appelrechters o.m. oordelen dat niets de keuze van de curator in de weg staat "zonder in concreto na te gaan welke de gevolgen waren voor de vereffening van het faillissement". 3. De commentatoren van dit belangrijk arrest stellen hoofdzakelijk vragen over zijn draagwijdte. In zoverre het meer betekent dan een vernietiging omdat de controle van de beslissing van de curator door de appelrechters ontoereikend was en het ook inhoudt dat de curator werkelijk een "einde kan stellen" aan een overeenkomst, meent een meerderheid van auteurs nog steeds
(4)dat deze interpretatie van artikel 46 niet verenigbaar is met het contractenrecht
(5). Vooreerst houdt het arrest ontegensprekelijk meer in: de verplichting van de rechter de keuze van de curator in concreto te toetsen heeft alleen zin als vooraf werd uitgedrukt waarin de bevoegdheid van de curator, m.b.t. lopende overeenkomsten, bestaat. Verder kan niet ontkend worden dat het Hof het concept "een eind stellen aan" (die overeenkomsten) of (hun) "beëindiging" niet nader definieert doch enkel het (vage) wettelijk begrip overneemt ... omdat het onderdeel daartoe niet uitnodigde. De kritiek op een onduidelijke invulling van dat begrip
(6)is dus niet relevant. De wettelijke term heeft overigens niet de duidelijkheid van een begrip als "verbreken" (van de overeenkomsten). Gelet op de vaagheid van het wettelijk begrip zelf enerzijds en de vragen omtrent de draagwijdte van het cassatiearrest anderzijds, wordt - mede in acht genomen het groot belang voor de vereffeningpraktijk "versus" de contractuele rechten van derden - het antwoord van het Hof op het actuele middel beslist met grote belangstelling verwacht. Het zal dan ook met toegenomen aandacht tegenover dat precedent dienen afgewogen te worden. En de vraag rijst dus of die rechtspraak dan dient verfijnd te worden, dan wel bijgestuurd of zelfs gewend. De grenzen van (of de redenen voor?) de beslissingbevoegdheid van de curator van de gefailleerde verpachter zijn inderdaad niet wezenlijk verschillend van deze welke gelden voor de curator van een gefailleerde verhuurder, gebonden door de handelshuurwet. Zoals deze wet de huurder (en het handelsfonds) beschermt, beoogt de Pachtwet de bescherming van de pachter en bevat ook zij daarom dwingende bepalingen. Dit is in dit geval de eiser in cassatie, wiens middel - dat o.m. schending van de Pachtwet aanvoert - ertoe strekt te horen zeggen voor recht, dat de curator de pachtovereenkomst niet dan met naleving van de dwingende bepalingen van deze wet kon beëindigen. Hoewel thans dus niet de (volgens het Hof vrij ruime) beslissingsbevoegdheid van de curator (en haar toetsing door de rechter) als zodanig aan de orde is, staat het begrip "beëindiging" van of een "einde stellen aan" een lopende (en door dwingende wetsbepalingen beheerste) overeenkomst door de curator nu alleszins centraal. Het middel lijkt het Hof dus uit te nodigen minstens, uitgaand van de in het arrest van 24 juni 2004 bepaalde criteria, verder stelling te nemen over deze vraag: houdt het aan artikel 46 van de Faillissementswet ontleend recht van de curator om een lopende (pacht)overeenkomst niet verder uit te voeren ook het recht in deze overeenkomst te beëindigen (door uitdrijving van de pachter en verkoop van het pachtgoed, vrij van pacht), zonder de dwingende bepalingen van de Pachtwet in acht te nemen? 5. De wet zelf (art. 46, eerste lid, Faillissementswet) bepaalt dat door het vonnis van faillietverklaring aan overeenkomsten een "einde kan worden gemaakt" maar, zoals reeds overvloedig is gebleken, verduidelijkt ze dit vage begrip niet. Dit wordt ook in de voorbereidende werken niet gepreciseerd. De door het Hof, in voormeld arrest, vooropgestelde regel dat aan de (andere) overeenkomsten (zoals, te dezen, een pacht) principieel geen einde wordt gemaakt is thans uiteraard niet het voorwerp van de betwisting door de uitgezette pachter, zomin als een bepaald principieel keuzerecht van de curator. Blijft dus deze essentiële vraag: of die keuze van de curator die overeenkomst "niet verder uit te voeren" ook includeert ze "te beëindigen", m.a.w. ze te "verbreken" en vooraf te weten wat met beide juridisch niet nader omschreven begrippen bedoeld wordt. Het eerste begrip heeft een "passieve" connotatie, in die zin dat verplichtingen eenzijdig niet zullen worden nageleefd (bv. door een huur of pacht niet meer te betalen), terwijl het tweede begrip ("beëindigen") een "actief" optreden onderstelt, waarbij een einde van de wederzijdse verplichtingen beoogd wordt (bv. door een huurder of pachter uit te zetten). Om te weten "hoever" de curator bij de evaluatie van de lopende overeenkomsten kan gaan is de finaliteit van zijn optierecht beslissend. Het doel is het belang van de boedel (het niet toenemen van het passief) te dienen. Het Hof stelt het "goede beheer van de boedel" als eerste beperking bij de keuze om de lopende overeenkomst niet verder uit te voeren. Als dit beheer het vereist is deze keuze verantwoord. De tweede vereiste is, nog volgens het Hof, de gelijkheid van de schuldeisers. Tot zover lijkt over deze ratio in de rechtsleer geen discussie te bestaan
(7).
  1. Zoveel te meer bestaat er betwisting over de vraag of dat doel ook rechtvaardigt dat het gemeen verbintenissenrecht door die keuze als het ware geheel terzijde wordt geschoven. Het lijkt inderdaad niet zonder meer aanvaardbaar dat het intreden van een toestand van faillissement abrupt een einde maakt aan de rechten van medecontractanten. Het Hof heeft dit echter ook duidelijk onderkend en juist daarom gepreciseerd dat het bedoelde keuzerecht van de curator geldt "onverminderd de rechten die dan voortvloeien voor de medecontractant van de failliet wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst". Ook al zou deze medecontractant dan moeten genoegen nemen met slechts een dividend van het te verdelen actief, zijn belang kan niet opwegen tegen dat van alle schuldeisers samen (waartoe hij dan overigens zelf behoort). De rechtsleer die hiermee zoveel moeite heeft maakt echter hoofdzakelijk bezwaar tegen het negeren van de modaliteiten bij het (actief) beëindigen van de overeenkomst, zeker als het dwingend recht zich daartegen verzet. Ook in het onderdeel wordt blijkbaar voor deze benadering gekozen. Het heeft, m.i., niet enkel als uitgangspunt dat art. 46 F.W. slechts recht geeft de overeenkomst niet verder uit te voeren. Het lijkt me nogal wat meer in te houden:
  2. "niet uitvoeren" laat niet toe te beëindigen;
  3. een pachtovereenkomst, door uitdrijving van de pachter en verkoop "vrij van pacht";
  4. zonder de dwingende bepalingen van de Pachtwet na te leven. Het Hof kan, in deze lezing, dan ook niet volstaan met het antwoord dat het onderdeel uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, d.i. met miskenning van de leer van het Hof in het arrest van 24 juni 2004, waarnaar het (zoals het bestreden arrest) refereert, in zoverre eiser voorhoudt wat art. 46 niet inhoudt (beëindiging), terwijl het de vraag stelt wat het wél inhoudt (daadwerkelijke beëindiging). Ik meen dus dat hier toch een "positieve" rechtsregel verwacht wordt: includeert het wettelijk begrip "al dan niet verder (overeenkomsten) uit te voeren" ook "actief" een einde stellen aan de contractuele (rechten en) verplichtingen van de partijen, inzonderheid van de gefailleerde schuldenaar, zegge het recht de overeenkomst (ex nunc) te "verbreken"? Een loutere herhaling van het precedent kan overigens enkel de vastgestelde onvrede in de rechtsleer en het onbegrip in de rechtspraak doen toenemen.
  5. Welnu, dat de curator die verregaande bevoegdheid zou hebben lijkt me een postulaat te zijn dat op geen enkele "duidelijke" wettekst gesteund is en moeilijk verzoenbaar is met het gewone overeenkomstenrecht. Volgende argumenten pleiten voor deze opvatting.
  6. Het tweede lid van datzelfde artikel 46 F.W. bepaalt dat "de partij die de overeenkomst met de gefailleerde heeft gesloten, de curators (kan) aanmanen om die beslissing (de overeenkomsten al dan niet verder uit te voeren) binnen vijftien dagen te nemen. Indien (...) de curators geen beslissing nemen, wordt de overeenkomst geacht door toedoen van de curators te zijn verbroken (...)." M.a.w., het initiatief dient uit te gaan van de contractant ... niet van de curator, of: alleen dan is verbreking mogelijk.
  7. Bij artikel 3 van de wet van 15 juli 2005
(8)werd een tweede paragraaf toegevoegd aan artikel 46, waardoor aan de curators de bevoegdheid verleend wordt uitdrukkelijk of stilzwijgend hun wil te kennen te geven de bestaande arbeidsovereenkomsten te "beëindigen", zonder verplichting de bijzondere formaliteiten en procedures te vervullen. Ook al is deze toevoeging te dezen niet toepasselijk, ze geeft alleszins aan dat het ook niet eerder de bedoeling was van de wetgever deze afwijkende regeling uit te breiden tot andere overeenkomsten en allerminst tot deze welke ook door dwingende wetsbepalingen beheerst worden. De parlementaire voorbereiding laat in elk geval ook niet toe te besluiten dat deze bedoeling aan de nieuwe wet ten grondslag lag of voor de toekomst zou gelden
(9). 3. Het Hof heeft t.a., in het arrest van 11 april 2005
(10), reeds overwogen dat de Faillissementswet (van 18 apri1 1851) geen van het artikel 14 van de Handelshuurwet afwijkende bepalingen inhoudt en dat het goede beheer van een faillissement de curator niet het recht verleent aan de huurder die regelmatig een huurhernieuwing heeft gevraagd, een antwoord met een voorbehoud of een ontbindende voorwaarde te geven, evenmin als dit hem het recht ontzegt zijn antwoord uit te stellen tot de laatste dag. Deze opvatting geldt eveneens voor de Faillissementswet van 8 augustus 1997. Ook al was artikel 46 F.W. toen niet aan de orde, er is althans beslist dat de Faillissementswet geen voorrang heeft op de Handelshuurwet. 4. De doctrine na deze precedenten
(11)sluit terug eensgezind aan bij de traditionele overeenkomstenleer. Slechts een enkele stelling wijkt hiervan af, evenwel zonder kennis van het arrest van 11 april 2005
(12). 8. Het komt me voor dat het Hof, nu dit onderdeel hierop gericht is, thans de betekenis die aan artikel 46 van de Faillissementswet moet gegeven worden dus nader zal dienen te preciseren. Zelf blijf ik de mening toegedaan dat deze bepaling - indien ze een actief optreden van de curator toelaat - (en dus ook de rechtspraak van het Hof) zeer restrictief moet uitgelegd worden. Alleszins lijkt me de aan de curator door het Hof erkende bevoegdheid onder de strikte vereiste van de noodzakelijkheid voor het beheer van de boedel (als een goede huisvader) niet te kunnen aanvaard worden zonder naleving van dwingende wetsbepalingen, zoals de Pachtwet, die beoogt de pachter te beschermen. De appelrechters, die oordelen dat de curator de pachtovereenkomst kon beëindigen "ongeacht of (
  1. ze)al dan niet beheerst wordt door wetsbepalingen die tot het dwingende recht behoren", verantwoorden hun beslissing aldus niet naar recht. Het onderdeel, in zoverre het stelt dat de curator zulk initiatief niet kon nemen, lijkt me derhalve gegrond. Ook al stelt het verder dat "een daadwerkelijke beëindiging van de pachtovereenkomst" slechts kon gebeuren mist eerbiediging van de "relevante" bepalingen van de Pachtwet, zonder de inhoud van deze bepalingen te vermelden, noch dus aan te duiden welk(
  2. e)wettelijk(
  3. e)voorschrift(
  4. en)de curator dan wel had moeten eerbiedigen, de schending van voormeld artikel 46, doordat het geldt "ongeacht" het dwingend recht, lijkt me een voldoende - en dus ontvankelijke - grief. De overige onderdelen kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Conclusie: vernietiging. _________________
(1)Aldus genummerd en waaraan een § 2 werd toegevoegd bij art. 3 W. 15 juli 2005 (B.S. 1 aug. 2005).
(2)AR C.02.0416.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040624.11, A.C., 2004, nr. 354, R.W. 2005-2006, 53, met noot S. Brijns: Artikel 46 Faillissementswet: is de curator van de failliete verhuurder een tovenaar?, T.B.H. 2005, 241, met noot A. Zenner & C. Falter: Faillite et contrats en cours: faculté de ne pas poursuivre I'exécution ou droit de résiliation dans le chef du curateur?, 245 en noot Chr. Van Buggenhout & I. Van de Mierop: Wat baten kaars en bril, als den uil niet zien wil?, 253.
(3)Met verwijzing naar de doctrine, Bull., l.c., p. 1130, voetnoot
(2)en p. 1135, voetnoot
(1).
(4)Zoals eerder E. Dirix, Faillissement en lopende overeenkomsten, R.W. 2003-2004, 201, inz. 209, nr. 23.
(5)S. Brijs, l.c., 55-56; A. Zenner & C. Alter, l.c., 245; A. De Wilde, Boedelschulden in het insolventierecht, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2005, 225; W. Van Lembergen, Heeft pandvestiging op huurgelden nog zin?, R.W. 2005-2006, 41.
(6)S. Brijns, l.c., 58.
(7)Zie A. De Wilde, o.c., 172, nr 174 en de voetnoten.
(8)B.S., 1 aug. 2005.
(9)A. Zenner & C. Falter, Faillite et contrats en cours: la portée de l'option du curateur (article 46 de la loi du 8 août 1997 sur les faillites, J.T. 2006, 573, inz. 576, nrs. 7,8 en 10.
(10)A.R. C.03.0383.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050411.8, www.cass.be.
(11)Zie voetnoot 1 en A. Zenner & C. Falter, l.c..
(12)Chr. Van Buggenhout &/ I. Van de Mierop, l.c. (maart 2005). Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080410.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040624.11 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050411.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.