← België

ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080424.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080424.6 Rolnummer: F.07.0014.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-05-13 Raadplegingen: 243 - laatst gezien 2026-07-03 04:47 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080424.6 Fiche 1 Een natuurlijke persoon of een rechtspersoon kan slechts als schuldenaar van een belasting in een dwangbevel worden opgenomen als een wettelijke bepaling de categorie van personen waartoe hij behoort, als schuldenaar van die belasting aanwijst. Thesaurus CAS: BELASTING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging Vrije woorden: Invordering - Dwangbevel - Aanwijzing als schuldenaar - Vereisten Fiche 2 Als er geen wettelijke grondslag bestaat om een natuurlijke of een rechtspersoon als schuldenaar van een belasting aan te wijzen, kan er ten aanzien van deze natuurlijke of rechtspersoon geen sprake zijn van vrijstelling of vermindering van die belasting. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel inzake belastingen - Vrijstelling of vermindering van belasting Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 Fiche 3 Een wetsbepaling is geen interpretatieve bepaling wanneer zij geen interpretatie waartoe de rechter kon komen, bekrachtigt maar wel een leemte in de wetgeving opvult

(1).
(1)zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - UITLEGGING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging Vrije woorden: Uitleggingswet Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 84 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 7 Fiches 4 - 5 Is geen interpretatieve wet het artikel 314 van de Programmawet van 22 december 2003 dat artikel 6bis invoegt in de Wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, krachtens welke bepaling de hoedanigheid van douaneschuldenaar tevens de hoedanigheid van accijnsschuldenaar insluit
(1).
(1)zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - UITLEGGING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging Vrije woorden: Artikel 314 Programmawet 22 dec. 2003 - Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 22-12-2003 - Art. 314 Wet - 10-06-1997 - Art. 6bis Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging Vrije woorden: Douane - Extern communautair douanevervoer - Aangever - Hoedanigheid van accijnsschuldenaar - Artikel 314 Programmawet 22 dec. 2003 - Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 22-12-2003 - Art. 314 Wet - 10-06-1997 - Art. 6bis Fiches 6 - 8 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 24 april 2008, AR F.07.0014.N, A.C., 2008, nr. .... Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - UITLEGGING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging Vrije woorden: Uitleggingswet Artikel 314 Programmawet 22 dec. 2003 - Aard Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Uitlegging Vrije woorden: Douane - Extern communautair douanevervoer - Aangever - Hoedanigheid van accijnsschuldenaar - Artikel 314 Programmawet 22 dec. 2003 - Aard Tekst van de conclusie F.07.0014.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:
  1. De feiten en procedurevoorgaanden. Onderhavige betwisting betreft de vraag of de aangever in extern communautair douanevervoer, in geval van diefstal van accijnsgoederen tijdens het vervoer, gehouden is tot betaling van de accijns die verschuldigd wordt ten gevolge van de diefstal van die accijnsgoederen. De feiten en procedurevoorgaanden kunnen als volgt worden samengevat. Verweerster heeft ten kantore der douane en accijnzen een aangifte voor extern communautair douanevervoer T1 uitgereikt die op 2 maart 1999 geldig werd gemaakt. Onder dekking van die aangifte moesten 1056 kartons sigaretten vervoerd worden. Bij de aankomst van de goederen in het douanekantoor van bestemming werd een tekort vastgesteld van 376 kartons sigaretten. Dit tekort was het gevolg van een diefstal door onbekenden. Krachtens de artikelen 5 en 6 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop, zijn de verdwenen goederen onderworpen aan accijnzen. Door de diefstal werden douanerechten en accijnzen verschuldigd. Op 3 april 2001 maakte de rekenplichtige van de douane en accijnzen te Antwerpen een dwangbevel op voor de verschuldigde douanerechten en accijnzen, dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 4 april 2001 en aangetekend aan de verweerster werd verzonden op 9 april
  2. Verweerster deed verzet tegen dwangbevel. Zij wierp, voor wat de accijnzen betreft, op dat er geen wetsbepaling is die haar als schuldenaar van de accijnzen aanwijst. Het verzet van verweerster werd voor wat de accijnzen betreft ingewilligd in eerste aanleg en in hoger beroep. De appelrechters oordelen dat er een leemte was in de wetgeving voor wat de aanwijzing van verweerster als schuldenaar betreft en dat die leemte werd opgevuld door artikel 314 van de Programmawet van 12 december 2003 dat artikel 6bis invoerde in de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop. De appelrechters oordelen vervolgens dat deze bepaling geen interpretatieve bepaling is, zoals eiser voorhoudt, zodat verweerster op grond van deze bepaling niet kon worden aangesproken tot betaling van de litigieuze accijnzen en bijzondere accijnzen, zoals gevorderd in het bestreden dwangbevel. Het dwangbevel wordt in die mate ongedaan gemaakt.
  3. Bespreking van het middel. 2.
  4. De reeks bepalingen uit de douane- en accijnswetgeving die als geschonden worden aangewezen, tonen volgens de eiser aan dat verweerster reeds voor de invoering van artikel 6bis in de accijnswet van 10 juni 1997 als schuldenaar van de litigieuze accijnzen moest worden aangemerkt. In zoverre het bestreden arrest verweerster niet als schuldenaar aanmerkt, schendt het volgens eiser deze wetsbepalingen. In zoverre het artikel 7, Ger.W., artikel 314 Programmawet 22 december 2003 en artikel 6bis van de accijnswet als geschonden aanvoert, meent de eiser dat de appelrechters deze bepalingen geschonden hebben doordat ze artikel 314 niet als een interpretatieve bepaling aanmerken en verweerster niet op grond van artikel 6bis als schuldenaar van de litigieuze accijns beschouwen. 2.
  5. De ontvankelijkheid van het middel. Verweerster voert aan dat het enig middel niet ontvankelijk is wegens onduidelijkheid. Zij verwijst naar een niet gepubliceerd cassatiearrest van 14 februari 2002, AR C.98.0304.N dat stelt: "Overwegende dat het middel onderscheiden grieven aanvoert en niet aangeeft welke van de als geschonden wettelijke bepalingen op welke grief toepasselijk is; Dat het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk is". Verweerster wijst erop dat het middel, net als bij voormeld arrest het geval was, eindigt met de vermelding "(schending van alle bepalingen aangehaald in de aanhef van het middel)". Ik meen dat de door verweerder aldus opgeworpen grond van onontvankelijkheid niet kan worden aangenomen. Mijns inziens verwijst de voorziening bij de ontwikkeling van de grieven systematisch naar de toepasselijke bepalingen. Hoewel de voorziening niet uitdrukkelijk en formeel zegt dat deze aangehaalde bepalingen geschonden zijn, blijkt uit de lezing van de voorziening in cassatie en de toelichting mijns inziens welke wetsbepalingen de verzoeker voor elke grief als geschonden beschouwt. 2.
  6. Ten gronde. 2.3.
  7. Naast de doorgedreven communautaire harmonisatie op het vlak van de douanerechten, is een minder vergaande communautaire eenmaking inzake accijnzen het voorwerp geweest van Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controle daarop. Deze Richtlijn bepaalt slechts voor enkele gevallen door wie de accijns verschuldigd is.
(1)Geen van deze gevallen betreft evenwel de aangever in de douanerechten. Het Hof van justitie specifieerde in zijn arrest van 5 april 2001 overigens dat artikel 6, lid 1, van die richtlijn tot doel heeft vast te stellen wanneer de accijns daadwerkelijk verschuldigd wordt, zonder dat het in de bedoeling ligt te bepalen van wie de accijns kan worden geheven: "28. (...) Wanneer de verschuldigdheid eenmaal is vastgesteld, is het overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de richtlijn aan de lidstaten om te bepalen hoe en met name van wie de accijns wordt geheven."
(2)2.3.
  1. Als dergelijke nationale bepaling voert eiser artikel 6bis van de wet van 10 juni 1997 aan, zoals ingevoerd bij artikel 314 van de Programmawet van 22 december
  2. Bij ontbreken van enige overgangsbepaling is dit artikel in werking getreden op 10 januari 2004, zijnde de tiende dag na de publicatie van deze Programmawet in het Belgisch Staatsblad van 31 december
  3. Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat enkel voor de accijnsschulden die ontstaan vanaf 10 januari 2004 de regel geldt van artikel 6bis, § 1, 3°, van de wet van 10 juni 1997 dat de hoedanigheid van "douaneschuldenaar" tevens de hoedanigheid van "accijnsschuldenaar" insluit, vermits, krachtens artikel 6, lid 1 van dezelfde wet, de voorwaarden inzake de verschuldigdheid van de accijnzen deze zijn die van kracht zijn op de datum van de inverbruikstelling of van de vaststelling van tekorten. 2.3.
  4. Het argument dat de nieuwe wettekst interpretatief is -en dus één of meer andere nationale bepalingen uitlegt- kan niet worden bijgetreden. Verweerster werpt in haar memorie van antwoord in dit verband terecht op dat het bevreemdend is dat de wetgever de beweerdelijk geïnterpreteerde wetsbepalingen niet aanduidt. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 314 blijkt inderdaad niet dat het zou gaan om een interpretatieve wetsbepaling. De wetgever heeft het daarentegen over "een nieuwe bepaling" op grond waarvan de verplichting voor alle accijnsproducten die zich onder douanetoezicht bevinden en bijgevolg ook onder schorsing inzake accijnzen, in één artikel wordt geformuleerd, zodat niet meer moet worden teruggevallen op de bepalingen van de diverse douaneregelingen om die aansprakelijkheid te bepalen
(3). Die nieuwe bepaling wordt voorts als volgt toegelicht: "Naast de personen die de onregelmatigheid of de fraude hebben gepleegd zal ook de persoon die is opgetreden als aangever inzake douane aansprakelijk zijn voor de betaling van de douaneschuld. Indien op deze goederen tevens een accijns verschuldigd is, ligt het voor de hand dat ook die belasting door die persoon moet worden betaald"
(4). Tegen de kwalificatie van artikel 314 als uitleggingsbepaling pleit mijns inziens ook dat de wetgever met artikel 318 van dezelfde Programmawet 22 december 2003 ook wijzigingen heeft aangebracht in artikel 25 van de accijnswet van 10 juni 1997, één van de in casu genoemde verspreide bepalingen inzake de verschuldigdheid van accijns die zogenaamd worden samengebracht in artikel 6bis van dezelfde accijnswet. Artikel 25, §1, 2° voorziet thans uitdrukkelijk dat de erkend entrepothouder-verzender de accijns moet betalen die verschuldigd wordt door een onregelmatigheid of een overtreding tijdens het verkeer hier te lande, wanneer een vrijstelling van zekerheidsstelling werd toegestaan. Dit lijkt mij geen loutere uitlegging van de bestaande regel, maar wel een wijziging van de bestaande regel. Waar eiser verwijst naar de artikelen 257, § 1 en 266, § 1, van de AWDA, weze opgemerkt dat voor de inwerkingtreding van voormeld artikel 6bis in de douane- en accijnsreglementering telkens afzonderlijk bepaald werd welke belasting op welk tijdstip door welke persoon verschuldigd is. De omstandigheid dat eenzelfde gebeurtenis aanleiding kon geven tot het heffen van zowel douanerechten als accijnzen indien aan de in de beide wetgevingen daartoe gestelde voorwaarden cumulatief was voldaan, betekende geenszins dat de accijns automatisch verschuldigd was door de "douaneschuldenaar" om de enkele reden dat hij die hoedanigheid had. Zoals verweerster in haar memorie van antwoord stelt, stond dergelijk automatisme nergens in de wet ingeschreven. Het is dan ook een nieuwe regel die door voormeld artikel 6bis wordt ingevoerd en krachtens dewelke de personen die op basis van de douanewetgeving verplichtingen of voorwaarden moet naleven, tevens aangemerkt wordt als schuldenaar van de accijns bij, ook onregelmatige, invoer van accijnsproducten (memorie van antwoord, p. 4, in fine). 2.3.
  1. Eiser meent uit enkele bepalingen uit het communautair douanerecht te kunnen afleiden dat de aangever van het extern communautair douanevervoer, die om die reden aanzien wordt als een "douaneschuldenaar", daardoor tevens "accijnsschuldenaar" zou zijn. Op communautair vlak is de eenmaking van de douanewetgeving en van de accijnsreglementering evenwel afzonderlijk geregeld (cfr. supra). Zo bepaalt artikel 4, lid 10, van het Communautair Douanewetboek (CDW) uitdrukkelijk dat de accijnzen niet geviseerd zijn door de "rechten" waarop de communautaire douaneregeling toepasselijk is, met als gevolg dat de hoedanigheid van "douaneschuldenaar", die in artikel 203 CDW wordt bepaald, volkomen vreemd is aan de verschuldigdheid van welk soort accijns ook (cfr. bestreden arrest, p. 14). Volgens artikel 1 van de Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, "(behelst deze richtlijn) de regeling van de producten onderworpen aan accijnzen en andere indirecte belastingen die direct of indirect worden geheven op het verbruik van die producten, met uitzondering van de belasting over de toegevoegde waarde en de door de Europese gemeenschappen vastgestelde belastingen." Aldus zijn o.m. de douanerechten uitgesloten uit het toepassingsgebied van de Richtlijn. Zoals eiseres in haar memorie van antwoord onderstreept, hebben beide regelingen aldus hun eigen voorwerp, wat uitsluit dat in de ene regeling een grondslag kan gevonden worden voor wat ontbreekt of niet geregeld is in de andere regeling (memorie van antwoord, p. 5, in fine). 2.3.
  2. Eiser kan dan ook niet worden gevolgd waar hij voorhoudt dat uit de artikelen 91, 1, a en 203 CDW volgt dat de hoedanigheid van aangever van een bepaalde douaneregeling samengaat met de hoedanigheid van zowel douane- als accijnsschuldenaar. Het is niet omdat in de douaneregeling gesteld wordt in artikel 91, 1, a , CDW dat zolang de goederen regelmatig onder de regeling extern douanevervoer zijn geplaatst geen rechten bij invoer verschuldigd zijn, noch 'andere belastingen', dat daarom die 'andere belastingen' meteen verschuldigd zouden worden onder dezelfde voorwaarden en door dezelfde personen als de douanerechten. Die 'andere belastingen' zullen immers slechts verschuldigd zijn volgens de voorschriften van hun eigen regelgeving. In dit opzicht is ook artikel 199 CDW niet relevant, vermits de accijnsreglementering een eigen regeling inzake aangifte kent (cfr. de artt. 23 en 24 van de wet van 10 juni 1997). 2.3.
  3. Eiser kan evenmin worden gevolgd waar hij uit artikel 94, 1, CDW afleidt dat de conform die bepaling te stellen zekerheid inzake douanerechten, de verplichting impliceert in hoofde van de aangever om ook accijnzen te betalen. Volgens die bepaling "(is de aangever) verplicht een zekerheid te stellen als waarborg voor de betaling van de douaneschuld en de andere belastingschulden die ten aanzien van de goederen kunnen ontstaan." Uit die bepaling volgt dat de gestelde zekerheid ook kan gelden als waarborg voor de betaling van de andere belastingen, doch slechts voor zover de steller van de zekerheid in die andere belastingen als schuldenaar wordt aangeduid. 2.3.
  4. De verwijzing van eiser naar artikel 25, § 1, 1° van de wet van 10 juni 1997 lijkt mij niet relevant, vermits het in onderhavig geval gaat om een extern communautair douanevervoer en niet om een intracommunautair. 2.3.
  5. Het voorgaande leidt tot het besluit dat op het ogenblik waarop de litigieuze accijnzen in maart 1999 op de gestolen sigaretten verschuldigd werden, er geen enkele bepaling bestond, noch op communautair, noch op nationaal vlak, op grond waarvan het bestreden arrest verweerster kon veroordelen tot betaling van de litigieuze accijnzen. Nu verweerster aldus niet gehouden kon zijn tot enige accijnsschuld, kan er in haren hoofde geen sprake zijn van een vrijstelling of vermindering van een belasting in strijd met het verbod neergelegd in artikel 172 van de Grondwet. 2.3.
  6. De appelrechters analyseren de wetsbepalingen die door eiser in beroep werden naar voren gebracht om aan te tonen dat verweerster als schuldenaar van de litigieuze accijns kon worden aangezien en konden, gelet op het voorgaande, mijns inziens zonder schending van die wetsbepalingen tot het besluit komen dat voor de invoering van artikel 6bis in de accijnswet van 10 juni 1997 er geen rechtsgrond was om verweerster als schuldenaar van de accijns aan te wijzen: - de appelrechters oordelen terecht dat de artikelen 5 en 6 van de accijnswet van 10 juni 1997 geen wettelijke grondslag bevat op grond waarvan verweerster als schuldenaar kan worden aangewezen; - de appelrechters wijzen er terecht op dat artikel 203 van het Communautair Douanewetboek (DW)geen betrekking heeft op accijns; - de appelrechters stellen vast dat van verzoekster geen zekerheidsstelling werd geëist ondanks de wettelijke verplichting vervat in artikel 94, 1 CDW en besluiten dat verzoekster niet tot betaling van de accijns gehouden is op grond van artikel 25 § 1 accijnswet omdat zij niet kan worden aangemerkt als de natuurlijke persoon of rechtspersoon die zekerheid heeft gesteld voor de betaling (noch als entrepothouder van verzending) en omdat het in casu niet gaat om intracommunautair vervoer van accijnsproducten; - de appelrechters stellen mijns inziens terecht dat artikel 257§1 en 266, Algemene Wet inzake Douane en Accijnzen (AWDA) geen basis biedt om verweerster als schuldenaar van de accijns te beschouwen omdat de eerste bepaling enkel betrekking heeft op rechten bij invoer en uitvoer en niet op accijnzen en omdat verweerster niet als overtreder, medeplichtige of voor het misdrijf aansprakelijke persoon als bedoeld in de tweede bepaling kan worden beschouwd.
(5)Op grond van een strikte interpretatie van de geldende wetsbepalingen komen de appelrechters tot het besluit dat terzake de aanduiding van de schuldenaar van de litigieuze accijnzen er een lacune in de wetgeving bestond, die is opgevangen door de invoeging van artikel 6bis in de accijnswet door artikel 314 van de Programmawet van 22 december 2003. Vanuit deze analyse van de wetgeving inzake douane en accijnzen die leidt tot de vaststelling dat geen enkele geldende bepaling verweerster als schuldenaar van de accijns aanwijst, trekken de appelrechters de voor de hand liggende conclusie dat artikel 314 van de Programmawet van 22 december 2003, dat artikel 6bis inlaste in de accijnswet van 10 juni 1997, geen interpretatieve bepaling is. Een bepaling die geen mogelijke interpretatie van een bestaande bepaling oplegt, maar een leemte in de wetgeving opvult, kan geen uitleggingsbepaling zijn. Derhalve waren de appelrechters niet gehouden om toepassing te maken van het door voormelde bepaling in de accijnswet ingelaste artikel 6bis, dat slechts op 10 januari 2004 in werking trad en verweerster als aangever in het extern communautair douanevervoer, als schuldenaar van de accijns aanwijst die verschuldigd wordt ingevolge de onttrekking van de accijnsproducten. Het middel kan bijgevolg niet worden aangenomen. Besluit: VERWERPING. ARREST ___________________
(1)Zie de conclusie van Adv.-gen. D. Ruiz-Jarabo COLOMER, nr. 48, bij het arrest van het H. v. J., 5 april 2001, in de zaak C-325/99 inzake van de Water.
(2)H.v.j., 5 april 2001, nr. C-325/99, inzake van de Water.
(3)Parl.St., Kamer, 2003-2004, nr. 51 0473/001 en 51 0474/001, 161.
(4)Parl. St., Kamer, 2003-2004, nr. 51 0473/001 en 51 0474/001, 159.
(5)De eiser stelt mijns inziens ten onrechte dat 257 ook betrekking heeft op accijns, onder verwijzing naar een niet relevant cassatiearrest van 3 mei 2005. Dat arrest heeft het immers over artikel 205, AWDA, een bepaling die zelf uitdrukkelijk naar douanerechten én accijns verwijst. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080424.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190426.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.