Obsah (4)
Artikel 2Artikel 27Artikel 48Artikel 5id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 april 2008 EC
Artikel 2
, 2° - Exploiteren van kansspelen of van kansspelinrichtingen Wettelijke bepalingen: Wet - 07-05-1999 - Art. 2, 2° Fiche 2 Met het cumulverbod, zoals omschreven in artikel 27, eerste lid, Kansspelenwet, verbiedt de wet niet het aangaan van overeenkomsten tussen meerdere personen in verband met de exploitatie van kansspelen, maar het houderschap door een zelfde persoon van meerdere bepaalde vergunningen
(1).
(1)Zie conclusie O.M. Thesaurus CAS: SPELEN EN WEDDENSCHAPPEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Spelen en weddenschappen Vrije woorden:
Artikel 27
, eerste lid - Vergunning voor de exploitatie van een kansspelinrichting - Vergunning van kansspelen - Cumulverbod Wettelijke bepalingen: Wet - 07-05-1999 - Art. 27, eerste lid Fiches 3 - 4 Artikel 48 Kansspelenwet verbiedt de vergunninghouder klasse E niet met een vergunninghouder klasse A, B, C of D een overeenkomst aan te gaan waarbij de eerste toestellen voor kansspelen ter beschikking stelt van de tweede die instaat voor de exploitatie van die toestellen en beiden de opbrengst van die toestellen delen
(1).
(1)Zie conclusie O.M. Thesaurus CAS: SPELEN EN WEDDENSCHAPPEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Spelen en weddenschappen Vrije woorden:
Artikel 48Wettelijke bepalingen: Wet - 07-05-1999 - Art.
48 Vrije woorden:
Artikel 48
- Vergunninghouder klasse E - Vergunninghouder klasse A, B, C of D - Samenwerkingsovereenkomsten tussen de vergunninghouders Wettelijke bepalingen: Wet - 07-05-1999 - Art. 48 Fiches 5 - 9 Concl. adv.-gen. TIMPERMAN, Cass., 29 april 2008, AR P.07.1718.N, A.C., 2008, nr. ... Thesaurus CAS: SPELEN EN WEDDENSCHAPPEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Spelen en weddenschappen Vrije woorden:
Artikel 2
, 2° - Exploiteren van kansspelen of van kansspelinrichtingen
Artikel 27
, eerste lid - Vergunning voor de exploitatie van een kansspelinrichting - Vergunning van kansspelen - Cumulverbod
Artikel 48
Artikel 48
- Vergunninghouder klasse E - Vergunninghouder klasse A, B, C of D - Samenwerkingsovereenkomsten tussen de vergunninghouders Overeenkomsten met het oog op de exploitatie van kansspelen of van kansspelinrichtingen - Nietigheid -
Artikel 5
- Bestaanbaarheid met artikel 1965 Burgerlijk wetboek Annotaties Publicaties: NC - René VERSTRINGHE; Noot - 2009, 50-60 Tekst van de conclusie P.07.1718.N CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE Onderhavige zaak betreft een toepassing van de Wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers
(1), hierna aangeduid als Kansspelenwet. I. Relevante wettelijke bepalingen
- Artikel 2 van de Kansspelwet bepaalt: 'Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder: 1° kansspelen: elk spel of weddenschap, waarbij een ingebrachte inzet van om het even welke aard, hetzij het verlies van deze inzet door minstens één der spelers of wedders, hetzij een winst van om het even welke aard voor minstens één der spelers, wedders of inrichters van het spel of de weddenschap tot gevolg heeft en waarbij het toeval een zelfs bijkomstig element is in het spelverloop, de aanduiding van de winnaar of de bepaling van de winstgrootte; 2° exploiteren: in werking stellen of houden, installeren of instandhouden van één of meerdere kansspelen of kansspelinrichtingen; 3° kansspelinrichting; de gebouwen of plaatsen waar één of meerdere kansspelen worden geëxploiteerd; 4° speelzaal: plaats in de kansspelinrichting waar de kansspelen worden geëxploiteerd.'
- Artikel 4 van dezelfde wet bepaalt: 'Het is verboden, onder welke vorm, op welke plaats en op welke rechtstreekse of onrechtstreekse manier ook, één of meer kansspelen of kansspelinrichtingen te exploiteren tenzij die overeenkomstig deze wet zijn toegestaan. Niemand mag zonder voorafgaande (...) vergunning van de kansspelcommissie een of meer kansspelen of kansspelinrichtingen exploiteren. ' Overeenkomstig artikel 6 van de Kansspelwet worden de kansspelinrichtingen in drie klassen ingedeeld, '(...) te weten de kansspelinrichtingen klasse I of casino's, de kansspelinrichtingen klasse II of speelautomatenhallen en de kansspelinrichtingen klasse III of drankgelegenheden, naargelang van de aard en het aantal kansspelen dat in de kansspelinrichting mag worden geëxploiteerd, van het maximumbedrag van de inzet, het verlies en de winst van de spelers en gokkers bij elk kansspel en van de aard van de in de respectieve inrichtingen toegestane nevenactiviteiten.'
- Artikel 25 Kansspelwet bepaalt: 'Er bestaan vijf soorten vergunningen:
- de vergunning klasse A staat voor hernieuwbare periodes van vijftien jaar, onder de door haar bepaalde voorwaarden, de exploitatie toe van een kansspelinrichting klasse I of casino;
- de vergunning klasse B staat voor hernieuwbare periodes van negen jaar, onder de door haar bepaalde voorwaarden, de exploitatie toe van een kansspelinrichting klasse II of speelautomatenhal;
- de vergunning klasse C staat voor hernieuwbare periodes van vijf jaar, onder de door haar bepaalde voorwaarden, de exploitatie toe van een kansspelinrichting klasse III of drankgelegenheid;
- de vergunning klasse D staat, onder de door haar bepaalde voorwaarden, de houder ervan toe een beroepsactiviteit, van welke aard ook, uit te oefenen in een kansspelinrichting klasse I of II;
- de vergunning klasse E staat voor hernieuwbare periodes van tien jaar, onder de door haar bepaalde voorwaarden, de verkoop, de verhuur, de leasing, de levering, de terbeschikkingstelling, de invoer, de uitvoer en de productie van kansspelen, de diensten inzake onderhoud, herstelling en uitrusting van kansspelen toe.'
- Waar artikel 26 van de wet bepaalt dat de toegekende vergunningen niet kunnen worden overgedragen, bepaalt artikel 27, eerste lid, dat het een zelfde natuurlijke of rechtspersoon verboden is de vergunningen klasse A, B, C en D enerzijds en de vergunning klasse E anderzijds rechtstreeks of onrechtstreeks, persoonlijk of door bemiddeling van een natuurlijke of rechtspersoon te cumuleren (het zogenaamde cumulverbod) en, tweede lid, dat de houders van een vergunning klasse A, B of C kansspelen, bestemd en gebruikt voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse I, II en III en die als dusdanig werden of worden afgeschreven, kunnen worden overgedragen om niet of onder bezwarende titel, mits voorafgaandelijke inlichting en toestemming van de kansspelcommissie.
- Tenslotte moet nog gewezen worden op artikel 54, §1, van de Kansspelenwet dat bepaalt: 'De toegang tot de speelzalen van kansspelinrichtingen klasse I en II is verboden voor personen jonger dan 21 jaar uitgezonderd het meerderjarig personeel van kansspelinrichtingen op de plaats van hun tewerkstelling. De deelneming aan kansspelen in kansspelinrichtingen klasse III is verboden voor minderjarigen.' II. Feitelijke gegevens eigen aan de zaak
- Blijkens de door de eerste rechter vastgestelde feitelijke gegevens, door de appelrechters integraal overgenomen
(2), bekende een minderjarige naar aanleiding van een onderzoek inzake diefstallen, dat hij gelden verspeelde op bingospelen in de drankgelegenheid Cue Ball te Torhout. Deze drankgelegenheid werd uitgebaat door de BVBA European Leisure die sedert 25 april 2001 over een vergunning klasse C beschikte. Als zaakvoerder gold D.R., derde verweerder in cassatie; de feitelijke uitbating werd verzekerd door M.V., vierde verweerster in cassatie, die aanvankelijk op zelfstandige basis werkzaam was en sinds 28 november 2003 als werkneemster was ingeschreven.
- De bingotoestellen waren eigendom van de NV NOBILCO, eerste verweerster in cassatie, waarvan M.D., tweede verweerder in cassatie, zaakvoerder was. De handelsactiviteit van eerste verweerster bestond in het uitzetten van amusementstoestellen en kansspelen, ze beschikte daartoe over een door de Kansspelcommissie uitgereikte vergunning klasse E.
- Op 23 maart 1999 was een overeenkomst voor het plaatsen van kansspeltoestellen afgesloten tussen de NV NOBILCO en de firma Cue Ball Benelux Ltd. met zetel in Engeland, overeenkomst die naderhand werd verdergezet tussen de NV NOBILCO en de BVBA European Leisure. Blijkens die overeenkomst was het uitdrukkelijk de bedoeling dat beide partijen gezamenlijk de uitbating zouden verzekeren van automatische kansspelen.
- Ingevolge haar eerdere vaststellingen besliste de Kansspelcommissie op 5 november 2003 om de vergunning van de BVBA European Leisure te schorsen voor de duur van drie maanden, wegens inbreuk op art. 54, § 1, Kansspelwet, waarop de NV NOBILCO op 24 november 2003 de twee toestellen verwijderde. De Kansspelcommissie liet echter toe dat de schorsing pas zou ingaan op 1 maart 2004; de schorsingtermijn werd naderhand zelfs met drie weken ingekort. Bijgevolg plaatste de NV NOBILCO de toestellen op 11 december 2003 terug om ze opnieuw te verwijderen in de periode van 1 maart 2004 tot 10 mei 2004, datum van terugplaatsing.
- De inmiddels op 16 juli 2003 opgerichte BVBA Cue Ball Club met als zaakvoerder D.R., derde verweerder, vroeg op 1 april 2004 een nieuwe vergunning klasse C aan die op 16 september 2004 door de Kansspelcommissie werd afgeleverd.
- Op 15 september 2003 werd tussen de NV NOBILCO, vertegenwoordigd door M.D., en de BVBA Cue Ball Club, vertegenwoordigd door D.R., een samenwerkingsovereenkomst met tussenpersoonstelling voor kansspel afgesloten. In die overeenkomst werd gestipuleerd dat het in de bedoeling van partijen lag gezamenlijk de uitbating te verzekeren van automatische kansspelen waarbij de NV NOBILCO met het oog op de uitbating van twee elektronische bingospelen aan de BVBA Cue Ball Club de opdracht gaf om, in de hoedanigheid van commissionair van de NV NOBILCO, in te staan voor de exploitatie van de voormelde automatische kansspelen naar de speler toe en de commercialisatie van de dienstverlening. In de overeenkomst werd de opbrengst van de apparaten verdeeld op 50/50 basis. III. Voorgaande procedure
- Verweerders in cassatie werden vervolgd om zonder voorafgaande vergunning één of meer kansspelen of kansspelinrichtingen te hebben geëxploiteerd in onderscheiden periodes, wat geventileerd werd in de respectievelijke tenlasteleggingen A en C
(3). Zij dienden zich eveneens te verantwoorden voor het feit dat zij minderjarigen lieten deelnemen aan kansspelen in kansspelinrichtingen klasse III (tenlastelegging B) en voor het overtreden van het cumulverbod door de vergunning klasse C te hebben gecumuleerd met de vergunning klasse E (tenlastelegging D) 13. Bij vonnis van 6 september 2006 van de correctionele rechtbank te Brugge werden alle tenlastegelegde feiten bewezen verklaard en werden verweerders in cassatie tot straf veroordeeld. De appelrechters pasten de geïncrimineerde periodes aan als volgt: - tenlastelegging A: van 10 mei 2004 tot en met 16 september 2004
(4); - tenlastelegging C: van 21 april 2001 tot en met 9 mei 2004 en van 16 september 2004 tot en met 28 september 2004; - tenlastelegging D: van 21 april 2001 tot en met 9 mei 2004 en van 16 mei 2004 tot en met 28 september
- Het bestreden arrest sprak alle verweerders vrij voor de feiten C en D; NV NOBILCO en M.D. werden bovendien ook vrijgesproken voor de tenlastelegging B. Voor de overige weerhouden feiten werden de verweerders, met eenparigheid van stemmen, tot straf veroordeeld. IV. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- In eerste instantie rijst de vraag naar de ontvankelijkheid van het cassatieberoep dat de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent instelde tegen vierde verweerster in cassatie, mevrouw M.V.. Het bestreden arrest van 4 september 2007, dat haar veroordeelde voor de tenlastelegging B, werd ten aanzien van haar bij verstek uitgesproken. Dit betekent dat deze partij over de mogelijkheid beschikte om verzet aan te tekenen tegen dit verstekarrest in de mate dat het beslissingen bevat die voor haar nadelig zijn. Het openbaar ministerie stelde op 18 september 2004 cassatieberoep in en liet de verklaring van cassatieberoep betekenen aan de vier verweerders in cassatie op 26 september 2007; uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het openbaar ministerie het bestreden arrest dezelfde dag heeft laten betekenen aan vierde verweerster.
- Indien een voorziening in cassatie wordt gericht tegen een uitspraak bij verstek en de versteklatende partij de mogelijkheid heeft om verzet aan te tekenen, loopt de cassatietermijn van vijftien vrije dagen slechts vanaf het verstrijken van de termijn voor verzet, dus vanaf de zestiende dag na het betekenen van de verstekbeslissing; wordt tijdens de gewone termijn van verzet cassatieberoep ingesteld, dan zal dit niet-ontvankelijk zijn
(5). Nog in een arrest van 21 november 2006 bevestigde het Hof dat niet-ontvankelijk is de voorziening die is ingesteld voor het verstrijken van de gewone verzettermijn
(6). De regel dat geen cassatieberoep kan worden ingesteld voor het verstrijken van de termijn van verzet, geldt bovendien zowel voor het geval ten aanzien van de eiser in cassatie zelf uitspraak bij verstek werd gedaan als voor het geval waarin de eiser in cassatie de tegenpartij is van de versteklatende partij en ten opzichte van hem wel een beslissing op tegensprak tot stand kwam
(7). In een arrest van 10 december 1997 onderstreepte het Hof dat de termijn van vijftien vrije dagen waarbinnen tegen een bij verstek gewezen en voor verzet vatbare beslissing cassatieberoep kan worden ingesteld, ingaat bij het verstrijken van de gewone verzettermijn, ten aanzien van alle partijen zonder onderscheid
(8). Bijgevolg geldt deze regel ook ten aanzien van het openbaar ministerie dat cassatieberoep wenst in te stellen. 16. Toegepast op voorliggende rechtspleging houdt zulks in dat het openbaar ministerie ten aanzien van vierde verweerster op 18 september 2007 geen ontvankelijk cassatieberoep kon instellen nu het bestreden verstekarrest van 4 september 2007 slechts op 26 september 2007 aan haar werd betekend en de gewone verzettermijn bijgevolg pas na die datum begon te lopen
(9). Er dient dan ook besloten te worden dat, in de mate de voorziening gericht is tegen de beslissing omtrent het aan vierde verweerster ten laste gelegde feit B, het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat het voortijdig werd ingesteld. Vermits vierde verweerster, bij gebrek aan belang, geen ontvankelijk verzet kon aantekenen tegen de door het bestreden arrest verleende vrijspraken voor de tenlasteleggingen C en D, is de voorziening op deze punten wél ontvankelijk
(10). V. Aangevochten beslissing 17. De aangevoerde middelen zijn gericht tegen de vrijspraak van verweerders voor de tenlasteleggingen C en D. Zoals hoger reeds vermeld
(11)betreft de tenlastelegging C het exploiteren in de geïncrimineerde periode
(12), zonder voorafgaande vergunning van de kansspelcommissie, van één of méér kansspelen of kansspelinrichtingen, wat dan in casu geconcretiseerd werd door te verwijzen naar de twee bingo's in het café Cue Ball. De tenlastelegging D daarentegen betreft de cumul van vergunningen en werd in de tenlastelegging als volgt geconcretiseerd: ' (...) als zelfde rechtspersoon, namelijk de NV NOBILCO spijts verbod de vergunning klasse C enerzijds en de vergunning klasse E anderzijds rechtstreeks of onrechtstreeks, persoonlijk of door bemiddeling van een natuurlijke rechtspersoon, namelijk via V.M. en/of via de BVBA European Leisure For en/of de BVBA Cue Ball te hebben gecumuleerd en meer in het bijzonder door het afsluiten met de BVBA European Leisure For en de BVBA Cue Ball van een samenwerkingsovereenkomst met tussenpersoonstelling, (in de periode) van 21 april 2001 tot en met 9 mei 2004 en van 16 mei 2004 tot en met 28 september 2004.' 18. De appelrechters gronden de vrijspraak voor de tenlasteleggingen C en D in hoofdzaak op hiernavolgende motieven. Overeenkomstig de Kansspelwet is er een algemeen verbod om één of meer kansspelen of kansspelinrichtingen te exploiteren, tenzij men over een vergunning beschikt. Het is daarbij de uitbater van een kansspelinrichting die over een vergunning tot exploitatie van een kansspelinrichting dient te beschikken (al naar gelang het geval van een vergunning klasse A, B of C), terwijl diegene die er kansspelen levert of ter beschikking stelt in het bezit dient te zijn van een vergunning klasse E. Volgens de appelrechters verbiedt de Kansspelwet dus geenszins dat een vergunninghouder klasse E zijn toestellen zou exploiteren in een kansspelinrichting (klasse III of drankgelegenheid) uitgebaat door een vergunninghouder klasse C. De natuurlijke of rechtspersoon die een gebouw of plaats waar een kansspel wordt geëxploiteerd wenst uit te baten, dient derhalve over een vergunning van klasse A, B of C te beschikken en de natuurlijke of rechtspersoon die een spel of weddenschap wenst te installeren waarbij inzet of verlies mogelijk is, dient eveneens over een vergunning te beschikken, met name een klasse E. Ingevolge het bepaalde in artikel 27 Kansspelwet is het een zelfde natuurlijke of rechtspersoon verboden de vergunningen klasse A, B, C en D enerzijds en de vergunning klasse E anderzijds rechtstreeks of onrechtstreeks, persoonlijk of door bemiddeling van een natuurlijke of rechtspersoon te cumuleren; de appelrechters wijzen erop dat het gaat om een verbod van cumulatie tussen een vergunning voor een kansspelinrichting of het uitoefenen van een beroepsactiviteit in een kansspelinrichting enerzijds en de activiteiten rond handel, fabricatie, en dergelijke, van kansspeltoestellen en benodigdheden anderzijds. De appelrechters wijzen ook op de parlementaire voorbereiding van de Kansspelwet
(13)waaruit blijkt dat een vergunninghouder klasse E zijn kansspelautomaten mag exploiteren in een kansspelinrichting klasse III en dat een cafébaas zijn eigen Bingo of One Ball, beperkt tot maximum twee kansspelautomaten mag exploiteren in zijn café, zonder daarom over een vergunning E te moeten beschikken. Door het cumulverbod van artikel 27 Kansspelwet dat van toepassing is op de handelaars in kansspelen, houders van een vergunning klasse E, die rechtstreeks of onrechtstreeks participaties zouden nemen in de exploitatie van kansspelinrichtingen klasse I, II of III, heeft de wetgever - zo merken de appelrechters op - een duidelijk onderscheid willen doorvoeren en handhaven tussen enerzijds de fabrikanten, de invoerders en de handelaars van kansspelen en anderzijds de andere actoren binnen de sector van de kansspelen, de exploitanten en het personeel. Ook uit de voorbereidende werken van de Kansspelwet volgt, volgens de appelrechters, dat artikel 4, tweede lid, Kansspelwet, dat bepaalt dat niemand zonder voorafgaande vergunning van de kansspelcommissie een of meer kansspelen of kansspelinrichtingen mag exploiteren, niet mag worden opgevat in de zin dat diegene die vergund is om kansspelen te exploiteren (klasse E) deze toestellen niet zou mogen exploiteren in een kansspelinrichting klasse III of dat hij daarom eerst een vergunning klasse C zou moeten bekomen, hetgeen een overtreding van het cumulverbod van artikel 27 zou zijn
(14). Het is met andere woorden een cumulatie van vergunningen die verboden is doch niet een gezamenlijke uitbating van kansspelen, ook niet door een samenwerkingsovereenkomst met tussenpersoonstelling. Het lijkt immers evident dat de firma die vergund is om kansspelen te verkopen, verhuren, leasen, leveren, ter beschikking te stellen, in of uit te voeren, te produceren en diensten te presteren inzake onderhoud, herstelling en uitrusting van kansspelen, gerechtigd is om deze activiteit te ontplooien in een inrichting van de klasse I, II of III, terwijl het ontplooien van klasse E activiteiten in een kansspelinrichting van de klasse I, II of III van deze leverancier van kansspelen daarom nog geen uitbater van deze kansspelinrichtingen maakt, ook niet als de samenwerkingsovereenkomst bepaalt dat zij gezamenlijk de betreffende kansspelen uitbaten. VI. De middelen Eiser in cassatie voert hiertegen twee middelen aan.
- Het eerste middel dat vier onderdelen bevat voert de schending aan van de artikelen 149 Grondwet en 2, 4, 7, 25, 26, 27, 39 en 48 Kansspelenwet.
- Het eerste onderdeel voert aan dat er, conform artikel 2 Kansspelwet, geen feitelijk werkbaar onderscheid bestaat tussen het exploiteren van kansspelen en kansspelinrichtingen; er bestaat volgens eiser dan ook geen vergunning voor het exploiteren van kansspelen op zich vermits er volgens de wet enkel vergunningen bestaan voor het uitbaten van kansspelinrichtingen, naast de vergunningen klasse D en E. Volgens eiser in cassatie is het dus niet mogelijk, zoals de appelrechters aannemen, enerzijds kansspelen te exploiteren en anderzijds, onafhankelijk van elkaar, kansspelinrichtingen te exploiteren.
- Zoals hierboven reeds aangehaald
(15), bepaalt artikel 2, 2°, Kansspelwet evenwel dat onder exploiteren moet worden begrepen: in werking stellen of houden, installeren of instandhouden van één of meerdere kansspelen of kansspelinrichtingen. Uit deze bepaling blijkt derhalve dat het, anders dan eiser aanvoert, wél mogelijk is om een onderscheid te maken tussen exploiteren van kansspelen en exploiteren van kansspelinrichtingen. Ook KOHL onderstreepte dat "l'exploitation vise à la fois le fait d'assurer le fonctionnement des jeux ou appareils de jeux et l'activité de ceux qui les installent ou les dépannent", waarbij hij - wat dit laatste betreft - verwijst naar art. 48 Kansspelwet dat bepaalt dat de verkoop, de verhuur, de leasing, de levering, de terbeschikkingstelling, de invoer, de uitvoer, de productie, de diensten inzake onderhoud, herstelling en uitrusting van kansspelen, slechts kunnen plaats vinden na toekenning van een vergunning klasse E
(16). Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht.
- Het tweede onderdeel van het eerste middel bekritiseert het oordeel van de appelrechters omtrent de draagwijdte van artikel 27 Kansspelenwet en voert aan dat het strijdig is met voornoemd artikel 27 dat een vergunninghouder klasse E rechtstreeks, door middel van een samenwerkingsovereenkomst met verdeling van spelinzetten, kansspelen (netto - "fifty/fifty") exploiteert in een kansspelinrichting klasse III waarvoor een vergunning klasse C vereist is.
- Het cumulatieverbod van artikel 27 Kansspelenwet
(17)is van toepassing op de handelaren in kansspelen (houders van een vergunning klasse E) die rechtstreekse of onrechtstreekse participaties zouden nemen in de exploitatie van kansspelinrichtingen klasse I, II of III
(18). Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof volgt dat artikel 27 Kansspelwet dient gezien te worden in het licht van de doelstelling van die wet, namelijk het inperken van het sociaal gevaar dat kansspelinrichtingen kunnen betekenen; in het licht van die doelstelling is het verbod van cumulatie van vergunningen niet onredelijk, gezien het uitgaat van de bezorgdheid om het toekennen van vergunningen afhankelijk te stellen van zeer strenge toekenningsvoorwaarden, zodat de kansspelinrichtingen en de daarmee verbonden activiteiten duidelijk onderscheiden kunnen worden
(19). Ten aanzien van vennootschappen reikt het in artikel 27 bedoelde cumulatieverbod niet zo ver dat ieder aandeelhouderschap in meerdere vennootschappen verboden zou zijn; de wetgever beoogt te voorkomen dat 'belanghebbende' vennootschappen de controle behouden over de door de wet bedoelde vennootschappen die in verband staan met een kansspel
(20). 24. Op een gegeven ogenblik werd tijdens de parlementaire voorbereiding van de Kansspelwet gewezen op een bestaande praktijk die inhoudt dat de exploitanten van drankgelegenheden waarin speelautomaten geïnstalleerd zijn, slechts in heel uitzonderlijke gevallen eigenaar zijn van deze automaten: 'men moet dus voorzichtig zijn dat men geen regels invoert die volledig indruisen tegen de huidige praktijk waarin de exploitant van de drankgelegenheid een of meer spelautomaten bij zich laat installeren door een derde, meestal de echte eigenaar van de spelen, en dit krachtens een overeenkomst die meestal dicht bij de concessie staat (...). Het is daarentegen noodzakelijk gebleken de mogelijkheid te versterken om controle uit te oefenen op derden die in de praktijk de echte eigenaars van spelen zijn, zonder dat evenwel de mogelijkheid wordt uitgesloten dat de exploitant van een drankgelegenheid of inrichting van klasse III speelautomaten persoonlijk exploiteert. Daartoe zal de houder van een vergunning klasse C die persoonlijk kansspelen wil exploiteren, een vergunning klasse E moeten verkrijgen. Bijgevolg is de definitie van deze laatste vergunning aangepast.'
(21)Om die reden werd ingevolge een amendement bepaald dat een vergunning E ook de exploitatie toelaat van kansspelen in de kansspelinrichtingen klasse III
(22). Dit werd gewijzigd in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Met amendement nr. 39, dat de laatste zin in artikel 25 schrapte ("Zij" - bedoeld is dus de vergunning klasse E - "staat bovendien, voor een hernieuwbare periode van tien jaar, de exploitatie van kansspelen toe in de kansspelinrichtingen klasse III"), wordt het cumulatieverbod tussen de verschillende vergunningen doorgetrokken
(23)en wordt het onmogelijk dat iemand die een vergunning klasse E heeft automatisch ook een vergunning tot de exploitatie van kansspelen in een drankgelegenheid zou bekomen
(24). Op deze wijze wordt het dus mogelijk voor een caféhouder met vergunning klasse C zijn eigen speelautomaten te exploiteren in zijn café, zonder over een vergunning klasse E te moeten beschikken, hetgeen immers precies indruiste tegen het cumulverbod. Uit de parlementaire wetsgeschiedenis blijkt dan ook duidelijk dat het cumulverbod niet beoogde aan de bestaande praktijk een einde te stellen waarbij derden, die dan houder moeten zijn van een vergunning klasse E, speelautomaten installeren in inrichtingen klasse III waarvan de exploitatie een vergunning klasse C vergt. Dit laatste spoort ook met het in artikel 2, 2°, Kansspelwet bepaalde dat inhoudt dat onder exploiteren moet worden verstaan, het in werking stellen of houden, installeren of instandhouden van één of meerdere kansspelen of kansspelinrichtingen
(25). 25. Meteen wordt duidelijk dat het tweede onderdeel ten onrechte aanvoert dat exploiteren van kansspelen in een kansspelinrichting hoe dan ook een vergunning vergt die niet cumuleerbaar is met een vergunning klasse E. Zulks druist in tegen de bestaande praktijk die door de wetgever was vastgesteld en die erin bestaat dat derden, die dan precies over een vergunning klasse E moeten beschikken, veelal eigenaar zijn van de speelautomaten die worden geplaatst in de kansspelinrichtingen klasse III waarvan de exploitant over een vergunning klasse C dient te beschikken. Uit het voorgaande volgt dat, met hetgeen in artikel 27 Kansspelwet is bepaald, derhalve enkel beoogd werd te vermijden dat een persoon die houder is van een vergunning klasse C, rechtstreeks of onrechtstreeks, persoonlijk of door bemiddeling van een natuurlijke of rechtspersoon een vergunning klasse E zou bekomen of omgekeerd. Anders gezegd: het is een vergunninghouder C, zijnde de exploitant van een kansspelinrichting waarin kansspelen worden geëxploiteerd, verboden een vergunning klasse E te bekomen, terwijl het een vergunninghouder klasse E die de mogelijkheid heeft om kansspelen te exploiteren die zich bevinden in een kansspelinrichting klasse III verboden is om zelf een café of drankgelegenheid uit te baten waarvoor een vergunning klasse C vereist. Artikel 27 Kansspelwet verbiedt echter niet dat terzake een overeenkomst wordt afgesloten tussen een vergunninghouder klasse C en een vergunninghouder klasse E voor zover elk van beiden geen andere activiteiten uitoefent die vallen onder deze waarvoor een andere vergunning vereist is
(26). Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht.
- In het derde onderdeel van het eerste middel voert eiser aan dat de samenwerkingsovereenkomsten met tussenpersoonstelling voor kansspel, niet begrepen zijn in de limitatief toegelaten activiteiten bepaald in artikel 48 Kansspelwet waarvoor een vergunning klasse E vereist is.
- Artikel 48 Kansspelwet bepaalt: 'De verkoop, de verhuur, de leasing, de levering, de terbeschikkingstelling, de invoer, de uitvoer, de productie, de diensten inzake onderhoud, herstelling en uitrusting van kansspelen, kunnen slechts plaatsvinden na toekenning van een vergunning klasse E.' Deze wetsbepaling verbiedt niet dat een overeenkomst wordt afgesloten tussen een houder van een vergunning klasse E en een houder van een vergunning klasse C waarbij de eerste speelautomaten ter beschikking stelt in de kansspelinrichting klasse III die de tweede exploiteert. Zoals reeds bleek uit de wetsanalyse bij de bespreking van het tweede onderdeel, laat een vergunning klasse E immers toe dat speelautomaten worden geïnstalleerd in een kansspelinrichting klasse III die door een vergunninghouder klasse C wordt geëxploiteerd, hetgeen het afsluiten van een samenwerkingsovereenkomst zal impliceren. Het onderdeel, dat van de tegengestelde rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.
- Het vierde onderdeel tenslotte, is gericht tegen de beslissing waarbij vierde verweerster M.V. wordt vrijgesproken van de tenlasteleggingen C en D. De appelrechters oordeelden dat op grond van de feitelijke gegevens van het strafdossier blijkt dat zij niet als zelfstandige uitbaatster van de drankgelegenheid Cue Ball kan worden beschouwd: minstens dat er daaromtrent twijfel bestaat. Eiser voert aan dat de vraag of vierde verweerster al dan niet als zelfstandige uitbater moet worden beschouwd geen feitelijk maar wel een juridisch gegeven is zodat de appelrechters zich niet op twijfel konden beroepen om haar vrij te spreken. De appelrechters oordelen op grond van door eiser niet bekritiseerde zelfstandige redenen, die op zich de aangevochten beslissing naar recht verantwoorden, dat de enige werkelijke uitbaters van de kwestieuze kansspelinrichting de BVBA European Leisure en daaropvolgend de BVBA Cue Ball Club zijn. Het onderdeel, dat gericht is tegen een overtollige reden, is niet ontvankelijk.
- Het tweede middel gaat er van uit dat de appelrechters een oordeel vellen omtrent de geldigheid van de samenwerkingsovereenkomsten waarvan hoger sprake
(27)en voert aan dat het bestreden arrest, door die overeenkomsten niet ambtshalve nietig te verklaren, artikel 1965 Burgerlijk Wetboek schendt, dit ofschoon de appelrechters niet geroepen waren uitspraak te doen over enige vordering als bedoeld in die wetsbepaling. 30. In zoverre Uw Hof het door het middel gehuldigde uitgangspunt aanneemt, kan de door eiser verder ontwikkelde redenering evenwel niet gevolgd worden. Artikel 1965 Burgerlijk Wetboek bepaalt: ' De wet staat geen rechtsvordering toe voor een speelschuld of voor de betaling van een weddenschap.' Artikel 5 Kansspelwet bepaalt: ' De nietigheid van de overeenkomsten met het oog op de exploitatie van de door deze wet en haar uitvoeringsbesluiten toegestane kansspelen en kansspelinrichtingen kan niet worden opgeworpen alleen op grond van het feit dat deze kansspelen of kansspelinrichtingen ongeoorloofd zouden zijn.' De samenwerkingsovereenkomst van 23 maart 1999 is volgens eiser, gelet op artikel 1965 Burgerlijk Wetboek, sowieso nietig. Artikel 5 Kansspelwet is niet van toepassing op overeenkomsten die in uitvoering waren op het ogenblik dat de Kansspelwet in voege trad
(28). Veel doet dit laatste niet ter zake vermits volgens eiser artikel 1965 Burgerlijk Wetboek primeert op artikel 5 Kansspelwet; de samenwerkingsovereenkomst met tussenpersoonstelling voor kansspel van 15 september 2003 is bijgevolg ook nietig. In de rechtsleer werd echter opgemerkt dat artikel 5 Kansspelwet rechtszekerheid meebrengt: 'De laatste jaren was er immers een tegenstrijdige rechtspraak ontstaan, waarbij bepaalde overeenkomsten tot uitbating van bingo's werden vernietigd op grond van de exceptie van het spel en andere niet. Het is trouwens logisch dat de contracten die betrekking hebben op een wettelijk toegelaten kansspel ook geldig zijn.'
(29)Elders werd geschreven: 'L'article 5 de la loi met fin à l'application large de l'article 1965 du Code civil, consacrée par la jurisprudence: selon celui-ci, "a loi n'accorde aucune action pour une dette de jeu ou pour le paiement d'un pari" ce principe avait été étendu aux contrats portant sur la fourniture de jeux ou la prestation de services aux exploitants de jeux automatiques. Cette application extensive n'est désormais plus admissible: quel que soit le contrat en question, sa validité ne peut être affectée par le seul caractère illicite des jeux ou établissements de jeux pour lesquels il a été conclu.'
(30)Daarmee lijkt duidelijk dat de opvatting waarvan het middel uitgaat - met name dat artikel 1965 B.W. primeert op artikel 5
niet kan worden aangenomen; het was immers de bedoeling van de wetgever door de bepaling van artikel 5 Kansspelwet de toepassing van artikel 1965 Burgerlijk Wetboek op overeenkomsten met het oog op exploitatie van kansspelen en kansspelinrichtingen tegen te gaan. Men wou aldus een einde stellen aan de rechtsonzekerheid waarop ook door VERSTRINGHE was gewezen
(31). 31. Een arrest van Uw Hof van 30 januari 2006
(32)doet daar niets van af. Het arrest van het hof van beroep dat voor Uw Hof in die zaak aangevochten werd, had geoordeeld dat een overeenkomst van 23 mei 1995 omtrent de plaatsing van automatische ontspanningstoestellen geoorloofd was, hoewel uitdrukkelijk was vastgesteld dat deze was afgesloten vóór de inwerkingtreding van de wet van 7 mei
- De appelrechters hadden daarbij verwezen naar de gedeeltelijke decriminalisering door de nieuwe wet, die een indicie was van de gewijzigde zeden. Uw Hof vernietigde dit arrest op grond dat de verwijzingen van de appelrechters naar de huidige (gewijzigde) zeden, die ze afleiden uit de decriminalisering van bepaalde spelen en uit artikel 5 van de Kansspelwet, na beslist te hebben dat die bepaling te dezen niet van toepassing is, niet steekhoudend waren. Uit dit arrest zou hoogstens kunnen worden afgeleid dat artikel 5 van de Kansspelwet niet van toepassing is op overeenkomsten die in uitvoering waren op het tijdstip dat die wet in werking trad, zodat er in alle geval geen twijfel over kan bestaan dat dit artikel 5 wél toepassing vindt op overeenkomsten afgesloten na de inwerkingtreding van de Kansspelwet, wat in deze zaak het geval is voor de samenwerkingsovereenkomst met tussenpersoonstelling voor kansspel van 15 september
- Uit een ander en recenter arrest van Uw Hof
(33)kan bovendien impliciet afgeleid worden dat Uw Hof thans de mening toegedaan is dat artikel 5 Kansspelwet wél van toepassing is op overeenkomsten afgesloten vóór de inwerkingtreding ervan, voor zover de overeenkomst en de contractuele verhoudingen op dat ogenblik nog uitwerking hadden
(34). 33. Daarbij kan ook nog gewezen worden op een recent wetsvoorstel dat beoogt artikel 5 van de Kansspelwet te vervolledigen door te bepalen dat dit artikel van toepassing is op overeenkomsten die in uitvoering waren op het ogenblik dat deze wet in werking trad, ongeacht de datum waarop die overeenkomsten werden gesloten
(35). Op deze wijze beoogt men rechtszekerheid door te bepalen dat in alle gevallen, ook ten aanzien van overeenkomsten die in uitvoering waren op het ogenblik van de inwerkingtreding van de Kansspelwet, artikel 5 van die wet toepassing vindt met uitsluiting van artikel 1965 B.W. Ook zonder de verduidelijking die dit wetsvoorstel beoogt, blijkt dat - gelet op de bedoeling van de wetgever om in het bijzonder een einde te maken aan de rechtsonzekerheid - artikel 5 Kansspelwet een bepaling is van openbare orde die als zodanig direct kan worden toegepast op lopende overeenkomsten zodat ook ten aanzien van de overeenkomst van 23 maart 1999 de nietigheid niet kan worden opgeworpen. Dit wordt overigens uitdrukkelijk onderstreepte in de memorie van toelichting bij bovenvermeld wetsvoorstel
(36). In die optiek faalt het middel naar recht. 34. In zoverre Uw Hof het uitgangspunt door eiser in zijn tweede middel gehuldigd niet aanneemt en er van uitgaat dat het bestreden arrest geen uitspraak doet over de geldigheid van de samenwerkingsovereenkomsten, berust het middel op een onjuiste lezing van de beslissing en mist het feitelijke grondslag. Conclusie: Verwerping. ______________________
(1)B.S., 30 december 1999.
(2)Bestreden arrest, 8e blad sub 2.
(3)Verweerster V. werd met betrekking tot dit misdrijf enkel vervolgd voor feit C.
(4)Cfr. supra sub 9 en 10.
(5)M. TRAEST, "Krachtlijnen van het cassatieberoep in strafzaken", NC 2007,
(97)113 en de verwijzingen aldaar; R. DECLERCQ, beginselen van Strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2007, nrs. 3272 en 3273.
(6)Cass., 21 november 2006, A.R. P.06.1294.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061121.5, www.cass.be.
(7)R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2005, nr. 2378
(8)Cass., 10 december 1997, A.R. P.97.1144.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971210.6, A.C., 1997, nr. 548.
(9)Artikel 413, derde lid, Wetboek van Strafvordering.
(10)Zie: R. DECLERCQ, De cassatieprocedure in strafzaken, Leuven, Wouters, 1988, p. 74.
(11)Cfr. supra sub 12.
(12)Cfr. supra sub 13.
(13)Bestreden arrest, 11e blad.
(14)Bestreden arrest, 12e blad sub 3.6.
(15)Cfr. supra sub 1.
(16)A. KOHL, "La loi du 7 mai 1999 sur les jeux du hasard, les établissements de jeux du hasard et la protection des joueurs", J.T. 2001,
(201)203.
(17)Cfr. supra sub 4.
(18)Omzendbrief nr. COL 8/2004 van het College van Procureurs-generaal bij de hoven van beroep, van 12 oktober 2004, p. 12.
(19)Cfr. R. VERSTRINGHE, "De wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers", T. Strafr. 2000,
(137)141.
(20)Arbitragehof nr. 113/2000 van 8 november 2000, B.S. 1 februari 2001, rechtsoverweging B.16; Arbitragehof nr. 100/2001 van 13 juli 2001, B.S. 7 augustus 2001, rechtsoverweging nr. B.18.3.
(21)Parl. St. Senaat, GZ 1998-99, nr. 1-419/17, p. 111-112.
(22)De appelrechters merkten op dat dit laatste betekende dat het - gelet op het cumulverbod - niet meer mogelijk was voor een houder van een vergunning C om zijn eigen kansspelen te exploiteren in een inrichting klasse III omdat hij daarvoor precies een vergunning klasse E zou moeten verkrijgen en hij daardoor uiteraard het cumulverbod overtrad.
(23)Parl. St. Kamer, GZ 1998-99, nr. 1795/5, p. 12.
(24)Parl. St. Kamer, GZ 1998-99, nr. 1795/8, p. 51.
(25)Cfr. Eerste onderdeel van het eerste middel.
(26)Op dit punt lijkt ook de hoger onder voetnoot 18 aangehaalde omzendbrief van het College van Procureurs-generaal bij de hoven van beroep op 14 een te ruime interpretatie te geven aan artikel 27 Kansspelwet door te stellen dat een overeenkomst, gesloten tussen een fabrikant of een invoerder en een caféhouder of een exploitant van een kansspelinrichting klasse III, strijdig is met de wet.
(27)Cfr. supra sub II, nrs. 8 en 11.
(28)Ingevolge artikel 78 van de Kansspelwet en artikel 9 van het K.B. van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasser III, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunnning klasse C (B.S., 30 december 2000, ed. 1) is artikel 5 Kansspelwet in werking getreden op 30 december 2000.
(29)R. VERSTRINGHE, l.c., 140.
(30)A. KOHL, l.c., 204.
(31)Verslag Suykens, Parl. St. Kamer, GZ 1998-99, nr. 1795/8, p.16.
(32)Cass., 30 januari 2006, C.04.0212.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060130.4, www.cass.be
(33)Cass., 7 maart 2008, C.06.0299.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080307.2, www.cass.be
(34)Het arrest stelt: '...une convention (...) toujours en cours ...'
(35)Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 5 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (ingediend door Thierry Giet c.s., Parl. St. Kamer, GZ 2007-08, Doc 52 0430/001.
(36)Parl. St. Kamer, GZ 2007-08, Doc 52 0430/001, p. 4-5. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080429.2 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971210.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060130.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061121.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080307.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div