id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 15 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080515.5 Rolnummer: C.06.0069.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-06-02 Raadplegingen: 351 - laatst gezien 2026-07-03 04:38 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080515.5 Fiches 1 - 3 Ingeval de ongrondwettigheid van artikel 26 V.T.Sv., voor de wijziging ervan bij artikel 2 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, vastgesteld door het Arbitragehof, wordt ingeroepen, wordt de verjaring van de burgerlijke rechtsvordering uit een misdrijf, voor de inwerkingtreding van die wet, beheerst door de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 30 jaar van artikel 2262 B.W., voor de wijziging ervan door artikel 4 van die wet
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Duur - Algemene verjaringstermijnen - 5 + 20 jaar buitencontractueel PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Misdrijf - Burgerlijke rechtsvordering - Artikel 26, V.T.Sv. - Ongrondwettige wet Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2262 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Duur - Algemene verjaringstermijnen - 5 + 20 jaar buitencontractueel PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Misdrijf - Burgerlijke rechtsvordering - Artikel 26, V.T.Sv. - Ongrondwettige wet Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2262 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Duur - Algemene verjaringstermijnen - 5 + 20 jaar buitencontractueel PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Duur - Misdrijf - Burgerlijke rechtsvordering - Artikel 26, V.T.Sv. - Ongrondwettige wet - Toepasselijke wet Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2262 Fiche 4 De burgerlijke rechtsvordering uit een misdrijf gepleegd voor de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, die wordt ingeleid op een ogenblik dat ze verjaard zou zijn volgens artikel 26 V.T.Sv., voor de wijziging ervan bij artikel 2 van die wet, maar waarvan de verjaring niet is vastgesteld door een definitieve rechterlijke beslissing, is toch niet verjaard voor zover ze wordt ingesteld binnen de dertigjarige termijn van artikel 2262 B.W., voor de wijziging ervan bij artikel 4 van die wet, en binnen de termijnen van artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, B.W., die beginnen te lopen vanaf de inwerkingtreding van die wet
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Duur - Algemene verjaringstermijnen - 5 + 20 jaar buitencontractueel PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Duur - Misdrijf - Burgerlijke rechtsvordering - Artikel 26, V.T.Sv. - Wijziging van de wet - Verjaring niet vastgesteld Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 2262, en 2262bis, § 1, tweede en derde lid Fiches 5 - 8 Concl. adv.-gen. VANDEWAL, Cass., 15 mei 2008, AR C.06.0069.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Duur - Algemene verjaringstermijnen - 5 + 20 jaar buitencontractueel PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Misdrijf - Burgerlijke rechtsvordering - Artikel 26, V.T.Sv. - Ongrondwettige wet Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Duur - Algemene verjaringstermijnen - 5 + 20 jaar buitencontractueel PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Misdrijf - Burgerlijke rechtsvordering - Artikel 26, V.T.Sv. - Ongrondwettige wet Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Duur - Algemene verjaringstermijnen - 5 + 20 jaar buitencontractueel PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Duur - Misdrijf - Burgerlijke rechtsvordering - Artikel 26, V.T.Sv. - Ongrondwettige wet - Toepasselijke wet Duur - Misdrijf - Burgerlijke rechtsvordering - Artikel 26, V.T.Sv. - Wijziging van de wet - Verjaring niet vastgesteld Tekst van de conclusie C.06.0069.N Advocaat-generaal Vandewal heeft in substantie gezegd: Het enig middel bekritiseert in zijn drie onderdelen de beoordeling door de appelrechter van de aangevoerde verjaring van de burgerlijke vordering van eiseres voortvloeiend uit een misdrijf dat plaatsvond voor de inwerkingtreding van de Wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring. In het eerste onderdeel voert eiseres aan dat de appelrechter niet naar recht kon verantwoorden dat er in vergelijking met de vroeger toepasselijke termijn geen verkorting is in de nieuwe verjaringswet die voorziet in een verjaringstermijn van vijf en maximaal twintig jaar. Bijgevolg acht eiseres de beslissing van de appelrechter dat eiseres zich ten onrechte beroept op de overgangsbepalingen van de nieuwe verjaringswet van 10 juni 1998 om als vertrekpunt van de verjaring de datum van inwerkingtreding van die wet te weerhouden niet naar recht verantwoord. Artikel 26 V.T.Sv. zoals van kracht voor de wijziging ervan door voornoemde Wet van 10 juni 1998, bepaalde dat de burgerlijke vordering uit een misdrijf verjaarde na verloop van 5 jaar vanaf de dag waarop het misdrijf werd gepleegd, zonder dat die burgerlijke vordering kon verjaren voordat de strafvordering verjaard was. Deze wetsbepaling werd door het Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof, in een prejudicieel arrest van 21 maart 1995 onverenigbaar geacht met het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 G.W.
(1)Het arrest stelt dat het niet verantwoord is dat de burgerlijke vordering tot vergoeding van schade teweeggebracht door een misdrijf verjaart na 5 jaar, terwijl de vergoeding van de schade teweeggebracht door een burgerlijke fout slechts verjaarde na 30 jaar ingevolge het oud artikel 2262 B.W. In dit zogenaamde "Lentearrest" liet het Arbitragehof na de werking van dit arrest in de tijd te bepalen; twee jaar later achtte het Arbitragehof in zijn arrest van 17 februari 1997 zich niet bevoegd om de werking van het Lentearrest in de tijd te bepalen
(2). In de Wet van 10 juni 1998 heeft de wetgever grondige wijzigingen aangebracht aan artikel 26 V.T.Sv. en aan de bepalingen van het B.W. inzake de verjaring
(3). Uw Hof oordeelde in zijn arrest van 19 december 1996
(4)dat de vordering tot herstel van schade die is veroorzaakt door een fout, ook al maakt zij een misdrijf uit, niet onderworpen is aan de bij art. 26 V.T.Sv., zoals van kracht voor de wijziging ervan door de Wet van 10 juni 1998, bepaalde verjaringstermijn van 5 jaar, aangezien dat artikel een bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet verboden discriminatie invoert. Belangrijk lijkt mij in dit arrest ook te zijn dat Uw Hof daarin beslist dat de bestreden beslissing niet alleen de artikelen 10 en 11 G.W. heeft geschonden, maar ook art. 2262 B.W., in zijn toen van toepassing zijnde versie. Uw Hof gaf daarmee naar mijn mening een aanwijzing welke verjaringstermijn, bij het niet toepassen van het toenmalige art. 26 V.T.Sv., diende te worden toegepast bij burgerlijke vorderingen ex delicto, met name de gemeenrechtelijke dertigjarige termijn van het toenmalige art. 2262 B.W. In geval de ongrondwettigheid van het toenmalige art. 26 V.T.Sv. wordt ingeroepen, meen ik dat aldus de verjaring van de burgerlijke vordering uit een misdrijf, voor de inwerkingtreding van de wijzigingswet van 10 juni 1998, beheerst werd door de gemeenrechtelijke bepalingen inzake de verjaring, in casu de 30-jarige termijn van het artikel 2262 B.W. in zijn toenmalige versie Het tweede lid van artikel 2262bis B.W., dat eveneens werd ingevoegd door de wijzigingswet van 10 juni 1998, bepaalt dat alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid verjaren door verloop van 5 jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan, en van de identiteit van de hiervoor aansprakelijke persoon. Het derde lid bepaalt dat deze vorderingen in elk geval verjaren door verloop van 20 jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan. Belangrijk is echter ook het artikel 10 van de Wet van 10 juni 1998, dat overgangsbepalingen bevat, en dat bepaalt dat wanneer de rechtsvordering is ontstaan voor de inwerkingtreding van deze wet, de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet slechts beginnen te lopen vanaf haar inwerkingtreding, maar dat de totale duur van de verjaringstermijn niet meer dan 30 jaar mag bedragen. Het komt mij aldus voor dat de burgerlijke vordering uit een misdrijf gepleegd voor de inwerkingtreding van de Wet van 10 juni 1998, die wordt ingeleid op een ogenblik dat zij verjaard zou zijn volgens het door het Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof, ongrondwettelijk bevonden art. 26 V.T.Sv, voor de wijziging ervan bij art. 2 van de Wet van 10 juni 1998, toch nog kan ingesteld worden binnen de dertigjarige termijn van art. 2262 B.W., voor de wijziging ervan bij art. 4 van de Wet van 10 juni 1998, en binnen de termijnen voorzien in art. 2262bis, § 1, tweede en derde lid B.W., vermits die slechts beginnen te lopen vanaf de inwerkingtreding van die Wet van 10 juni 1998
(5). Deze oplossing lijkt mij ook te beantwoorden aan de wil van de wetgever, als volgt verwoord in het kader van de parlementaire voorbereiding van de Wet van 10 juni 1998: "Wat juridisch evenmin mogelijk is volgens de minister is dat de wetgever die vorderingen die overeenkomstig de oude wet zouden zijn verjaard doch die nooit als verjaard zijn verklaard door een rechtbank, thans verjaard zou verklaren in toepassing van het oude artikel 26 Sv. Dit artikel is immers ex tunc ongrondwettelijk verklaard, zodat de wetgever daar thans, zelfs voor vorderingen uit het verleden, geen toepassing meer kan van maken."
(6)Ik meen dan ook dat het onderdeel gegrond is. Besluit: vernietiging ____________________
(1)Arbitragehof nr. 25/95, 21 maart 1995, rolnr. 695, A.A. 1995, 377, B.S. 31 maart 1995 en R.W. 1994-95, 1324, noot P. TRAEST.
(2)Arbitragehof nr. 8/97, 19 feb. 1997, rolnr. 968, A.A. 1997, 105, B.S. 3 april 1997.
(3)Zie I. CLAEYS, "De nieuwe verjaringswet: een inleidende verkenning", R.W. 1998-1999, 377; A. JACOBS, "La loi du 10 juin 1998 modifiant certaines dispositions en matière de prescription", T.B.B.R. 1999, 10; C. LEBON, "De nieuwe verjaringswet", N.J.W. 2003, 834 ; J.-F. VAN DROOGHENBROECK en R.O. DALCQ, "La loi du 10 juin 1998 modifiant certaines dispositions en matière de prescription", J.T. 1998, 705.
(4)Cass., 19 dec. 1996, A.R. C.95.0198.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961219.14, A.C. 1996, nr. 516.
(5)Zie Cass., 29 sept. 2000, A.R. C.97.0154.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000929.1, A.C., 2000, nr. 502, T.B.B.R. 2001, 280, noot S. MOSSELMANS, en R.W. 2000-01, 1166, noot I. CLAEYS.
(6)Parl. St. Kamer 1997-98, nr. 1087/7. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080515.5 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961219.14 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000929.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div