id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080519.4 Rolnummer: S.07.0078.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2008-06-12 Raadplegingen: 228 - laatst gezien 2026-07-03 04:37 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080519.4 Fiche 1 Het in artikel 31 van het Verdrag betreffende de status van staatlozen bedoelde uitzettingsverbod geldt alleen ten gunste van rechtmatig op het grondgebied verblijvende staatlozen en derhalve niet ten gunste van staatlozen die illegaal op het grondgebied verblijven. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Algemeen SOCIAAL RECHT - INTERNATIONAAL SOCIAAL RECHT - Multilaterale verdragen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingen - Internationaal recht - Verdrag New York 28 septembre 1954 - Staatslozen Vrije woorden: Staatloze - Uitzettingsverbod - Legaal verblijf Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 28-09-1954 - Art. 31 Fiche 2 Het Verdrag betreffende de status van staatlozen legt aan de verdragsluitende staten niet op een verblijfsrecht te verlenen aan de erkende staatlozen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Algemeen SOCIAAL RECHT - INTERNATIONAAL SOCIAAL RECHT - Multilaterale verdragen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingen - Internationaal recht - Verdrag New York 28 septembre 1954 - Staatslozen Vrije woorden: Verdrag betreffende de status van staatlozen - Verplichting voor de verdragsluitende staten - Verblijfsrecht Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 28-09-1954 Fiche 3 Een vreemdeling die illegaal in het land verblijft kan geen recht op verblijf laten gelden door het enkel feit van zijn erkenning als staatloze. De erkenning als staatloze heeft niet tot gevolg dat de illegaal in het land verblijvende vreemdeling als een rechtmatig verblijvende vreemdeling moet worden beschouwd
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Algemeen SOCIAAL RECHT - INTERNATIONAAL SOCIAAL RECHT - Multilaterale verdragen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingen - Internationaal recht - Verdrag New York 28 septembre 1954 - Staatslozen Vrije woorden: Verdrag betreffende de status van staatlozen - Illegaal verblijf - Erkenning als staatloze Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 28-09-1954 - Artt. 7 en 31 Fiche 4 De inschrijving van een vreemdeling in het wachtregister van de gemeente waar hij zijn hoofdverblijfplaats heeft, houdt op zich niet in dat de betrokkene rechtmatig op het grondgebied mag verblijven
(1)
(2).
(1)Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
(2)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Algemeen SOCIAAL RECHT - INTERNATIONAAL SOCIAAL RECHT - Multilaterale verdragen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingen - Internationaal recht - Verdrag New York 28 septembre 1954 - Staatslozen Vrije woorden: Inschrijving in het wachtregister - Verblijfsstatuut Wettelijke bepalingen: Wet - 19-07-1991 - Artt. 1, § 1, 2°, eerste lid, en 1bis, tweede lid, 2° Fiches 5 - 8 Concl. adv.-gen. MORTIER, Cass., 19 mei 2008, AR S.07.0078.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Werknemer - Algemeen SOCIAAL RECHT - INTERNATIONAAL SOCIAAL RECHT - Multilaterale verdragen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - VREEMDELINGEN - Vreemdelingen - Internationaal recht - Verdrag New York 28 septembre 1954 - Staatslozen Vrije woorden: Staatloze - Uitzettingsverbod - Legaal verblijf Verdrag betreffende de status van staatlozen - Verplichting voor de verdragsluitende staten - Verblijfsrecht Verdrag betreffende de status van staatlozen - Illegaal verblijf - Erkenning als staatloze Inschrijving in het wachtregister - Verblijfsstatuut Tekst van de conclusie S.07.0078.N Conclusie van advocaat-generaal R. MORTIER:
- Situering Eiser is afkomstig uit Bhutan en verblijft sedert 2000 in België. Hij deed aanvankelijk een asielaanvraag die werd afgewezen en waarop een bevel volgde om het grondgebied te verlaten. Het beroep bij de Raad van State tegen deze beslissing werd afgewezen. Eiser deed ook een aanvraag tot regularisatie van zijn verblijf. Ook deze aanvraag werd afgewezen. Het annulatieberoep hiertegen bij de Raad van State werd nog niet beslecht. Het OCMW weigerde op 14 oktober 2004 aan eiser maatschappelijke dienstverlening toe te kennen onder de vorm van financiële steun aangezien hij sedert het arrest van de Raad van State illegaal op het grondgebied verblijft. Het beroep dat betrokkene tegen deze beslissing instelde werd bij vonnis van 25 juli 2006 door de arbeidsrechtbank te Brugge gegrond bevonden. De rechtbank oordeelde dat eiser zich in de absolute onmogelijkheid bevond om gevolg te geven aan het bevel het grondgebied te verlaten, gezien hij om redenen die buiten hemzelf lagen niet kon gerepatrieerd worden. De beperking van de maatschappelijke dienstverlening tot dringende medische hulp overeenkomstig artikel 57, §2 OCMW-wet gold daarom niet en betrokkene kon wegens overmacht aanspraak maken op volwaardige maatschappelijke dienstverlening. Verweerder tekende hoger beroep aan. Eiser voerde in deze procedure onder andere aan dat hij bij vonnis van 30 januari 2007 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge werd erkend als staatloze in de zin van het Verdrag van New York van 28 september 1954 zodat het vaststaat dat hij niet repatrieerbaar is. Het arbeidshof verwierp bij arrest van 11 mei 2007 dit verweer en bevestigde de beslissing van het OCMW in al zijn beschikkingen omdat eiser ook na zijn erkenning als staatloze illegaal in het land verblijft en hij buiten de dringende medische hulp dus geen aanspraak kan maken op het recht op maatschappelijke dienstverlening, behoudens op de dringende medische hulp.
- Bespreking. 2.
- Het eerste onderdeel van het enig middel tot cassatie heeft betrekking op de gevolgen van de erkenning als staatloze in de zin van het Verdrag van New York van 28 september 1954 op het vlak van het verblijfsstatuut. Eiser voert aan dat een vreemdeling die uitgeprocedeerd is en illegaal in het land blijft vertoeven, maar nadien als staatloze wordt erkend, het statuut van illegale vreemdeling verliest. Hij is dan immers, althans het standpunt van eiser, een rechtmatige want erkende staatloze die zich mag beroepen op de bescherming geboden door artikel 31 van het Verdrag van New York zodat hij alleen kan uitgewezen worden om redenen van nationale veiligheid of openbare orde krachtens een besluit dat genomen is in overeenstemming met de wettelijk voorziene procedure. Artikel 1 van het Verdrag van 28 september 1954 betreffende de status van staatlozen, opgemaakt te New York
(1), definieert voor de toepassing van dit Verdrag de "staatloze" als een persoon die door geen enkele Staat, krachtens diens wetgeving als onderdaan wordt beschouwd. Artikel 7 van dit Verdrag bepaalt dat, behoudens de gevallen dat dit Verdrag gunstiger bepalingen bevat, een Verdragsluitende Staat, staatlozen op dezelfde wijze zal behandelen als vreemdelingen in het algemeen. Naar intern recht en overeenkomstig artikel 98 van het K.B. van 8 oktober 1981
(2), wordt de staatloze onderworpen aan de algemene reglementering betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen. Dit impliceert dat staatlozen op dezelfde wijze worden behandeld als andere vreemdelingen voor wat betreft hun verblijf. Een staatloze kan dus, zoals andere vreemdelingen in buitengewone omstandigheden een machtiging tot verblijf aanvragen bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft overeenkomstig artikel 9bis van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De onmogelijkheid tot terugkeer of de onverwijderbaarheid van een vreemdeling kan als een buitengewone omstandigheid in aanmerking genomen worden. Zolang aan de vreemdeling evenwel geen dergelijke machtiging werd verleend, verblijft hij illegaal op het grondgebied. In de voorliggende zaak werd aan eiser een bevel betekend om het grondgebied te verlaten. Het arrest stelt vast dat eiser een aanvraag tot machtiging op grond van artikel 9 derde lid
(3)van de Wet van 15 december 1980 heeft ingediend, maar dat deze machtiging niet werd verleend. In de periode waarvoor eiser maatschappelijke dienstverlening vroeg, verbleef hij dus illegaal in het land. Uw Hof besliste bij arrest van 4 september 1995 dat de niet-uitvoering, binnen redelijke termijn, van het bevel om het grondgebied te verlaten niet betekent dat het verblijf van de vreemdeling regelmatig is of dat er een stilzwijgend akkoord bestaat volgens hetwelk betrokkene verder op het grondgebied mag verblijven.
(4)Eiser voert evenwel aan dat hij, hangende de procedure in hoger beroep, werd erkend als staatloze. Artikel 31 van het Verdrag van New York bepaalt weliswaar dat de Verdragsluitende Staten een rechtmatig op hun grondgebied vertoevende staatloze niet zullen uitzetten, behoudens om redenen van nationale veiligheid of openbare orde, maar dit uitzettingsverbod geldt slechts op voorwaarde van een rechtmatig verblijf. Een staatloze die vóór zijn erkenning een onregelmatig verblijf had, zal dus ook na zijn erkenning als staatloze niet beschermd worden door artikel 31 van dit Verdrag. Eiser verwijst in de toelichting ter ondersteuning van het eerste onderdeel van het middel, naar het arrest nr.17/2001 van 14 februari 2001 van het (toenmalig) Arbitragehof. Mijns inziens kan uit dit arrest niet afgeleid worden dat een vreemdeling niet langer als illegaal mag beschouwd worden, zodra hij op grond van een in kracht van gewijsde gegane beslissing als staatloze werd erkend. In het arrest werd immers enkel gesteld dat er geen Grondwettelijk beletsel bestaat om geen volwaardige maatschappelijke dienstverlening toe te kennen aan kandidaat-staatlozen die een beslissing afwachten over hun vordering om als staatloze te worden erkend overeenkomstig het Verdrag van New York. Het eerste onderdeel van het middel faalt derhalve naar recht. 2.2. In het tweede onderdeel van het middel leidt eiser uit zijn inschrijving in het wachtregister van de gemeente waar hij zijn hoofdverblijfplaats heeft af dat hij, als erkende staatloze, rechtmatig op het grondgebied mag verblijven, zodat hij voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 3 van de Wet van 26 mei 2002 houdende maatschappelijke integratie om recht te hebben op leefloon. Artikel 23 van het Verdrag van New York bepaalt dat de Verdragsluitende Staten de regelmatig op hun grondgebied verblijvende staatlozen, wat de ondersteuning en bijstand van overheidswege ter voorziening in hun levensonderhoud betreft, op dezelfde wijze zullen behandelen als hun onderdanen. Deze ondersteuning en bijstand van overheidswege kan krachtens dit verdrag dus niet opgeëist worden door de staatloze die niet regelmatig op het grondgebied verblijft. De Org. Wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn bepaalt in artikel 1 dat elke persoon recht heeft op maatschappelijke dienstverlening die tot doel heeft eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. De wijze waarop deze dienst verleend wordt is divers. Zo bepaalt artikel 57§1 dat het OCMW niet enkel lenigende of curatieve, maar ook preventieve hulp verzekert en de dienstverlening van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard kan zijn. Krachtens §2 van dit artikel is de taak van het OCMW evenwel beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft. Het artikel bepaalt verder dat een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend, illegaal in het Rijk verblijft wanneer de asielaanvraag is geweigerd en een bevel werd betekend om het grondgebied te verlaten. De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende was op het ogenblik dat hem een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt met uitzondering van de dringende medische hulp, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied verlaat en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten. Op grond van artikel 3,1° en 3° van de Wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie , kunnen staatlozen die onder de toepassing vallen van het Verdrag van New York aanspraak maken op leefloon, "mits zij hun werkelijke verblijfplaats hebben in de door de Koning te bepalen zin". In uitvoering daarvan bepaalt artikel 2 van het K.B. van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie: " Wordt geacht zijn werkelijke verblijfplaats in België te hebben in de zin van artikel 3,1° van de Wet, degene die gewoonlijk en bestendig op het grondgebied van het Koninkrijk verblijft, zelfs als hij niet over een woonst beschikt of niet is ingeschreven in het bevolkingsregister bedoeld in artikel 1,§1,1° van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, voorzover hij op het grondgebied van het Rijk mag verblijven." Om gerechtigd te zijn op leefloon volstaat het dus niet dat de aanvrager daadwerkelijk op het grondgebied van het Rijk verblijft, maar bovendien moet hij ook gerechtigd zijn om er te verblijven. Eiser leidt dit recht af uit zijn inschrijving in het wachtregister. De Wet van 19 juli 1991
(5)bepaalt in artikel 1,1° dat iedere gemeente een bevolkingsregister houdt waarin ingeschreven worden de Belgen en de vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om zich in het Rijk te vestigen of te verblijven, met uitzondering van de vreemdelingen die zijn ingeschreven in het in 2° bedoelde register. Het 2° lid van dit artikel bepaalt dat iedere gemeente ook een wachtregister houdt waarin de vreemdelingen die zich vluchteling verklaren of die vragen om als vluchteling te worden erkend en die niet in een andere hoedanigheid in de bevolkingsregisters zijn ingeschreven, worden opgenomen op de plaats waar zij hun hoofdverblijfplaats hebben. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de inschrijving in het wachtregister voorschrijven van andere vreemde onderdanen die zich in een onzekere administratieve toestand van verblijf in België bevinden, die hun inschrijving of het behoud ervan in de bevolkingsregisters niet mogelijk maakt. Krachtens artikel 1bis geschiedt de inschrijving in het wachtregister op initiatief van de Minister tot wiens bevoegdheid de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen behoren, zodra deze vreemdelingen in België zijn aangekomen of zodra hun aanwezigheid op het grondgebied is vastgesteld. Uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp
(6)tot oprichting van een wachtregister voor vreemdelingen die zich vluchteling verklaren of die vragen om als vluchteling erkend te worden blijkt dat het wachtregister de personen opneemt die in België verblijven in een bijzonder onzekere toestand die moeilijk te verzoenen is met het meer stabiele karakter, eigen aan een inschrijving in de bevolkingsregisters of het vreemdelingenregister. Het wachtregister, dat overeenkomstig het bepaalde in het K.B.van 1 februari 1995
(7), tevens ook melding maakt van de diverse administratieve beslissingen die ten opzichte van de betrokken persoon tijdens de procedure tot onderzoek van de aanvraag tot erkenning als vluchteling worden genomen, kadert in een goede beheersing van de immigratie en beoogt het opstellen van een efficiënt informaticasysteem die een goede informatieuitwisseling mogelijk maakt
(8). Het beoogt zicht te krijgen op de aanwezigheid op het grondgebied van personen met een onzekere administratieve situatie. Artikel 1bis van de Wet van 19 juli 1991 somt de gevallen op die aanleiding geven tot schrapping uit het wachtregister. Wanneer de procedure tot asielaanvraag afgesloten is door een negatieve beslissing die aanleiding geeft tot een bevel het grondgebied te verlaten, geschiedt de schrapping pas op het ogenblik dat de betrokkene het grondgebied werkelijk heeft verlaten. Een beslissing tot verwijdering of een beslissing om het grondgebied te verlaten impliceert op zich geen schrapping uit het wachtregister. Ook nadat dergelijk bevel werd gegeven kan een vreemdeling in het wachtregister opgenomen blijven. Dit alles toont aan dat een inschrijving in het wachtregister geenszins kan gelijkgesteld worden met een officiële toelating om op het grondgebied te verblijven. Ook het tweede onderdeel faalt bijgevolg naar recht. 2.3. In het derde onderdeel van het middel voert eiser aan dat de appelrechters uit de door hen gedane vaststellingen niet wettig konden afleiden dat er geen sprake was van een absolute onmogelijkheid tot terugkeer zonder het wettelijk begrip "overmacht" te miskennen. Mijns inziens hebben de appelrechters geen standpunt ingenomen over de vraag of er al dan niet sprake is van een absolute onmogelijkheid tot terugkeer, maar hebben zij enkel gezegd dat een verlenging van de bijlage 13 of het feit dat de overheid in de praktijk niet repatrieert naar Buthan op zich geen bewijs is van de absolute onmogelijkheid tot terugkeer voor appellante. In zoverre het onderdeel er dus van uitgaat dat het arrest oordeelt dat eiser zich niet bevindt in een situatie van absolute onmogelijkheid tot terugkeer mist het feitelijke grondslag. In zoverre het onderdeel aanvoert dat eiser zich wegens overmacht in een dergelijke situatie bevindt, verplicht het het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Conclusie: VERWERPING _________________
(1)en goedgekeurd bij Wet van 12 mei 1960 (B.S. 10 augustus 1960)
(2)K.B. van 8 oktober 1981 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (B.S. 27 oktober 1981)
(3)Thans artikel 9bis (Art.4 Wet 15 september 2006; Inw. 1 juni 2007)
(4)Cass., 4 september 1995, A.R. S.94.0133.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950904.1, A.C. 1995, nr.361.
(5)Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de Wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (B.S. 3 september 1991)
(6)Parl.St. Kamer, 1993-1994, nr.1281/1,2 en 8
(7)Koninklijk Besluit van 1 februari 1995 tot vaststelling van de in het wachtregister vermelde informatiegegevens en tot aanwijzing van de overheden die bevoegd zijn om die gegevens in het wachtregister in te voeren (B.S. 16 februari 1995)
(8)Zie de omzendbrief van 24 maart 1995 van de Minister van Binnenlandse zaken waarin wordt gesteld dat "het wachtregister een volledig overzicht moet bieden van alle asielzoekers die in België verblijven, met volledige en juiste informatie betreffende hun identiteit, verblijfplaats en asielprocedure. Eenmaal wanneer dit register volledig is geïnstalleerd zal het een bijzonder nuttig middel zijn voor het beleid inzake de beheersing van de illegale immigratie en de organisatie van het onthaal van asielzoekers". Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080519.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950904.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div