id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080520.1 Rolnummer: P.08.0007.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2008-06-04 Raadplegingen: 132 - laatst gezien 2026-07-03 04:37 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080520.1 Fiches 1 - 2 Het begrip kettingverkoop zoals omschreven in artikel 84, eerste lid, van de wet van 14 juli 1991, betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument, staat los van het begrip oplichting als bedoeld in artikel 496, Strafwetboek
(1).
(1)Zie conclusie O.M. Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Andere (rechtspleging) Vrije woorden: Handelspraktijkenwet - Begrip kettingverkoop - Verband met het begrip oplichting Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet - 14-07-1991 - Art. 84, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1991011261 Thesaurus CAS: OPLICHTING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Andere (rechtspleging) Vrije woorden: Handelspraktijken - Handelspraktijkenwet - Kettingverkoop - Verband met oplichting Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet - 14-07-1991 - Art. 84, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1991011261 Fiches 3 - 4 Artikel 84, eerste lid, van de wet van 14 juli 1991, betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument, dat bepaalt dat het verboden is te verkopen door een beroep te doen op een methode van kettingverkoop, die erin bestaat een netwerk van al dan niet professionele verkopers op te bouwen, waarbij iedereen enig voordeel verhoopt, meer door de uitbreiding van dat net dan door de verkoop van de producten of diensten aan de consument en dat de deelneming met kennis van zaken aan dergelijke verkopen eveneens verboden is, vereist als moreel bestanddeel van het misdrijf geen bijzonder opzet
(1).
(1)Zie conclusie O.M. Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Andere (rechtspleging) Vrije woorden: Handelspraktijkenwet - Misdrijf van kettingverkoop - Moreel bestanddeel - Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1991 - Art. 84, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1991011261 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Andere (rechtspleging) Vrije woorden: Handelspraktijken - Handelspraktijkenwet - Kettingverkoop - Moreel bestanddeel - Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1991 - Art. 84, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1991011261 Fiche 5 In de mate dat artikel 84, van de wet van 14 juli 1991, betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument, de verhoudingen tussen verkopers onderling betreft, is er geen reden om deze conform het doel van de Richtlijn 2005/29, van het Europees parlement, en de Raad van 11 mei 2005, betreffende de oneerlijke handelspraktijken uit te leggen, die uitsluitend toepassing vindt in de relatie van verkoper tot consument
(1).
(1)Zie conclusie O.M. Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Andere (rechtspleging) Vrije woorden: Handelspraktijkenwet - Artikel 84 - Uitlegging - Richtlijn 2005/29 van het Europees parlement en van de Raad van 11 mei 2005 betreffende de oneerlijke handelspraktijken - Toepassing Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/EU - 11-05-2005 Wet - 14-07-1991 - Art. 84, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1991011261 Fiches 6 - 10 Concl. adv.-gen TIMPERMAN, Cass., 20 mei 2008, AR P.08.0007.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Andere (rechtspleging) Vrije woorden: Handelspraktijkenwet - Begrip kettingverkoop - Verband met het begrip oplichting Thesaurus CAS: OPLICHTING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Andere (rechtspleging) Vrije woorden: Handelspraktijken - Handelspraktijkenwet - Kettingverkoop - Verband met oplichting Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Andere (rechtspleging) Vrije woorden: Handelspraktijkenwet - Misdrijf van kettingverkoop - Moreel bestanddeel - Aard Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Andere (rechtspleging) Vrije woorden: Handelspraktijken - Handelspraktijkenwet - Kettingverkoop - Moreel bestanddeel - Aard Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Andere (rechtspleging) Vrije woorden: Handelspraktijkenwet - Artikel 84 - Uitlegging - Richtlijn 2005/29 van het Europees parlement en van de Raad van 11 mei 2005 betreffende de oneerlijke handelspraktijken - Toepassing Tekst van de conclusie P.08.0007.N Advocaat-generaal Timperman heeft in substantie gezegd: Het eerste en het tweede middel door eiseres in cassatie ontwikkeld hebben betrekking op artikel 84 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument, hierna aangeduid als WHPC. 1. In het eerste middel voert eiseres aan dat de delictsomschrijving van artikel 84 WHPC, dat kettingverkopen verbiedt en dat ingevolge artikel 105 WHPC wordt gestraft, bijzonder opzet vereist, met name het oogmerk om zich een zaak toe te eigenen die aan een ander toebehoort. Het middel verwijst naar het gegeven dat onder gelding van de vroegere handelspraktijkenwet de kettingverkoop, die toen het voorwerp uitmaakte van artikel 52, in artikel 63 werd bestraft met de bij artikel 496 Strafwetboek bepaalde straffen. Eiseres argumenteert dat ingevolge de verwijzing naar 496 Strafwetboek en door die bepaling toepasbaar te verklaren, dit betekende dat het misdrijf van kettingverkoop bijzonder opzet vereiste zoals ook het geval is bij oplichting. Het middel faalt naar recht: om uit te maken of bijzonder opzet als moreel bestanddeel van het misdrijf vereist is, dient te worden gekeken naar de delictsomschrijving; wanneer bijzonder opzet vereist is, vermeldt de wetgever het immers uitdrukkelijk
(1)en dit is hier niet het geval. Ook andere auteurs bevestigen dat voor de toepassing van artikel 84 geen bijzonder opzet vereist is, meestal onder verwijzing naar een arrest van het hof van beroep te Brussel van 16 september 1998
(2). Aldus onder meer DE PATOUL
(3), SPREUTELS, ROGGEN
(4)en ROGER FRANCE alsook DIRIX, MONTAGNIE en VANHEES
(5). Reeds eerder schreef DE VROEDE dat waar in toepassing van artikel 63 van de vroegere wet de overtreding van artikel 52 kon bestraft worden met de bij art. 496 Strafwetboek bepaalde straffen, het hem niet meer dienend overkwam als hoofdkenmerken van de verboden kettingverkoop immoraliteit, oplichting, bedrog en door de consument en onderverdelers geleden schade te vermelden: "In ieder geval heeft de wetgever van 1991 deze gegevens niet opgenomen in de omschrijving van het begrip kettingverkoop. Er mag dus aangenomen worden dat de wetgever de onder gelding van de WHP tot stand gekomen rechtspraak niet meer aangepast achtte (...)
(6)". In voormeld arrest van 16 september 1998 van het hof van beroep te Brussel werd aldus gesteld dat de artikelen 103 en 105 WHPC erop wijzen dat, in tegenstelling tot wat het geval is voor andere inbreuken op deze wet, geen kwade trouw vereist is opdat de kettingverkoop reeds strafbaar zou zijn. Ook in het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 juni 2002 wordt bevestigd dat de wetgever in artikel 84 een eigen definitie heeft gegeven aan het begrip kettingverkoop en dat de melding dat 'er geen sprake zou zijn van oplichting of bedrog', daarom niet relevant is
(7). Een en ander geldt nog des te meer nu de wetgever met artikel 84 een voldoende ruime definitie wou geven aan het begrip kettingverkoop - en derhalve ook aan de bestraffing ervan - hetgeen haaks staat op een lezing van die bepaling als inhoudende een delictsomschrijving die een bijzonder opzet vereist. Dit zou immers tot een restrictievere toepassing van de verbodsbepaling leiden
(8). Het voorgaande verhindert uiteraard niet dat in een geval waarin er de facto een bijzonder opzet aanwezig is, een eendaadse samenloop kan voorhanden zijn met een inbreuk op artikel 496 Strafwetboek
(9), zonder dat daarom het bestaan van bijzonder opzet vereist is voor het bestaan en de bestraffing van een kettingverkoop bij toepassing van de artt. 84 en 105 WHPC. 2. Het tweede middel, dat aanvoert dat artikel 84 WHPC richtlijnconform diende te worden uitgelegd, lijkt mij eveneens te falen naar recht. Eiseres voert aan dat, in plaats van de subjectieve invulling die artikel 84 WHPC voorschrijft en waarbij wordt uitgegaan van het verwachtingspatroon van de consument 'waarbij iedereen enig voordeel verhoopt', die bepaling dient te worden geïnterpreteerd in het licht van de onderliggende economische realiteit gelet op het begrip "kans maken op" zoals vervat in punt 14 van bijlage I bij Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt, en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EG van de Raad, van de Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad ("Richtlijn oneerlijke handelspraktijken")
(10). Eiseres wijst er op dat uit de parlementaire voorbereiding van de Wet van 5 juni 2007, die door een aanpassing van de WHPC bovenvermelde richtlijn wou omzetten in het Belgische recht, ervoor werd geopteerd - na Advies van de Raad voor het Verbruik - artikel 84 uiteindelijk te behouden omdat dit hetgeen wat in nummer 14 van de bijlage I bij de richtlijn is opgenomen
(11), reeds dekt, weliswaar met dit voorbehoud dat art. 84 WHPC - anders dan het geval is met de richtlijn en de bijlage - ook kettingverkopen betreft in de relatie tussen verkopers onderling, terwijl de richtlijn enkel de relatie tussen verkoper en consument betreft. Eiseres besluit dat, in de mate waarin voor de toepassing van punt 14 uit bijlage I bij de richtlijn dient te worden uitgegaan van de onderliggende economische realiteit, en niet - zoals het geval is met artikel 84 WHPC - van het verwachtingspatroon van de consument, de verplichting tot richtlijnconforme interpretatie tot gevolg heeft dat voor een toepassing van artikel 84 WHPC ook van de onderliggende economische realiteit dient te worden uitgegaan. Uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie volgt echter dat de verplichting tot richtlijnconforme interpretatie om het doel van de richtlijn te realiseren en de interpretatie van het nationale recht, dienen te gebeuren in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn
(12). Hieruit volgt dat in casu de richtlijn oneerlijke handelspraktijken geen toepassing dient te krijgen en er derhalve geen verplichting tot richtlijnconforme interpretatie bestaat nu het concreet ging om een piramideverkoop tussen verkopers onderling. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt immers dat artikel 84 WHPC in casu werd toegepast in de relatie tussen verkopers onderling en dat het dus niet ging om een piramideverkoop of kettingverkoop in de relatie tussen de verkoper en de consument zoals bedoeld in nr. 14 van Bijlage I bij de richtlijn. Er was voor de appelrechters dan ook geen reden om in casu art. 84 WHPC uit te leggen conform de bewoordingen en de bedoeling van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken nu deze wetsbepaling werd toegepast op een verhouding die de richtlijn niet beoogde te regelen. Bijgevolg is er geen aanleiding om de door eiseres geformuleerde prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie: het antwoord op de vraag is niet dienend voor de oplossing van het geschil
(13). (...) Conclusie: verwerping. ________________________
(1)C. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht, strafprocesrecht & internationaal strafrecht, Antwerpen, Maklu, 2006, 281.
(2)Brussel 16 september 1998, Jaarboek Handelspraktijken en Mededinging, 1998, 354, noot J. STUYCK.
(3)F. DE PATOUL, "Les pratiques de commerce. Vol 1", in M. COIPEL en P. WERY (dir.), Les pratiques du commerce, l'information et la protection du consommateur. Commentaire de la loi du 14 juillet 1991 et de la loi du 2 août 2002, Waterloo, Kluwer, 2006, nr. 860.
(4)J. SPREUTELS, F. ROGGEN en E. ROGER FRANCE, Droit pénal des affaires, Brussel, Bruylant, 2005, 1015.
(5)E. DIRIX, Y. MONTANGIE, H. VANHEES, Handels- en economisch recht in hoofdlijnen, Antwerpen, Intersentia, 2005, nr. 435: "De enkele overtreding van dit verbod kan worden gesanctioneerd: enige immoraliteit, oplichting of bedrog, noch kwade trouw is niet vereist."
(6)P. DE VROEDE, "Kettingverkoop kan verschillende facetten vertonen", (noot onder Voorz. Kh. Brussel 16 september 1997), Jaarboek Handelspraktijken en Mededinging 1997,
(386)387.
(7)Antwerpen 27 juni 2002, T.B.H. 2003, 602.
(8)Cfr. Brussel 16 september 1998.
(9)Cfr. Corr. Brugge 18 mei 1999, Jaarboek Handelspraktijken en Mededinging 1999, 454.
(10)PB. L.11 juni 2005, Nr. 149/22.
(11)Nummer 14 van bijlage I omschrijft als één van de handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd: "Een piramidesysteem opzetten, beheren of promoten waarbij de consument tegen betaling kans maakt op een vergoeding die eerder voortkomt uit het aanbrengen van nieuwe consumenten dan uit de verkoop of het verbruik van goederen."
(12)Zie aldus: H.v.J. 10 april 1984, Von Colson en Kamann, nr. 14/83, Jur. H.v.J. 1984, 1891; H.v.J. 13 november 1990, Marleasing SA t. La Comercial Internacional de Alimentación SA, nr. C-106/89, Jur. H.v.J. 1990, I-4135. Vergelijk ook met: K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Antwerpen, Maklu, 2003, nr. 740.
(13)Artikel 234 EG; Cfr. o.m.: H.v.J. 6 oktober 1982, CILFIT, nr. 283/81, Jur. H.v.J. 1982, 3415. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080520.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div