id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080522.3 Rolnummer: F.06.0077.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-18 Raadplegingen: 292 - laatst gezien 2026-07-03 08:02 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080522.3 Fiche 1 Dat de motivering van het dwangbevel inzake successierechten 'afdoende' moet zijn, betekent dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen en dat de motivering evenredig moet zijn met de belangrijkheid van de genomen beslissing en de aard van de bevoegdheid van de overheid, en de bestemmeling moet toelaten de gronden te kennen van de beslissing die hem aanbelangt; zulks zal afhangen van alle omstandigheden van de zaak, inzonderheid van de voorafgaande effectieve kennis die de bestemmeling heeft van de gegevens van het dossier
(1).
(1)Zie concl. O.M. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Algemeen (successierechten) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Dwangbevel - Afdoende motivering Wettelijke bepalingen: Wetboek der successierechten - Art. 142/2, eerste lid Wet - 29-07-1991 - Artt. 1, 2 en 3 Fiche 2 Het staat aan de feitenrechter om in feite te oordelen of de motivering van een dwangbevel inzake successierechten afdoende is; hij mag daarbij evenwel het wettig begrip van de motiveringsplicht van de overheid niet schenden
(1).
(1)Zie concl. O.M.. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Algemeen (successierechten) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Dwangbevel - Afdoende motivering - Toetsing door de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek der successierechten - Art. 142/2, eerste lid Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten - 30-11-1939 - Art. 220 Wet - 29-07-1991 - Artt. 1, 2 en 3 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 22 mei 2008, AR F.06.0077.N, A.C., 2008, nr. ... . Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - SUCCESSIERECHTEN - Algemeen (successierechten) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht Vrije woorden: Dwangbevel - Afdoende motivering Dwangbevel - Afdoende motivering - Toetsing door de rechter Tekst van de conclusie F.06.0077.N Advocaat-generaal Dirk THIJS heeft in substantie gezegd: DE FEITEN.
- De h. V. overleed op 3 december 1980 en liet zijn echtgenote als enige wettige erfgenaam achter. Uit een administratief onderzoek van de fiscus bleek dat de echtgenoten V.-S. een KB-Luxrekening aanhielden met op datum van 2 oktober 1989 (zijnde minder dan 3 jaar voor het overlijden) een saldo van 889.233.113,5 BEF. Deze rekening wordt op grond van art. 108, W.Succ. geacht in de nalatenschap aanwezig te zijn tot bewijs van het tegendeel. Het tegenbewijs werd niet geleverd en het bedrag van de rekening werd niet teruggevonden in de ingediende aangiften. Op 24 april 2001, kort voor het verstrijken van de 10-jarige verjaringstermijn inzake successierechten (op 3 mei 2001), werd door de ontvanger van het derde kantoor der registratie te Brugge een dwangschrift uitgevaardigd, door de gewestelijke directeur uitvoerbaar verklaard en bij exploot van 26 april 2001 aan de erfgename betekend. Bij verzoekschrift van 23 mei 2001 tekende de erfgename verzet tegen het uitgevaardigde dwangbevel aan en vroeg nietigverklaring van het dwangbevel minstens vermindering van de geldboete. De belastingadministratie stelde bij conclusie van 30 mei 2002 een tegenvordering in om eisers te horen veroordelen tot de betaling van de successierechten op het niet aangegeven actief. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep werd het dwangschrift nietig verklaard wegens motiveringsgebrek. De tegenvordering werd in eerste aanleg ontvankelijk maar ongegrond verklaard. In hoger beroep werd de tegenvordering niet ontvankelijk verklaard wegens verjaring. BESPREKING VAN DE MIDDELEN.
- In het eerste middel tot cassatie komt eiser op tegen de vaststelling in het tussenarrest dat het dwangbevel tot invordering van successierechten niet toereikend was gemotiveerd en derhalve terecht door de eerste rechter werd nietig verklaard. In het eerste onderdeel voert eiser aan dat het bestreden arrest onder meer de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen heeft miskend door te oordelen dat de aanduiding in het dwangbevel van het belastbare feit, de omvang en de oorzaak van de fiscale schuld en de afwezigheid van vrijwillige betaling geen "afdoende motivering" uitmaken in de zin van deze wet. Eiser argumenteert inzonderheid dat uit de omstandigheid dat het litigieuze dwangbevel de feitelijke gegevens niet vermeldt van het administratief onderzoek, dat tot de vaststelling van de gevorderde fiscale schuld heeft geleid, niet kan worden afgeleid dat het dwangbevel niet afdoende zou zijn gemotiveerd.
- Partijen zijn het er over eens dat ook inzake successierechten het dwangbevel een bestuurshandeling is waarop de Wet Motivering bestuurshandelingen van toepassing is, zodat het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd (cfr. Cass., 12 januari 2OO5, A.R. nr. C.O3.O354.N, www.cass.be, wat betreft het dwangbevel inzake B.T.W.). Ik kan voorts verwijzen naar de principes uiteengezet in mijn gepubliceerde conclusie voor het arrest van Uw Hof van 12 januari 2OO5, die mutatis mutandis ook toepasselijk zijn op de motivering van het dwangbevel inzake successierechten. De motivering moet tevens ‘afdoende' zijn (cfr. de artt. 2 en 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen). Zulks impliceert dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen (Cass., 11 september 2OO3, A.R. nr. C.O1.O114.N, www.cass.be; Cass., 3 februari 2OOO, A.C., 2OOO, nr. 89).
- Uw Hof oordeelde tevens dat een afdoende uitdrukkelijke motivering van een bestuurshandeling evenredigheid vereist tussen het gewicht en de motivering van de beslissing (Cass., 15 februari 1999, A.C., 1999, nr. 88). De omvang van de motivering moet aldus aangepast zijn aan het belang van de beslissing (P. VAN ORSHOVEN, Uitdrukkelijke motivering van fiscale bestuurshandelingen, Fiscale Koerier, 1991, 91/5O9 en 51O).
- De formele motiveringsplicht is er in essentie op gericht de bestuurde een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de bestuurshandeling dat hij in staat is met kennis van zaken te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verzetten (G. DEBERSAQUES, De sanctie verbonden aan het verzuim van een afdoende formele motivering in de zin van de uitdrukkelijke motiveringswet: enkele kanttekeningen, T.B.P., 1994, 644). Het hof van beroep kan gevolgd worden waar het vooropstelt dat om te oordelen of de belastingplichtige dient te ageren tegen het dwangbevel het evident vereist is dat hij zou ingelicht zijn over de motieven ten laatste op het ogenblik dat het dwangbevel hem wordt betekend. Met deze verplichting wenste de wetgever inderdaad het fundamenteel recht van de burger om de gronden te kennen van een beslissing die hem aanbelangt, te waarborgen. Zo wordt de formele motiveringsplicht beschouwd als een uitvloeisel van het fundamentele recht van de burger op informatie in zijn betrekkingen met het bestuur (G. VAN HAEGHENBORGH, De invordering van de inkomstenbelastingen en de wet motivering bestuurshandelingen, in Fiscaal Executierecht, eds. E. DIRIX en P. TAELMAN, Intersentia, 2OO3, 349, nr. 4).
- Zoals verweerders voorhouden in hun memorie van antwoord varieert wat een afdoende motivering is bijgevolg van geval tot geval en moet in concreto worden beoordeeld, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, zoals het belang van de beslissing voor de bestuurde, de aard van de betrokken bevoegdheid en de reeds door de bestuurde gekende gegevens van het dossier (I. OPDEBEEK en A. COOLSAET, Formele motivering van bestuurshandelingen, die Keure, Brugge, 1999, 144, nr. 18O; Memorie van antwoord, p. 6, voorlaatste alinea). Wat dit laatste element betreft, kan men inderdaad moeilijk aannemen dat het fundamentele recht van de burger op informatie in zijn betrekkingen met het bestuur in het gedrang wordt gebracht in gevallen waarin die burger, voorafgaandelijk aan de bestuurshandeling, kennis heeft genomen van de gegevens van het administratief dossier die tot de bestuurshandeling hebben geleid.
- Uit de vaste rechtspraak van Uw Hof blijkt dat het in eerste instantie aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of de motivering al dan niet afdoende is, met dien verstande dat hij daarbij het wettelijk begrip van de motiveringsplicht van de overheid niet mag schenden (Cass., 11 september 2OO3, A.R. C.O1.O144.N, www.cass.be; Cass., 14 april 2OO3, A.R. S.OO.O116.N, www.cass.be, en Cass., 3 februari 2OOO, A.C., 2OOO, nr. 28O). Het dwangbevel moet overeenkomstig de termen van twee recente arresten van Uw Hof de fiscale schuld "concretiseren", hetgeen impliceert dat het belastbaar feit, het bedrag en de hoedanigheid van schuldenaar duidelijk wordt gemaakt (Cass., 9 maart 2OO6, A.R. nrs. C.O3.OO74.N en C.O4.O153.N).
- In casu stellen de appelrechters vast dat de enige als feitelijk aan te merken overwegingen die in het dwangbevel aangehaald worden zijn: "Aangezien uit een administratief onderzoek is gebleken dat de echtgenoten Vlerick-Sap titularissen waren van een KB Luxrekening, met een saldo op datum van 2 oktober 1989 van 889.233.133,5 F;". Het litigieuze dwangbevel geeft aan de betrokken belastingschuldigen zodoende kennis van het belastbaar feit, wijst de omvang en de oorzaak van de fiscale schuld aan, alsmede de wetsbepalingen die deze schuld doen ontstaan. Daarbij kan worden opgemerkt dat de aanwezigheid van een bepaald saldo op een financiële rekening op een welbepaalde datum een gemakkelijk te verifiëren feitelijk gegeven betreft.
- De appelrechters stellen voorts vast dat de belastingschuldige en haar raadsman kennis hebben gekregen van het administratief dossier dat tot het dwangbevel heeft geleid (arrest, fol. 1O84, vierde alinea). In deze omstandigheden valt niet in ze zien hoe "de bestuurde (ten deze) geconfronteerd werd met een beslissing waarvan hij de redenen niet kent", zodat de motivering van het dwangbevel gepaard gaande met de verleende inzage in de gegevens van het administratief onderzoek, ten deze volkomen in overeenstemming te brengen is met de ratio legis van de Wet Motivering Bestuurshandelingen (cfr; BTW-Revue, november 1991, Wetsvoorstel p. 393, Verslag Senaat, p.411).
- Niettemin oordelen de appelrechters dat "in de gegeven omstandigheden een afdoende motivering vereist dat door de administratie in het dwangbevel zou aangehaald worden welke de feitelijke gegevens waren van het administratief onderzoek die tot het vermeld besluit van dit administratief onderzoek geleid hebben." Aldus schenden de appelrechters de aangewezen bepalingen van de Wet Motivering Bestuurshandelingen, hetgeen meteen leidt tot de vernietiging van het aangevochten tussenarrest en eindarrest.
- Ten overvloede weze opgemerkt dat eiser bovendien terecht aanvoert dat de feitelijke gegevens van het administratief onderzoek waaruit blijkt op welke wijze het bestuur in kennis werd gesteld van het belastbaar feit en zodus over welke bewijsmiddelen het beschikt, niet behoren tot het gebied van de motivering van het dwangbevel, zijnde de juridische en feitelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan de belastingschuld, maar tot de bewijsvoering van de fiscale schuld. Het vereiste dat de motivering van het dwangbevel "afdoende" moet zijn, kan immers geen afbreuk doen aan de rechten van de partijen met betrekking tot het te leveren bewijs van de aangevoerde feiten (H. VANDEBERGH, De geschillenprocedure inzake BTW, Bibliotheek Fiscaal Recht Larcier, Larcier, Gent, 2OO5, p. nr. 24 e.v.). Het dwangbevel kan, in geval van verzet, overigens steeds aangevuld worden met stukken die het bestuur als bewijsmiddel van de fiscale schuld aanvoert zonder dat de juridische grondslag van de vordering daarbij mag worden gewijzigd. Zelfs in de loop van een rechtsgeding mag de fiscus in dat verband binnen de perken van het geding aanvullende processen-verbaal opstellen en deze ter kennis brengen van de belastingplichtige (cfr. Cass., 7 juni 1983,R.W., 1983-84, 1342, met noot A. VANDEPLAS; Cass., 9 oktober 1984, F.J.F., Nr. 85/65; H. VANDEBERGH, o.c., nr. 46). Besluit: VERNIETIGING van de bestreden arresten. ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080522.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240321.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div