id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080626.14 Rolnummer: C.07.0494.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2008-10-06 Raadplegingen: 202 - laatst gezien 2026-07-03 04:00 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.14 Fiche 1 Uit artikel 29bis, § 1, van de WAM-wet, dat de rechten van de rechthebbenden wil afstemmen op de rechten van het slachtoffer, volgt dat wanneer het slachtoffer krachtens het zesde lid van artikel 29, § 1, van de WAM-wet, geen recht heeft op vergoeding, zijn rechthebbenden evenmin aanspraak kunnen maken op vergoeding van schade die zij lijden door het letsel of het overlijden van het slachtoffer
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Zwakke weggebruiker Vrije woorden: Vergoeding van schade - Uitsluiting - Slachtoffer ouder dan 14 jaar dat het ongeval en zijn gevolgen gewild heeft - Rechthebbenden van het slachtoffer Fiche 2 Concl. adv.-gen. MORTIER, Cass., 26 juni 2008, AR C.07.0494.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Zwakke weggebruiker Vrije woorden: Vergoeding van schade - Uitsluiting - Slachtoffer ouder dan 14 jaar dat het ongeval en zijn gevolgen gewild heeft - Rechthebbenden van het slachtoffer Tekst van de conclusie C.07.0494.N CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL MORTIER
- Situering De zoon van verweerster overleed op 25 december 2002 bij een verkeersongeval. Verweerster vorderde op grond van artikel 29bis WAM als rechthebbende vergoeding van de geleden schade. De politierechtbank van Hasselt, afdeling Beringen verklaarde deze vordering bij vonnis van 19 april 2005 niet gegrond. De politierechter oordeelde dat het slachtoffer, ouder dan 14 jaar het ongeval en zijn gevolgen heeft gewild en deze omstandigheid de toepassing van de automatische vergoedingsverplichting van de WAM verzekeraar uitsluit. Derhalve worden, althans de politierechter, ook de rechthebbenden van het slachtoffer van de toepassing van artikel 29bis WAM uitgesloten. Op het hoger beroep van verweerster oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt bij vonnis van 16 mei 2007 evenwel dat het feit dat het slachtoffer, ouder dan 14 jaar, het ongeval en de gevolgen ervan gewild hebben, niet aan de nabestaanden wordt aangerekend. De uitzondering die de wet bepaalt dient strikt uitgelegd te worden zodat de uitsluitingsgrond enkel geldt voor de slachtoffers ouder dan 14 jaar. De vergoedingsregeling uitgewerkt in artikel 29 bis WAM staat los van artikel 1382 B.W. zodat de theorie van de schade bij weerkaatsing niet dient toegepast te worden. 2.Bespreking 2.
- Eiseres voert in haar verzoekschrift één middel aan, bestaande uit twee onderdelen. In de regelmatig neergelegde memorie van antwoord voert verweerster aan dat het middel, bij gebrek aan nauwkeurigheid, onontvankelijk is nu eiseres niet preciseert tegen welke punten van de beslissing haar kritiek gericht is. Uit het geheel van het middel blijkt evenwel duidelijk dat het middel gericht is tegen de beslissing waarbij eiseres werd veroordeeld tot schadevergoeding aan verweerster zodat de grond van niet ontvankelijkheid niet kan aangenomen worden. 2.
- Het middel heeft in zijn beide onderdelen betrekking op de inhoud en de gevolgen van artikel 29bis, §1, zesde lid van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals laatst gewijzigd door de wet van 19 januari
- Het ongeval deed zich voor op 25 december 2002, dus na de inwerkingtreding van de wet van 19 januari
- Artikel 29bis, §1 van deze wet, in de van toepassing zijnde versie, bepaalt in het eerste lid: "Bij een verkeersongeval waarbij één of meer motorrijtuigen betrokken zijn op de plaatsen bedoeld in artikel 2, §1, wordt, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken." Het zesde lid van §1 bepaalt: "Slachtoffers die ouder zijn dan 14 jaar en het ongeval en zijn gevolgen hebben gewild, kunnen zich niet beroepen op de bepalingen van het eerste lid." De rechterlijke instanties die zich over de concrete zaak die voorligt dienden uit te spreken hielden er, wat de gevolgen van de bepaling van dit zesde lid voor de rechthebbenden van het slachtoffer betreft, uiteenlopende standpunten op na. De eerste rechter oordeelde dat de uitsluiting ten aanzien van de slachtoffers bedoeld in dit zesde lid ook doelde op de rechthebbenden van deze slachtoffers, terwijl de rechter in graad van beroep deze bepaling op letterlijk en strikte wijze uitlegde en oordeelde dat de rechthebbenden in het geval van het zesde lid niet uitgesloten werden van de vergoedingsregeling zoals bepaald in het eerste lid. 2.
- De wet van 21 november 1989 werd, wat betreft de invoeging en de inhoud van de bepalingen van artikel 29bis herhaaldelijk gewijzigd. De invoering van het principe van de objectieve aansprakelijkheid van motorvoertuigen beoogde een tweeledig doel
(1). Enerzijds de bespoediging van de schadeloosstelling van bepaalde slachtoffers van verkeersongevallen en anderzijds een aanzienlijke kostenbesparing voor het RIZIV door de financieringslast van de nieuwe regeling naar de verzekeringssector door te schuiven. Het principe werd ingevoerd als artikel 45 van de Wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen en maakte voordien het voorwerp uit van besprekingen in Kamer en Senaat. Het eerste voorontwerp van wet
(2)voorzag in een invoering van een artikel 1385bis in het Burgerlijk Wetboek dat in §1 bepaalde: "Hij die een motorrijtuig in het verkeer brengt, is aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van de lichamelijk letsels die zijn toegebracht aan ieder slachtoffer van een ongeval waarbij het motorrijtuig betrokken is. Wanneer een slachtoffer dat ouder is dan veertien jaar het ongeval en de gevolgen ervan heeft gewild, kan het zich niet beroepen op het bepaalde in het vorig lid." Dit voorontwerp van wet werd voor advies voorgelegd aan de Raad van State. Voor wat artikel 1385bis, §1 betreft werd opgemerkt
(3): "Met betrekking tot het tweede lid blijkt uit de toelichtingen van de gemachtigden van de regering dat volgens de stellers van het ontwerp, noch de rechtverkrijgende van het slachtoffer, noch het slachtoffer zelf zich in het bedoelde geval kunnen beroepen op de hierbij ingevoerde regeling van objectieve aansprakelijkheid. Teneinde te voorkomen dat uit het ontworpen artikel 1385bis, §2, tweede lid, een interpretatie a contrario wordt afgeleid, zou het beter zijn dat zulks uitdrukkelijk in de tekst wordt gepreciseerd." Het artikel 1385bis§2, tweede lid waarnaar werd verwezen voorzag immers dat de bestuurder van een motorrijtuig zich niet kan beroepen op het bepaalde in dit artikel en hetzelfde geldt voor de personen die aanvoeren schade te lijden ten gevolge van de lichamelijke letsels opgelopen door de bestuurder of ten gevolge van diens overlijden. Rekening houdend met het advies van de Raad van State
(4)werd het ontwerp aangepast en voorzag het tweede lid van artikel 1385bis§1 uitdrukkelijk: "Wanneer het slachtoffer dat ouder is dan veertien jaar het ongeval en de gevolgen ervan heeft gewild, kan het zich niet beroepen op het bepaalde in het vorige lid. Hetzelfde geldt voor de personen die aanvoeren schade te lijden ten gevolge van de lichamelijke letsels opgelopen door het slachtoffer of van diens overlijden." Uit het verslag van de Commissie voor de Justitie in de Senaat
(5)bleek dat, mede ingevolge het advies van de Raad van State, de invoeging van het principe van de objectieve aansprakelijkheid in het Burgerlijk Wetboek niet wenselijk was en geopteerd werd voor een invoeging van deze bepalingen in de wetgeving betreffende de verzekering van motorvoertuigen. De bespreking van de nieuwe regeling binnen de commissie gaf aanleiding tot het indienen van verschillende amendementen, waarvan enkel het amendement ingediend door de Senatoren Erdman en Vandenberghe aangenomen werd
(6). Dit amendement voorzag het invoegen van een nieuw Hoofdstuk Vbis in de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen onder de noemer "Vergoeding van bepaalde slachtoffers van verkeersongevallen". Het artikel 29bis, §1 voorzag in het eerste lid: "Met uitzondering van de stoffelijke schade wordt alle schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden veroorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbenden door een verkeersongeval, waarbij een motorvoertuig is betrokken, vergoed door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar of houder van het motorrijtuig overeenkomstig deze wet, of, bij gebreke van verzekering, door het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds. Het slachtoffer dat ouder is dan 14 jaar, kan zich niet beroepen op de bepalingen van het eerste lid indien het een onverschoonbare fout heeft gemaakt". De indieners van het amendement benadrukten
(7)dat met betrekking tot §1, tweede lid rekening werd gehouden met de opmerking van de Raad van State om de rechthebbenden in dit verband uit te sluiten. (cfr. Gedr.St. senaat, 1993-1994, nr. 980-1, blz.156, art. 41, 4) Ter gelegenheid van een tweede lezing van de tekst werden door de commissie nog bijkomend een aantal wijzigingen aangebracht. Zo werd het (inmiddels) derde lid van artikel 29bis, §1: "Het slachtoffer dat een onverschoonbare fout heeft begaan, kan zich niet op de bepalingen van het eerste lid beroepen indien het ouder is dan 14 jaar;" Hierbij werd in het verslag vermeld: "Aangezien de rechthebbenden in §1 worden vermeld en om elke betwisting te voorkomen, worden in §2 na de woorden "een motorrijtuig" de woorden en hun rechthebbenden" ingevoegd. 2.
- De bepalingen van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 waren nadien nog het voorwerp van wetswijzigingen. Over het feit dat de uitsluitingsclausule niet enkel sloeg op de slachtoffers boven de 14jaar die het ongeval en zijn gevolgen gewild hadden maar ook op de rechthebbenden van deze slachtoffers werd evenwel geen parlementaire discussie meer gevoerd. Uit wat voorafgaat mag dan ook blijken dat het de wil van de wetgever is de uitsluiting van de vergoedingsregeling zoals voorzien in het eerste lid van artikel 29bis niet enkel toe te passen op de slachtoffers bedoeld in het zesde lid maar ook op de rechthebbenden van deze slachtoffers. 2.
- Dat de wetgever de bedoeling had de rechten van de rechthebbende af te stemmen op de rechten van het slachtoffer mag trouwens ook blijken uit de artikelen 29bis, §1, eerste lid en 29bis, §2, WAM. Zo geldt de uitsluiting van de bestuurder ook voor zijn rechthebbenden. Omgekeerd kan de bestuurder wanneer hij optreedt als rechthebbende van een slachtoffer dat gerechtigd is op vergoeding, zelf ook aanspraak maken op vergoeding. 2.
- Ook in de rechtsleer
(8)wordt aangenomen dat de specifieke aard van schade bij weerkaatsing de tegenwerpelijkheid van de opzettelijke fout van het slachtoffer aan de rechthebbenden rechtvaardigt. Hoewel het gaat om eigen schade van de rechthebbenden, vindt deze schade haar oorsprong in de schade van het rechtstreekse slachtoffer. Omwille van die band zou het onlogisch zijn dat de rechthebbenden aanspraak kunnen maken op vergoeding wanneer het rechtstreeks slachtoffer dat niet kan. 2.7. Deze opvatting sluit aan bij het Franse recht. Artikel 6 van de wet Badinter
(9)bepaalt "Le préjudice subi par un tiers du fait des dommages causés à la victime directe d'un accident de la circulation est réparé en tenant compte des limitations ou exclusions applicables à l'indemnisation de ces dommages". Het Franse Hof van Cassatie heeft in een arrest van 24 februari 1988 (arrest n°86-19076) aanvaard dat de rechthebbenden van het slachtoffer dat zich opzettelijk voor een vrachtwagen had geworpen, geen aanspraak konden maken op vergoeding krachtens de Wet Badinter. 2.8. Ook in het raam van de Arbeidsongevallenwet is de opzettelijke fout van de getroffenen tegenwerpelijk aan zijn rechthebbenden. Artikel 48, eerste lid, Arbeidsongevallenwet bepaalt dat "de bij deze wet bepaalde vergoedingen niet verschuldigd zijn, wanneer het ongeval door de getroffenen opzettelijk is veroorzaakt". Onder de "bij deze wet bepaalde vergoedingen" vallen ook de vergoedingen voor de rechthebbenden. In het eerste onderdeel van het middel voert eiseres terecht aan dat de appelrechters met hun beoordeling dat verweerster aanspraak kan maken op vergoeding van haar schade op grond van artikel 29bis, §1 WAM en dat het opzet van de overledene krachtens artikel 29bis, §1, zesde lid WAM niet aan de nabestaanden kan aangerekend worden artikel 29bis, §1, eerste en zesde lid WAM schenden. Het onderdeel is gegrond. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Conclusie: VERNIETIGING ARREST ________________
(1)Kamer van Volksvertegenwoordigers, Wetsontwerp houdende sociale bepalingen, Verslag namens de commissie voor de justitie, 1993-1994, 1343-6, blz. 2; Gedr. St. Senaat, Ontwerp van wet houdende sociale bepalingen, Verslag namens de commissie voor de justitie, 1993-1994, 980-3, blz. 4.
(2)Gedr.St.Senaat, Ontwerp van wet houdende sociale bepalingen, Gedr.St. Senaat, 1993-1994, 980-1.
(3)Gedr.St.Senaat, Ontwerp van wet houdende sociale bepalingen, Memorie van Toelichting, 1993-1994, 980-1, blz. 135.
(4)Gedr.St.Senaat, Ontwerp van wet houdende sociale bepalingen, Memorie van Toelichting, 1993-1994, 980-1, blz. 33, 85,156 en 180.
(5)Gedr.St. Senaat, Ontwerp van wet houdende sociale bepalingen, Verslag van de Commissie voor de justitie, 1993-1994, 980-3,
(6)Gedr.St. Senaat, Ontwerp van wet houdende sociale bepalingen, Verslag van de Commissie voor de justitie, 1993-1994, 980-3, blz. 40 -50.
(7)Gedr.St. Senaat, Ontwerp van wet houdende sociale bepalingen, Verslag van de Commissie voor de justitie, 1993-1994, 980-3, blz. 42.
(8)Zie ter zake o.a. B. DUBUISSON, "Questions diverses: l'application de la loi dans le temps et dans l'espace, le préjudice par répercussion, la situation du conducteur" in P. JADOUL en B. DUBUISSON, L'indemnisation des usagers faibles de la route, Larcier, 2002, 156-159).
(9)Loi n°85-677 du 5 juillet 1985 tendant à l'amélioration de la situation des victimes d'accidents de la circulation et à l'accélération des procédures d'indemnisation. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div