id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 juni 2008 ECL
Artikel 579, 1°, Ger.W.
- Draagwijdte ratione personae Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 579, 1° Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - RECHTSPLEGING - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Materiële
Artikel 579, 1°, Ger.W.
- Draagwijdte ratione personae Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 579, 1° Fiche 3 De krachtens artikel 126, van het besluit van de Vlaamse Executieve van 21 december 1988, naar gemeenrecht te sluiten verzekering tegen ongevallen dient aan de cursist die een beroepsopleiding volgt in de onderneming, dezelfde waarborgen te verlenen als de arbeidsongevallenverzekering
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Ongeval overkomen aan een cursist in opleiding in de onderneming - Verzekering tegen ongevallen - Waarborg Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Executieve - 21-12-1988 - Art. 126 Fiche 4 In het geval van de uitlegging van artikel 579, 1°, Ger.W., dat de in dit artikel bedoelde arbeidsongevallen die zijn, waarvoor een wettelijke verzekering krachtens de arbeidsongevallenwet of een wet die de arbeidsongevallenwet daarop toepasselijk maakt, verplicht is, rijst de vraag of het strijdig is met de artikelen 10 en 11 G.W., dat de vorderingen betreffende schade wegens arbeidsongevallen, wat betreft de bevoegdheid van de arbeidsgerechten om daarvan kennis te nemen, verschillend geregeld zijn voor de in artikel 126, van het besluit van de Vlaamse Executieve van 21 december 1988 bepaalde cursisten die door de werkgever moeten verzekerd zijn onder dezelfde voorwaarden als waren zij in het aan te leren beroep in loondienst tewerkgesteld in de onderneming, en voor de werknemers waarop de Arbeidsongevallenwet wel toepasselijk is of krachtens een andere wet toepasselijk is gemaakt; vraag waarop het Grondwettelijk Hof overeenkomstig artikel 26, § 3, 1°, van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof uitspraak doet bij wege van arrest
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële bevoegdheid - Schending van het Grondwettelijk gewaarborgd gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel - Bevoegdheid arbeidsgerechten - Ongevallen overkomen aan cursisten - Wettelijk verplichte verzekering die in dezelfde waarborgen voorziet als de arbeidsongevallenwet Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 579, 1° Wet - 06-01-1989 - Art. 26, § 3, 1° Besluit Vlaamse Executieve - 21-12-1988 - Art. 126 Fiches 5 - 8 Concl. adv.-gen. MORTIER, Cass., 26 juni 2008, AR S.04.0134.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Materiële
Artikel 579, 1°, Ger.W.
- Draagwijdte ratione personae Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - RECHTSPLEGING - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Materiële
Artikel 579, 1°, Ger.W.
- Draagwijdte ratione personae Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Ongeval overkomen aan een cursist in opleiding in de onderneming - Verzekering tegen ongevallen - Waarborg Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële bevoegdheid - Schending van het Grondwettelijk gewaarborgd gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel - Bevoegdheid arbeidsgerechten - Ongevallen overkomen aan cursisten - Wettelijk verplichte verzekering die in dezelfde waarborgen voorziet als de arbeidsongevallenwet Tekst van de conclusie S.04.0134.N CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL MORTIER
- Situerinq Toen eiser in juli 1998, door tussenkomst van de VDAB, een beroepsopleiding volgde in een onderneming, werd hij slachtoffer van een arbeidsongeval. De onderneming had met verweerster een verzekeringsovereenkomst gesloten tegen arbeidsongevallen en ongevallen op het werk, voor de cursisten die in de onderneming een beroepsopleiding volgden. Toen eiser verweerster voor de arbeidsrechtbank dagvaardde teneinde een vergoeding te krijgen voor een percentage blijvende arbeidsongeschiktheid, verklaarde de arbeidsrechtbank zich onbevoegd om van deze vordering kennis te nemen. In hoger beroep vorderde eiser dat het arbeidshof voor recht zou zeggen dat de arbeidsgerechten wél bevoegd zijn op grond van artikel 579, 1° Ger.W. In ondergeschikte orde vorderde eiser het arbeidshof een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof over de mogelijke schending van het Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, doordat cursisten die een beroepsopleiding volgen niet onder het toepassingsgebied van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 vallen en doordat de arbeidsgerechten niet bevoegd zijn inzake betwistingen betreffende arbeidsongevallen overkomen aan cursisten in beroepsopleiding. Het arbeidshof bevestigde de beslissing van de eerste rechter gezien eisers vordering niet onder toepassing valt van artikel 579 Ger.W.
- Bespreking van het middel 2.
- Het eerste onderdeel gaat er van uit dat de appelrechters hebben geoordeeld dat een werknemer enerzijds en een cursist in beroepsopleiding anderzijds, zich niet in een gelijkaardige situatie bevinden. Mijns inziens gaat deze grief uit van een verkeerde lezing van het arrest gezien de appelrechters enkel gesteld hebben dat de cursist zich niet vereenzelvigt met een werknemer welke tegen betaling van loon, onder gezag van een werkgever arbeidsprestaties verricht, en er enkel een verschil in rechtsmacht is die bevoegd is om ten gronde te oordelen; Zij oordelen aldus dat er een verschil in behandeling is, zij het enkel op het vlak van de bevoegde rechtsmacht, maar dit wettelijk geformuleerd onderscheid gestoeld is op een objectieve en redelijke verantwoording. Dit onderdeel mist bijgevolg feitelijke grondslag. 2.
- Het tweede onderdeel gaat ervan uit dat voor zover de appelrechters oordelen dat het onderscheid in behandeling een objectieve en redelijke verantwoording kent, namelijk dat er voor een werknemer een afdracht van sociale zekerheidsbijdragen gebeurt en voor een cursist niet, dit onderscheidingscriterium weliswaar objectief is, maar bezwaarlijk als redelijk verantwoord kan worden beschouwd in het licht van het doel en de gevolgen van de getroffen maatregel. De appelrechters zouden aldus niet wettig het stellen van de door eiser gesuggereerde prejudiciële vraag hebben geweigerd. Minstens verzoekt eiser een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof. De aangevoerde grief gaat uit van de interpretatie dat de arbeidsgerechten niet bevoegd zijn kennis te nemen van de geschillen inzake de toepassing van een ongevallenverzekering die krachtens de wet moet gesloten worden en dezelfde waarborgen moet bieden als deze voorzien in de arbeidsongevallenwet van
- Dit onderdeel vergt een nader onderzoek naar de draagwijdte van artikel 579, 1° Ger.W. en naar een antwoord op de vragen:
- Wat is de juridische positie van een persoon die een beroepsopleiding volgt in een onderneming, en het slachtoffer wordt van een arbeidsongeval?
- Hoe moet de notie "vergoeding van schade voortkomend uit arbeidsongevallen" begrepen worden? Moet dit als "vergoeding van schade voortkomend uit arbeidsongevallen zoals die vergoeding verschuldigd is krachtens wetten of verordeningen inzake arbeidsongevallen" begrepen worden of moet die notie begrepen worden in ruimere zin en van toepassing geacht worden op alle arbeidsongevallen ongeacht of de vergoeding ervan verschuldigd is krachtens een wetgeving inzake arbeidsongevallen, krachtens een andere wetgeving die voorziet in een waarborg van dezelfde voordelen als deze voorzien in de arbeidsongevallenwetgeving, of krachtens enige andere wettelijke bepaling. 2.2.1.Statuut van de persoon die een beroepsopleidinq volgt in een onderneming. De arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalt in artikel 1.1° dat deze wet toepassing vindt op alle personen die als werkgever, werknemer of daarmee gelijkgestelde geheel of gedeeltelijk vallen onder de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Krachtens artikel 3 kan de Koning de toepassing van deze wet uitbreiden tot andere categorieën van personen. Hoewel het K.B. van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 in artikel 3.7° de toepassing van de wet verruimde tot " de personen die gebonden zijn door een overeenkomst voor versnelde beroepsopleiding, bedoeld in de artikelen 96 en volgende van het K.B. van 20 december 1963
(1)betreffende de arbeidsvoorziening en de werkloosheid, alsmede tot de centra met wie zij de overeenkomst hebben aangegaan." werd de toepassing van de wet niet uitgebreid tot de personen (uitkeringsgerechtigde werklozen, niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden, bestaansminimumtrekkers of rechthebbenden op financiële maatschappelijke dienstverlening) die zoals eiser een individuele beroepsopleiding volgen in een onderneming. Op hen is de Arbeidsongevallenwet niet van toepassing. Als gevolg van de hervorming der instellingen en de overdracht van bevoegdheden naar de Gemeenschappen, ook wat de beroepsopleiding betreft, werd evenwel door de Vlaamse gemeenschap en de Franse gemeenschap
(2)een besluit genomen waarbij in een gelijkwaardige bescherming op het vlak van de vergoeding voor arbeidsongevallen wordt voorzien. Zo verplicht artikel 126 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 21 december 1988 de werkgever om de cursist die in zijn onderneming een individuele beroepsopleiding volgt te verzekeren tegen ongevallen overkomen tijdens de opleiding en op de weg van en naar de opleidingsplaats onder dezelfde voorwaarden als ware hij in het aan te leren beroep in loondienst tewerkgesteld in de onderneming. De werkgever is dus verplicht een polis inzake verzekering tegen arbeidsongevallen af te sluiten. Het gaat dan echter niet om een "polis wet" maar wel om een "polis gemeen recht" die echter dezelfde voordelen dient te waarborgen aan de getroffenen als deze voorzien in de arbeidsongevallenwetgeving
(3). Te dezen rijst de vraag of de arbeidsgerechten bevoegd zijn kennis te nemen van een vordering tot vergoeding van schade op grond van een verzekeringsovereenkomst gesloten overeenkomstig artikel 126 van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 21 december
- 2.2.
- Draagwijdte van artikel 579, 1 ° Ger.W. De appelrechters oordeelden dat zij niet bevoegd waren zich uit te spreken over een vordering tot vergoeding van schade op grond van artikel 126 van het Besluit van de Vlaamse executieve van 21 december 1988 en steunden zich hierbij op de restrictieve interpretatie die herhaaldelijk door het Hof van Cassatie aan artikel 579, 1° Ger.W. werd gegeven. Artikel 579, 1° Ger.W. bepaalt: "De arbeidsrechtbank neemt kennis van de vorderingen betreffende de vergoeding van schade voortkomende uit arbeidsongevallen, uit ongevallen op de weg van en naar het werk en uit beroepsziekten." In een arrest van 13 maart 1978
(4)oordeelde Uw Hof dat de arbeidsgerechten, op grond van artikel 579, 1° Ger.W., enkel bevoegd geacht werden wanneer zij geconfronteerd werden met vorderingen gesteund op een verzekering die door of krachtens een wettelijke arbeidsongevallenregeling is tot stand gekomen. De arbeidsongevallenverzekering die buiten elke wettelijke regeling om, op louter vrijwillige basis werd afgesloten en die derhalve kan afwijken van de wettelijke arbeidsongevallenregeling, werd uit het toepassingsgebied van artikel 579, 1° Ger.W. gesloten. In zijn conclusie stelde toenmalig advocaat-generaal H. Lenaerts, dat deze beperkende interpretatie gerechtvaardigd was nu uit de wordingsgeschiedenis van artikel 579, 1° Ger.W. duidelijk blijkt dat de wetgever de bedoeling had alleen de geschillen over de toepassing van de arbeidsongevallenwetgeving onder de bevoegdheid van de arbeidsgerechten te brengen en niet de geschillen over vorderingen die uitsluitend steunen op een verzekeringsovereenkomst buiten elke wettelijke regeling om. Dat de tekst van artikel 579 Ger.W. niet uitdrukkelijk bepaalt dat de vorderingen moeten steunen op de arbeidsongevallenwetgeving doet hieraan, althans de advocaat-generaal, niets af. Daardoor heeft de wetgever immers alleen tot uitdrukking willen brengen dat alle wettelijke regelingen krachtens welke arbeidsongevallenvergoedingen worden toegekend, in aanmerking komen. Alleen in die zin is de bepaling zeer ruim. Nog steeds volgens dezelfde conclusie strookt deze interpretatie van artikel 579 Ger.W. met de strekking van de artikelen 578 tot 583 Ger.W. om het ganse sociaal contentieux aan de arbeidsgerechten toe te vertrouwen. Verwijzend naar het standpunt van Professor. A. Fettweis wees advocaat-generaal Lenaerts erop dat "de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank zich uitstrekt tot elk geschil van individuele aard waarvan na onderzoek, waaruit blijkt dat de juridische gegevens voor de oplossing ervan tot het sociaal recht behoren, wordt erkend dat het een sociaal geschil is. Een geschil over een door de werkgever vrijwillig aangegane bijkomende ongevallenverzekering wordt echter niet noodzakelijk beheerst door de arbeidsongevallenwetgeving, maar kan ook handelen over louter contractuele verplichtingen van de verzekeraar die afwijken van de arbeidsongevallenwetgeving. De interpretatie volgens dewelke de arbeidsgerechten bevoegd zijn kennis te nemen van geschillen betreffende een dergelijk vrijwillig aangegane ongevallenverzekering zou er dus toe leiden dat "niet alleen sociaalrechtelijke maar ook louter burgerrechtelijke geschillen aan het oordeel van de arbeidsgerechten onderworpen worden,wat zeker niet de strekking is van de bevoegdheidsregeling en inzonderheid artikel 579, 1° Ger.W." In de arresten van 19 december 1988
(5)en 5 november 2001
(6)ging Uw Hof echter nog een stap verder in de restrictieve interpretatie van artikel 579, 1° Ger.W. en werd de bevoegdheid van de arbeidsgerechten ook uitgesloten wanneer de vordering gesteund is op een ongevallenverzekering die de werkgever krachtens een andere wetgeving of reglementering dient af te sluiten en die dezelfde waarborgen dient te bieden als deze van de arbeidsongevallenwetgeving. In tegenstelling tot de casus die aanleiding gaf tot het arrest van 13 maart 1978 en waar het ging om een vrijwillig aangegane bijkomende ongevallenverzekering, ging het in de twee geciteerde arresten om een krachtens een wet of een reglementering verplichte verzekering die dezelfde voordelen diende te waarborgen als een arbeidsongevallenverzekering. De conclusie van toenmalig eerste advocaat-generaal J-F. Leclercq bij het arrest van 5 november 2001 ondersteunde deze restrictieve interpretatie op grond van de overweging dat "de bedoelde polis gemeen recht niet hetzelfde type polis is als de arbeidsongevallenpolis, daar de verzekeringspolis gemeen recht niet wordt opgelegd bij een wet of verordening krachtens welke er arbeidsongevallenvergoedingen moeten worden toegekend. Indien in artikel 579, 1° Ger.W. de woorden "vergoeding van schade voortkomende uit arbeidsongevallen" zouden worden geïsoleerd van het preciezer begrip "vergoeding van schade voortkomende uit arbeidsongevallen, zoals die vergoeding verschuldigd is krachtens de wetten of de verordeningen inzake arbeidsongevallen" zou zulks niet alleen indruisen tegen de wil van de wetgever maar zelfs tot een impasse leiden: in de zin van welke wet of verordening zou het begrip "arbeidsongeval" als bedoeld in artikel 579, 1° moeten verstaan worden?" In het jaarverslag 2002 van het Hof van Cassatie werd het arrest van 5 november 2001 vermeld onder de tijdens het jaar 2001 gevelde belangrijke arresten inzake sociaal recht.
(7)Evenwel werd bij de voorstellen de lege ferenda door de Procureur-generaal met betrekking tot dit arrest gesteld: "Ook al is de oplossing in de huidige stand van het gerechtelijk recht ten volle verantwoord, toch moet worden aangenomen dat de lege ferenda het aangewezen zou zijn, dat de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank tot die geschillen zou worden uitgebreid, daar die rechtbank de gewone rechter is voor geschillen over arbeidsongevallen. Aldus zou aan artikel 579 Ger.W. een paragraaf moeten toegevoegd worden die zou kunnen luiden als volgt: "(de arbeidsrechtbank neemt kennis) 5°: van de vorderingen tot vergoeding van de schade die personen in beroepsopleiding lijden ten gevolge van een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk in de zin van de wet op de arbeidsongevallen van werknemers." Steunend op dit voorstel de lege ferenda werden zowel in de Kamer van volksvertegenwoordigers als in de Senaat wetsvoorstellen geformuleerd om de bevoegdheid van de arbeidsgerechten in die zin uit te breiden
(8)dat ze kennis zouden kunnen nemen van vorderingen betreffende de vergoeding van schade voor personen in beroepsopleiding die het slachtoffer worden van een arbeidsongeval of van een ongeval op de weg van en naar het werk. Uit de parlementaire werken blijkt duidelijk dat de wetgever, verwijzend naar en rekening houdend met het voorstel de lege ferenda zoals geformuleerd in het jaarverslag van het Hof van Cassatie, de bedoeling had duidelijk te maken dat de arbeidsgerechten de natuurlijke rechter zijn voor geschillen met betrekking tot arbeidsongevallen en dus ook met betrekking tot ongevallen overkomen aan personen die een beroepsopleiding volgen. Evenwel werd pas bij artikel 6 van de wet van 13 december 2005 (B.S. 21 december 2005) aan artikel 579 Ger.W. een 5° lid toegevoegd dat luidt: "de arbeidsrechtbank neemt kennis van de vorderingen tot vergoeding van een door in 1° omschreven feit ontstane schade, gegrond op een verzekeringspolis naar gemeen recht, die door de Rijksdient voor Arbeidsvoorziening wordt gesloten ten voordele van de stagiairs in beroepsopleiding." Deze tekst komt voort uit een amendement van volksvertegenwoordiger F. Borginon op een oorspronkelijk wetsontwerp, waarbij de indiener ter verantwoording eveneens teruggrijpt naar de tekst van het jaarverslag 2002 van het Hof van Cassatie en de daarin vermelde suggestie de bevoegdheid van de arbeidsrechtbanken uit te breiden daar de arbeidsrechtbank de gewone rechter is voor arbeidsongevallen. De ratio van het ingediend amendement was dus dezelfde als de ratio die in 2003 aan de basis lag van de toen ingediende wetsvoorstellen. Evenwel bleef de bevoegdheidsuitbreiding in de definitieve tekst strikt beperkt tot de casus die aan het arrest van 5 november 2001 ten grondslag lag waarbij het ging om een ongevallenverzekering afgesloten door de RVA voor een stagiair die een beroepsopleiding ontvangt in een centrum voor beroepsopleiding, overeenkomstig artikel 17 van het besluit van de Franse gemeenschapsexecutieve van 12 mei 1987 betreffende de beroepsopleiding. Uit wat voorafgaat mag nochtans duidelijk blijken dat de wetgever met de toevoeging van een vijfde lid aan het artikel 579 Ger.W. niets anders heeft willen doen dan duidelijk maken dat de arbeidsgerechten de natuurlijke rechter zijn inzake arbeidsongevallen. Dat de bevoegdheidsuitbreiding zoals verwoord in het nieuwe vijfde lid van artikel 579 uiteindelijk een bijzonder enge draagwijdte had en niet, zoals aanvankelijk voorgesteld, gebeurde ten aanzien van personen die in Vlaanderen een beroepsopleiding in een onderneming volgen, zoals in onderliggende zaak, waar overeenkomstig artikel 126 van het besluit van de Vlaamse executieve van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding, het de onderneming is die een arbeidsongevallenverzekering dient af te sluiten, noch ten aanzien van personen die in Vlaanderen in een centrum van de VDAB een opleiding volgen waarbij het overeenkomstig artikel 95§1 van hetzelfde besluit van de Vlaamse executieve aan de VDAB behoort een arbeidsongevallenverzekering af te sluiten, is niet af te leiden, noch uit de tekst, noch uit de parlementaire werken. Het geschetste overzicht van de terzake relevante wetgeving en rechtspraak toont mijns inziens twee zaken aan: Ten eerste blijkt dat de wil van de wetgever bij het formuleren van artikel 579, 1° Ger.W. niet de enge interpretatie verdient zoals vroeger werd aangenomen. Ten tweede was de toevoeging van een vijfde lid aan artikel 579 Ger.W. niet nodig nu de bevoegdheid voor de arbeidsgerechten om kennis te nemen van vorderingen voortkomend uit arbeidsongevallen overkomen aan personen die een beroepsopleiding volgen reeds besloten lag in het eerste lid van artikel 579 Ger.W. Zelfs wanneer wordt aangenomen dat de arbeidsongevallenverzekering die op grond van het Besluit van de Vlaamse executieve van 21.12.1988 moet aangegaan worden ten behoeve van een persoon die een beroepsopleiding volgt geen "polis-wet" is maar een "polis gemeen recht" lijkt de restrictieve stelling die het Hof in zijn vroegere rechtspraak heeft aangenomen moeilijk houdbaar, namelijk dat het de wil van de wetgever was de bevoegdheid van de arbeidsgerechten te beperken tot de beoordeling van vorderingen gebaseerd op een verzekering die door of krachtens een wettelijke arbeidsongevallenregeling is tot stand gekomen en de arbeidsgerechten geen bevoegdheid te verlenen wanneer een andere wettelijke bepaling verplicht tot het afsluiten van een verzekering die dezelfde voordelen dient te waarborgen als de arbeidsongevallenverzekering gesloten op grond van de arbeidsongevallenwet. In dit geval gaat het immers om een verplichte ongevallenverzekering die dezelfde inhoud en strekking heeft als de arbeidsongevallenverzekering gesloten op grond van de arbeidsongevallenwet. De vraag stelt zich of het louter feit dat een ongevallenverzekering niet is tot stand gekomen op grond van de arbeidsongevallenwet zelf maar wel op grond van een andere wettelijke bepaling die dezelfde finaliteit en bescherming beoogt, kan verantwoorden waarom de arbeidsgerechten niet bevoegd zouden zijn. Immers in beide gevallen lijkt het mij dat de regels van de arbeidsongevallenwetgeving dienen toegepast te worden, zowel voor wat de invulling van het begrip arbeidsongeval betreft, als voor de vaststelling van de gedekte schade en de verschuldigde vergoeding. Evenmin kan ernstig betwist worden dat de geschillen die voortspruiten uit de toepassing van deze wettelijke bepalingen behoren tot het sociaalrechtelijk contentieux en dat zij, om Prof. Fettweis opnieuw te citeren "geschillen van individuele aard zijn waarvan na een onderzoek, waaruit blijkt dat de juridische gegevens voor de oplossing ervan tot het sociale recht behoren, wordt erkend dat het sociale geschillen zijn" die bijgevolg tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoren. Dat de wetgever bij het tot stand brengen van artikel 579 Ger.W. deze later tot stand gebrachte regelingen niet in overweging zou genomen hebben is mijns inziens geen argument om, eens deze regelingen tot stand kwamen, ze uit te sluiten van het toepassingsgebied van artikel 579, 1° Ger.W. Rechtsregels worden immers gekenmerkt door een "open textuur" in die zin dat zij een veelheid aan sociale situaties moeten regelen en dus voldoende vaag geformuleerd moeten worden om een voldoende algemene draagwijdte te hebben. Anderzijds kunnen vage normen onmogelijk voor elke concrete casus voldoende richtlijnen bieden over hun toepasselijkheid, zodat er bij elke rechtsregel casussen kunnen opduiken waarvan onduidelijk is of ze onder de regel vallen of niet. Het teruggrijpen naar een letterlijke taalkundige interpretatie is geen goede remedie tegen de rechtsonzekerheid die door de open textuur wordt veroorzaakt. Deze techniek botst immers op de imperfectie van de taal en de onmogelijkheid voor de wetgever om alle toekomstige gevallen te voorzien. Het verhindert ook dat rekening wordt gehouden met de maatschappelijke situering van de toe te passen norm. De wetgever kan onmogelijk een aangelegenheid tot in de kleinste details regelen, en na de totstandkoming van de wet kunnen zich nieuwe feitelijke ontwikkelingen voordoen die niet konden voorzien worden toen de wet werd uitgewerkt.
(9)In dit verband kan opgemerkt worden dat de tekst van artikel 579 die werd opgenomen in het Ger.W. de tekst is zoals die werd gewijzigd door de senaatscommissie ingevolge de opmerkingen van de Raad van State. Deze stelde voor in het artikel niet te spreken van de arbeidsongevallenwetgeving omdat: "De sociale rechtbank lijkt bevoegd te zullen zijn om over de toepassing van de wetgeving betreffende de arbeidsongevallen uitspraak te doen, niet alleen wanneer die toepassing het rechtstreeks gevolg van die wetgeving is, maar ook wanneer zij het resultaat is van een andere wets- of verordeningsbepaling welke de toepassing van die wetgeving heeft uitgebreid."
(10)Hieruit kan afgeleid worden dat de wetgever ook aan andere wettelijke regelingen dacht dan de arbeidsongevallenwetgeving in enge zin. Het standpunt van de appelrechters, die besloten tot de onbevoegdheid van de arbeidsgerechten, kan dus niet gevolgd worden. Evenwel laat het tweede onderdeel van het middel, net zo min als het eerste onderdeel, toe deze beslissing te vernietigen Het tweede onderdeel gaat immers uit van de interpretatie dat de arbeidsgerechten niet bevoegd zijn kennis te nemen van de geschillen inzake de toepassing van een ongevallenverzekering die krachtens de wet moet gesloten worden en dezelfde waarborgen moet bieden als deze voorzien in de arbeidsongevallenwet van 1971. Gelet op wat voorafgaat, gaat dit onderdeel uit van een verkeerde uitlegging van artikel 579, 1° Ger.W. en faalt het derhalve naar recht. Om dezelfde redenen dient de voorgestelde prejudiciële vraag evenmin gesteld te worden, omdat uitgaande van een verkeerde interpretatie van artikel 579, 1° Ger.W. het verzoek tot het stellen van die prejudiciële vraag niet ontvankelijk is. CONCLUSIE : VERWERPING ARREST _______________
(1)Deze bepalingen regelden de versnelde beroepsopleiding in een centrum voor beroepsopleiding. Na de overdracht van de bevoegdheden naar de Gemeenschappen wat de materie van de beroepsopleiding betreft, zijn deze bepalingen opgeheven en vervangen door regelingen van de Gemeenschappen. Artikel 3.7° van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet werd evenwel nooit opgeheven.
(2)Het Besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 12 mei 1987 betreffende de beroepsopleiding, inzonderheid artikel 27, §3.
(3)Zie: Vr. en antw. Kamer, 1990-1191, 13759, vraag nr. 440bis (Bossuyt).
(4)Cass., 13 maart 1978, A.C. 1978-79, 816-820 met conclusie Adv.-gen. Lenaerts.
(5)Cass., 19 december 1988, A.C. 1988-89, nr.235, 487 met conclusie Adv.-gen.Lenaerts.
(6)Cass., 5 november 2001, A.C. 2001, nr.596, 1847-1850 met conclusie Eerste Adv.-gen. Leclercq.
(7)Jaarverslag Hof van Cassatie 2002, 525.
(8)Wetsvoorstel ingediend op 9 april 2003 door Mevr. C. Nyssens, Parl. St. Senaat, buitengewone zitting, 2002-2003, n°2 - 1598/1; wetsvoorstel ingediend op 9 juli 2003 door Mevr. C. Nyssens, Parl. St. Senaat, buitengewone zitting, 2003, n°3 - 47/1; wetsvoorstel ingediend op 18 november door M. Wathelet, Parl. St. Kamer, gewone zitting, 2003-2004, n° 0449/001 - 0538.
(9)Verrijdt Willem, "De interpretatieve wet: retroactiviteit en rechtszekerheid", Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen en publiekrecht 2007/5, 266-267.
(10)Parl. St. Senaat 1964-65, nr. 60 bijlage I, 9. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div