id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 05 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080905.1 Rolnummer: C.07.0327.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-09-19 Raadplegingen: 611 - laatst gezien 2026-07-03 03:42 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080905.1 Fiche 1 Wanneer de rechter in hoger beroep, na het hoger beroep gegrond te hebben verklaard, het beroepen vonnis wijzigt en zelf uitspraak doet over het geschil, mag hij de zaak niet naar de eerste rechter verwijzen, wanneer hij vervolgens zelf een onderzoeksmaatregel beveelt, ook al is die grotendeels dezelfde als diegene bevolen door het beroepen vonnis
(1).
(1)Zie de concl. O.M. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie GERECHTELIJK RECHT - HOF VAN CASSATIE - Bevoegdheid en taak van het Hof - Algemeen Vrije woorden: Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter - Devolutieve kracht - Bevestiging van de door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel - Wijziging van het vonnis in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, tweede lid Fiche 2 Er is geen aanleiding tot verwijzing wanneer het Hof het arrest van het hof van beroep vernietigt in zoverre het de zaak verwijst naar de eerste rechter en oordeelt dat de zaak verder kan behandeld worden door dat hof van beroep
(1).
(1)Zie de concl. O.M. Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - BURGERLIJKE ZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie GERECHTELIJK RECHT - HOF VAN CASSATIE - Bevoegdheid en taak van het Hof - Algemeen Vrije woorden: Verdere behandeling door hetzelfde hof van beroep Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1110, eerste lid Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. DUBRULLE, Cass., 5 sept. 2008, AR C.07.0327.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie GERECHTELIJK RECHT - HOF VAN CASSATIE - Bevoegdheid en taak van het Hof - Algemeen Vrije woorden: Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter - Devolutieve kracht - Bevestiging van de door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel - Wijziging van het vonnis in hoger beroep Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - BURGERLIJKE ZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie GERECHTELIJK RECHT - HOF VAN CASSATIE - Bevoegdheid en taak van het Hof - Algemeen Vrije woorden: Verdere behandeling door hetzelfde hof van beroep Annotaties Publicaties: RCJB - VAN DROOGEHENBROECK Jean-François en CROES Anne - 2009/3 - p. 360-400 Tekst van de conclusie C.07.0327.N Conclusie van de heer Advocaat-generaal Dubrulle 1. In een geschil betreffende een handelsagentuurovereenkomst "doet" het hof van beroep, in het bestreden arrest van 4 april 2005, "het bestreden vonnis teniet enkel wat betreft het daarin toegekende bedrag van de (door de verweerster) verschuldigde vervangende opzeggingsvergoeding, geeft (het) in dit verband een 'bijkomende opdracht' aan de (door de eerste rechter) aangestelde deskundige (...), (b)evestigt (het) voor het overige integraal het bestreden vonnis (en) (v)erzendt (het) de zaak terug naar de eerste rechter voor verdere behandeling na expertise (art. 1068, 2° Ger. W.)". Het eerste cassatiemiddel, tot staving van de voorziening, voert in hoofdorde een schending aan van het beschikkingsbeginsel (het ambtshalve opwerpen van een door de partijen uitgesloten betwisting), doch het mist feitelijke grondslag. Het tweede middel is gegrond: het voert terecht een schending aan van artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Overeenkomstig deze bepaling "verwijst" de rechter in hoger beroep "de zaak alleen dan naar de eerste rechter indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt". Wanneer hij, na het hoger beroep (ten dele) gegrond te hebben verklaard, het beroepen vonnis wijzigt en zelf uitspraak doet over het geschil, dient de rechter in hoger beroep de zaak niet naar de eerste rechter te verwijzen, wanneer hij vervolgens zelf een onderzoeksmaatregel beveelt, ook al is die grotendeels dezelfde als diegene bevolen door het beroepen vonnis. Aldus besliste het Hof bij arrest van 26 januari 2007 (Eerste kamer, Nederlandse afdeling)
(1), alsook bij arrest van 14 januari 2008
(2), zijn constante rechtspraak, o.m. in de arresten van 29 januari 2004
(3)en 14 oktober 2005
(4), bevestigend. Volgens deze rechtspraak verwijst het bestreden arrest de zaak dus ten onrechte terug naar de eerste rechter en dient het derhalve, in zoverre, vernietigd te worden. * * * 2. Het dictum van het voormelde arrest van 26 januari 2007 vermeldt echter, na de cassatie, "dat er geen aanleiding is tot verwijzing", hoewel het Hof vooraf besliste dat (hetzelfde) hof van beroep "de zaak verder moet behandelen"
(5). In een analoog geval (vernietiging van het beroepen vonnis, nieuwe beslissing en vervanging van de deskundige door het hof van beroep en verwijzing naar de eerste rechter, met schending van artikel 1068 Ger. W.), verwijst het arrest van 25 januari 2008 (Eerste kamer, Franse afdeling)
(6)de zaak naar een ander hof van beroep. Het Hof (Eerste kamer, Nederlandse afdeling) heeft zijn rechtspraak van 26 januari 2007 evenwel bevestigd, bij arrest van 12 juni 2008
(7), met een dictum dat geen twijfel meer laat: "Verwijst de zaak terug
(8)naar het(zelfde) Hof van Beroep". Ervan uitgaande dat deze drie arresten dus tot een "verwijzing" na cassatie beslissen, bestaat de enige onverenigbaarheid (tussen de arresten van de Nederlandse afdeling, resp. de Franse afdeling) in de aanwijzing van de verwijzingsrechter. Dit is de reden waarom de zaak thans in voltallige zitting wordt behandeld: het Hof zal dienen te beslissen of, na cassatie, deze zaak dient te worden verwezen naar een ander of hetzelfde hof van beroep (dan wel of er geen aanleiding is tot verwijzing). 3. Artikel 1110, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "Ingeval cassatie wordt uitgesproken met verwijzing, heeft deze plaats naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing gewezen heeft". Krachtens het artikel 2 van dit Wetboek is deze bepaling in de regel toepasselijk op alle rechtsplegingen. In burgerlijke (en handels-)zaken, beheerst door het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen en het beschikkingsbeginsel (art. 1138, 2° en 3°, Ger. W.), is de verwijzing na cassatie alleszins de regel. Artikel 1110 van het Gerechtelijk Wetboek kan immers niet los gelezen worden van artikel 147, tweede lid van de Grondwet, krachtens hetwelk het Hof, als cassatierechter, niet in de beoordeling van de zaken zelf treedt, welke regel geen uitzondering lijdt
(9). Deze grondwettelijke taak van het Hof is ertoe beperkt om, bij vaststelling van een onwettigheid, het geschil terug te plaatsen in de toestand waarin het zich bevond voordat de aangevochten beslissing was genomen
(10). Als "rechter van het recht" vervangt de cassatierechter de beslissing die hij heeft vernietigd niet. Hij beoordeelt de partijen niet. Zijn wettigheidtoezicht beperkt zich tot de bestreden beslissing. Hij mag het geschil dus nooit "evoceren"
(11). Bovendien openen de artikelen 1119 en 1120 van het Gerechtelijk Wetboek a.h.w. een "colloquium" tussen het Hof van Cassatie en de feitenrechter in die zin dat een dossier na cassatie in principe nog ter beoordeling aan een feitenrechter moet worden voorgelegd
(12). Hoewel deze verwijzingsregel niet absoluut is, werd daarvan dus slechts hoogst uitzonderlijk afgeweken
(13). Meer recent, bij arrest van 3 juni 2005
(14), besliste het Hof, in een tuchtzaak: wanneer de raad van beroep van de Orde der Geneesheren waarnaar de zaak zou moeten verwezen worden zich zou moeten voegen naar het arrest van het Hof wat de rechtsvraag betreft waarover het Hof uitspraak heeft gedaan en de uitgesproken cassatie niets meer te vonnissen overlaat, is er geen grond tot verwijzing. Deze rechtspraak gaat terug op een even uitzonderlijk precedent: het arrest van 2 februari 1978
(15). Hij kan slechts toegepast worden als er niets meer te beslissen valt. Dit gebeurt wel meer in strafzaken
(16). De verwijzing naar een "anders samengesteld" rechtscollege dringt zich op als het enig in zijn soort is. Zo verwijst het Hof van Cassatie, krachtens het artikel 468, § 3, derde lid Gerechtelijk Wetboek, wanneer het een beslissing van de tuchtraad van beroep van een Orde van advocaten vernietigt, de zaak naar de tuchtraad van beroep, anders samengesteld. Deze mogelijkheid (of verplichting) is ook uitdrukkelijk voorzien in de wettelijke regeling van tuchtprocedures in andere beroepsorden
(17). Dezelfde optie werd genomen na vernietiging van rechterlijke beslissingen in het Duits
(18). In strafzaken zijn de regelen (art. 428, e.v., Sv.) ook meer uiteenlopend
(19). Bij arrest van 10 januari 2003
(20)heeft het Hof echter ook, in een burgerlijke zaak, na vernietiging van een arrest van een hof van beroep wegens schending van de devolutieve kracht van het hoger beroep, daar dat hof de zaak naar de eerste rechter verwezen had zonder een onderzoeksmaatregel te bevestigen, de zaak verwezen naar hetzelfde hof, anders samengesteld. 4. Het arrest van 25 januari 2008 van de Franstalige afdeling van de Eerste kamer van het Hof houdt zich aan de klassieke regel, d.i., de verwijzing, overeenkomstig het voormelde artikel 1110, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, naar het gerecht van dezelfde rang; de arresten van 26 januari 2007 en 12 juni 2008 van de Nederlandse afdeling opteren, mits een soepelere interpretatie van deze bepaling, voor een proceseconomische oplossing, d.i. een "terugverwijzing" naar dezelfde rechter, minstens enkel voor wat nog te vonnissen valt. Deze laatste keuze lijkt me voorkeur te moeten hebben. Artikel 1110 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 147 van de Grondwet dekken elkaar immers niet volledig, zodat de verwijzingsregel van eerstgenoemd artikel toch enige vrijheid laat. Onder het oude recht was hij overigens nog ruimer geformuleerd
(21). Op deze regel van verwijzing na cassatie naar een gerecht van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing heeft gewezen bestaan er inderdaad, zoals reeds aangehaald
(22), uitzonderingen: verwijzing naar hetzelfde gerecht, maar anders samengesteld. Na cassatie wegens schending van een regel inzake bevoegdheid door de rechtbank van eerste aanleg, verwees het Hof, bij arrest van 22 september 2005, in voltallige zitting
(23), de zaak (betreffende een geschil tussen kooplieden) bovendien rechtstreeks naar de bevoegde rechtbank van koophandel, op grond van artikel 660 van het Gerechtelijk Wetboek. Reeds in 1967 werd de vraag gesteld of het Hof werkelijk in de beoordeling zou treden van de zaak zelf (in de zin van artikel 147, tweede lid van de Grondwet) indien het, ingeval van cassatie wegens onbevoegdheid, de bevoegde rechter rechtstreeks zou aanwijzen en werd modernisering op dit punt wenselijk geacht
(24). In 2005 heeft het Hof deze stap dus gezet. Terwijl het Hof voorheen enkel aldus verwees in het geval van een onwettige bevoegdheidsbeslissing van de arrondissementsrechtbank, verwees het toen op dezelfde wijze na cassatie van een dergelijke beslissing van de bodemrechter. De vraag die thans voorligt heeft evenwel betrekking op een hypothese waarbij de rechtsmacht van de feitenrechter na een beperkte cassatie niet is uitgeput. De uit te spreken beperkte vernietiging van de beslissing van de appelrechters tot verwijzing naar de eerste rechter steunt op een onjuiste toepassing van het artikel 1068, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, zodat ze, krachtens de in het eerste lid bevatte devolutieve werking van het hoger beroep, nog uitspraak moeten doen over het bij hen "aanhangig geschil zelf".
- Artikel 1110 van het Gerechtelijk Wetboek laat aldus ruimte voor interpretatie door het Hof. Twee vragen rijzen evenwel onmiddellijk bij de keuze van het Hof, in de arresten van 26 januari 2007 en 12 juni 2008, voor een (beperkte) "terugverwijzing" naar dezelfde appelrechters, die, vanuit louter proceseconomisch oogpunt, wel verantwoord is:
- vindt ze voldoende steun in artikel 1110 van het Gerechtelijk Wetboek?;
- zo ja, kan ze een ruimere toepassing krijgen, dan wel eerder beperkt worden tot een situatie als de onderhavige? Het voorschrift van artikel 1110 van het Gerechtelijk Wetboek tot verwijzing naar "het" gerecht in hoogste feitelijke aanleg van "dezelfde rang" (Fr. "une" juridiction souveraine du même rang) - dus naar een ander gerecht - impliceert dat de verwijzing naar dezelfde rechter(s) in de regel wordt uitgesloten. Klaarblijkelijk is de onderliggende reden dat de onpartijdigheid of minstens de afwezigheid van vooringenomenheid van dezelfde bodemrechter niet meer verzekerd is, zodat dit wettelijk voorschrift "in de regel" moet nageleefd worden ... en een uitzondering hierop strikt zou moeten beperkt worden tot een geval als thans in geding, waarbij de appelrechters, na het bevelen van een "aangepaste" onderzoeksmaatregel, hun rechtsmacht, t.a.v. het geschilpunt, waarvoor ze deze maatregel bevolen hebben, niet hebben uitgeput, zoals nochtans voorgeschreven door artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, terwijl ze anderzijds, zoals blijkt uit hun arrest, een grondige kennis hebben van alle feitelijke gegevens van de zaak. Deze proceseconomische keuze kan - in dit beperkt kader - een welwillende lezing van artikel 1110 van het Gerechtelijk Wetboek verantwoorden. Daaruit zou niet blijken dat het Hof, in strijd met artikel 147, tweede lid van de Grondwet, zich in de plaats stelt van de verwijzingsrechter m.b.t. het oordeel dat hij het nog "aanhangig geschil" zelf dient te berechten
(25). Door een verwerping van het eerste middel verwerft het reeds beoordeelde kracht van gewijsde en door de terugverwijzing wordt hun verdere beoordelingsbevoegdheid, m.b.t. de toepassing van artikel 1068 Gerechtelijk Wetboek, onverkort gelaten. 6. De beslissing van het Hof, in het voormelde arrest van 26 januari 2007, "dat er geen aanleiding is tot verwijzing naar een ander Hof van beroep) (Verwijzing, randnummer 6)" (volgens het dictum "dat er geen aanleiding is tot verwijzing"), wordt echter voorafgegaan door de beslissing dat het hof van beroep "de zaak 'verder' ('moet') behandelen", omdat het deze zaak ten onrechte naar de eerste rechter heeft verwezen (zelfde randnummer). Het arrest van 12 juni 2008 beslist hetzelfde (randnummer 11). Indien deze beslissingen impliceren dat het Hof dus zelf de "verwijzingsrechter" niet toelaat anders te oordelen over de toepassing van artikel 1068, tweede lid Gerechtelijk Wetboek, geldt dit als een "cassatie zonder verwijzing", in die zin dat niet enkel een "andere" verwijzingsrechter wordt uitgesloten, maar ook dat "dezelfde" verwijzingsrechter gebonden is door de rechtsregel waarop de cassatie gegrond is. Hoewel het moeilijk aanvaardbaar lijkt dat diezelfde rechter die beslissing van het Hof naast zich zou neerleggen en opnieuw over dat rechtspunt zou oordelen in een andere zin, is het zeer de vraag of deze door het Hof opgelegde verplichting verenigbaar is met artikel 1120 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze bepaling impliceert immers een behouden beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter (volgens de Franse tekst van artikel 1110: "une juridiction souveraine"), na een eerste cassatie, en verplicht hem enkel na een tweede cassatie op dezelfde gronden zich te voegen naar het arrest van het Hof. Weliswaar is deze feitenrechter, in de strikte lezing van artikel 1110, een andere rechter. Overigens lijkt de door artikel 1119 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde verplichting voor het Hof in verenigde kamers uitspraak te doen over een cassatieberoep op dezelfde gronden tegen de tweede beslissing na cassatie, erop te wijzen dat het Hof de verwijzingsrechter enkel kan verbinden ingevolge de verhoogde autoriteit van die uitspraak
(26)en zijn kracht van gewijsde, waarmee de andere arresten, in de regel niet bekleed zijn
(27). Dat dezelfde rechter de zaak "verder" "moet" behandelen, d.i. dus blijkbaar na gebonden te zijn door het Hof wat betreft het aangevochten geschilpunt, ligt, de lage lata, moeilijk. Maar niets belet te zeggen dat hij dat moest doen. Mocht een aldus begrepen "cassatie zonder verwijzing" toch de bedoeling van het Hof zijn, dan zou daarover thans elke twijfel dienen weggenomen te worden en zou de weerhouden oplossing nader dienen verantwoord te worden. 7. Hoewel de opvatting, dat artikel 1110 van het Gerechtelijk Wetboek dus enige interpretatie toelaat, aanbeveling verdient, is het nochtans, gelet op het groot belang van de verhouding cassatierechter/feitenrechter, zij het mits het nodige voorbehoud, toch zinvol na te gaan welke de wettelijke regeling is in ons omringende landen - zoals bv. Frankrijk en Nederland - en hoe deze er wordt toegepast. 7.1 Artikel L.131.4 van de Franse code de l'organisation judiciaire (article 626 du code de procédure civile) bepaalt: "En cas de cassation, l'affaire est renvoyée sauf disposition contraire, devant une autre juridiction, de même nature que celle dont émane l'arrêt ou le jugement cassé, ou devant la même juridiction composée d'autres magistrats"
(28). De Franse wetgever laat het Hof van Cassatie aldus niet toe te verwijzen naar het rechtscollege wiens beslissing wordt vernietigd (tenzij anders samengesteld). Het Franse Hof maakt evenwel in talrijke arresten gebruik van de mogelijkheid tot cassatie (gedeeltelijk) zonder verwijzing m.b.t. een door een cassatiemiddel bekritiseerd rechtspunt waarover het zelf heeft beslist, zodat de verwijzing beperkt blijft tot de nog in geding zijnde punten. Het Hof gaat hierbij uit van "le souci d'accélérer le cours des procédures afin d'assurer l'effectivité du droit d'être jugé dans un délai raisonnable"
(29). Kan dit lovenswaardig doel dan niet minstens evengoed bereikt worden door de verdere beoordeling aan dezelfde feitenrechters over te laten, eerder dan aan de cassatierechter die zich, wat de toepassing van de rechtsregel betreft, in hun plaats stelt, zodat partijen en andere rechters niet alles moeten overdoen? De partijen dienen dan niet opnieuw lang te wachten op de oplossing van het geschil en de gerechtelijke achterstand zal niet "nog" toenemen. Bij rechtstheoretische beschouwingen is het niet verboden praktische gevolgen te betrekken. Hierbij geldt evenwel het hierboven
(30)reeds gemaakte voorbehoud m.b.t. de draagwijdte van het begrip "cassatie zonder verwijzing", d.i. enkel "formeel", m.b.t. de hoedanigheid van de verwijzingsrechter, dan wel ook - zoals gehanteerd door het Franse Hof van Cassatie - "inhoudelijk", over diens al dan niet behouden beoordelingsvrijheid. 7.2 Artikel 422 van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt: "Indien na de vernietiging dient te worden beslist over rechtspunten, waaromtrent nog geen uitspraak is gedaan, zal de Hoge Raad naar bevind van omstandigheden daaromtrent een beslissing geven dan wel daartoe het geding verwijzen." Krachtens het artikel 422a "(wordt) het geding verwezen naar de rechter, wiens uitspraak vernietigd is, tenzij er overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 76 en 355 reden is tot verwijzing naar de rechter van eerste aanleg." Tenslotte bepaalt het artikel 423: "De Hoge Raad kan, in stede van het geding te verwijzen naar de rechter, wiens uitspraak vernietigd is, het verwijzen naar een andere rechter en wel: 1° wanneer de vernietigde uitspraak was gewezen door een rechtbank, naar het gerechtshof van het ressort; 2° wanneer de vernietigde uitspraak was gewezen door een gerechtshof, naar een ander gerechtshof." Bij de keuze of de behandeling van de zaak wordt voortgezet door de rechter die ze reeds heeft beoordeeld, dan wel door een rechter voor wie ze "nieuw" is, kan de Hoge Raad zich laten leiden door "de omstandigheden" of "het belang van een goede rechtsbedeling".
(31)De Hoge Raad beschikt aldus, integendeel, over een zeer ruime keuzemogelijkheid, terwijl de verwijzing naar dezelfde rechter zelfs de regel is. 7.3. Het artikel 1110 van het Gerechtelijk Wetboek houdt het midden tussen deze twee buitenlandse regelingen en laat m.i. het Hof toe, in uitzonderlijke gevallen, een geschil "niet te onttrekken" aan de rechter wiens beslissing het heeft vernietigd. Het artikel is minder strikt geformuleerd dan de Franse wettekst. Weliswaar verplicht onze wet het Hof, ingeval van cassatie met verwijzing, de zaak te verwijzen naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de beslissing gewezen heeft (optie 1). Ze verbiedt, strikt genomen, het Hof evenwel niet om een cassatie uit te spreken "zonder verwijzing naar een ander gerecht van dezelfde rang"
(32)en dus "terug te verwijzen" naar hetzelfde gerecht, voor zover dit geen schending inhoudt van artikel 147 van de Grondwet, noch van het bij wet ingestelde colloquium tussen het Hof van Cassatie en de feitenrechter, noch van diens beoordelingsvrijheid (optie 2). De cassatie "beperkt zonder verwijzing, doch met "terugverwijzing naar hetzelfde gerecht", dat dus gedeeltelijk gebonden is (optie 3) lijkt niet verenigbaar met de artikelen 1119 en 1120 van het Gerechtelijk Wetboek. 8. Het Hof kan de tweede keuze maken in het voorliggende geval, waarin de appelrechters, wier beslissing dat de eerste rechter terug moet oordelen wordt vernietigd, dus zelf hadden moeten oordelen en hun rechtsmacht niet verder hebben uitgeoefend. Deze keuze lijkt ook niet strijdig met de ratio van artikel 1110 van het Gerechtelijk Wetboek, dat gestoeld zou zijn op een zekere argwaan tegenover de feitenrechter. Het wantrouwen van de Franse wetgever ten aanzien van hetzelfde rechtscollege (zelfs in een andere samenstelling), omdat het bevooroordeeld zou zijn of meer weerstand zou bieden aan de leer van het cassatiearrest
(33), lijkt niet gefundeerd wanneer dit rechtscollege een geschilpunt ten gronde dient te beoordelen waarover zijn rechtsmacht onaangetast is, zoals wanneer de appelrechters zich slechts ten dele ten gronde uitspreken en het geschil voor het overige ten onrechte verwijzen naar de eerste rechter. De vernietiging van deze verwijzingsbeslissing hoeft derhalve niet noodzakelijk te verhinderen dat dezelfde appelrechters hun rechtsmacht behouden om uitspraak te doen over de nog te beslechten geschilpunten. In dezen is de kritiek, in het eerste cassatiemiddel, op de beslissing van de appelrechters over de wijze van berekening van de vervangende opzeggingsvergoeding, te verwerpen, daar ze feitelijke grondslag mist. Hun arrest wordt daarin voor het overige niet aangevochten en wordt dus definitief, behoudens in zoverre ze verwijzen naar de eerste rechter, wat in het tweede middel terecht wordt bestreden. Of ze hun beoordelingsbevoegdheid t.a.v. dit laatste behouden of niet, rest hen dus nog enkel het verslag te beoordelen van de deskundige, die ze met de bijkomende opdracht hebben belast hen te adviseren over de hoegrootheid van die vergoeding en dit bedrag dan zelf te bepalen. 9. Conclusie: vernietiging van het bestreden arrest in zoverre het de zaak verwijst naar de eerste rechter, verwerping van het cassatieberoep voor het overige en "terugverwijzing" naar het hof van beroep te Gent. ARREST ___________________
(1)A.R. C.06.0077.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070126.2, www.cass.be.
(2)A.R. C.07.0234.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080114.5 (derde kamer), www.cass.be.
(3)A.R. C.01.0537.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040129.7), A.C., 2004, nr. 53, met concl. AG Thijs.
(4)A.R. C.04.0408.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051014.2, Pas., 2005, nr. 513 en www.cass.be.
(5)Het O.M. concludeerde ook tot vernietiging, doch met verwijzing naar een ander hof van beroep, in toepassing van art. 1110, Ger.W.
(6)A.R. C.07.0268.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080125.3), www.cass.be.
(7)A.R. C.07.0121.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080612.2), www.cass.be.
(8)Eigen cursivering.
(9)P.G. R. Hayoit de Termicourt, Propos sur l'article 95 de la Constitution, rede uitgesproken bij de plechtige openingszitting van het Hof van 15 september 1954, Brussel, Établissement Émile Bruylant, 1954, 5 en 29.
(10)C. Storck, "Le renvoi au juge du fond dans la procédure en cassation en matière civile", in: Liber amicorum Pierre Marchal, Brussel, Larcier, 2003,
(209), 217, nr. 12 en 220, nr. 15.
(11)J.F. van Drooghenbroeck, Cassation et juridiction. Iura dicit Curia, Brussel, Bruylant, 2004,. 137, nr. 117 en de voetnoot
(365).
(12)F. Dumon, "Art. 1110 Ger.W.", Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer Rechtswetenschappen België, 6, 6b.
(13)Zie de voorbeelden in de oude rechtspraak van het Hof, aangehaald door C. Storck, "Le renvoi au juge du fond dans la procédure en cassation en matière civile", in: Liber amicorum Pierre Marchal, Brussel, Larcier, 2003,
(209), 213, nr. 18 ; A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Faculté de droit, Luik, 1987, 559, nr. 872 ; J.F. van Drooghenbroeck, Cassation et juridiction. Iura dicit Curia, Brussel, Bruylant, 2004, 138, nr. 118, die F. Rigaux (La nature du contrôle de la Cour de cassation, Brussel, Bruylant, 1966, 25, nr. 19).citeert : "si les deux règles sont proches l'une de l'autre et que, en principe, la seconde constitue une mise en oeuvre de la première, on ne saurait les confondre: en effet, alors que le devoir de s'abstenir de connaître du fond s'impose au juge de cassation, sans souffrir d'exception, la loi permet, dans certains cas, la cassation sans renvoi".
(14)A.R. D.04.0019.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050603.31, www.cass.be en Pas., 2005, nr. 316.
(15)A.C., 1978, 658, met concl. P.G. Delange in Bull., 1978, 638 (inzake de Orde der dierenartsen).
(16)Art. 429, laatste lid, Sv.; zie R. DECLERCQ, Beginselen van de strafrechtspleging, Mechelen ,Kluwer, 2007, 1537, nrs. 3592-3598 en de talrijke aldaar aangehaalde voorbeelden in de rechtspraak van het Hof..
(17)Zie bv. art. 23, vierde lid, Artsenwet en art. 33, tweede lid, Architectenwet.
(18)Cass., 10 juni 1996, A.R. S.95.0110.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960610.3, A.C., 1996, nr. 226 (verwijzing naar het Arbeidshof te Luik, anders samengesteld) en 7 jan. 1998, A.R. C.97.0220.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980107.1F.9, A..C., 1998, nr. 10 (verwijzing naar de rechtbank van eerste aanleg te Eupen, anders samengesteld)
(19)R. DECLERCQ, Beginselen van de strafrechtspleging, Kluwer, Mechelen, 2007, 1531, nr. 3575.
(20)A.R. C.01.0546, A.C., 2003, nr. 24.
(21)Artikel 17 van de wet van 4 augustus 1882 bepaalde dat het Hof "renvoie le fond du procès à la cour ou au tribunal qui doit en connaître".
(22)Supra, nr. 3.
(23)A.R. C. 03.0427.N, Pas., 2005, nr. 456 (verbeterd door Cass., 9 dec. 2005, A.R. C. 05.0516.N, Pas., 2005, nr. 658), met concl. AG Timperman, J.T. 2006, 122, met kritische noot G. Closset-Marchal, Après cassation d'une décision sur la compétence: à qui renvoyer?, 117.
(24)A. De Vreese, "De taak van het Hof van Cassatie", T.P.R. 1967, 570.
(25)De kritiek van G. Closset-Marchal (Après cassation d'une décision sur la compétence: à qui renvoyer?, noot bij Cass., 22 sept. 2005, voltallige zitting, J.T. 2006, 117) was dat het Hof zijn arrest verleende "'en matière' de compétence" en niet "'sur' la compétence" en aldus het domein van de feitenrechter zou betreden, waartegen de zorg voor efficiëntie, proceseconomie en berechting binnen een redelijke termijn niet zou opwegen, welke zorg de wetgever aanbelangt (l.c., 121, nrs. 20-22).
(26)Verslag Pirmez bij het ontwerp van de wet van 7 juli 1865 tot opheffing van de artikelen 23, 24 en 25 van de wet van 4 augustus 1832 op de gerechtelijke organisatie en vervanging ervan door nieuwe bepalingen (Pasin. 1865,
(215), 223). Deze bepalingen werden overgenomen in de artikelen 1119-1121 van het Gerechtelijk Wetboek.
(27)Cass., 1 februari 1991, A.R. 6982, A.C., 1990-91, nr. 294.
(28)Het artikel L.131.5 (article 627 du code de procédure civile) voorziet twee gevallen waarin cassatie mogelijk is zonder verwijzing:
- "lorsque la cassation n'implique pas qu'il soit à nouveau statué sur le fond" ;
- het Franse Hof kan " en cassant sans renvoi, mettre fin au litige, lorsque les faits, tels qu'ils ont été souverainement constatés et appréciés par les juges, lui permettent d'appliquer la règle de droit appropriée ". In alle andere gevallen is een verwijzing na cassatie aldus noodzakelijk (J. Boré en L. Boré, La cassation en matière civile, Dalloz, 2003, 131.11).
(29)Cour de Cassation, Rapport annuel 2006, Paris, La documentation Française, 2007, 312.
(30)Randnummer 6, in fine.
(31)D. J. Veegens, Cassatie in burgerlijke zaken, Zwolle, W.E.J. Tjeenk Willink Zwolle, 1989. De auteur wijst erop dat er in de toepassing van de artikelen 422a en 423 Rv. evenwel geen vaste lijn te bekennen valt (p. 306).
(32)Mits het in de randnummers 6 en 7.1, in fine, gemaakte voorbehoud.
(33)J. Boré en L. Boré, La cassation en matière civile, Dalloz, 2003, 131.61. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080905.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960610.3 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980107.1F.9 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040129.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050603.31 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051014.2 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070126.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080114.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080125.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080612.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div