id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080912.3 Rolnummer: F.07.0034.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2008-10-06 Raadplegingen: 220 - laatst gezien 2026-07-03 03:34 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080912.3 Fiche 1 De vrijstelling van onroerende voorheffing waarin artikel 253, 3°, W.I.B.
(1992)voorziet voor het kadastraal inkomen van nationale domeingoederen, is van de drie in dat artikel gestelde voorwaarden samen afhankelijk; deze vrijstelling geldt alleen indien het onroerend goed, dat een kadastraal perceel uitmaakt, in zijn geheel beantwoordt aan de wettelijke vrijstellingsvoorwaarden, zodat elk onderscheid tussen de verschillende gedeelten van het vrijgestelde goed uitgesloten is
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Onroerende voorheffing UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VOORHEFFING EN BELASTINGKREDIET - Voorheffingen - Onroerende voorheffing Vrije woorden: Vrijstelling - Nationale domeingoederen - Vrijstellingsvoorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 253, 3° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 12 sept. 2008, AR F.07.0034.N, A.C., 2008, nr. ... Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Onroerende voorheffing UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VOORHEFFING EN BELASTINGKREDIET - Voorheffingen - Onroerende voorheffing Vrije woorden: Vrijstelling - Nationale domeingoederen - Vrijstellingsvoorwaarden Tekst van de conclusie F.07.0034.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:
- De feiten en procedurevoorgaanden. De gemeente Ranst baat een sporthal uit voor het publiek. De uitbating van de cafetaria van de sporthal gebeurt door de BVBA Berkvens op grond van een concessieovereenkomst. De uitbater betaalt de gemeente een maandelijkse vergoeding van 66.000 BEF De belastingadministratie heeft op grond van artikel 253, 3° WIB 92 het kadastraal inkomen van de sporthal (317.700 BEF) vrijgesteld van onroerende voorheffing. De cafetaria werd voor het litigieus aanslagjaar 1999 aan de onroerende voorheffing onderworpen op grond van een belastbaar kadastraal inkomen van 40.200 BEF. De gemeente stelt dat de vrijstelling van onroerende voorheffing voor de sporthal zich ook uitstrekt tot de cafetaria. De gemeente krijgt in eerste aanleg en in hoger beroep gelijk, zij het op verschillende gronden.
- Bespreking van het middel. In het tweede onderdeel voert eiser schending aan van artikel 253, 3°, van het W.I.B. 1992, welke bepaling voorziet in een vrijstelling van de onroerende voorheffing van het kadastraal inkomen van onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt. In een arrest van 6 april 1992 heeft Uw hof duidelijk onderstreept dat de drie in de wet gestelde voorwaarden onderscheiden voorwaarden waren en dat de vrijstelling alleen kan verleend worden als die drie voorwaarden samen vervuld zijn (Cass., 6 april 1992, A.R. F.1191.F, A.C., 1991-92, nr. 422). Uit de analyse van de rechtspraak van Uw hof leidde de h. Eerste adv.-gen. J.F. LECLERCQ in zijn conclusie voor het arrest van 18 januari 2001 af dat onder ‘niets opbrengende onroerende goederen' in de zin van artikel 157, 3°, W.I.B.
(1964)moet worden verstaan dat er geen enkele winst, geen enkele baat, hoe gering ook, mag worden behaald (Cass., 18 januari 2001, A.C., 2001, nr. 35). Inzake de gelijkluidende bepaling van artikel 4, tweede lid, van de samengeschakelde wetten betreffende de inkomstenbelastingen, oordeelde Uw Hof reeds dat de wet tussen de verschillende onderdelen van de vrijgestelde eigendommen geen enkel onderscheid voorziet; uit de bedoeling van de wetgever en de beschouwing waardoor hij zich heeft laten leiden, zowel als uit de algemeenheid van de bewoordingen van de betwiste wetsbepaling, leidde Uw Hof af dat de litigieuze vrijstelling van belasting zich tot de algeheelheid van elk vrijgestelde eigendom uitbreidt, en dat, wat de belastbaarheid in de grondbelasting betreft, elk onderscheid tussen de verschillende gedeelten ervan uitgesloten is (Cass., 19 december 1950, A.C., 1951, 218). De administratieve commentaar op artikel 253 WIB 92 sluit in beginsel uit dat de vervulling van de wettelijke voorwaarden per deel van een kadastraal perceel wordt onderzocht (Com. I.B. 1992, nrs. 253/99 en 100, eerste alinea). De commentaar vervolgt evenwel onder randnr. 253/100 dat om te voorkomen dat de toepassing van dit beginsel (beoordeling per kadastraal perceel) al te ver strekkende gevolgen zou hebben, de vrijstellingsvoorwaarden uitsluitend in het geval van omvangrijke gebouwen die éénzelfde kadastraal perceel vormen en die technisch zo ontworpen en gebouwd zijn dat ze in afzonderlijke delen kunnen worden verkocht of verhuurd, worden beoordeeld per deel of delen, die door de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de gemeenten of door een openbare instelling tot een openbare dienst of een dienst van openbaar nut worden gebruikt. De vraag kan worden gesteld of dit door redenen van billijkheid ingegeven administratief standpunt wel verenigbaar is met de tekst van de wet te meer nu geen vrijstelling van belasting kan worden verleend die niet in de wet is voorzien (artikel 172 van de grondwet). Ik meen dat de soepele interpretatie van het bestuur kan worden bijgetreden in de gevallen waarin de afzonderlijke delen van éénzelfde kadastraal perceel door de administratie van het kadaster ook als dusdanig worden behandeld door het in aanmerking nemen van een afzonderlijk kadastraal inkomen. De vergelijking kan worden gemaakt met de ondergrondse ‘handelsemplacementen' die deel uitmaken van het patrimonium van de M.I.V.B., doch waaraan een afzonderlijk belastbaar kadastraal inkomen wordt toegerekend door de administratie van het kadaster. Uw Hof oordeelde in dat verband dat het kadastraal inkomen van dergelijke handelsemplacementen die een openbare vervoermaatschappij tegen betaling van een geldsom ter beschikking van derden stelt voor hun exploitatie, niet van onroerende voorheffing kan worden vrijgesteld op grond van artikel 157, 3°, W.I.B.
(1964), aangezien de litigieuze onroerende eigendommen wel degelijk op zichzelf iets opbrengen (Cass., 6 april 1992, A.C., 1991-92, nr. 422). Nu, zoals o.m. blijkt uit de brief van 13 juni 2000 van de administratie van het kadaster, directie Antwerpen aan de Gewestelijke Directeur van het Kadaster, aan de cafetaria een afzonderlijk kadastraal inkomen werd toegerekend, nl. van 4O.2OO BEF, dient m.i. in dezelfde logica te worden nagegaan of dit onroerend goed voldoet aan de drie door de wet gestelde voorwaarden voor belastingvrijstelling. Ook in casu is niet voldaan aan de voorwaarde dat het goed op zichzelf niets mag opbrengen: niettegenstaande de concessieovereenkomst beperkingen oplegt aan de uitbater in verband met de uitbating van de cafetaria tijdens sportmanifestaties, staat de cafetaria immers open voor iedereen, niet enkel voor de gebruikers van een sporthal, en heeft ze normale openingsuren zodat de uitbating kan vergeleken worden met een normale uitbating van eender welke drankgelegenheid. Het kadastraal inkomen verbonden aan de cafetaria werd m.i. dan ook terecht belast in de onroerende voorheffing, terwijl op grond van artikel 253, 3°, W.I.B. 1992 wel vrijstelling kon worden verleend voor het kadastraal inkomen verbonden aan de sporthal. Wat er ook van zij, dat voor het verlenen van de vrijstelling van onroerende voorheffing in beginsel geen onderscheid mag worden gemaakt tussen de verschillende gedeelten van de eigendom, zoals Uw hof op19 december 195O besliste, impliceert m.i. geenszins dat een onroerend goed volledig dient te worden vrijgesteld van onroerende voorheffing indien het grootste deel van dat onroerend goed aan de wettelijke voorwaarden voor vrijstelling van artikel 253, 3° W.I.B. 1992 voldoet en een kleiner deel niet. Door te oordelen dat het vervuld zijn van de voorwaarden van artikel 253, 3° WIB 92 voor de sporthal afgezien van de cafetaria, vrijstelling van onroerende voorheffing met zich brengt voor de volledige sporthal, incluis de cafetaria, ook al zou dit laatste deel van het onroerend goed niet aan die voorwaarden voldoen, schendt de appelrechter mijns inziens artikel 253, 3° WIB 92. De stelling in de memorie van antwoord, dat de bijzaak de hoofdzaak volgt, gaat mijns inziens niet op en vindt geen enkele steun in de wet. Een goed brengt niets op wanneer het in het geheel niets opbrengt, en niet wanneer het grootste deel van het goed niets opbrengt, terwijl het overige deel wel iets opbrengt. Het onderdeel komt dan ook gegrond voor in zoverre het schending aanvoert van artikel 253, 3°, W.I.B.
(1992). Besluit: VERNIETIGING van het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de betwiste aanslag in de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 1999 lastens verweerster gevestigd op de cafetaria van de gemeentelijke sporthal "Het Loo". ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080912.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div