id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080912.5 Rolnummer: F.07.0040.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht - Belastingrecht Invoerdatum: 2008-10-06 Raadplegingen: 209 - laatst gezien 2026-07-03 03:33 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080912.5 Fiches 1 - 2 Een geschil over de registratie van een onroerend goed in de inventaris voor geheel of gedeeltelijk verlaten of verwaarloosde bedrijfsruimten, moet op het vlak van de gerechtelijke procedure aangezien worden als een geschil met betrekking tot de leegstandsheffing voor bedrijfsruimten; hieruit volgt dat voor wat deze geschillen betreft het verzoekschrift in cassatie van de belastingplichtige niet moet worden ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BELASTINGZAKEN - Vormen - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in belastingzaken - Vormen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - HUISVESTING - Vlaanderen - Leegstand Vrije woorden: Ondertekening - Vlaams Gewest - Leegstandheffing voor bedrijfsruimten - Betwisting inzake de registratie in de inventaris Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1080 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 378 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Decreet Vlaamse Raad - 19-04-1995 - Artt. 15, § 1, en 33 Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in belastingzaken - Vormen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - HUISVESTING - Vlaanderen - Leegstand Vrije woorden: Vlaams Gewest - Leegstandheffing voor bedrijfsruimten - Betwisting inzake de registratie in de inventaris - Cassatieberoep - Ondertekening Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1080 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 378 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Decreet Vlaamse Raad - 19-04-1995 - Artt. 15, § 1, en 33 Fiches 3 - 4 Conc. adv.-gen. THIJS, Cass., 12 sept. 2008, AR F.07.0040.N, A.C., 2008, nr. ... Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BELASTINGZAKEN - Vormen - Allerlei UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in belastingzaken - Vormen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - HUISVESTING - Vlaanderen - Leegstand Vrije woorden: Ondertekening - Vlaams Gewest - Leegstandheffing voor bedrijfsruimten - Betwisting inzake de registratie in de inventaris Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in belastingzaken - Vormen - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - HUISVESTING - Vlaanderen - Leegstand Vrije woorden: Vlaams Gewest - Leegstandheffing voor bedrijfsruimten - Betwisting inzake de registratie in de inventaris - Cassatieberoep - Ondertekening Tekst van de conclusie F.07.0040.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:
- Situering van de betwisting. Onderhavige betwisting betreft de registratie van een aan eiseres en tweede verweerster in mede-eigendom toebehorend goed in de inventaris bedoeld in hoofdstuk II van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten. Na afwijzing van hun administratieve beroepen tegen de registraties van 2001, 2002 en 2003, vorderden zij voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge dat zou worden vastgesteld dat hun eigendomsrecht niet vaststaat zodat tegen hen geen registratieattest kon betekend worden. In graad van beroep bevestigde het hof van beroep te Gent bij het thans bestreden arrest het vonnis van de eerste rechter waarbij de vorderingen ontvankelijk, doch ongegrond werden verklaard.
- De ontvankelijkheid van het cassatieberoep. 2.
- In zijn memorie van antwoord werpt verweerder in cassatie op dat de voorziening niet ontvankelijk is nu het verzoekschrift in cassatie, in strijd met het voorschrift van artikel 1080 van het Gerechtelijk wetboek, niet is ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie. Krachtens artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek moet het verzoekschrift waarbij het cassatieberoep wordt ingesteld, zowel op het afschrift als op het origineel door een advocaat bij het Hof van Cassatie ondertekend worden. De verplichte bijstand door een advocaat bij het Hof van Cassatie geldt, behoudens andersluidend wettelijk voorschrift, voor alle rechtsplegingen. Krachtens artikel 15, §1, van het Decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten wordt er een jaarlijkse heffing ingevoerd ten voordele van het Vernieuwingsfonds op de onroerende goederen die opgenomen zijn in de Inventaris. De heffing wordt ingevoerd vanaf het kalenderjaar dat volgt op de tweede opeenvolgende registratie in de Inventaris voor geheel of gedeeltelijk verlaten of verwaarloosde bedrijfsruimten, zijnde het aanslagjaar. Krachtens artikel 33 van het Decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten zijn, in zoverre hoofdstuk III van dit decreet en de besluiten genomen ter uitvoering ervan er niet van afwijken, de regels betreffende de invordering, de verwijl- en moratoire intresten, de vervolgingen, de voorrechten en de wettelijke hypoteek, de verjaring alsmede de vestiging inzake rijksinkomstenbelastingen mutatis mutandis van toepassing op de in dit hoofdstuk bedoelde heffingen en administratieve geldboeten met uitzondering van titel VII, hoofdstuk VIII, afdeling IVbis, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals ingevoegd bij artikel 332 van de Programmawet van 27 december
- Ingevolge deze decretale bepaling is Titel VII van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, met uitzondering van hoofdstuk VIII, afdeling IVbis, in beginsel van overeenkomstige toepassing op de leegstandsheffing voor bedrijfsruimten. Auteur Ward Robben merkte in dit verband op dat het niet meteen duidelijk is of artikel 33 Decreet 19 april 1995 tot gevolg heeft dat de hele titel VII van het W.I.B. (Vestiging en invordering van de belastingen: art. 297-463) alsmede hoofdstuk III van het KB/WIB 1992 (vestiging en invordering van de belastingen: art. 126-299) van overeenkomstige toepassing is op de leegstandshefffing (Zie nader: ROBBEN, W., "Leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten in het Vlaamse Gewest", R.W., 1996-97, p. 489-490, nr. 26-27 die hierop uitvoerig ingaat). In de parlementaire voorbereiding staat met betrekking tot de artikelen 24 tot 33 Decreet 19 april 1995 slechts het volgende te lezen: "Deze afdeling regelt de effectieve inning van de heffing. De inhoud ervan spreekt voor zich en werd maximaal geconformeerd met de geldende procedures in de Vlaamse milieuwetgeving. Evenwel werd geopteerd voor kortere behandelingstermijnen met de bedoeling de hele procedure haar beslag te laten krijgen binnen eenzelfde kalenderjaar" (Gedr. St.,Vlaamse Raad, zitting 1993-94, nr. 591/1, 16). De opbouw van artikel 33 is verre van logisch. Auteur Robben vestigt er de aandacht op dat niet alleen wordt verwezen naar de regels betreffende de invordering (....) alsmede de vestiging (d.i. titel VII van het WIB) maar ook naar de regels inzake de verwijl- en moratoire intresten, de vervolgingen, de voorrechten, de wettelijke hypotheken en de verjaring, zijnde elk op zich onderverdelingen in titel VII van het W.I.B. Zo titel VII helemaal toepasselijk zou zijn, moet men zich volgens deze auteur afvragen waarom bijkomend verwezen wordt naar een aantal afdelingen van deze titel. Artikel 35septiesdecies, §1, van de wet van 26 maart 1971 (versie ingevoegd door het decreet van 25 juni 1992, B.S., 21 juli 1992 dus in zijn versie voor de wijziging bij het Decreet van 22 december 2000) op de bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging luidde als volgt: "Inzoverre dit hoofdstuk en de besluiten genomen ter uitvoering ervan niet afwijken zijn de regels betreffende de invordering, de verwijls- en moratoire intresten, de vervolgingen, de voorrechten, de wettelijke hypotheek, de verjaring alsmede de vestiging inzake rijksinkomstenbelastingen mutatis mutandis van toepassing op de in dit hoofdstuk bedoelde heffingen administratieve geldboeten". Onmiddellijk valt op dat de geciteerde wetsbepaling en artikel 33 Decreet 19 april 1995 gelijksporen. De toevoeging van de woorden "alsmede de vestiging inzake rijksinkomstenbelastingen" gebeurde bij decreet van 25 juni 1992 (vergelijk het voormalige artikel 32septiesdecies ingevoegd bij decreet van 20 december 1989 houdende bepalingen tot uitvoering van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap en artikel 10 wet van 23 december 1986 betreffende de invordering en de geschillen ter zake van provinciale en plaatselijke heffingen) en artikel 35septiesdecies, §1, van de wet van 26 maart 1971). De parlementaire voorbereiding van het decreet van 25 juni 1992 geeft geen nadere verduidelijking over deze toevoeging
(1). Het is slechts bij de voorbereiding van het decreet van 6 juli 1994 dat de Vlaamse regering uitvoerig op deze kwestie ingaat. Volgens de Vlaamse regering was het de bedoeling van het voornoemde artikel 35septiesdecies, §1, conform hetgeen in de memorie van toelichting gespecifieerd was in verband met de behandeling van bezwaarschriften, onder meer dat titel VII (Vestiging en invordering van de belasting) van het W.I.B. 1992 van toepassing zou zijn op de heffing op de waterverontreiniging, behoudens inzoverre het decreet zelf in een afwijkende regeling voorzag (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1993-94, nr. 549/1, 5; Zie echter VAN ORSHOVEN, P., "Vlaamse milieuheffingen op de waterverontreiniging - Procedure - Bezwaar - Beroep", De Fiscale Koerier, 1993, 319-321 die wijst op het bevoegdheidsoverschrijdend karakter van een dergelijke uitlegging). Het voorgaande toont aan dat de decreetgever met een dergelijke onhandige verwijzing wel degelijk de bedoeling had om geheel titel VII van het WIB (en dus ook de regels met betrekking tot de behandeling van fiscale geschillen inzake inkomstenbelastingen) van overeenkomstige toepassing te verklaren. Deze interpretatie moet logischerwijze worden uitgebreid tot de leegstandsheffing voor bedrijfsruimten. De door de decreetgever gehanteerde techniek van verwijzing naar (sommige) regels van de federale inkomstenbelastingen brengt m.i. ook mee dat latere wijzigingen van de federale regelgeving eveneens hun invloed hebben voor de geschillenbeslechting inzake de leegstandsheffing op de bedrijfsruimten. De hervorming van de fiscale procedure in 1999 heeft dus ook een weerslag op de geschillen m.b.t. deze gewestelijke heffingen. Indien men deze uitgangspunten aanvaardt, diende voor de hervorming van 1999 het beroep tegen de administratieve beslissing over het bezwaar tegen de leegstandheffing voor bedrijfsruimten net zoals inzake inkomstenbelastingen ingeleid te worden bij het hof van beroep (artikel 377 WIB 1992; zie ROBBEN, W., l.c., p. 490, nr. 27; anders, maar m.i. ten onrechte CLAES, A., "Belastingen op leegstand in het Vlaamse Gewest", T.F.R., 1996, p. 135, nr. 47in fine die van oordeel is dat de enige mogelijkheid die de heffingsplichtige heeft om de heffing alsnog te betwisten, het verzet is tegen het dwangbevel en HUYGHE, S., "Vlaamse en lokale heffingen op onroerend goed", in Jaarboek lokale en regionale belastingen 2001-2003, DE JONCKHEERE, M. en DE KETELAERE, K. (eds.), Brugge, die Keure, 2003, p. 158, nr. 49) Na de hervorming van 1999 is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd (artikel 569, eerste lid, 32° Ger.W.; artikel 632; artikel 1385decies Ger.W.; HUYGHE, S., "Vlaamse en lokale heffingen op onroerend goed", in Jaarboek lokale en regionale belastingen 2001-2003, DE JONCKHEERE, M. en DE KETELAERE, K. (eds.), Brugge, die Keure, 2003, p. 158, nr. 49). Wat de cassatieprocedure betreft is ingevolge de verwijzing van artikel 33 Decreet 19 april 1995 bijgevolg het (nieuwe) artikel 378 WIB 1992 van toepassing. Dit artikel, zoals laatst vervangen bij artikel 38O van de Programmawet van 27 december 2004, bepaalt, in afwijking van artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek, dat het verzoekschrift in cassatie voor de belastingplichtige door een advocaat mag worden ondertekend en neergelegd. Hieruit volgt dat wat het cassatieberoep betreft inzake de heffing op onroerende goederen die zijn opgenomen in de inventaris voor verlaten of verwaarloosde bedrijfsruimten, het verzoekschrift in cassatie vanwege de belastingplichtige niet moet worden ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie. In casu betreft het een geschil betreffende de registratie (schrapping) op de inventaris van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten. De registratie is een essentieel element in de procedure die aanleiding geeft tot de vestiging van deze heffing, zodat een geschil over de registratie in de inventaris, evenwel met uitzondering van de regels met betrekking tot het administratief beroep bij de Vlaamse regering tegen de weigering tot schrapping van het geregistreerde goed uit de inventaris (afdeling II, artikel 11 tot 14), moet aanzien worden als een geschil met betrekking tot de leegstandsheffing voor bedrijfsruimten met de hoger besproken procedurele gevolgen. De door verweerder opgeworpen grond van onontvankelijkheid van het cassatieberoep dient dan ook te worden verworpen. Volledigheidshalve weze opgemerkt dat het van overeenkomstige toepassing verklaren van de geschillenregeling inzake inkomstenbelastingen op de leegstandsheffing bedrijfsruimten in het jaar 1995, m.i. de regels van de bevoegdheidsverdeling tussen de Staat en de Gewesten niet schendt. Het Arbitragehof oordeelde reeds meermaals dat de algemene fiscale bevoegdheid het gewest in beginsel niet toestaat regels uit te vaardigen met betrekking tot de bevoegdheid en de procedure voor de rechtscolleges. Krachtens de artikelen 145 en 146 van de Grondwet behoort de omschrijving van de bevoegdheden van de rechtscolleges immers tot de uitsluitende bevoegdheid van de federale wetgever. Het vaststellen van de procedureregels voor de rechtscolleges komt toe aan de federale wetgever op grond van zijn residuaire bevoegdheid. Op grond van artikel 19 Bijzondere wet van 8 augustus 1980, zoals gewijzigd door de bijzondere wet van 16 juli 1993, kunnen de gewesten ook een beroep doen op artikel 10 om de door de Grondwet aan de federale wetgever voorbehouden aangelegenheden te regelen. Daartoe is vereist dat een dergelijke regeling noodzakelijk wordt geacht voor de uitoefening van de bevoegdheden van het gewest, dat die aangelegenheid zich tot een gedifferentieerde regeling leent en dat de weerslag van de betrokken bepalingen op die aangelegenheid slechts marginaal is (Zie onder meer Arbitragehof, nr. 126/2003 van 1 oktober 2003; Voor een uitvoerige studie PLETS, N., "Bevoegdheidsrechtelijke knelpunten bij de procedure en de administratieve dienst inzake de Vlaamse gewestbelastingen", in Jaarboek lokale en regionale belastingen 2001-2003, DE JONCKHEERE, M. en DE KETELAERE, K. (eds.), Brugge, die Keure, 2003, 227-252; Voor de periode voor de bijzondere wet van 16 juli 1993: VAN ORSHOVEN, P., "Bevoegdheidsrechtelijke aspecten van de milieubelastingen", T.F.R., 1992,
(191), 204-205, nr. 16). (...) ARREST ___________________
(1)We citeren letterlijk: "Artikel 35septiesdecies. Invordering - intresten - vervolgingen - voorrechten en hypotheken - verjaring. Paragraaf 1 stelt desbetreffend dat op al deze materies mutatis mutandis de regels worden toegepast die inzake rijksinkomstenbelastingen gelden, tenzij het decreet of de besluiten genomen ter uitvoering ervan zouden afwijken. Voor de invordering van de heffing heeft dit tot gevolg dat analoog aan de rijksinkomstenbelastingen dit steeds zal moeten gebeuren middels de betekening van een dwangbevel (cfr. de artikelen 198 en 199 KB/WIB.). Dit dwangbevel heeft alleen de functie van daad van invordering en stuiting van verjaring. Het is evenwel het uitvoerbaar verklaarde kohier dat de heffing vestigt en de titel van de heffingschuld is. Deze paragraaf is analoog met wat in de wet van 23.12.86 betreffende de invordering van gemeentelijke en provinciale belastingen werd ingeschreven, evenals met artikel 32septiesdecies van het programmadecreet van 20 december 1989. Gelet op het advies van de Raad van State zal de Commissie Bocken verzocht worden een specifieke regeling terzake uit te werken met het oog op de opstelling van de hiervoor vermelde autonome decretale regeling" (Vlaamse Raad, buitengewone zitting, 6 mei 1992, nr. 186/1). Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080912.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190621.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div