id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080922.1 Rolnummer: S.07.0095.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-10-21 Raadplegingen: 197 - laatst gezien 2026-07-03 03:29 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080922.1 Fiche 1 De regel van artikel 3,4°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, krachtens dewelke, om het recht op maatschappelijke integratie te kunnen genieten, de betrokken persoon niet in staat mag zijn door eigen inspanningen toereikende bestaansmiddelen te verwerven, geldt niet wanneer, om billijkheidsredenen, moet aanvaard worden dat de betrokkene geen blijk dient te geven van werkbereidheid. Thesaurus CAS: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum Vrije woorden: Recht op maatschappelijke integratie - Toelaatbaarheidsvoorwaarden - Gebrek aan toereikende bestaansmiddelen - Werkbereidheid - Billijkheidsredenen - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - Art. 3, 4° en 5° Fiche 2 De enkele omstandigheid dat een persoon van meer dan 25 jaar, die blijk heeft gegeven in de mogelijkheid te verkeren om, op duurzame wijze en in het kader van een passende functie, toereikende bestaansmiddelen te verwerven en derhalve blijk heeft gegeven van maatschappelijke integratie, opnieuw studies wenst aan te vatten, verder te zetten of te hervatten, kan niet worden aangezien als een billijkheidsreden van aard de betrokkene van werkbereidheid te ontslaan, ook al zouden deze studies van aard zijn zijn beroepsmogelijkheden te vergroten of hem toe te laten een hoger loon te verdienen. Thesaurus CAS: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum Vrije woorden: Recht op maatschappelijke integratie - Toelaatbaarheidsvoorwaarden - Gebrek aan toereikende bestaansmiddelen - Aanvatten, verderzetten of hervatten van studies - Billijkheidsreden - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - Art. 3, 4° en 5° Tekst van de conclusie S.07.0119.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080922.4 Advocaat-generaal Mortier heeft in substantie gezegd: In voorliggende zaak ligt ter discussie of een bril het karakter van prothese, in de zin van artikel 26 van de Arbeidsongevallenwet verliest indien deze tijdens het uitoefenen van de arbeidsovereenkomst niet wordt gebruikt. Verweerster had haar bril tijdelijk afgezet en overhandigd aan een derde die hem liet vallen met onherstelbare beschadiging tot gevolg. Artikel 3ter van de wet van 3 juli 1967 bepaalt dat het slachtoffer recht heeft op herstellings- en vervangingskosten van de protheses waaraan het ongeval schade heeft veroorzaakt. Het eerste middel gaat ervan uit dat een bril in beginsel als prothese in de zin van artikel 3 ter kan beschouwd worden, maar dat dan wel vereist is dat het betreffende kunst- of hulpmiddel op het ogenblik van de beschadiging als prothese dienst deed, dit wil zeggen gebruikt werd door het slachtoffer. Artikel 3ter van de wet van 3 juli 1967 is geënt op artikel 26 van de arbeidsongevallenwet dat bepaalt dat de herstellings- en vervangingskosten van prothesen en orthopedische toestellen worden vergoed ook indien het ongeval geen lichamelijke letsels teweegbrengt. De ratio hiervan is, volgens de parlementaire handelingen, dat de schade aan kunstledematen of orthopedische toestellen niet kan worden aanzien als louter stoffelijke schade en dat daarom voorgesteld wordt deze schade voortaan rechtstreeks te laten vergoeden. De minister bevestigde in de senaatscommissie dat men in dit geval niet kan spreken van louter stoffelijke schade, omdat die toestellen een integrerend deel zijn van de getroffene. Schade aan prothesen wordt aldus gelijkgesteld met lichamelijk letsel, omdat deze kunst- of hulpmiddelen beschouwd worden als onderdeel of vervangend deel maar integrerend deel van het menselijk lichaam. Hoewel advocaat-generaal Lenaerts in zijn conclusie voor het arrest van 18 maart 1985
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.