id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080922.4 Rolnummer: S.07.0119.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-10-21 Raadplegingen: 184 - laatst gezien 2026-07-03 03:29 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080922.4 Fiche 1 De schade aan de prothese komt, overeenkomstig artikel 3ter, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967, voor vergoeding in aanmerking wanneer de schade zich voordoet tijdens de uitvoering van het werk, zonder dat vereist is dat het slachtoffer op dat ogenblik van de prothese gebruik maakte
(1).
(1)Zie conclusie O.M. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Algemeen UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Begrip en bewijs SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Uitkering Vrije woorden: Vergoeding van protheses - Geen gebruik van de prothese op het ogenblik van het ongeval Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - Art. 3ter, eerste lid Fiche 2 Concl. adv.-gen. MORTIER, Cass., 22 sept. 2008, AR S.07.0119.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Algemeen UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Begrip en bewijs SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Uitkering Vrije woorden: Vergoeding van protheses - Geen gebruik van de prothese op het ogenblik van het ongeval Tekst van de conclusie S.07.0119.N Advocaat-generaal Mortier heeft in substantie gezegd: In voorliggende zaak ligt ter discussie of een bril het karakter van prothese, in de zin van artikel 26 van de Arbeidsongevallenwet verliest indien deze tijdens het uitoefenen van de arbeidsovereenkomst niet wordt gebruikt. Verweerster had haar bril tijdelijk afgezet en overhandigd aan een derde die hem liet vallen met onherstelbare beschadiging tot gevolg. Artikel 3ter van de wet van 3 juli 1967 bepaalt dat het slachtoffer recht heeft op herstellings- en vervangingskosten van de protheses waaraan het ongeval schade heeft veroorzaakt. Het eerste middel gaat ervan uit dat een bril in beginsel als prothese in de zin van artikel 3 ter kan beschouwd worden, maar dat dan wel vereist is dat het betreffende kunst- of hulpmiddel op het ogenblik van de beschadiging als prothese dienst deed, dit wil zeggen gebruikt werd door het slachtoffer. Artikel 3ter van de wet van 3 juli 1967 is geënt op artikel 26 van de arbeidsongevallenwet dat bepaalt dat de herstellings- en vervangingskosten van prothesen en orthopedische toestellen worden vergoed ook indien het ongeval geen lichamelijke letsels teweegbrengt. De ratio hiervan is, volgens de parlementaire handelingen, dat de schade aan kunstledematen of orthopedische toestellen niet kan worden aanzien als louter stoffelijke schade en dat daarom voorgesteld wordt deze schade voortaan rechtstreeks te laten vergoeden. De minister bevestigde in de senaatscommissie dat men in dit geval niet kan spreken van louter stoffelijke schade, omdat die toestellen een integrerend deel zijn van de getroffene. Schade aan prothesen wordt aldus gelijkgesteld met lichamelijk letsel, omdat deze kunst- of hulpmiddelen beschouwd worden als onderdeel of vervangend deel maar integrerend deel van het menselijk lichaam. Hoewel advocaat-generaal Lenaerts in zijn conclusie voor het arrest van 18 maart 1985
(1)niet overtuigd leek van de uitleg van de minister dat ook een bril als kunstledemaat of prothese in aanmerking kwam omdat een bril niet al te best bij deze definitie past, kwam hij op deze problematiek terug in zijn conclusie voor het arrest van 15 oktober 1990. Hoewel het in deze zaak over de toepassing van artikel 28 van de arbeidsongevallenwet ging, wees hij er op dat het begrip prothese in beide artikelen vanzelfsprekend dezelfde betekenis heeft. In deze conclusie werd aan het begrip kunst- en hulpmiddelen een ruime betekenis gegeven en werden hiermee ook de voorwerpen bedoeld die het gebruik bevorderen van lichaamsdelen, die weliswaar als zodanig door het ongeval niet zijn aangetast, maar die zonder het hulpmiddel niet naar behoren kunnen functioneren. Zo zal een bril een prothese zijn indien de bril als hulpmiddel voor de getroffene noodzakelijk is om optimaal te kunnen zien. Het feit of een bril een prothese is of niet, dient bijgevolg beoordeeld te worden in relatie tot zijn concrete functie voor de getroffene. Indien hij voor de getroffene een noodzakelijk hulpmiddel is om te kunnen zien, dient hij als vervangstuk voor de ogen, als prothese beschouwd te worden. Het arbeidsongeval waardoor de bril werd beschadigd heeft immers het normaal functioneren van de ogen bemoeilijkt. Het enkel feit dat de bril om aannemelijke redenen tijdelijk werd afgezet en ter zijde werd gelegd, doet hieraan geen afbreuk. De appelrechters oordelen dat in casu slechts dient te worden vastgesteld dat verweerster haar bril blijkbaar permanent droeg (zie verklaring optieker) uit noodzaak voor haar dagelijks leven en in haar beroep en dat het enkel feit dat zij deze bril kortstondig, dit is tijdelijk, heeft afgezet ten gevolge van de door haar uitgevoerde arbeid, geen afbreuk doet aan de beschadiging van de bril, die als schade aan protheses in toepassing van artikel 26 van de arbeidsongevallenwet, overgenomen door artikel 3ter van de wet van 3 juli 1967, dient te worden vergoed. Met deze beoordeling konden zij wettig tot dit besluit komen. Het middel dat uitgaat van het tegendeel faalt naar recht. In zoverre het tweede middel aanvoert dat het voorval niet als arbeidsongeval kon beschouwd worden, maar eerder als een gemeenrechtelijk schadegeval, is het nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. In zoverre het uitgaat van het in het eerste middel tevergeefs aangevoerde standpunt dat een bril het karakter van prothese verliest indien hij niet gedragen wordt, faalt het naar recht. Het derde middel mist feitelijke grondslag nu de appelrechters eiseres veroordelen, onder voorbehoud van algehele of gedeeltelijke recuperatie ten laste van de federale schatkist. Conclusie: VERWERPING ____________
(1)Cass., 18 maart 1985, A.R. nr.4665, A.C., 1984-1985, nr. 435. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080922.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div