id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080926.3 Rolnummer: C.06.0442.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-21 Raadplegingen: 332 - laatst gezien 2026-07-03 03:24 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080926.3 Fiches 1 - 2 De beslissing over het beroep inzake de leegstandheffing kan gesteund zijn op bewezen "overmacht". Dat begrip dient in een van het gemeen recht afwijkende uitleg te worden begrepen waarbij als overmacht reeds kan gelden de leegstand te wijten aan redenen buiten de wil van de houder van het zakelijk recht, van wie redelijkerwijze niet kan verwacht worden dat hij een einde stelt aan de leegstand
(1).
(1)Art. 39, § 2, Decr. Vl. R. 22 dec. 1995, zoals vervangen bij art. 6, Decr. Vl. Parl. 7 juli 1998; zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BEGRAAFPLAATS - LIJKBEZORGING - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Algemeen FISCAAL RECHT - MILIEUHEFFINGEN - Algemeen (milieuheffingen) Vrije woorden: Vlaams Gewest - Leegstandheffing - Beroep - Vlaamse Regering - Beslissing over het beroep - Beoordelingscriteria - Bewezen overmacht Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 22-12-1995 - Art. 39, § 2 Thesaurus CAS: GEMEENSCHAP EN GEWEST UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BEGRAAFPLAATS - LIJKBEZORGING - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Algemeen FISCAAL RECHT - MILIEUHEFFINGEN - Algemeen (milieuheffingen) Vrije woorden: Vlaams Gewest - Leegstandheffing - Beroep - Vlaamse Regering - Beslissing over het beroep - Beoordelingscriteria - Bewezen overmacht Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 22-12-1995 - Art. 39, § 2 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 26 sept. 2008, AR C.06.0442.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BEGRAAFPLAATS - LIJKBEZORGING - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Algemeen FISCAAL RECHT - MILIEUHEFFINGEN - Algemeen (milieuheffingen) Vrije woorden: Vlaams Gewest - Leegstandheffing - Beroep - Vlaamse Regering - Beslissing over het beroep - Beoordelingscriteria - Bewezen overmacht Thesaurus CAS: GEMEENSCHAP EN GEWEST UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BEGRAAFPLAATS - LIJKBEZORGING - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Algemeen FISCAAL RECHT - MILIEUHEFFINGEN - Algemeen (milieuheffingen) Vrije woorden: Vlaams Gewest - Leegstandheffing - Beroep - Vlaamse Regering - Beslissing over het beroep - Beoordelingscriteria - Bewezen overmacht Tekst van de conclusie C.06.0442.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. Artikel 25 van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 (hierna "Leegstandsdecreet" genoemd), bepaalt dat het Vlaamse Gewest een heffing oplegt m.b.t. onder meer leegstaande woningen die opgenomen zijn in een inventaris. Die heffing is verschuldigd door de houder van bepaalde zakelijke rechten m.b.t. de woning, waaronder de volle eigendom, zoals blijkt uit artikel 27, § 1, van het Leegstandsdecreet. Uit het bepaalde in artikel 172, tweede lid, van de Grondwet volgt dat in het belastingrecht in beginsel geen beroep gedaan kan worden op billijkheidsredenen of overmacht om aan de belasting te ontkomen, tenzij de wetgever op die gronden in een vrijstelling heeft voorzien. Artikel 39, § 2, van het Leegstandsdecreet, zoals gewijzigd bij decreet van 7 juli 1998
(1), voert een vrijstelling van de leegstandheffing in op grond van overmacht: "De belastingplichtige kan binnen dertig kalenderdagen na de verzending van de aanslag met een gemotiveerd verzoekschrift in beroep gaan bij de Vlaamse regering (...) (...) Wordt het beroep ingewilligd, dan beslist de Vlaamse regering of de heffing geheel of gedeeltelijk moet betaald worden, dan wel of het gebouw en/of de woning wordt geschrapt van de lijst. De beslissing kan gesteund zijn op bewezen overmacht." Over de toepasselijkheid van het aldus gewijzigde decreet op deze zaak, bestaat geen discussie: aangezien het decreet van 7 juli 1998 in werking trad op 1 januari 1998 en dus al in werking was getreden op het ogenblik van de in deze zaak bestreden beslissing die de gemachtigde ambtenaar nam op 30 april 1999, kon die ambtenaar rekening houden met overmacht.
- Uit de vaststellingen van het hof van beroep blijkt dat in deze zaak de belastingschuldige die eigenaar was van een woning die werd ingeschreven op de inventaris van leegstaande woningen, de heer A.C., zich in staat van verlengde minderjarigheid bevond en verbleef in een psychiatrische instelling te Bierbeek, waar hij op 7 mei 1996 in het bevolkingsregister werd ingeschreven. Het Hof oordeelde ten deze dat: - A.C. in de totale onmogelijkheid verkeerde, buiten zijn wil, om effectief te wonen in de woning waar zijn moeder woonde en hij zelf gedomicilieerd was tot 7 mei 1996; - Zijn staat van verlengde minderjarigheid een gebeurtenis was die hij niet kon voorzien en niet kon vermijden en dat alleen daaraan te wijten is dat hij de woning niet effectief kon bewonen; - een langdurig verblijf in een psychiatrische instelling als een geval van overmacht kan worden beschouwd.
- Eiser in cassatie gaat onder het middel uit van een strikte interpretatie van het begrip overmacht in artikel 39, § 2, derde lid, van het Leegstandsdecreet. Overeenkomstig de artikelen 1147 en 1148 van het Burgerlijk wetboek is er overmacht indien de uitvoering van de verbintenis onmogelijk is ten gevolge van een van de menselijke wil onafhankelijke gebeurtenis die de schuldenaar niet kon voorzien of voorkomen. Als de onmogelijkheid de verbintenis uit te voeren het gevolg is van een onvoorzienbare en onoverkomelijke handelingsonbekwaamheid van een fysieke persoon, moet, volgens eiser, rekening worden gehouden met de mogelijkheid van die persoon zich in rechte te laten vertegenwoordigen en het al dan niet effectief aanwezig zijn van een dergelijke vertegenwoordiger.
- In het eerste onderdeel van het enig middel tot cassatie verwijt eiser het hof van beroep de overmacht die leidt tot het niet verschuldigd zijn van de leegstandsbelasting te hebben beoordeeld aan de hand van de onmogelijkheid van de belastingplichtige de woning te bewonen, terwijl bedoelde overmacht volgens eiser moet beoordeeld worden aan de hand van het effectief gebruik van die woning in overeenstemming met de woonfunctie. Voorts verwijt eiser de appelrechters te hebben beslist dat een langdurig verblijf in een psychiatrische instelling dat dagtekent van voor de inwerkingtreding van het decreet van 18 mei 1999 als een geval van overmacht kan worden beschouwd. In het tweede onderdeel verwijt eiser het hof van beroep overmacht te hebben weerhouden in hoofde van de heer C. zonder effectief rekening te houden met de omstandigheid dat betrokkene een voogd had die hem wettelijk vertegenwoordigde in burgerlijke handelingen en in het beheer van zijn goederen.
- De aangevoerde grieven nopen tot een onderzoek hoe de notie 'overmacht' moet geïnterpreteerd worden in de context van het Leegstandsdecreet. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat artikel 39, § 2, van het Leegstandsdecreet, zoals het gold in 1997 (d.i. in zijn oorspronkelijke versie), het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schendt doordat zij voor personen van wie de woning leegstaat om redenen onafhankelijk van hun wil niet in de mogelijkheid voorziet zich op overmacht te beroepen om aan de betaling van de leegstandheffing te ontsnappen (Grondwettelijk Hof, nr. 75/2006, 10 mei 2006, B.S., 28 juli 2006; Zie ook Grondwettelijk Hof, nr. 67/2000, 15 juni 2000, B.S., 30 juni 2000). Reeds voor bedoelde arresten van het Grondwettelijk Hof, had de Vlaamse decreetgever ingegrepen door bij artikel 6 van het decreet van 7 juli 1998
(2)artikel 39, § 2, derde lid, van het Leegstandsdecreet te wijzigen in die zin dat de Vlaamse Regering die over het beroep oordeelt, zijn beslissing kan steunen op bewezen overmacht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de decreetgever volgend doel voor ogen had: " De Vlaamse Regering moet haar beslissing ook kunnen steunen op onmiskenbare gevallen van overmacht die niet uitdrukkelijk vermeld zijn in de onderafdelingen 6 en 7 omtrent de vrijstellingen en schorsingen. Een uitbreiding van het aantal vrijstellingen en schorsingen zal nooit tegemoetkomen aan alle specifieke gevallen van flagrante onbillijkheid. Bovendien zouden bij een dergelijke uitbreiding ongenuanceerde formuleringen bijna onvermijdelijk zijn waardoor een aantal eigenaars ten onrechte de heffing ontlopen (...)" Als voorbeeld van dergelijke gevallen van flagrante onbillijkheid die als overmacht kunnen worden beschouwd, wordt in de memorie van toelichting verwezen naar onverwacht langdurig verblijf in een rusthuis of in het buitenland ingevolge een zending, bouwvergunningen die op zich laten wachten, langlopende gerechtelijke procedures waardoor het houderschap van het zakelijk recht lange tijd precair is ( Parl. St. Vl. Parl., 1049 (1997-98). Uit de memorie van toelichting blijkt dat deze flagrante onbillijkheden als overmacht worden gekwalificeerd, ofschoon zij vaak geen overmacht uitmaken in de strikt gemeenrechtelijke betekenis ervan (cfr. de artt. 1147 en 1148 B.W.). Zo bijvoorbeeld belet in se niets dat iemand die op onverwachte zending naar het buitenland moet, zijn woning tijdelijk verhuurt aan of desnoods gratis ter beschikking stelt van een derde om aldus leegstand tegen te gaan (A. DE VISSCHER, 'Overmacht inzake leegstandheffing voor woningen en gebouwen', T.F.R. nr. 313, januari 2007, p. 5). Hetzelfde geldt voor de belastingplichtige die langdurig verblijft in een rusthuis.
- Nu de decreetgever blijkens de memorie van toelichting 'langdurig verblijf in een rusthuis' zonder meer als overmacht beschouwt voor de toepassing van het Leegstandsdecreet, valt niet in te zien op welke grond 'langdurig verblijf in een psychiatrische instelling' niet als overmacht in aanmerking zou kunnen genomen worden. Het gelijkheidsbeginsel noopt de rechter bovendien het decreet op een grondwetsconforme wijze uit te leggen, hetgeen impliceert dat personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden op dezelfde wijze aanspraak moeten kunnen maken op het inroepen van overmacht.
- Bij artikel 3 van het decreet van 18 mei 1999 houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 (B.S. 29 juni 1999), werd aan artikel 41 van het Leegstandsdecreet een tweede lid toegevoegd luidend als volgt: " Wordt evenmin als belastingplichtige beschouwd, de houder van het zakelijk recht zoals bedoeld in het vorige lid, van een woning die verblijft in een erkende ouderenvoorziening of die voor een langdurig verblijf werd opgenomen in een psychiatrische instelling of die zich in elke andere situatie bevindt waarbij overmacht kan worden bewezen." De ratio legis van deze wijziging spreekt voor zich. Van wie langdurig, voor onbepaalde termijn verpleegd moet worden en daarom zijn woning niet gebruikt overeenkomstig de woonbestemming, kan niet verwacht worden dat hij een einde maakt aan die leegstand door bijvoorbeeld zijn woning tussentijds te verhuren of te laten verhuren door een wettelijk vertegenwoordiger. Door de betrokkene als niet belastingplichtige te kwalificeren, wordt tegemoet gekomen aan een onbillijk gevolg van de toepassing van het decreet zoals het initieel voorlag (A. DE VISSCHER, o.c., p. 7 - 8). De toevoeging van de woorden "of zich in elke andere situatie bevindt waarbij overmacht kan worden bewezen", wijst er opnieuw op dat de decreetgever de toestand van de personen die langdurig verblijven in een ouderenvoorziening of in een psychiatrische instelling, als een geval van overmacht in aanmerking neemt. Nochtans kan bezwaarlijk gewaagd worden van overmacht in de strikte juridische betekenis van het woord. Strikt genomen belet niets de langdurige verpleegde zijn woning te laten benutten als woning door een derde, al dan niet tegen betaling, desgevallend via de tussenkomst van zijn wettelijke vertegenwoordiger. Dat het nagenoeg onmogelijk is een derde daartoe bereid te vinden, zelfs kosteloos en/of dat het vanuit pragmatische overwegingen volstrekt onwenselijk is om daartoe demarches te ondernemen voor een langdurig verpleegde, doet in se niet ter zake. Overmacht in de stikt juridische zin is bijgevolg niet aan de orde (A. DE VISSCHER, o.c., p. 8). Ofschoon artikel 41, tweede lid, van het Leegstandsdecreet nog niet toepasselijk was op voorliggende betwisting, toch geeft deze bepaling een belangrijke aanwijzing hoe het begrip 'overmacht' in dat decreet moet worden geïnterpreteerd, te meer nu de hoger besproken memorie van toelichting bij het decreet van 7 juli 1998, waarbij artikel 39, § 2, derde lid, van het Leegstandsdecreet werd gewijzigd, in dat verband volledig in dezelfde lijn ligt als de uitlegging zoals die blijkt uit artikel 41, tweede lid. Personen die langdurig verblijven in een rusthuis bevinden zich in een overmachtssituatie net zoals personen die langdurig verblijven in een psychiatrische instelling. De appelrechters zijn er in deze zaak terecht van uitgegaan dat een langdurig verblijf in een psychiatrische instelling dat dagtekent van voor de inwerkingtreding van artikel 41, tweede lid, van het Leegstandsdecreet, niet belet dat een dergelijk verblijf niettemin als een geval van overmacht kan beschouwd worden, zij het dan op grond van artikel 39, § 2, derde lid, van dat decreet. De strikte interpretatie die eiser geeft van het begrip overmacht in artikel 39, § 2, derde lid, van de Leegstandswet is dan ook niet in overeenstemming te brengen met de geest en de ratio legis van die bepaling die erop gericht is 'flagrante onbillijkheden' recht te zetten die verder rijken dan 'overmacht' in de gemeenrechtelijke betekenis. Het middel faalt in zijn beide onderdelen naar recht. Besluit: VERWERPING. _______________________
(1)Doch voor de vervanging ervan bij Decr. Vl. Parl., 30 juni 2000, B.S., 17 augustus 2000.
(2)Decreet van 7 juli 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassingen van de begroting 1998, B.S., 28 augustus 1998, retroactief in werking getreden op 1 januari 1998. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080926.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260402.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div