id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081010.3 Rolnummer: F.06.0096.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2008-11-28 Raadplegingen: 247 - laatst gezien 2026-07-03 09:24 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081010.3 Fiche 1 Artikel 464, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
(1992)laat de provinciën en gemeenten niet toe om, naast de opcentiemen op de onroerende voorheffing, gemeentebelastingen te heffen op het kadastraal inkomen
(1).
(1)Zie de conl. van het O.M. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - LOKALE BELASTINGEN - Gemeentebelastingen Vrije woorden: Provinciën en gemeenten - Belastingheffing - Bevoegdheid - Belastingen op het kadastraal inkomen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 464, 1° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 10 okt. 2008, AR F.06.0096.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - LOKALE BELASTINGEN - Gemeentebelastingen Vrije woorden: Provinciën en gemeenten - Belastingheffing - Bevoegdheid - Belastingen op het kadastraal inkomen Tekst van de conclusie F.06.0096.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk Thijs:
- De stad Bilzen heeft op 17 december 2001 een belastingreglement goedgekeurd dat een "basisdienstenbelasting" invoert voor gezinnen en bedrijven. Krachtens dit reglement is de belasting verschuldigd door ieder gezin dat op 1 januari van het belastingjaar al dan niet ingeschreven is in de bevolkingsregisters van de gemeente Bilzen en er een woongelegenheid in gebruik heeft of zich het gebruik ervan voorbehoudt (basisdienstenbelasting gezinnen) en door de natuurlijke personen, de rechtspersonen en de feitelijke verenigingen die een nijverheids-, landbouw- of handelsbedrijf exploiteren, een financiële instelling beheren, een vrij beroep uitoefenen of optreden als zelfstandig vertegenwoordiger, makelaar, reiziger of gerant (basisdienstenbelasting bedrijven). De "basisdienstenbelasting gezinnen" is verschuldigd per woongelegenheid op het grondgebied van de gemeente gelegen en door het gezin gebruikt als een hoofdverblijf (artikel 7). De belasting wordt geheven op basis van het kadastraal inkomen van het onroerend goed, zoals gekend op 1 januari van het belastingjaar (artikel 8). De belasting wordt vastgesteld op een vast bedrag in functie van de schijf waarin het kadastraal inkomen valt (artikel 9).
- Verweerder tekende bezwaar aan tegen deze heffing. Op 24 januari 2003 werd dit bezwaar door het college van burgemeester en schepenen afgewezen. Verweerder maakte vervolgens de fiscale betwisting aanhangig bij de rechtbank van eerste aanleg. De eerste rechter oordeelde dat het belastingreglement strijdig was met artikel 464, 1° W.I.B. 1992 en verklaarde het fiscaal verhaal van verweerder gegrond. De appelrechters hebben het vonnis van de eerste rechter bevestigd. Ook zij waren van oordeel dat het belastingreglement strijdig was met artikel 464, 1° W.I.B. 1992 omdat het litigieuze belastingreglement "wel degelijk het kadastraal inkomen gebruikt als grondslag, zij het dat de gemeente hieraan eigen schijven vastknoopt".
- In het eerste onderdeel van het enig middel voert de stad Bilzen aan dat artikel 464, 1° W.I.B. 1992 strikt moet worden geïnterpreteerd omdat deze bepaling een beperking inhoudt op de fiscale autonomie van de gemeenten en provincies. Op grond van artikel 464, 1° W.I.B. 1992 zou het aan de gemeente enkel verboden zijn om hetzij enerzijds opcentiemen te heffen op de vermelde vormen van inkomstenbelastingen, hetzij anderzijds slechts die belastingen te heffen op het bedrag of op de grondslag van diezelfde inkomstenbelastingen die er gelijkaardig aan zijn, terwijl de onroerende voorheffing van beide gevallen wordt uitgezonderd. Het eerste onderdeel legt uitvoerig uit waarom het belastingreglement niet strijdig is met artikel 464, 1° W.I.B.
- Vermits de stad Bilzen op grond van dit belastingreglement geen opcentiemen heft op de inkomstenbelastingen, stelt het eerste luik van deze verbodsbepaling geen probleem. Eiser benadrukt vervolgens dat het litigieuze belastingreglement het kadastraal inkomen niet gebruikt als grondslag voor een van de soorten inkomstenbelasting, maar slechts de verschuldigde belasting op een vast bedrag vastlegt in functie van de schijf waarin het kadastraal inkomen valt. De belasting blijft dan ook volgens eiser een belasting die geheven wordt op een woongelegenheid die door een gezin als hoofdverblijf gebruikt wordt. Dit belastbaar feit heeft in de argumentatie van eiser geen uitstaans met de juridische toestanden waarin het kadastraal inkomen in de voormelde inkomstenbelastingen als inkomen wordt belast, nl. het hebben van het eigendomsrecht of het vruchtgebruik op een onroerend goed gelegen in België. De stelling van eiser kan voor de duidelijkheid best in twee delen worden opgesplitst: 1°) de litigieuze belasting is een belasting die geheven wordt op elke in de gemeente gelegen woongelegenheid die door een gezin als hoofdverblijf gebruikt wordt en bijgevolg niet geheven wordt op het bedrag of op de grondslag van de in artikel 464, 1° W.I.B. 1992 vermelde inkomstenbelastingen; 2°) deze gemeentebelasting is daarenboven geen gelijkaardige belasting nu het belastbaar feit niet enige vorm van inkomen is, maar wel het gebruik door een gezin van een woongelegenheid als hoofdverblijf in de gemeente. Gelet op het voorgaande konden de appelrechters volgens eiser niet op wettige wijze oordelen dat het belastingreglement strijdig is met artikel 464, 1° W.I.B
- In het tweede onderdeel voert eiser aan dat artikel 464, 1° W.I.B. 1992 in fine een uitzondering bevat die alles wat de onroerende voorheffing betreft uitsluit van elk van de beide verboden die aan de lagere overheden zijn opgelegd. Aldus zou alles wat de onroerende voorheffing betreft door de gemeente belast kunnen worden, waaronder dus ook het kadastraal inkomen dat de berekeningsbasis is van de onroerende voorheffing. Vermits naar de overtuiging van de appelrechters het kadastraal inkomen - dat dienst doet als belastbare basis in de onroerende voorheffing - tevens de grondslag vormt van de litigieuze belasting, volgt uit die uitzondering dat de litigieuze belasting niet verboden is.
- In de rechtspraak en de rechtsleer bestaat reeds geruime tijd een controverse over de draagwijdte van artikel 464, 1° W.I.B. 1992.
(1)De uiteenlopende wijze waarop deze bepaling wordt geïnterpreteerd toont aan de formulering niet bepaald helder is. Artikel 464, 1° W.I.B. 1992 luidt als volgt: "De provincies, de agglomeraties en gemeenten zijn niet gemachtigd tot het heffen van: 1° opcentiemen op de personenbelasting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de belasting van niet-inwoners of van gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft". In de administratieve praktijk werd dit voorschrift van oudsher vooral begrepen als een machtiging voor de gemeente om opcentiemen te heffen op de onroerende voorheffing. Over de mogelijkheid om niet alleen opcentiemen maar ook bijkomend een belasting te vestigen op de grondslag van de onroerende voorheffing (het kadastraal inkomen) werd met geen woord gerept. Zelfs bij een eerste lectuur van artikel 464, 1° W.I.B. 1992 valt het "weerbarstig karakter" van deze wetsbepaling op. Een verbodsbepaling die tegelijk een bevoegdheidstoekenning inhoudt en het heeft over "gelijkaardige" belastingen is geen voorbeeld van duidelijke wetgeving. 6. Het arrest van uw Hof van 10 juni 1988 is een goed vertrekpunt voor een onderzoek naar de juiste draagwijdte van artikel 464, 1° W.I.B. 1992.
(2)In die zaak had de gemeente Puurs een belasting vastgesteld op 21,25 procent van het kadastraal inkomen van de gebouwen die met toepassing van de wetten 10 juni 1928, 17 juli 1959 en 30 juni 1963 door de nationale wetgever tijdelijk van onroerende voorheffing waren vrijgesteld. De belastingplichtige was van oordeel dat de zinsnede "uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft" enkel slaat op het bedrag van de onroerende voorheffing. Die zienswijze werd echter verworpen door de bestendige deputatie, die net als de gemeente, van oordeel was dat de in artikel 351 W.I.B.
(1964)vermelde uitzondering zowel ten aanzien van de grondslag als ten aanzien van het bedrag van de onroerende voorheffing geldt. Dat arrest van 10 juni 1988 interpreteert artikel 351 W.I.B. 1964 (thans artikel 464 W.I.B.1992) op dezelfde wijze als de bestendige deputatie en beslist dat de woorden "uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft" zowel op "de grondslag" als op "het bedrag" van de in dat artikel bedoelde belastingen slaan. Het Hof aanvaardt bijgevolg dat een gemeente het recht heeft om een belasting te vestigen op het kadastraal inkomen om het verlies aan gemeentelijke opcentiemen te compenseren. De bestendige deputatie die beslist dat de gemeente op grond van artikel 351 W.I.B. 1964 gemachtigd is om op de grondslag van het kadastraal inkomen, in de plaats van opcentiemen op de rijksbelasting, een specifieke gemeentebelasting te heffen, schendt die wetsbepaling niet. Deze uitlegging van artikel 351 W.I.B. 1964 was m.i. echter geen vrijgeleide voor de trend om tal van kleine belastingen te vervangen door een allesomvattende "algemene" gemeentebelasting, waarvan het bedrag varieert in functie van de hoegrootheid van het kadastraal inkomen.
(3)Indien de gemeente er voor opteert om de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing te behouden, dan is de cumul met een algemene gemeentebelasting die dezelfde grondslag (het kadastraal inkomen) heeft, niet toegelaten. Het verbod van dubbele belasting verzet zich hiertegen.
(4)Ook in de conclusie van procureur-generaal Krings staat te lezen dat de gemeenten slechts eigen belastingen op de grondslag van de onroerende voorheffing mogen heffen als er geen opcentiemen op de onroerende voorheffing wordt geheven.
(5)- De rechtsleer heeft evenwel kritische kanttekeningen gemaakt bij het arrest van 10 juni
- Indien de wetgever vrijstelling verleent van onroerende voorheffing dan impliceert zulks logischerwijze dat er geen ruimte is voor gemeentelijke opcentiemen tenzij de wetgever uitdrukkelijk anders beslist. Op dit punt kunnen de lokale overheden de fiscale politiek van de federale overheid niet zomaar tegenwerken. Voor het arrest van 10 juni 1988 was de heersende opvatting dat de uitzondering op de verbodsbepaling van artikel 351, 1° W.I.B. 1964 (thans: artikel 464, 1° W.I.B. 1992) alleen betrekking had op de opcentiemen die de gemeenten mochten heffen op de onroerende voorheffing. Uit een rechtshistorische analyse en uit de ratio legis van de wet volgt m.i. dat deze traditionele opvatting de voorkeur verdient.
- Aan de oorsprong van artikel 351, 1° W.I.B. 1964 ligt artikel 83 van de samengeschakelde wetten betreffende de inkomstenbelastingen, zoals vervangen door artikel 34 van de wet van 24 december 1948 betreffende de gemeentelijke en provinciale financiën.
(6)Laatstgenoemde bepaling luidde als volgt: "De provinciën en gemeenten zijn niet gemachtigd tot het heffen van opcentimes op de gesplitste inkomstenbelastingen of gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van deze belastingen. Uitzondering wordt nochtans gemaakt voor de grondbelasting." De tekst van artikel 83 van de samengeschakelde wetten diende te worden aangepast omwille van de overgang van het cedulair stelsel naar het huidige systeem van de inkomstenbelastingen en werd derhalve vervangen door artikel 70 van de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen. Het nieuwe artikel 83, a, van dezelfde gecoördineerde wetten verbiedt de provinciën en gemeenten opcentiemen op de personenbelasting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de belasting van de niet-verblijfhouders of gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van deze belastingen te heffen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft. De juiste draagwijdte van artikel 464, 1° W.I.B. 1992 (voorheen artikel 351 W.I.B. 1964) kan derhalve worden nagegaan aan de hand van de parlementaire voorbereiding van artikel 34 van de wet van 24 december 1948 en van artikel 70 van de wet van 20 november 1962, nu de vermelde wetsbepalingen inhoudelijk gelijksporen.
(7)Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 24 december 1948 blijkt dat het voornoemde artikel 34- en bijgevolg ook het latere artikel 464, 1° W.I.B. 1992 - voor de provinciën en gemeenten een bevoegdheidstoekenning inhoudt die hen alleen machtigt tot het heffen van opcentiemen op de grondbelasting (thans de onroerende voorheffing).
(8)Toen de tekst van artikel 83 van de gecoördineerde wetten op de inkomstenbelastingen in 1962 werd aangepast omwille van de overgang naar het huidig stelsel van de inkomstenbelastingen, werd die interpretatie tijdens de parlementaire voorbereiding nogmaals bevestigd.
(9)De wet houdt niet alleen een verbod in voor de provinciën en gemeenten om opcentiemen te vestigen op de inkomstenbelastingen, met uitzondering van de onroerende voorheffing, maar verbiedt hen tevens gelijkaardige belastingen te vestigen op de grondslag of het bedrag van deze belastingen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de gemeenten, naast het recht om opcentiemen te heffen op de onroerende voorheffing, tevens het recht zouden hebben om gelijkaardige belastingen te heffen op de grondslag van de onroerende voorheffing.
(10)9. Zelfs indien we op grond van deze rechtshistorische analyse afstand nemen van het arrest van 10 juni 1988, blijft de tekst van artikel 464, 1° W.I.B. 1992 tal van vragen oproepen. Wat is nu immers precies de draagwijdte van "het verbod om gelijkaardige belastingen te heffen op de grondslag of op het bedrag van deze belastingen". Op het eerste gezicht houdt dit slechts een verbod in van belastingen die geheven worden op de grondslag of op het bedrag van de inkomstenbelastingen en die daarenboven nog gelijkaardig moeten zijn aan een inkomstenbelasting. Indien we kiezen voor deze letterlijke interpretatie dan is er geen bezwaar tegen een gemeentebelasting ten laste van een gebruiker van een onroerend goed, vermits deze belasting niet gelijkaardig is aan een inkomstenbelasting of aan de onroerende voorheffing. De algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State heeft in een arrest van 18 maart 2003 echter een ander standpunt ingenomen.
(11)Het arrest heeft betrekking op de "jaarlijkse algemene belasting" van de gemeente Lanaken die qua bedrag varieert in functie van het kadastraal inkomen. De Raad van State oordeelt dat het de bedoeling van de wetgever was om met artikel 464, 1° W.I.B. 1964 een gemeentebelasting te verbieden die het gegeven van het kadastraal inkomen als berekeningsgrondslag neemt. Dit richting gevend arrest houdt rekening met de bedoeling van de wetgever die een duidelijke scheiding tussen rijks- en gemeentebelasting voor ogen had en die, met uitzondering van de opcentiemen op de onroerende voorheffing, het kadastraal inkomen niet beschikbaar wilde maken voor belastingheffing door de gemeentebesturen. Deze zienswijze kan m.i. worden bijgetreden. Het verbod om gelijkaardige belastingen te heffen moet worden verstaan als een verbod om de materie te belasten waarop de inkomstenbelastingen rusten.
(12)Omwille van de door de wetgever gewilde scheiding tussen de lokale belastingen en de rijksbelastingen moet de gelijkaardigheid van de belasting inderdaad worden beoordeeld vanuit de gehanteerde berekeningsgrondslag. Bijgevolg is elke belasting die de grondslag of het bedrag van een inkomstenbelasting als belastbaar feit of als berekeningsbasis gebruikt, een op grond van artikel 464, 1° W.I.B. 1992 verboden gelijkaardige belasting.
(13)In de lagere rechtspraak is deze zienswijze reeds geruime tijd doorgedrongen.
(14)Een recent arrest van uw Hof van 8 juni 2006 lijkt deze tendens in de rechtspraak te bevestigen.
(15)In deze zaak was de vraag aan de orde of een algemene provinciebelasting waarvan de belastbare grondslag wordt vastgesteld aan de hand van de totale bebouwde en/of onbebouwde oppervlakte die wordt ingenomen door de belastingplichtige verenigbaar is met artikel 464, 1° W.I.B. 1992. Uw Hof stelde in dat arrest vast dat de belastbare grondslag niet afhangt van de inkomsten van de belastingplichtige en preciseerde in dit verband "dat de belasting niet gestoeld is op een van de wezenlijke componenten die rechtstreeks de grondslag van de inkomstenbelastingen bepalen".
(16)Op grond hiervan wordt aangenomen dat dit type van algemene provinciebelasting geen gelijkaardige belasting is op de grondslag of op het bedrag van de in artikel 464, 1° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)genoemde belastingen.
(17)Vertrekkend vanuit een interpretatie die steunt op de wetsgeschiedenis en op het arrest van uw Hof van 8 juni 2006 dringt de volgende conclusie zich op: artikel 464, 1° W.I.B. 1992 laat de provinciën en gemeenten niet toe om gemeentebelastingen te heffen op het kadastraal inkomen. Het kadastraal inkomen, dat niet alleen de grondslag vormt van de onroerende voorheffing, maar tevens rechtstreeks de grondslag vormt van de rechtspersonenbelasting en een component is van het netto-belastbaar onroerend inkomen in de personenbelasting en de belasting van de niet-inwoners staat niet ter beschikking van de gemeenten. Elke belasting uitgaande van een provincie of gemeente die de grondslag of het bedrag van het kadastraal inkomen als belastbaar feit of als berekeningsbasis gebruikt is een verboden gelijkaardige belasting die strijdig is met artikel 464, 1° W.I.B.
- Gelet op het voorgaande kan het eerste onderdeel van cassatiemiddel niet worden aangenomen. De appèlrechters stellen vast dat de 'basisdienstenbelasting' voor gezinnen en bedrijven, die door de gemeenteraad van eiseres werd goedgekeurd op 17 december 2001, wordt geheven op basis van het kadastraal inkomen van het onroerend goed en wordt vastgesteld op een vast bedrag per categorie van kadastraal inkomen. De litigieuze gemeentebelasting hanteert het kadastraal inkomen als berekeningsgrondslag en werd dan ook volkomen terecht door de appelrechters wegens strijdigheid met artikel 464, 1° W.I.B. 1992 buiten toepassing gelaten.
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat de gemeente aan artikel 464, 1° W.I.B. 1992 niet het recht ontleent om een gelijkaardige belasting te heffen op de grondslag van de onroerende voorheffing, zijnde het kadastraal inkomen. Het tweede onderdeel faalt bijgevolg naar recht. Besluit: VERWERPING. ARREST _________________
(1)Zie o.m. M. DE JONCKHEERE,, De gemeentelijke belastingbevoegdheid. Fiscaaljuridische aspecten, Brugge, die Keure, 1996, 361-399 en "Artikel 464, 1° W.I.B. en de fiscale bevoegdheid van gemeenten", in Jaarboek lokale en regionale belastingen 1999-2000, Brugge, die Keure, 2000, 107-137; P. DE SOMERE, "Artikel 464, 1° W.I.B. 1992 en de fiscale bevoegdheid van gemeenten. Het kadastraal inkomen in gemeentebelastingen: verboden vrucht", T.Gem., 2003, 277-
- Over de mogelijke strijdigheid van de gemeentebelasting op vertoningen met artikel 464, 1° W.I.B. 1992: E. VAN DOOREN, "Lokale belastingen op vertoningen en vermakelijkheden lijken dan toch niet (steeds) te detoneren met artikel 464, 1° W.I.B. 1992", T.F.R., 2006, 640-
- Volgens een bepaalde strekking in de rechtspraak zou zelfs de belasting op tweede verblijven niet verenigbaar zijn met artikel 464, 1° W.I.B. 1992: Zie hierover J. ASTAES, "De belasting op de tweede verblijven: een overzicht", Huur, 2006/2,
(55), 59-60 en de verwijzingen aldaar.
(2)Cass., 10 juni 1988, A.R. F.1414.N, A.C., 1987-88, nr. 621, met conclusie proc.-gen. KRINGS; T. Gem., 1989, 297, noot DE BAETS. Ook een arrest van 6 juni 1979 kan hier niet onvermeld blijven. Het arrest zegt "dat de gemeenteraden krachtens hun autonomie en behoudens de door de wet bepaalde uitzonderingen, bevoegd zijn om vrij en onder toezicht alleen van de hogere overheid de grondslag en het bedrag van de door hen geheven belastingen vast te stellen" en dat "noch de wet van 10 juni 1928 noch enige andere wetsbepaling een beperking inhoudt van het recht van de gemeenten om een belasting te heffen op de nieuwe gebouwen die het voordeel genieten van de kwijtschelding van de onroerende voorheffing". Voor de interpretatie van artikel 351 W.I.B.
(1964)lijkt dit arrest niet doorslaggevend. Het arrest merkt overigens op dat artikel 1, §3 van de wet van 10 juni 1928 uitdrukkelijk bepaalt dat de gemeente het recht heeft om een belasting (opcentiemen) te vestigen op de goederen die van de tijdelijke vrijstelling van onroerende voorheffing genieten. Die wetsbepaling was reeds opgeheven ten tijde van de feiten die aanleiding gaven tot het arrest van 10 juni 1988 (zie artikel 43, 2° Wet 19 juli 1979 met een overgangsbepaling voor de belastingplichtigen die voor het aanslagjaar 1979 het voordeel van de vrijstelling van onroerende voorheffing had genoten, B.S., 22 augustus 1979, p. 9153). De latere wetten in verband met de economische expansie van 17 juli 1959 (B.S., 29 augustus 1959, 6198) en 30 juli 1963 (B.S., 20 augustus 1963, p. 8164) kenden de gemeenten niet het recht toe om een compenserende belasting te heffen. Zie nader: R.v.St., gemeente Puurs, nr. 34.578, 3 april 1990, F.J.F., 1990, 436, r.o. 3.1.3.2 en de noot van auditeur P. DE SOMERE bij R.v.St., nr. 117.154, 18 maart 2003, T.Gem., 2003,
(277), 280, noot 5.
(3)Niettemin werden de "algemene gemeentebelastingen" in de periode na dit arrest als een interessante nieuwigheid gepromoot: F. HAEX, "De Gemeente Lanaken innoveert op het vlak van de lokale belastingheffing: de Algemene Gemeentebelasting (AGB)", De Gem., 1989, 355-360.
(4)W. DE BAETS, noot onder Cass., 10 juni 1988, T. Gem., 1989,
(301), 304; Zie voor het non bis in idem-beginsel: Cass., 17 februari 1953, Pas., 1953, 467 (een tweede hondenbelasting die wordt geheven door dezelfde gemeente is onwettig).
(5)Proc.-gen. KRINGS, conclusie bij Cass., 10 juni 1988, A.R. F 1415 N, A.C.,1987-88, nr. 621.
(6)B.S., 6 januari 1949, p. 82.
(7)Zie o.m. M. DE JONCKHEERE, De gemeentelijke belastingbevoegdheid. Fiscaaljuridische aspecten, Brugge, die Keure, 1996, 369; E. VAN DOOREN, o.c., T.F.R., 2006, 640-643.
(8)M.v.T, Ontwerp van wet betreffende de gemeentelijke en provinciale financiën, Parl. St., Senaat, 1947-48, nr. 492, 11: "de gemeenten mogen de opcentimes op de grondbelasting behouden"; Parl. St., Senaat, 1948-49, nr. 492, bijlage IX, 126: "Wat inzonderheid de grondbelasting betreft, kan zij zich verenigen met de redenen, die zijn ingeroepen om het toekennen aan de gemeenten van de totale grondbelasting te verwerpen. Zij oordeelt het, anderzijds juist dat voor de gemeenten de mogelijkheid tot heffen van opcentimes op diezelfde belasting wordt behouden....".
(9)Parl. St., Kamer, 1961-62, nrs. 264/36, 4 en 264/42, 227: "Zoals thans het geval is, past het voor de gemeenten en de provincies uitdrukkelijk in het verbod te voorzien niet alleen opcentiemen te vestigen op de inkomstenbelastingen met uitzondering van de onroerende voorheffing, maar ook gelijkaardige taksen op de basis of het bedrag van deze belastingen".
(10)M. DE JONCKHEERE merkt op dat nog andere elementen deze interpretatie ondersteunen. Zo worden de agglomeraties vermeld in artikel 464 W.I.B. 1992 hoewel zij niet over fiscale autonomie maar slechts over een toegewezen fiscale bevoegdheid beschikken en slechts het recht hebben om opcentiemen te heffen op de onroerende voorheffing (zie artikel 3 Wet 7 juli 1972). Belangrijk is ook de vaststelling dat de onroerende voorheffing en de erop geheven opcentiemen tot een zeker maximum verrekenbaar zijn met de verschuldigde inkomstenbelasting (oud artikel 277, tweede lid W.I.B. 1992). Een eigen gemeentebelasting op het kadastraal inkomen, die dan eigenaardig genoeg niet verrekenbaar is, is in een dergelijk systeem moeilijk inpasbaar. Zie nader: M. DE JONCKHEERE, "Artikel 464, 1° W.I.B. en de fiscale bevoegdheid van gemeenten", l.c., 115-118.
(11)R.v.St. (Algemene Vergadering), nr. 117.154 van 18 maart 2003, L.R.B., 2003, 74, noot DE JONCKHEERE; R.v.St., nr. 153.922, 19 januari 2006, F.J.F., 2006, 752.
(12)M. DE JONCKHEERE, De gemeentelijke belastingbevoegdheid. Fiscaaljuridische aspecten, Brugge, die Keure, 1996, 377-378.
(13)M. DE JONCKHEERE, "Artikel 464, 1° W.I.B. en de fiscale bevoegdheid van gemeenten", in Jaarboek lokale en regionale belastingen 1999-2000, Brugge, die Keure, 2000,
(107), 124; Zie ook P. DE SOMERE, "Artikel 464, 1° W.I.B. 1992 en de fiscale bevoegdheid van gemeenten. Het kadastraal inkomen in gemeentebelastingen: verboden vrucht", T.Gem., 2003,
(277), 284-285.
(14)De meeste vonnissen en arresten interpreteren het verbod om gelijkaardige belastingen te heffen, eerder ruim, zodat de klip van artikel 464, 1° W.I.B. 1992 niet kan worden omzeild: zie o.m. Brussel, 7 februari 2003, F.J.F., 2003, 865 (gemeentebelasting op de verhuur van hotelkamers en gemeubeld logies die werd vastgesteld op 10 procent van de huurrprijs); Brussel, 18 mei 2001, F.J.F., 2001, 787; T.F.R., 2001, 1042, noot VAN DOOREN en Rb. Antwerpen, 5 mei 2004, F.J.F., 2005, 719 (gemeentebelasting op voorstellingen en vermakelijkheden ten belope van een percentage van de bruto-ontvangsten); Rb. Bergen, 20 oktober 2005, F.J.F., 2006, 664 (aanvullende nijverheidsbelasting die werd gevestigd in functie van de verkoopwaarde van een kadastraal perceel).
(15)Cass., 8 juni 2006, A.R. F.O4.OO50.N, T.F.R., 2007, 561, noot DE JONCKHEERE. Ook een belasting berekend in functie van het aantal vierkante meter oppervlakte bezet door een kermisinstallatie en per dag bezetting doorstaat de toets van artikel 464, 1° W.I.B. 1992: R.v.St., nr. 117.110, 17 maart 2003, F.J.F., 2003, 946. Zie tevens R.v.St., 8 februari 1993, F.J.F., 1993, 126: een belasting op de handel in frieten die berekend wordt op het aantal openingsdagen, zonder rekening te houden met het omzetcijfer, noch met het bedrag van de geïnde inkomstenbelasting schendt artikel 464 W.I.B. 1992 niet.
(16)Het gebruik van de term "componenten" is van groot belang. Het gehanteerde criterium sluit aan bij de opvatting van DE JONCKHEERE dat het begrip "grondslag" van de belasting niet in die zin mag worden geïnterpreteerd dat alleen de elementen worden bedoeld die als grondslag in aanmerking worden genomen om de inkomstenbelastingen te berekenen zoals bv. de netto-inkomsten uit onroerende goederen en de netto-inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen. Ook de samenstellende elementen (componenten) die deze grondslag vormen zijn niet beschikbaar voor de gemeenten. (M. DE JONCKHEERE, K. DEKETELAERE en N. PLETS, Lokale en regionale belastingen, Brugge, die Keure, 2004, 36-40). Een meer restrictieve interpretatie zou de verbodsbepaling het grootste deel van haar slagkracht ontnemen en bijgevolg indruisen tegen de door de wetgever gewenste scheiding tussen de inkomstenbelastingen en de lokale heffingen.
(17)In het arrest van 8 juni 2006 beslist het Hof tevens dat de omstandigheid dat een lokale belasting alleen betaald kan worden met inkomsten die reeds door de Staat werden belast, niet tot gevolg heeft dat de betrokken belasting gelijkaardig is aan een van de voormelde inkomstenbelastingen. Hierover kan in beginsel niet de minste twijfel bestaan. Zie nochtans in een andere zin: R.v.St., nr. 50.538, 30 november 1994, T. Gem., 1994, 204, met kritische noot DE JONCKHEERE. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081010.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div