← België

ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081028.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 oktober 2008

Artikel 235ter, § 2, tweede en derde lid, Sv.

- Zitting waarop de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij worden gehoord - Vereiste van de aanwezigheid van het openbaar ministerie Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle van de bijzondere opsporingsmethoden observatie

Artikel 235ter, § 2, tweede en derde lid, Sv.

- Zitting waarop de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij worden gehoord - Vereiste van de aanwezigheid van het openbaar ministerie Fiches 16 - 30 Concl. adv.-gen. DUINSLAEGER, Cass., 28 okt. 2008, AR P.08.0706.N, A.C., 2008, nr. ... Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie Vrije woorden: Aanwending van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Verwijzingsbeschikking vóór de inwerkingtreding van de artikelen 189ter en 235ter Sv. - Geen controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden - Navolgende inwerkingtreding van de artikel 189ter en 235ter Sv. - Vaststelling door de vonnisrechter van het gebrek aan de in artikel 235ter Sv. bedoelde controle - Beslissing om de kamer van inbeschuldigingstelling te gelasten met de controle - Controle door de kamer van inbeschuldigingstelling - Regelmatigheid Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Aanwending van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Verwijzingsbeschikking vóór de inwerkingtreding van de artikelen 189ter en 235ter Sv. - Geen controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden - Navolgende inwerkingtreding van de artikel 189ter en 235ter Sv. - Vaststelling door de vonnisrechter van het gebrek aan de in artikel 235ter Sv. bedoelde controle - Beslissing om de kamer van inbeschuldigingstelling te gelasten met de controle - Controle door de kamer van inbeschuldigingstelling - Regelmatigheid Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie Vrije woorden: Aanwending van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Verwijzingsbeschikking vóór de inwerkingtreding van de artikelen 189ter en 235ter Sv. - Geen controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden - Navolgende inwerkingtreding van de artikel 189ter en 235ter Sv. - Vaststelling door de vonnisrechter van het gebrek aan de in artikel 235ter Sv. bedoelde controle - Beslissing om de kamer van inbeschuldigingstelling te gelasten met de controle - Regelmatigheid Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet door wetsbepalingen betreffende de strafvordering - Arrest dat de ongrondwettigheid van een wetsbepaling vaststelt - Ongrondwettigheid ingevolge een leemte in de wet - Taak van de rechter - Voorwaarde Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie Vrije woorden: Schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet door wetsbepalingen betreffende de strafvordering - Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vraag - Arrest dat de ongrondwettigheid van een wetsbepaling vaststelt - Ongrondwettigheid ingevolge een leemte in de wet - Taak van de rechter - Voorwaarde Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie Vrije woorden: Schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet door wetsbepalingen betreffende de strafvordering - Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vraag - Arrest dat de ongrondwettigheid van een wetsbepaling vaststelt - Ongrondwettigheid ingevolge een leemte in de wet - Taak van de rechter - Voorwaarde Thesaurus CAS: STRAFVORDERING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie Vrije woorden: Schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet door wetsbepalingen betreffende de strafvordering - Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vraag - Arrest dat de ongrondwettigheid van een wetsbepaling vaststelt - Ongrondwettigheid ingevolge een leemte in de wet - Taak van de rechter - Voorwaarde Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Artikel 235ter Sv. - Draagwijdte - Controle van observatie en infiltratie verricht vóór de inwerkingtreding van wet van 6 januari 2003 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie Vrije woorden: Aanwending van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie - Bijzondere opsporingsmethoden aangewend vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 january 2003 - Controle van de regelmatigheid door de kamer van inbeschuldigingstelling - Artikel 235ter Sv. Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie Vrije woorden: Strafzaken - Openbaar ministerie bij de rechtbanken en hoven van beroep - Opdracht Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie Vrije woorden: Strafvordering - Aanwezigheid van het openbaar ministerie bij de behandeling van de zaak Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie Vrije woorden: Aanwezigheid van het openbaar ministerie bij de behandeling van de zaak Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie Vrije woorden: Strafzaken - Strafvordering - Aanwezigheid van het openbaar ministerie bij de behandeling van de zaak Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle van de bijzondere opsporingsmethoden observatie

Artikel 235ter, § 2, tweede en derde lid, Sv.

- Zitting waarop de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij worden gehoord - Vereiste van de aanwezigheid van het openbaar ministerie Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Controle van de bijzondere opsporingsmethoden observatie

Artikel 235ter, § 2, tweede en derde lid, Sv.

- Zitting waarop de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij worden gehoord - Vereiste van de aanwezigheid van het openbaar ministerie Tekst van de conclusie P.08.0706.N Advocaat-generaal P. Duinslaeger heeft in substantie gezegd: Het cassatieberoep van de eiser is, eens te meer, gericht tegen een arrest waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling, in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie onderzocht. In zijn memorie voert de eiser drie middelen aan waarvan het laatste uiteenvalt in twee onderdelen. Voorafgaand aan de bespreking van deze middelen, gaat de eiser dieper in op het probleem van de ontvankelijkheid van zijn cassatieberoep en vraagt hij dat het Hof, zo nodig, opnieuw een prejudiciële vraag zou stellen aan het Grondwettelijk Hof betreffende de eventuele schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, in zoverre dit artikel niet voorziet in een onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet met toepassing van de artikelen 189ter en 235ter van datzelfde wetboek. Een inhoudelijk identieke vraag werd evenwel door het Grondwettelijk Hof reeds bevestigend beantwoord op 31 juli 2008

(1). Op basis van dit antwoord heeft Uw Hof, bij arrest van 14 oktober 2008
(2), gewezen in voltallige zitting, geoordeeld dat het de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde leemte in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, zelf kan aanvullen door het onmiddellijk cassatieberoep tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, die uitspraak doet in toepassing van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering, ontvankelijk te verklaren. Op grond van deze rechtspraak dient bijgevolg vastgesteld te worden dat het onmiddellijk cassatieberoep van de eiser, wat dit aspect betreft, als ontvankelijk moet worden beschouwd. In zijn eerste middel voert de eiser schending aan van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering, omdat, volgens de eiser, de kamer van inbeschuldigingstelling ten onrechte oordeelt dat artikel 189ter in de mogelijkheid voorziet om, wanneer de controle op grond van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering niet op het door dit artikel voorziene tijdstip is gebeurd, dit verzuim alsnog te herstellen. De kritiek van de eiser komt er dus op neer dat de kamer van inbeschuldigingstelling geen toepassing meer kon maken van artikel 189ter Wetboek van Strafvordering, om alsnog tot een controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie, op grond van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering over te gaan. In zijn arrest van 13 november 2007
(3)oordeelde het Hof onder meer dat het cassatieberoep dat gericht is tegen het arrest waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich bevoegd verklaart om de controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie aan de hand van het vertrouwelijk dossier uit te oefenen, niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, aangezien die controle tot doel heeft het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd door artikel 6 EVRM, te verzekeren en de verdachte dus tot voordeel strekt. In zijn arrest van 14 oktober 2008
(4)lijkt het Hof deze zienswijze te hebben verlaten: in deze zaak werd het cassatieberoep ontvankelijk verklaard en werd het middel, dat aanvoerde dat de kamer van inbeschuldigingstelling in het bestreden arrest ten onrechte oordeelde dat het met toepassing van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering mogelijk was, nadat de zaak bij het vonnisgerecht aanhangig was gemaakt, alsnog, voor het eerst, de controle te verrichten over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie, gegrond bevonden. Uit de rechtsoverwegingen van dit arrest moet worden afgeleid dat het Hof oordeelt dat het belang van de eiser hierin bestaat, dat de controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie verplicht op het door artikel 235ter, § 1, tweede en derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde tijdstip moet worden verricht, om te vermijden dat de feitenrechter kennis zou kunnen nemen van stukken die eigenlijk hadden dienen te worden nietigverklaard. Dit "belang", dat ik overigens eerder aanzie als een denkbeeldig of virtueel belang, speelt evenwel niet in de zaak die thans voorligt, aangezien de procedure van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering nog niet bestond op het ogenblik dat de onderzoeksrechter zijn dossier voor eindvorderingen aan de procureur des Konings toezond. De vraag rijst dus of de rechtspraak van het Hof in zijn arrest van 13 november 2007 hier niet integraal moet worden toegepast: dit zou dan betekenen dat het cassatieberoep, in zoverre het gericht is tegen het arrest waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich bevoegd achtte om de gevraagde controle over de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie uit te oefenen, niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, zodat het eerste middel, dat geen betrekking heeft op dit probleem van niet-ontvankelijkheid, niet meer zou dienen beantwoord te worden. Indien het Hof zou oordelen dat de eiser toch een belang heeft bij zijn cassatieberoep, in zoverre dit gericht is tegen de beslissing dat de kamer van inbeschuldigingstelling bevoegd was om de gevraagde controle over de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie te verrichten, moet worden nagegaan of het Hof, in zaak die ons thans aanbelangt, in dezelfde zin dient te beslissen als in het eerder aangehaalde arrest van 14 oktober 2008. In dit laatste arrest oordeelde het Hof, in navolging van zijn eerder arrest van 19 maart 2008
(5), dat de vaststelling, door het vonnisgerecht, dat de controle van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie niet verricht was op het geëigende tijdstip, niet het nieuwe en concrete gegeven uitmaakt dat de verwijzing van de zaak naar de kamer van inbeschuldigingstelling, om alsnog tot die controle over te gaan, wettigt. Ik wees er hiervoor evenwel reeds op dat de thans voorliggende zaak een ander belangrijk element inhoudt, dat het Hof de kans biedt, gelet op het concrete verloop van de procedure, af te wijken van de rechtspraak van het arrest van 14 oktober 2008. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt immers dat de eiser werd verwezen bij beschikking van de raadkamer van 4 oktober 2005 en dus vóór de inwerkingtreding, op 30 december 2005, van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering. In tegenstelling tot wat zich voordeed in de procedures die aanleiding gaven tot de arresten van 19 maart 2008
(6)en van 14 oktober 2008
(7)kan hier geen sprake zijn van enig verzuim: een "tijdige" controle van de bijzondere opsporingsmethode observatie in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering was hier immers op absolute wijze uitgesloten, omdat de wettelijke bepaling die deze specifieke procedure invoert, nog niet bestond. Het is daarbij van belang op te merken dat de bepalingen van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering, die een nieuwe fase in de rechtspleging invoegen, dienen beschouwd te worden als procedurewetten, die bijgevolg van onmiddellijke toepassing zijn op alle hangende zaken, ook op vorderingen die steunen op feiten die dateren van vóór de wetswijziging
(8). Voor zover al niet zou kunnen worden aangenomen, dat de feitenrechter, die vaststelt dat de wetgever een nieuwe verplichte fase in de rechtspleging heeft ingevoerd, die van onmiddellijke toepassing is, deze ontwikkeling zou kunnen aanzien als het nieuwe concrete gegeven waarop het artikel 189ter Wetboek van Strafvordering doelt, kan enkel en alleen vastgesteld worden dat de kamer van inbeschuldigingstelling hier uiteindelijk niets anders doet dan de algemene principes van de werking van de wet in de tijd toepassen. Bovendien rijst de vraag of de feitenrechter, die de kamer van inbeschuldigingstelling gelastte met de controle van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode observatie, en de kamer van inbeschuldigingstelling wel anders konden handelen: elke andere beslissing houdt in dat gelijke toestanden op een ongelijke wijze worden behandeld en doet aldus een niet te verantwoorden discriminatie ontstaan. Ik meen van niet. Ik ben dan ook van oordeel dat de kamer van inbeschuldigingstelling die, in die omstandigheden, na het tussenvonnis van 13 juni 2006 van de correctionele rechtbank te Kortrijk, waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling gelast wordt de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie uit te oefenen met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering en na hiertoe door het openbaar ministerie gevorderd te zijn, deze vordering ontvangt en vaststelt dat de bijzondere opsporingsmethode van de observatie regelmatig is verlopen, haar beslissing naar recht verantwoordt. Wanneer het Hof mijn stelling dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, in zoverre het gericht is tegen de beslissing waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich bevoegd acht om de gevraagde controle over de bijzondere opsporingsmethoden observatie uit te oefenen, niet zou volgen, zal het Hof moeten vaststellen dat het eerste middel, om de hiervoor aangevoerde redenen, faalt naar recht
(9). In zijn tweede middel voert de eiser schending aan van de artikelen 189ter en 235ter Wetboek van Strafvordering, omdat de kamer van inbeschuldigingstelling ten onrechte van oordeel was dat zij de regelmatigheid kon controleren van een bijzondere opsporingsmethode observatie die verricht werd vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enkele andere onderzoeksmethoden. Ook hier kan, zoals uiteengezet in het antwoord op het eerste middel, weer de vraag gesteld worden naar het belang dat de eiser zou kunnen hebben bij zijn cassatieberoep, in zoverre dit gericht is tegen de beslissing waarbij de kamer van inbeschuldigingstelling zich bevoegd acht om de regelmatigheid van de observatie na te gaan. Wanneer het Hof zou oordelen dat het cassatieberoep inderdaad gedeeltelijk niet-ontvankelijk is, dan dient ook het tweede middel, dat geen betrekking heeft op dit probleem van niet-ontvankelijkheid, niet meer te worden beantwoord. In het tegenovergestelde geval volstaat het erop te wijzen dat het antwoord op dit tweede middel besloten ligt in het arrest van 21 februari 2008
(10)van het Grondwettelijk Hof, dat afwijkt van wat Uw Hof eerder besliste in zijn arrest van 31 oktober 2006
(11). In dit arresten oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de kamer van inbeschuldigingstelling, voor alle geschillen die nog niet definitief zijn beslecht, de aanwending van de bijzondere opsporingsmethoden kan controleren, ongeacht of de aanwending ervan vóór of na de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003 heeft plaatsgehad. Het Grondwettelijk Hof preciseert dat er anders over oordelen een discriminerende inbreuk zou inhouden op de fundamentele rechten die door de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR zijn gewaarborgd. Het Grondwettelijk Hof stelt in dit arrest dus, minstens impliciet, het bestaan van een leemte vast, die door het Hof kan worden aangevuld door aan de kamer van inbeschuldigingstelling rechtsmacht toe te kennen om de regelmatigheid te controleren van een bijzondere opsporingsmethode observatie of infiltratie die dateert van vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 januari 2003
(12). Het tweede middel faalt bijgevolg eveneens naar recht
(13). In zijn derde middel, tenslotte, voert de eiser de schending aan van de artikelen 235ter en 273 Wetboek van Strafvordering, van artikel 6 EVRM en van het recht van verdediging. In het eerste onderdeel van dit middel voert de eiser een schending aan van de artikelen 235ter en 273 Wetboek van Strafvordering. Volgens de eiser is de kamer van inbeschuldigingstelling, die de controle van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering uitoefent, slechts regelmatig samengesteld, voor zover het openbaar ministerie tijdens het gehele debat aanwezig is, zodat de kamer van inbeschuldigingstelling van Gent, die de eiser geheel afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van het openbaar ministerie heeft gehoord, de artikelen 235ter en 273 Wetboek van Strafvordering, heeft geschonden. Ik ben van oordeel dat dit onderdeel gegrond is en dat er, ook in het geval van een rechtspleging op grond van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, geen sprake kan zijn van een regelmatig samengestelde kamer van inbeschuldigingstelling, wanneer een deel van deze procedure buiten de aanwezigheid van het openbaar ministerie verloopt. Er weze allereerst opgemerkt dat men er zich wel voor moet behoeden de vereiste van de aanwezigheid van het openbaar ministerie op alle zittingen waarop de zaak behandeld wordt, te verwarren met de vereiste van de aanwezigheid van het openbaar ministerie bij de uitspraak
(14). Het probleem dat ons thans aanbelangt betreft enkel de aanwezigheid van het openbaar ministerie bij de behandeling van de zaak. Mijn standpunt dat het openbaar ministerie aanwezig moet zijn tijdens de gehele behandeling van een strafzaak steunt op een aantal uiteenlopende argumenten. Ik stel vooreerst vast dat de tekst zelf van de wet zich niet tegen een dergelijke lezing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering verzet. Wanneer artikel 235ter, § 2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen, de opmerkingen van de procureur-generaal hoort en daar, in het derde lid van dezelfde paragraaf, onmiddellijk laat op volgen dat de kamer van inbeschuldigingstelling, "op dezelfde wijze", de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde hoort, lees ik in die bepalingen alleen dat beide partijen (de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde) afzonderlijk en enkel in elkaars afwezigheid worden gehoord, zonder dat deze bepalingen iets zeggen over de aanwezigheid van het openbaar ministerie op het ogenblik dat de andere partijen worden gehoord. Ik denk bovendien dat er een bijkomend argument kan geput worden uit het voorwerp zelf, waarop de procedure in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering betrekking heeft. Artikel 235ter, § 3 bepaalt dat de procureur-generaal het vertrouwelijk dossier voorlegt aan de voorzitter van de kamer van inbeschuldigingstelling en dat enkel de magistraten van de kamer van inbeschuldigingstelling het recht hebben om dit dossier in te zien. De procureur-generaal beschikt dus over het vertrouwelijk dossier, waarvan hij uiteraard de inhoud kent
(15). Hij moet van de inhoud van dit vertrouwelijk dossier kennis kunnen nemen om zijn opmerkingen omtrent de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie kenbaar te kunnen maken aan de kamer van inbeschuldigingstelling, op het ogenblik dat hij door dit onderzoeksgerecht, in toepassing van artikel 235ter, § 2, tweede lid, gehoord wordt. Wat zou, in die omstandigheden, de ratio legis kunnen zijn om het openbaar ministerie te verbieden aanwezig te zijn bij het horen van de andere partijen? De aanwezigheid van het openbaar ministerie kan op geen enkel ogenblik de rechten van de partijen schenden. Wel integendeel: het openbaar ministerie is immers, als behoeder van de regelmatigheid en de wettelijkheid van de rechtspleging, die de inhoud van zowel het "open" als het vertrouwelijk dossier kent, verplicht de kamer van inbeschuldigingstelling te wijzen op eventuele onregelmatigheden, nietigheden of verzuimen die een invloed kunnen hebben bij het onderzoek van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie en zijn aanwezigheid kan in dit geval toelaten dat hij, op basis van de door die partijen gegeven informatie, zijn standpunt kan bijsturen. Anderzijds is het gegeven dat het openbaar ministerie zelf buiten de aanwezigheid van de partijen wordt gehoord uiteraard wel zinvol en logisch: vermits niets uit het vertrouwelijk dossier mag prijsgegeven worden, zou het niet mogelijk zijn voor het openbaar ministerie om verdere tekst en uitleg te geven over de regelmatigheid van de observatie of de infiltratie, wanneer dit zou dienen te gebeuren in het bijzijn van deze partijen. Een ander, naar mijn aanvoelen nog belangrijker argument heeft betrekking op de specifieke rol van het openbaar ministerie in strafzaken. Het openbaar ministerie bij de rechtbank van eerste aanleg en bij de hoven van beroep heeft, onder meer, als opdracht, niet alleen, waar het behoort, de strafvordering in te stellen, maar ook erover te waken dat de rechtspleging wettelijk en regelmatig verloopt
(16). Hierbij kan overigens verwezen worden naar artikel 138 Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat het openbaar ministerie de toepassing van de strafwet vordert, overeenkomstig de regels die de wet stelt. Het spreekt voor zich dat het openbaar ministerie deze wettelijke opdracht maar kan vervullen wanneer het op de zittingen waarop de (straf)zaak behandeld wordt permanent aanwezig is. Het openbaar ministerie moet dus de totaliteit en de integraliteit van het debat kunnen volgen. Wanneer men bijgevolg artikel 235ter, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering, aldus zou lezen dat het openbaar ministerie uitgesloten wordt van een deel van het debat, meer bepaald van die fase waar de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde worden gehoord, dan plaatst men het openbaar ministerie in een positie waar het zijn wettelijke rol en opdracht niet meer ten volle of niet meer naar behoren kan vervullen. Artikel 273 Wetboek van Strafvordering bepaalt, met betrekking tot het Hof van Assisen, dat de procureur-generaal de debatten bijwoont, de toepassing van de straf vordert en tegenwoordig is bij de uitspraak van het arrest. Dit artikel heeft een meer algemene draagwijdte en is toepasselijk op alle rechtsplegingen in strafzaken, zowel voor de vonnisgerechten als voor de onderzoeksgerechten, behoudens, wat deze laatste betreft, voor de tegenwoordigheid van het openbaar ministerie bij de uitspraak, tenzij deze uitspraak betrekking heeft op de gegrondheid van de strafvordering. Deze vereiste van de constante aanwezigheid van het openbaar ministerie tijdens de behandeling van een strafzaak werd tot op heden nooit in vraag gesteld. Dat de vereiste van de permanente aanwezigheid van het openbaar ministerie tijdens de gehele behandeling van de zaak door het strafgerecht de duidelijke bedoeling van de wetgever was, blijkt overigens ook uit het laatste lid van artikel 4 Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering
(17), dat bepaalt dat de aanwezigheid van het openbaar ministerie op de terechtzitting niet verplicht is, wanneer alleen de burgerlijke belangen bij de rechter aanhangig worden gemaakt. Ook in de rechtspraak van het Hof en in de rechtsleer wordt gesteld dat de afwezigheid van het openbaar ministerie tijdens de behandeling van een strafzaak, door welk strafgerecht dan ook, leidt tot de nietigheid van de uitspraak van dat strafgerecht. Het Franse Hof van Cassatie besliste op 7 oktober 1853
(18)nog dat het openbaar ministerie een integrerend en noodzakelijk deel uitmaakt van de hoven en rechtbanken in strafzaken. Hoewel deze stelling door Uw Hof bevestigd werd in zijn arrest van 27 november 1950
(19), lijkt deze zienswijze mij wat gedateerd, want in die tijd werden zowel de leden van de zetel als het lid van het openbaar ministerie samen in één adem vernoemd in de wetsbepalingen die de samenstelling van de strafgerechten regelden. Dat is thans niet meer het geval. Steeds in datzelfde arrest van 27 november 1950
(20), beslist het Hof dat voor de correctionele rechtbank, voor het hof van beroep in strafzaken en voor het hof van assisen, het openbaar ministerie alle debatten moet bijwonen. Het Hof herhaalt dit nogmaals in zijn arresten van 28 april 1969
(21), 9 juni 1969
(22), 27 oktober 1969
(23), 1 april 1981
(24)en 6 mei 1981
(25). In zijn arrest van 6 september 1988 zegt het Hof, onder meer, dat een strafgerecht niet regelmatig is samengesteld als er niet een vertegenwoordiger van het openbaar ministerie aanwezig is, ook al doet dit strafgerecht slechts uitspraak over de burgerlijke rechtsvordering
(26). Ook het arrest van het Hof van 11 oktober 1994
(27)huldigt dezelfde stelling. Dat het openbaar ministerie aanwezig moet zijn op elke zitting waarop de zaak wordt behandeld, wordt al evenmin betwist in de rechtsleer. Zo zegt Matthijs
(28): "Uit talrijke artikelen van het Wetboek van Strafvordering, uit de gehele opzet van het strafprocesrecht in België en uit de artikelen 138, 150 [en 151
(29)], Gerechtelijk Wetboek, volgt dat, voor alle strafgerechten, onderzoeksgerechten zowel als vonnisgerechten, en in alle strafzaken zonder onderscheid, de aanwezigheid van het openbaar ministerie vereist is. Die aanwezigheid is vereist zowel gedurende het onderzoek op de terechtzitting zelf als daarbuiten, bv. in het geval van een plaatsopneming, alsook gedurende al de debatten en bij de uitspraak van gelijk welke beslissing: voorbereidend vonnis, tussenvonnis en eindvonnis. Immers, zonder die aanwezigheid is de tegenspraak niet mogelijk en is de beslissing nietig." Hij vervolgt, met verwijzing naar DESCAMPS, "is om welkdanige reden de magistraat van het openbaar ministerie verplicht de terechtzitting tijdelijk te verlaten, dan moet de voorzitter van het rechtscollege gedurende die tijd de terechtzitting schorsen
(30)." Ook BRAAS
(31), FAUSTIN-HELIE
(32), BELTJENS
(33), GARRAUD
(34), LECLERCQ
(35), FRANCHIMONT
(36), DECLERCQ
(37), ROZIE
(38), BERKMOES en DELMULLE
(39)en BOSLY, VANDERMEERSCH en BEERNAERT
(40)zijn de mening toegedaan dat geen enkel rechtscollege in strafzaken, en dus ook niet de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, regelmatig samengesteld is zonder openbaar ministerie en dat deze rechtscolleges dus ook geen zittingen kunnen houden zonder diens aanwezigheid. Ik heb geen enkele afwijkende mening gevonden, behalve dan in de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling van Gent inzake de toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering. Men zal dus moeten toegeven dat deze afwijkende mening een absolute minderheidsstelling is. Uit alle bovenstaande elementen moet, naar mijn oordeel, blijken dat er geen afwijkingen kunnen geduld worden op de regel dat het openbaar ministerie aanwezig moet zijn op alle terechtzittingen waarop de strafzaak behandeld wordt en dat deze regel eveneens geldt bij het onderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering. Ook in de rechtsleer gaan er stemmen op in dezelfde richting
(41). Sommigen zullen opwerpen dat het openbaar ministerie en de partijen door een dergelijke lezing van artikel 235ter, § 2 Wetboek van Strafvordering op een ongelijke wijze behandeld worden. Dit is inderdaad juist, maar zowel Uw Hof
(42)als het Grondwettelijk Hof
(43)hebben geoordeeld dat het openbaar ministerie en de verdachte geen tegenstrevers zijn zoals de partijen in een burgerlijk proces dat zijn: tussen het openbaar ministerie en de verdachte bestaat een fundamenteel verschil, dat verantwoord is, aangezien het op een objectief criterium berust, namelijk het gegeven dat het openbaar ministerie in het belang van de maatschappij een openbare dienst vervult die verband houdt met de opsporing en de vervolging van strafbare feiten en de strafvordering instelt, terwijl de verdachte zijn persoonlijk belang verdedigt. Mijn besluit is dus dat artikel 235ter, § 2, tweede en derde lid, Wetboek van Strafvordering niet inhoudt dat de procureur-generaal niet aanwezig mag of moet zijn bij het horen van de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij. Wel integendeel: wanneer de procureur-generaal niet aanwezig was is de rechtspleging in toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering nietig. Ik meen dus dat het bestreden arrest dient vernietigd te worden op grond van het eerste onderdeel van het derde middel. Dit betekent dat een aantal arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling van Gent, die de enige is die ter zake een dissidente houding aanneemt, waartegen een ontvankelijk onmiddellijk cassatieberoep werd of wordt ingesteld, zal moeten vernietigd worden, eventueel zelfs ambtshalve, maar dat aantal blijft uiteindelijk relatief beperkt omdat op oudere arresten niet meer kan worden teruggekomen, ook niet na de eindbeslissing. Twee situaties zijn denkbaar. Ofwel werd geen onmiddellijk cassatieberoep ingesteld en dan is het cassatieberoep dat eventueel na de eindbeslissing wordt ingesteld tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling niet ontvankelijk, aangezien het Hof reeds eerder heeft geoordeeld dat ingeval de mogelijkheid van een onmiddellijk cassatieberoep bestaat, er geen keuze is: het cassatieberoep moet dan inderdaad onmiddellijk ingesteld worden en er kan niet gewacht worden tot na de eindbeslissing
(44). Ofwel werd er wel een (ontvankelijk) onmiddellijk cassatieberoep ingesteld en dan speelt de regel van artikel 438 Wetboek van Strafvordering, dat een tweede cassatieberoep van dezelfde partij tegen dezelfde beslissing uitsluit. Bovendien mogen wij ervan uitgaan dat de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent de nodige lessen zal trekken uit de rechtspraak van het Hof en de procedure zal bijsturen door het openbaar ministerie toch aanwezig te laten zijn, waardoor het aantal eventueel te vernietigen arresten zal uitdoven. Door in die zin te beslissen verzekert het Hof dat in de toekomst eenzelfde werkwijze zal worden gevolgd in de vijf hoven van beroep en wordt alle twijfel weggenomen omtrent de wijze waarop dient te worden opgetreden. Indien het Hof mijn zienswijze niet kan delen en het eerste onderdeel van het derde middel niet gegrond verklaart, dient nog geantwoord te worden op het tweede onderdeel. In dit onderdeel voert de eiser schending aan van de artikelen 235ter en 273 Wetboek van Strafvordering, evenals de miskenning van het recht op tegenspraak en het recht van verdediging, zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM. Volgens de eiser worden zijn recht op tegenspraak en zijn recht van verdediging miskend door het feit dat hij bij de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling, die de controle op de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden observatie en infiltratie voorzien in artikel 235ter Wetboek van Strafvordering uitoefent, geen kennis kan nemen van de opmerkingen van de overige partijen, minstens van de overige inverdenkinggestelden en de burgerlijke partijen. Wat het horen van het openbaar ministerie buiten de aanwezigheid van de andere partijen betreft, heb ik reeds de gelegenheid gehad, U mijn standpunt uiteen te zetten bij de bespreking van het eerste onderdeel. Ik wees erop dat het wettelijk voorschrift van artikel 235ter, § 2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering dat bepaalt dat het openbaar ministerie buiten de aanwezigheid van de partijen wordt gehoord zinvol en logisch is: vermits niets uit het vertrouwelijk dossier mag prijsgegeven worden, zou het niet mogelijk zijn voor het openbaar ministerie om verdere tekst en uitleg te geven over de regelmatigheid van de observatie of de infiltratie, wanneer dit zou dienen te gebeuren in het bijzijn van deze partijen. Ik wees er verder ook op dat het verschil in behandeling tussen het openbaar ministerie, enerzijds, en de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij, anderzijds, kan worden gerechtvaardigd door het feit dat tussen het openbaar ministerie en de partijen een fundamenteel verschil bestaat, dat verantwoord is, aangezien het op een objectief criterium berust, dat betrekking heeft op de onderscheiden belangen die zij respectievelijk verdedigen. Ik kom op dat aspect hier niet meer terug. Blijft dan de vraag naar het afzonderlijk horen van de verschillende partijen buiten elkaars aanwezigheid. Ik moet toegeven dat ik, wat dat aspect betreft, enige moeite heb om de werkelijke bedoeling van de wetgever te doorgronden. Noch de inverdenkinggestelde, noch de burgerlijke partij hebben kennis van de inhoud van het vertrouwelijk dossier. Het eventueel horen van de verschillende partijen in elkaars bijzijn kan dus, in principe, niet van aard zijn om elementen uit het vertrouwelijk dossier aan de openbaarheid prijs te geven. In zeer uitzonderlijke gevallen evenwel, kan de inverdenkinggestelde, bij een observatie of een infiltratie die niet volgens de regels van de kunst is uitgevoerd of in geval van tegenobservatie, toch bepaalde gegevens, die vertrouwelijk hadden moeten blijven, te weten komen. Maar zelfs in die uitzonderlijke gevallen lijkt het geïsoleerd horen van de partijen geen oplossing te bieden voor de bescherming van de gegevens uit het vertrouwelijk dossier, want de inverdenkinggestelde, die meent hiermee zijn voordeel te kunnen doen, zal niet nalaten deze elementen opnieuw aan te voeren bij de feitenrechter, waar de regels van de tegenspraak wel ten volle spelen. De regel van het afzonderlijk horen van de partijen wordt overigens ook in de rechtsleer door sommigen gecontesteerd
(45). Ik meen persoonlijk dat de omstandigheid dat de kamer van inbeschuldigingstelling de partijen in elkaars aanwezigheid zou horen, na eerst het openbaar ministerie afzonderlijk te hebben gehoord, niet moet leiden tot de sanctie van nietigheid van de rechtspleging, hoewel dergelijke werkwijze in strijd is met het formele voorschrift van artikel 235ter § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering. Ik zie persoonlijk, zoals hiervoor uiteengezet, ook geen contra-indicaties voor een dergelijke werkwijze, die inderdaad meer strookt met het recht op tegenspraak en het recht van verdediging. De vraag die hier gesteld wordt is evenwel niet te weten of het horen van de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij in elkaars aanwezigheid al dan niet leidt tot nietigheid, maar wél of het horen van beide partijen, afzonderlijk en buiten elkaars aanwezigheid, het recht op tegenspraak en het recht op verdediging in die mate schendt dat het moet leiden tot een vernietiging van het bestreden arrest. Volgens het Europees Hof voor de rechten van de Mens houdt het recht op tegenspraak en het recht van verdediging in dat elke procespartij, in de regel, de gelegenheid moet krijgen kennis te nemen van elk stuk dat aan de rechter wordt overgelegd en waarop hij zijn oordeel zou kunnen steunen
(46). Hetzelfde Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft evenwel ook meermaals geoordeeld dat, hoewel het recht op tegenspraak en het recht op wapengelijkheid, als hoekpijlers van het recht op een eerlijk proces, fundamenteel zijn in een rechtstaat, het recht van de verdediging om kennis te nemen van alle bewijselementen waarover de vervolgende partij beschikt, niet absoluut is
(47). Volgens het Europees Hof kunnen er in sommige strafrechtelijke procedures tegenstrijdige belangen aanwezig zijn, zoals de nationale veiligheid, de noodzaak om getuigen te beschermen of onderzoeksmethoden geheim te houden, die dienen te worden afgewogen tegen de rechten van de beklaagde. In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn om bepaalde bewijselementen geheim te houden voor die partij teneinde de fundamentele rechten van andere personen of een behartenswaardig algemeen belang te vrijwaren. Daarbij preciseert het Hof evenwel dat een dergelijke inmenging in de rechten van de verdediging enkel kan worden verantwoord indien zij strikt evenredig is met het belang van de te bereiken doelstellingen en indien zij wordt gecompenseerd door een procedure die een onafhankelijke en onpartijdige rechter in staat stelt de wettigheid van de procedure te onderzoeken. Het Grondwettelijk Hof oordeelde in dezelfde zin en paste deze principes toe op het vertrouwelijk dossier. Het oordeelde dat de doelstelling om de bescherming te verzekeren van de fysieke integriteit van personen die deelnemen aan de bijzondere opsporingsmethoden legitiem is en dermate belangrijk dat zij verantwoordt dat hun anonimiteit ten aanzien van de procespartijen en het publiek volkomen wordt gewaarborgd. Volgens het Grondwettelijk Hof kan ook de noodzaak om de doeltreffendheid van de toegepaste methoden te waarborgen voor de toekomst door bepaalde technieken te verhullen, eveneens verantwoorden dat zij een vertrouwelijk karakter hebben
(48). Tegen het artikel 235ter, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat de partijen afzonderlijk dienen gehoord te worden, werd ook een vernietigingsberoep ingesteld, dat door het Grondwettelijk Hof beslecht werd bij arrest van 19 juli 2007
(49). In dit arrest overweegt het Grondwettelijk Hof (overweging B.14.4 en B.14.5) dat de wetgever kon van oordeel zijn dat een effectieve controle van het vertrouwelijk dossier door de kamer van inbeschuldigingstelling vereist dat zij kan overgaan tot de hoorzittingen bedoeld in artikel 235ter, § 2, derde lid, Wetboek van Strafvordering. Teneinde de vertrouwelijkheid van de gevoelige gegevens veilig te stellen is het gerechtvaardigd dat een dergelijk onderzoek kan plaatsvinden in afwezigheid van de partijen. Het Grondwettelijk Hof vervolgt dat, hoewel het debat voor de kamer van inbeschuldigingstelling niet contradictoir is, de wet de waarborg biedt dat alle betrokken partijen worden gehoord zodat het onderzoeksgerecht zo volledig mogelijk wordt geïnformeerd alvorens te beslissen. Aangezien de partijen de mogelijkheid hebben om vooraf inzage te hebben in het strafdossier, dat met uitzondering van de gevoelige gegevens alle informatie over de aangewende opsporingsmethoden bevat, kunnen zij een nuttig verweer voeren. Het Grondwettelijk Hof besluit dat in zoverre de controle bedoeld in artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering betrekking heeft op het vertrouwelijk dossier, en rekening houdend met het feit dat de stukken uit het vertrouwelijk dossier niet als bewijs kunnen worden gebruikt, de rechten van de verdediging niet op onevenredige wijze worden aangetast doordat de partijen afzonderlijk worden gehoord. Uit al deze elementen en meer inzonderheid uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van het Grondwettelijk Hof kan worden afgeleid dat artikel 6 EVRM en het algemeen beginsel van het recht op verdediging niet verbieden dit recht en het recht op tegenspraak in bepaalde gevallen op een bijzondere wijze te regelen en te beperken. Hierbij moet evenwel de voorwaarde vervuld zijn dat die bijzondere regeling een legitiem doel nastreeft en evenredig is met het belang van die doelstelling. Dit doel is hier tegemoet te komen aan de noodzaak, omschreven in artikel 235ter, § 4, Wetboek van Strafvordering, om, in het kader van de bestrijding van bepaalde vormen van zware criminaliteit, de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken af te schermen of de veiligheid te vrijwaren en de identiteit af te schermen van de informant, de politieambtenaren die belast zijn met de uitvoering van de observatie of infiltratie en de in artikel 47octies, § 1, tweede lid, bedoelde burger. Dit doel strookt met de vaststelling van het Europees Hof dat er in sommige strafrechtelijke procedures tegenstrijdige belangen aanwezig kunnen zijn, zoals de nationale veiligheid, de noodzaak om getuigen te beschermen of onderzoeksmethoden geheim te houden, die dienen te worden afgewogen tegen de rechten van de beklaagde, zodat het in sommige gevallen noodzakelijk kan zijn om bepaalde bewijselementen geheim te houden voor de partijen teneinde de fundamentele rechten van andere personen of een behartenswaardig algemeen belang te vrijwaren. Ook aan de proportionaliteits- of evenredigheidsvoorwaarde is voldaan, aangezien het Grondwettelijk Hof in de eerder aangehaalde rechtspraak oordeelt dat het gerechtvaardigd is, teneinde de vertrouwelijkheid van de gevoelige gegevens veilig te stellen, dat het onderzoek, bedoeld in artikel 235ter Wetboek van Strafvordering, kan plaatsvinden in de (gedeeltelijke) afwezigheid van de partijen. In zoverre de controle bedoeld in artikel 235ter van het Wetboek van strafvordering betrekking heeft op het vertrouwelijk dossier, en rekening houdend met het feit dat de stukken uit het vertrouwelijk dossier niet als bewijs kunnen worden gebruikt, worden, steeds volgens het Grondwettelijk Hof, de rechten van verdediging niet op onevenredige wijze aangetast doordat de partijen afzonderlijk worden gehoord. Tenslotte is ook voldaan aan de vereiste, gesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat de inmenging in de rechten van de verdediging enkel kan worden verantwoord indien zij wordt gecompenseerd door een procedure die een onafhankelijke en onpartijdige rechter in staat stelt de wettigheid van de procedure te onderzoeken. Het Grondwettelijk stelt immers in haar arrest van 19 juli 2007 (overweging B.13.3) dat het feit dat de verdediging gegevens uit het vertrouwelijk dossier waarvan de kamer van inbeschuldigingstelling kennis heeft genomen, niet kan raadplegen, niet kan leiden tot gewettigde twijfel omtrent de onpartijdigheid van dat rechtscollege, terwijl anderzijds, -ondanks het feit dat het debat voor de kamer van inbeschuldigingstelling niet contradictoir is-, de wet toch de waarborg biedt dat alle betrokken partijen worden gehoord zodat het onderzoeksgerecht zo volledig mogelijk wordt geïnformeerd alvorens te beslissen, waarbij bovendien de partijen de mogelijkheid hebben om vooraf inzage te hebben in het strafdossier, dat met uitzondering van de gevoelige gegevens alle informatie over de aangewende opsporingsmethoden bevat, zodat zij een nuttig verweer kunnen voeren. Het tweede onderdeel van het derde middel kan bijgevolg niet worden aangenomen. Conclusie: vernietiging van de beslissing op grond van het eerste onderdeel van het derde middel en verwijzing naar de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent, anders samengesteld. Ondergeschikt, wanneer het Hof het eerste onderdeel van het derde middel niet gegrond zou verklaren, verwerping van het cassatieberoep. _______________
(1)Grondw. H., arrest nr. 111/2008, 31 juli 2008, rolnrs. 4308, 4309, 4335, 4378, 4401 en 4402.
(2)Cass., 14 okt. 2008, AR P.08.1329.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081014.1, A.C., 2008, nr. ...met concl. adv.-gen. TIMPERMAN
(3)Cass., 13 nov. 2007, AR P.07.1190.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071113.3, A.C., 2007, nr. ...
(4)Zie voetnoot 2.
(5)Cass., 19 maart 2008, AR P.08.0319.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080319.9, A.C., 2008, nr. 192.
(6)Zie voetnoot 4.
(7)Zie voetnoot 6.
(8)DUPONT, L. en VERSTRAETEN, R., Handboek Belgisch Strafrecht, p. 137, nr. 189; VAN DEN WYNGAERT, Chr., Strafrecht, Strafprocesrecht en Internationaal Strafrecht, 5de ed., p. 104.
(9)Hoewel verder in deze conclusie voorgesteld wordt het bestreden arrest te vernietigen op grond van het eerste onderdeel van het derde middel en de zaak te verwijzen naar de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent, anders samengesteld, diende voor het geval dat het Hof niet zou aanvaarden dat het cassatieberoep bij gebrek aan belang (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk was, dit eerste middel toch ook beantwoord te worden: indien het Hof de zienswijze van het openbaar ministerie met betrekking tot het eerste middel niet zou volgen, zou dit immers leiden tot een veel ruimere vernietiging en tot de verwijzing naar de procureur des Konings (zie Cass., 14 okt. 2008, AR P.08.1329.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081014.1, A.C., 2008, nr. ... met concl. Adv.-gen. TIMPERMAN).
(10)Grondw. Hof, nr. 22/2008, 21 feb. 2008.
(11)Cass., 31 okt. 2006, AR P.06.1016.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.5, A.C., 2006, nr. 535; 18 dec. 2007, AR P.07.1332.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071218.1, A.C., 2007, nr. ...
(12)Zie Cass., 14 okt. 2008, AR P.08.1329.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081014.1, A.C., 2008, nr. ... met concl. adv.-gen. TIMPERMAN.
(13)Hoewel verder in deze conclusie voorgesteld wordt het bestreden arrest te vernietigen op grond van het eerste onderdeel van het derde middel en de zaak te verwijzen naar de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent, anders samengesteld, diende voor het geval dat het Hof niet zou aanvaarden dat het cassatieberoep bij gebrek aan belang (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk was, dit tweede middel toch ook beantwoord te worden: indien het Hof de zienswijze van het openbaar ministerie met betrekking tot dit tweede middel niet zou volgen, zou dit immers moeten leiden tot een vernietiging zonder verwijzing.
(14)HANSE, Ph., "De la présence du ministère public lors de la prononciation d'une décision en matière répressive", in Liber Amicorum Marc Châtel, 1991, 269-292.
(15)BERKMOES, H., en DELMULLE, J., De bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethodes, Politeia, 2008, p. 143.
(16)DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 4° Ed., 2007, p. 20, nr. 22.
(17)Art. 4 V.T.Sv., zoals vervangen door artikel 2 Wet van 13 april 2005.
(18)Cass. (fr.), 7 okt. 1853, Bull. des arrêts rendus en matière criminelle, t. LVIII, n° 499, p. 580: "le ministère public fait partie intégrante et nécessaire des cours et tribunaux de répression, pour y concourir, par ses conclusions motivées et ses réquisitions, au jugement des actions dont ils sont saisis".
(19)Cass., 27 nov. 1950, A.C., 1951, 145.
(20)Zie voetnoot 7.
(21)Cass., 28 april 1969, A.C., 1969, 812.
(22)Cass., 9 juni 1969, A.C., 1969, 986.
(23)Cass., 27 okt. 1969, A.C., 1970, 202.
(24)Cass., 1 april 1981, A.C. 1980-81, 866.
(25)Cass., 6 mei 1981, , A.C., 1980-81, 1014.
(26)Cass., 6 sept. 1988, AR 2043, A.C., 1988-89, 9.
(27)Cass., 11 okt. 1994, A.R. P.93.1622.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941011.5, A.C., 1994, nr. 424.
(28)MATTHIJS, J., Openbaar Ministerie, APR, nr; 241, p. 117.
(29)Inmiddels gewijzigd.
(30)DESCAMPS, E., Traité des fonctions du ministère public près les tribunaux de première instance, nr. 651.
(31)BRAAS, Précis de procédure pénale, 1950, n° 49, p. 50.
(32)FAUSTIN-HELIE, Pratique criminelle des cours et tribunaux, t. II, p. 10.
(33)BELTJENS, Encyclopédie du droit criminel belge, 2ième partie, t. I, 1903, n° 17, p. 386.
(34)GARAUD, Traité théorique et pratique d'instruction criminelle et de procédure pénale, t. I, 1907, n° 86, p. 175.
(35)LECLERCQ, J., "Le procureur général près la cour d'appel, quelques aspects de sa fonction", R.D.P., 1984, p. 161.
(36)FRANCHIMONT, M., Manuel de procédure pénale, 1989, p. 585 en 593.
(37)DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 4° ed., 2007, p. 937, nr. 2040.
(38)ROZIE, M., "De controle op de bijzondere opsporingsmethoden door de kamer van inbeschuldigingstelling", Nullum Crimen, 2006, 154 e.v.
(39)BERKMOES, H., en DELMULLE, J., De bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethodes, Politeia, 2008, p. 134.
(40)BOSLY, H.-D., VANDERMEERSCH, D. et BEERNAERT, M.-A., Droit de la procedure pénale, 5e Ed. 2008, p. 165.
(41)BERKMOES, H., en DELMULLE, J., De bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethodes, Politeia, 2008, p. 134; ROZIE, M., "De controle op de bijzondere opsporingsmethoden door de kamer van inbeschuldigingstelling", Nullum Crimen, 2006, 154 e.v.
(42)Cass., 16 okt. 1996, AR P.96.1278.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961016.6, A.C., 1996, nr. 385.
(43)Grondw. Hof, nr. 82/94, 1 december 1994, rolnr. 660; nr. 191/2005, 14 dec. 2005, rolnr. 3480, overweging B.3.
(44)Cass., 31 okt. 2006, AR P.06.0614.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.6, A.C., 2006, nr. 527, met conc. adv.-gen. TIMPERMAN.
(45)ROZIE, M., "De controle op de bijzondere opsporingsmethoden door de kamer van inbeschuldigingstelling", Nullum Crimen, 2006, 154 e.v.
(46)DE SMET, B., LATHOUWERS, J., RIMANQUE, K., "Artikel 6, par. 1 E.V.R.M., Handboek EVRM, Deel 2. Artikelsgewijze Commentaar; Volume I, Eds. VANDE LANOTTE, J., HAECK, Y., Intersentia, Antwerpen, 2004, 453, nr; 143.
(47)Hof Mensenrechten, arrest Jasper / Verenigd Koninkrijk, van 16 februari 2000, www.echr.coe.int; Hof Mensenrechten, arresten Edwards en Lewis / Verenigd Koninkrijk, van 22 juli 2003 en 27 oktober 2004, www.echr.coe.int.
(48)Grondw. H., arrest nr. 202/2004 van 21 dec. 2004, rolnr. 2836; arrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007, rolnrs. 4003, 4010, 4012, 4015, 4016 en 4027.
(49)Grondw. H., arrest nr. 105/2007 van 19 juli 2007, rolnrs. 4003, 4010, 4012, 4015, 4016 en 4027. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941011.5 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961016.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.5 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.6 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071113.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071218.1 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080319.9 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081014.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.