id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081103.4 Rolnummer: S.07.0013.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-11-24 Raadplegingen: 306 - laatst gezien 2026-07-03 02:35 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.4 Fiches 1 - 2 Wanneer het Grondwettelijk Hof vaststelt dat een wetsbepaling een leemte bevat waardoor de artikelen 10 en 11, van de Grondwet worden geschonden, moet de rechter zo mogelijk deze leemte opvullen. Indien aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan gesteld worden door die wetsbepaling, binnen het kader van de bestaande wettelijke regeling, aan te vullen, dermate dat ze niet meer strijdig is met de artikelen 10 en 11, van de Grondwet, kan en moet de rechter dit doen. Indien evenwel de leemte van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een andere regeling wordt ingevoerd, die een hernieuwde maatschappelijke afweging van belangen door de wetgever of een aanpassing van een of meer andere wettelijke bepalingen vereist, kan de rechter zich daarvoor niet in de plaats van de wetgever stellen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in dienstplichtzaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld Vrije woorden: Bevoegdheid - Leemte in de wetgeving - Bevoegdheid van de rechter tot het invullen van de vastgestelde leemte Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 Wet - 06-01-1989 - Art. 28 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in dienstplichtzaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld Vrije woorden: Vastgestelde schending van artikel 10 en 11 G.W. - Leemte in de wet - Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 Wet - 06-01-1989 - Art. 28 Fiches 3 - 4 De door het Grondwettelijk Hof vastgestelde leemte in de Arbeidsongevallenwet doordat zij niet van toepassing is op de onbezoldigde stagiairs die, tijdens het verrichten van de door hun studieprogramma voorgeschreven arbeid in een bedrijf, het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval, kan niet zonder meer door de rechter worden opgevuld door die wet van toepassing te verklaren op deze categorie van personen, nu het opvullen van deze leemte onder meer vereist dat bepaald wordt wie voor de toepassing van de arbeidsongevallenwet beschouwd wordt als de werkgever op wie de strafrechtelijk gesanctioneerde verplichting rust een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan voor de bedoelde onbezoldigde stagiairs en de rechter dit niet in de plaats van de wetgever kan bepalen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - TOEPASSINGSSFEER. PERSONEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in dienstplichtzaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld Vrije woorden: Onbezoldigde stagiairs - Leemte in de wet - Vastgestelde schending van artikel 10 en 11 G.W. - Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 28 Wet - 10-04-1971 - Artt. 1 en 3 Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERZEKERING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in dienstplichtzaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld Vrije woorden: Onbezoldigde stagiairs - Leemte in de wet - Vastgestelde schending van artikel 10 en 11 G.W. - Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art. 28 Wet - 10-04-1971 - Artt. 1 en 3 Fiches 5 - 8 Concl. adv.-gen. MORTIER, Cass., 3 nov. 2008, AR S.07.0013.N, A.C., 2008, nr ... Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in dienstplichtzaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld Vrije woorden: Bevoegdheid - Leemte in de wetgeving - Bevoegdheid van de rechter tot het invullen van de vastgestelde leemte Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in dienstplichtzaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld Vrije woorden: Vastgestelde schending van artikel 10 en 11 G.W. - Leemte in de wet - Bevoegdheid van de rechter Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - TOEPASSINGSSFEER. PERSONEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in dienstplichtzaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld Vrije woorden: Onbezoldigde stagiairs - Leemte in de wet - Vastgestelde schending van artikel 10 en 11 G.W. - Bevoegdheid van de rechter Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERZEKERING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in dienstplichtzaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld Vrije woorden: Onbezoldigde stagiairs - Leemte in de wet - Vastgestelde schending van artikel 10 en 11 G.W. - Bevoegdheid van de rechter Tekst van de conclusie S.07.0013.N Conclusie van advocaat-generaal Mortier
- Situering Op 13 juni 1996 sloot verweerder met paardenfokkerij NV Haras de Laubry een stage overeenkomst af in het kader van zijn opleiding tot kaderfunctionaris in de paardensport bij de Nederlandse Hippische Beroepsopleidingen. De paardenfokkerij had een arbeidsongevallenverzekering afgesloten bij appellante. Tijdens het uitvoeren van de stage werd verweerder slachtoffer van een ongeval. De rechtsvoorgangster van appellante betwistte dat het zou gaan om een arbeidsongeval. In de daarop volgende procedure oordeelde de arbeidsrechtbank dat de arbeidsongevallenwet van 1971 van toepassing was. Het arbeidshof oordeelde bij tussenarrest dat verweerder geen werknemer was van de paardenfokkerij en stelde een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof, namelijk of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet geschonden zijn doordat de onbezoldigde stagiairs niet onder het toepassingsgebied vallen van de Arbeidsongevallenwet terwijl zij wel onder het toepassingsgebied van de beroepsziektenregeling vallen. Bij arrest nr.186/2004 van 16 november 2004 oordeelde het Arbitragehof dat "De arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat deze niet van toepassing is op de onbezoldigde stagiairs die, tijdens het verrichten van de door hun studieprogramma voorgeschreven arbeid in een bedrijf, het slachtoffer zijn van een ongeval." Bij arrest van 30 maart 2006 oordeelden de appelrechters dat ze zich als verwijzende rechter, voor de oplossing van het voorliggend geschil naar het arrest van het Arbitragehof voegen, door de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 toe te passen op de onbezoldigde stagiair die verweerder op het ogenblik van het ongeval was.
- Het middel. In het enig middel voert eiseres aan dat het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten, evenals de grondwettelijke bepalingen inzake de bevoegdheid van de rechterlijke macht, verhinderen dat de rechter zich in de plaats van de wetgever stelt en het toepassingsgebied van een wet uitbreidt tot een categorie die er niet in voorzien is. 3.Bespreking. 3.
- De appelrechters hebben zich, overeenkomstig artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, voor de oplossing van het hen voorliggend geschil gedragen naar het arrest van 16 november
- Artikel 28 van voornoemde wet stelt dat het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de in artikel 26 bedoelde vragen zijn gesteld, zich moet voegen naar het arrest van het Arbitragehof. Vraag is wat de precieze draagwijdte van dit voorschrift is. Onbetwist is dat het antwoord op de prejudiciële vraag bindend is
(1)en dit zowel voor het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld als voor het Hof dat via een voorziening in Cassatie uitspraak moet doen in dezelfde zaak. Zowel uit het aangevoerde middel als uit de memorie van antwoord blijkt dat partijen het antwoord van het Arbitragehof als dusdanig niet bekritiseren. Evenwel dient opgemerkt dat het beschikkend gedeelte van dit arrest de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zonder aanduiding van specifieke bepaling hiervan, ongrondwettig verklaart en hierdoor de indruk wekt dat de gehele arbeidsongevallenwet ongrondwettig is. Rekening houdend met de aan het Arbitragehof voorgelegde vraag en de overwegingen die aan het beschikkend gedeelte voorafgaan is het nochtans erg onwaarschijnlijk dat het Arbitragehof deze draagwijdte aan haar beslissing heeft willen geven. Beide partijen erkennen in hun voorziening, respectievelijk memorie van antwoord, dat het Arbitragehof heeft bedoeld dat de arbeidsongevallenwet het gelijkheidsbeginsel schendt, "in zoverre" het de categorie van onbezoldigde stagiairs niet in het toepassingsgebied van de wet heeft opgenomen. In de marge hiervan kan gewezen worden op het feit dat het Arbitragehof, voortbouwend op de vraag die haar werd voorgelegd, geen afweging heeft gemaakt in verband met een eventuele ongelijke behandeling van de onbezoldigde stagiairs ten opzichte van de andere categorieën van personen die wel onder toepassing van de arbeidsongevallenwet vallen, maar dezelfde categorie van personen, namelijk de onbezoldigde stagiairs, heeft vergeleken in twee verschillende situaties waarvan het Arbitragehof zelf heeft aangegeven dat er een objectief verschil tussen die twee situaties bestaat. Het Arbitragehof concludeerde dat het opnemen van deze categorie personen in de ene wet en niet in de andere inhield dat de wet die de lacune vertoont, strijdig is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Uw Hof heeft reeds herhaaldelijk, onder andere bij arresten van 16 september 1998
(2), 28 april 1999
(3)en 10 oktober 2007
(4)beslist dat hoven en rechtbanken niet aan het Arbitragehof kunnen vragen of een afwezigheid van wetgeving in overeenstemming is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en verwees daarbij naar het feit dat dergelijke vragen betrekking hebben op het principe zelf van de souvereine macht die door de Grondwet aan de wetgever is toegekend. De redenering die Uw Hof bij het arrest van 28 april 1999 hanteerde was dat wie zich gediscrimineerd voelt, voor het Arbitragehof enkel kan verkrijgen, hetzij dat een verplichting of voorwaarde die hij moet naleven en een andere persoon niet, wordt vernietigd of niet toegepast, hetzij dat de andere persoon even nadelig wordt behandeld, maar hij kan niet verkrijgen dat hij dezelfde voordelen krijgt als die andere persoon.
(5)In de voorliggende zaak hebben de appelrechters wel een dergelijke vraag gesteld aan het Arbitragehof. Zij hebben niet de ongelijke behandeling van verschillende categorieën van personen in eenzelfde situatie in vraag gesteld, maar wel een lacune in de wetgeving of met andere woorden een afwezigheid van wetgeving. Blijkens de prejudiciële vraag was het die lacune die vragen deed rijzen naar een eventuele schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Vermits Uw Hof in bovenvermelde arresten heeft geoordeeld dat hoven en rechtbanken dergelijke vragen niet mogen stellen omdat deze vragen vreemd zijn aan de materies die opgesomd worden in artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, had het Hof dus in feite niet moeten of kunnen antwoorden op deze vraag en moeten de rechtscolleges die in deze zaak uitspraak doen zich in feite niet gedragen naar dit arrest. De verwijzende rechter heeft dit, zoals reeds vermeld, wel gedaan. 3.2. Het middel verwijt niet aan de verwijzende rechter dat hij zich heeft gedragen naar het arrest maar verwijt wel de manier waaróp de verwijzende rechter dit heeft gedaan. De vraag stelt zich wat de verwijzende rechter kan of moet doen indien hij geconfronteerd wordt met een arrest van het Arbitragehof waarin werd beslist dat een wetgeving ongrondwettig is doordat die niet van toepassing is op een bepaalde categorie van personen. Moet de rechter zich ertoe beperken de ongrondwettigheid vast te stellen en het herstel van de vastgestelde discriminatie overlaten aan de wetgever, of mag de rechter, op grond van een soort "directe werking" van het arrest, zelf overgaan tot het wegwerken van de vastgestelde discriminatie en het toepassingsgebied van de wet uitbreiden tot de gediscrimineerde categorie? De rechtsleer is terzake verdeeld. Vogens de meerderheid van de doctrine is de verwijzende rechter in de gevallen, waarin het Arbitragehof vaststelt dat een norm ongrondwettig is omdat hij niet van toepassing is op een bepaalde categorie, en het arrest geen beleidsvrijheid en keuzeruimte laat aan de wetgever omdat de draagwijdte van het arrest is dat de gediscrimineerde categorie onder de norm moet vallen, bevoegd, zelfs verplicht, zelf voor een passende oplossing te zorgen, door de norm toe te passen op de gediscrimineerde categorie waartoe de verzoeker behoort.
(6)Een deel van de rechtsleer wijst er evenwel, mijns inziens terecht, op dat ingeval van wetgevende lacunes het rechtsherstel van de regelgever zelf moet komen
(7). Ook Uw Hof lijkt zich op dit standpunt te stellen door er, zoals reeds vermeld, van uit te gaan dat wie zich gediscrimineerd voelt, voor het Arbitragehof enkel kan verkrijgen, hetzij dat een verplichting of voorwaarde die hij moet naleven en een andere persoon niet, wordt vernietigd of niet toegepast, hetzij dat de andere persoon even nadelig wordt behandeld, maar dat hij kan niet verkrijgen dat hij dezelfde voordelen bekomt als die andere persoon.
(8)Advocaat-generaal Bresseleers wees er in zijn conclusie vóór het arrest van 10 juni 2005
(9)van Uw Hof op, dat "de rechter die zich in de plaats stelt van de wetgever, hem de verantwoordelijkheid ontneemt de taak uit te voeren die de Grondwet hem opdraagt en op politiek vlak de noodzaak van het wetgevend werk beknot." In een aantal arresten oordeelde Uw Hof dat de rechter een discriminatie niet kan verhelpen door de toepassing van de aangevochten norm uit te breiden tot de gediscrimineerde categorie. De arresten van 17 maart 2003 en 15 december 2003
(10)hadden beide betrekking op de bevoegdheden die de rechter put uit de toepassing van artikel 159 van de Grondwet. Uw Hof oordeelde dat een rechter die aanneemt dat een Koninklijk Besluit onwettig is doordat het een voordeel toekent aan één categorie van personen en niet aan een vergelijkbare categorie van personen, niet zelf de bevoegdheid heeft dit voordeel toe te kennen aan de gediscrimineerde categorie. Een dergelijke actieve tussenkomst van de rechter kan immers moeilijk verzoend worden met de wezenlijke kenmerken van de exceptie van onwettigheid, die slechts tot passieve censuur leidt. Dat de exceptie van onwettigheid slechts tot de niet-toepassing van het onwettige overheidsbesluit leidt, impliceert dat zij niet nuttig kan ingeroepen worden wanneer de onwettigheid voortvloeit uit een lacune in een overheidsbesluit of uit het ontbreken van een besluit. Een ontbrekende bepaling kan nu eenmaal niet buiten toepassing gelaten worden. In een recent arrest van 20 december 2007
(11)beoordeelde uw Hof de houding van de rechter die, geconfronteerd met het prejudicieel arrest van 15 juli 1998 van het Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof, waarbij geoordeeld werd dat in de voorgelegde zaak nr. 92/98 artikel 29bis van de WAM-wet 1989 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het de voertuigen die aan spoorstaven zijn verbonden, uitsluit van het stelsel van vergoeding waarin het voorziet, had beslist dat de wettelijke norm waarvan het Arbitragehof de ongrondwettigheid vaststelt in een op prejudiciële vraag gewezen arrest niet uit de rechtsorde verdwijnt doch dat het de rechter verboden is de ongrondwettig bevonden norm toe te passen. De appelrechters hadden bijgevolg geoordeeld dat het oude artikel 29bis WAM wet dat door het arrest van het Grondwettelijk Hof ongrondwettig was bevonden buiten toepassing moest verklaard worden en dat het nieuw artikel 29bis dat in werking trad op een datum na de periode waarover de appelrechters moesten oordelen, geen retroactieve werking vertoonde en derhalve evenmin op deze zaak kon toegpast worden. De appelrechters stelden, onder verwijzing naar o.a. het arrest van 10 juni 2005 van Uw Hof, dat de rechter zich niet in de plaats van de wetgever mag stellen, aan wie het behoort aan de ongrondwettige discriminatie een einde te stellen. De rechter moet aldus de ongrondwettige norm negeren en toepassing maken van de andere normen die de betrokken rechtssituatie beheersen. Uw Hof stelde in het arrest van 20 december 2007, dat het aan de rechterlijke macht toekomt, bij de uitlegging van de wet de gevolgen van de schending van de grondwet, waartoe het Grondwettelijk Hof in een antwoord op een prejudiciële vraag besluit, in de tijd te bepalen. De rechter die aldus de werking in de tijd vaststelt van de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongrondwettigheid, dient daarbij rekening te houden met het rechtmatig vertrouwen van de maatschappij in de wettelijke bepalingen en de dwingende redenen van rechtszekerheid. Die eisen van het rechtmatig vertrouwen en rechtszekerheid verzetten zich er dan ook tegen dat de verplichting tot schadevergoeding die is bepaald in artikel 29bis, §1, eerste lid WAM wet, van toepassing is op verkeersongevallen met voertuigen die aan spoorstaven verbonden zijn, die zich hebben voorgedaan vóór de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 15 juli 1998. De beslissing van de appelrechters om de ingevolge het artikel 29bis van de WAM wet verruimde aansprakelijkheid niet toe te passen op verweerder is naar recht verantwoord. Het transponeren van deze stelling op huidige casus ligt evenwel niet voor de hand; In het voormelde arrest ging het om een wetsbepaling die een bepaalde categorie uitdrukkelijk uitsloot van de toepassing van een bij wet voorziene regeling, terwijl huidige casus betrekking heeft op een (ongrondwettige) lacune die de wet vertoont door niet uitdrukkelijk te vermelden dat de wettelijke bepalingen van toepassing zijn op bedoelde categorie. Bovendien was de rechter in de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van 20 december 2007, niet de verwijzende rechter, hetgeen in huidige casus wel het geval is. 3.3. Het belangrijkste bezwaar tegen het toepassen van een norm op een categorie van personen die er niet in voorzien is, lijkt inderdaad, zoals het middel aanvoert, het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten te zijn. Dit beginsel verzet er zich tegen dat de rechter door het opvullen van een lacune in de plaats van de wetgever treedt en een nieuwe regel creëert.
(12)Het bezwaar in verband met het creëren van een nieuwe regel kan weliswaar gerelativeerd worden.
(13)Ten eerste is het regelgevend effect er ook indien het Arbitragehof een wetsbepaling die een bepaalde categorie personen uitdrukkelijk uitsluit van de toepassing van de wet, ongrondwettig verklaart. Het zich gedragen naar het arrest van het Arbitragehof zal in dat geval ook tot gevolg hebben dat de gediscrimineerde categorie onder toepassing van de norm valt en in die zin door de rechter een uitbreiding van het toepassingsgebied van de norm gecreeërd wordt. Ten tweede is het zo dat het uitbreiden van het toepassingsgebied beperkt blijft tot het geval waarover de rechter uitspraak doet en geen erga omnes gelding doet ontstaan. 3.
- Het zal dus uiteindelijk nog altijd de wetgever zelf zijn die beslist of de door het arrest aangevoerde discriminatie moet weggewerkt worden. In het voorliggend geval is de wetgever ook effectief tussengekomen. Bij K.B. van 13 juni 2007 (B.S. 25 juni 2007 en INW. 1 januari 2008) werden de onbezoldigde stagiairs opgenomen in het toepassingsgebied van de Arbeidsongevallenwet van 10 april
- Uit het verslag aan de Koning blijkt dat het besluit beoogt tegemoet te komen aan de opmerking die door het Arbitragehof werd geformuleerd in het arrest 186/2004 van 16 november
- De wetgever heeft evenwel niet enkel het laatste woord om te bepalen óf de aangevoerde discriminatie wordt weggewerkt, maar ook op welke wijze dit gebeurt. Zo strekte het K.B. van 13 juni 2007 er niet louter toe de Arbeidsongevallenwet uit te breiden tot deze nieuwe categorie personen. Het artikel 3 van het KB (dat een nieuw artikel 1bis invoegt in het KB van 25 oktober 1971) voorziet voor de toepassing van de Arbeidsongevallenwet ten aanzien van de onbezoldigde stagiairs in een aantal bijzondere regels, onder andere dat geen schadeloosstelling verschuldigd is voor de tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Uit het verslag aan de Koning blijkt dat het in het geval van de onbezoldigde stagiairs onlogisch zou geweest zijn bij ongeval een dergelijke vergoeding toe te kennen, terwijl er geen loonverlies is geleden. De stelling dat het "arrest van het Arbitragehof in voorliggend geval geen enkele beleidsvrijheid of keuzeruimte laat aan de wetgever omdat de draagwijdte van het arrest is dat de gediscrimineerde categorie onder de norm moet vallen, en de verwijzende rechter bevoegd, zelfs verplicht is de norm op de gediscrimineerde categorie toe te passen"
(14), kan derhalve niet gevolgd worden. Het louter toepasselijk verklaren van een norm op een categorie van personen die er niet wordt in voorzien, zoals de verwijzende rechter in voorliggend geval heeft gedaan, leidt immers uiteindelijk tot een ander resultaat dan hetgeen de wetgever door middel van het KB van 13 juni 2007 heeft bedoeld. De beslissing van de appelrechters de Arbeidsongevallenwet van toepassing te verklaren op verweerder, heeft immers meteen tot gevolg dat de arbeidsongevallenwet volledig wordt toegepast, waardoor eiseres, als arbeidsongevallenverzekeraar van de paardenfokkerij waar verweerder zijn onbezoldigde stage deed, ook vergoeding zal verschuldigd zijn voor de tijdelijke arbeidsongeschiktheid van de verweerder, niettegenstaande de gesloten overeenkomst geen dekking voorzag voor dit risico. Het op een actieve manier wegwerken van de discriminatie door de verwijzende rechter, geeft in die zin aanleiding tot onrechtvaardige situaties en leidt tot resultaten die niet overeenstemmen met de nadien uitgedrukte wil van de wetgever. Wat voorafgaat toont aan dat het aan de wetgever toekomt regulerend op te treden en zowel de contouren als de inhoud van het wetgevend werk te bepalen. Het rechtmatig vertrouwen van de maatschappij in de wettelijke bepalingen en de dwingende redenen van rechtszekerheid, waarvan de eerbiediging door de rechter in het voormeld arrest van 20 december 2007 door uw Hof werd geboden, verzetten er zich m.i. tegen dat de rechter, in een individueel geval een wet toepast op een toestand of een categorie personen die er niet in voorzien is. Dat is hetgeen de appelrechter in deze zaak wel hebben gedaan. Het middel dat ervan uitgaat dat de verwijzende rechter door zijn optreden het algemeen beginsel van de scheiding der machten heeft geschonden lijkt mij bijgevolg gegrond. Conclusie: VERNIETIGING ARREST _________________
(1)Conclusie advocaat-generaal G. Bresseleers bij Cass., 10 juni 2005, C.02.0624.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.13
(2)Cass., Ver.Kamers, 16 september 1998, J.T. 1998, 656.
(3)Cass., 28 april 1999, R.W. 1999-2000, 1133-1134.
(4)Cass., 10 oktober 2007, A.R. P.07.733.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071010.8.
(5)Cass., 28 april 1999, R.W. 1999-2000, 1133-1136 met noot P. Popelier.
(6)G. Maes, "Sancties bij een door het Arbitragehof vastgestelde ongrondwettige afwezigheid van wetgeving", R.W., 2003-2004, 1204-1205; J.-Cl. Scholsem, "La Cour d'Arbitrage et les lacunes législatives", in "De verhouding tussen het Arbitragehof, de Rechterlijke macht en de Raad van State, Verslagboek Symposium 21 oktober 2005, Die Keure,
(213)223; V. Verlinden, "Lacunes in de wetgeving: wat doet het Arbitragehof (niet)?", R.W. 2003-2004,
(1018)1020.
(7)P.Popelier, "Lacunes in verordenend optreden", R.W. 2004-2005,
(979)981.
(8)P. Popelier in haar noot bij Cass., 28 april 1999, R.W. 1999-2000, 1133-1136.
(9)Conclusie van adv.-gen. G. Bresseleers vóór Cass., 10 juni 2005 (D.02.0029.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.12).
(10)Cass., 17 maart 2003, S.02.0022.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030317.21 onuitg.; Cass., 15 december 2003, R.W. 2004-2005, 979.
(11)Cass., 20 december 2007, A.R. C.07.0227.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.4.
(12)P. Popelier, o.c.,980-981.
(13)B.Renauld,"Lacune législative et devoir de juger", J.L.M.B. 2006, 637-638.
(14)Zie pagina 4 punt 3.2. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081103.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030317.21 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.12 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.13 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071010.8 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div