← België

ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081114.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081114.8 Rolnummer: F.06.0129.N Kamer: REUN - Ch.Réunies/Verenigde Kamers Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-05-25 Raadplegingen: 614 - laatst gezien 2026-07-03 09:29 Versie(s): Vertaling FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081114.8 Fiche 1 De investeringsaftrek is uitgesloten voor ondernemingen die vaste activa aan particulieren ter beschikking stellen, zelfs wanneer de hoofdactiviteit van de onderneming die de investeringsaftrek wil genieten, bestaat in het ter beschikking stellen van vaste activa aan derden-particulieren

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Andere aftrekbare posten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Economische vrijstellingen Vrije woorden: Investeringsaftrek - Uitsluiting - Vaste activa - Gebruik overgedragen - Verhuring aan een natuurlijke persoon - Terbeschikkingstelling aan derden-particulieren Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 75, 2° en 3°, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 26-02-1964 - Art. 42ter, § 6, 2° en 4° Fiche 2 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., Verenigde Kamers, 14 nov. 2008, AR F.06.0129.N, A.C., 2008, nr. ... Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Andere aftrekbare posten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Economische vrijstellingen Vrije woorden: Investeringsaftrek - Uitsluiting - Vaste activa - Gebruik overgedragen - Verhuring aan een natuurlijke persoon - Terbeschikkingstelling aan derden-particulieren Tekst van de conclusie F.06.0129.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:
  1. Onderhavige zaak heeft betrekking op de vraag of een vennootschap die beroepsmatig tenten en bijhorend materieel koopt en het gebruik daarvan op basis van een huurovereenkomst afstaat aan derden die deze activa niet beroepsmatig aanwenden, aanspraak kan maken op een investeringsaftrek voor de aanschaffingsprijs van de tenten en het bijhorende materieel.
  2. Met betrekking tot de aanslagjaren 1989, 1990, 1991, 1994 en 1995 heeft de eiseres op de door haar nieuw aangeschafte tenten en het bijhorende materieel de investeringsaftrek toegepast. Voor al deze jaren werd aan de eiseres een bericht van wijziging verzonden waarbij deze aftrekken door de administratie werden verworpen. Ondanks het niet akkoord van de eiseres werden de aanvullende aanslagen, conform de berichten van wijziging ingekohierd. Op 24 maart 1998 werden de bezwaarschriften van de eiseres tegen al deze aanvullende aanslagen bij directoriale beslissing verworpen. Daarop legde de eiseres een verzoekschrift neer ter griffie van het Hof van Beroep te Gent. Op 8 juni 2000 wees het Hof van Beroep te Gent de voorziening van de eiseres als ongegrond af. Het Hof stelde daarbij dat de tenten en het bijhorende materieel niet in aanmerking kwamen voor de investeringsaftrek, omdat deze niet gold voor activa waarvan het gebruik werd afgestaan aan derden die deze niet beroepsmatig aanwenden. Op 5 september 2000 stelde de eiseres cassatieberoep in. Op 22 november 2001 werd voormeld arrest van het Hof van Beroep te Gent door het Hof van Cassatie verbroken en werd de zaak verwezen naar het Hof van Beroep te Brussel. Het Hof van Cassatie oordeelde dat de appelrechters hun beslissing niet naar recht verantwoorden door te beslissen dat de eiseres niet kan genieten van de investeringsaftrek met betrekking tot de tenten en het bijhorende materieel, op grond van de vaststellingen dat enerzijds de eiseres in het kader van haar bedrijfsactiviteit tenten en het erbij behorende materieel aankoopt en het gebruik ervan aan derden afstaat op basis van een huurovereenkomst en anderzijds dat de derden als eindgebruikers deze tenten niet beroepsmatig aanwenden, hun beslissing niet naar recht verantwoorden. Het verwijzingshof heeft op 21 september 2006 opnieuw beslist dat de eiseres niet kan genieten van de investeringsaftrek voor de tenten en het bijhorende materieel.
  3. De eiseres voert tegen de tweede beslissing dezelfde middelen aan als tegen de eerste, zodat de zaak, met toepassing van artikel 1119 van het Gerechtelijk Wetboek voor de verenigde kamers van het Hof van Cassatie wordt gebracht.
  4. Krachtens artikel 42ter, § 6, tweede lid, 2° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1964 (verder WIB 64) is de investeringsaftrek niet van toepassing op vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht teneinde het recht tot gebruik ervan aan een derde te geven krachtens een leasingcontract of een overeenkomst van erfpacht, van opstal of gelijkaardige onroerende rechten, in de gevallen waarin die vaste activa afschrijfbaar zijn ten name van de onderneming die over die rechten beschikt. Krachtens artikel 42ter, § 6, tweede lid, 4° WIB 64 is de investeringsaftrek niet van toepassing "op vaste activa waarvan het gebruik, niet zijnde het in 2° bedoelde gebruik, is afgestaan aan derden, tenzij die afstand is geschied ten voordele van bedrijven in de zin van artikel 20, 1°, die het gebruik van die vaste activa bestemmen voor de uitoefening van hun beroepswerkzaamheden in België zonder het geheel of gedeeltelijk over te dragen aan een derde". Krachtens artikel 75, 2° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (verder WIB 92), is de investeringsaftrek niet van toepassing op vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht met het doel het recht van gebruik ervan bij leasingcontract of bij een overeenkomst van erfpacht, opstal of enig gelijkaardig onroerend recht aan een derde over te dragen, ingeval de vaste activa kunnen worden afgeschreven door de onderneming die het recht heeft verkregen. Krachtens artikel 75, 3° WIB 92, zoals gewijzigd bij wet van 28 december 1992, is de investeringsaftrek niet van toepassing op "vaste activa, indien het recht van gebruik ervan anders dan op de wijze vermeld sub 2°, is overgedragen aan een andere belastingplichtige, tenzij de overdracht gebeurt aan een natuurlijke persoon die de vaste activa in België gebruikt voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdraagt".
  5. Uit de voormelde artikelen 42ter, § 6, tweede lid, 2° WIB 64 en 42ter, § 6, tweede lid, 4° WIB 64 volgt dat voor de vaste activa waarvan het gebruik aan een derde is overgedragen op een andere wijze dan via een leasing-, erfpacht-, opstal- of soortgelijke overeenkomst, geen investeringsaftrek kan worden genoten, tenzij de gebruiker een nijverheids-, handels- en landbouwbedrijf is dat de activa in België gebruikt voor zijn beroepswerkzaamheden, en voor zover hij het recht van gebruik van die activa op zijn beurt niet geheel of gedeeltelijk aan een derde overdraagt.
  6. Uit de voormelde artikelen 75, 2° WIB 92 en 75, 3° WIB 92 volgt dat vaste activa waarvan het gebruik aan een derde is overgedragen op een andere wijze dan bij wege van een leasing- erfpacht-, opstal- of soortgelijke overeenkomst, geen recht geven op investeringsaftrek, tenzij de gebruiker een natuurlijke persoon is die de activa in België gebruikt voor de exploitatie van een onderneming of voor de uitoefening van een vrij beroep, ambt, post of winstgevende activiteit, en voor zover hij het recht van gebruik van die activa op zijn beurt niet geheel of gedeeltelijk aan een derde overdraagt.
  7. Uw Hof vernietigde niettemin bij arrest van 22 november 2001 (A.R. F.00.0090.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011122.12, nr. 639) het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 8 juni 2000 (Gent 8 juni 2000, T.F.R. 2002, nr. 2002/28) dat aan de eiseres de investeringsaftrek voor de verhuurde tenten weigerde onder meer omdat het gebruik ervan aan derden werd afgestaan en niet betwist werd dat deze derden deze vaste activa niet beroepsmatig aanwenden. Uw Hof overwoog nochtans dat luidens artikel 75, 3° WIB 92, de investeringsaftrek niet van toepassing is "op vaste activa waarvan het gebruik, indien het recht van gebruik ervan anders dan op de wijze als vermeld sub 2° is overgedragen aan een andere belastingplichtige, tenzij de overdracht gebeurt aan een natuurlijke persoon die de vaste activa in België gebruikt voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdraagt". Het Hof voegde daar evenwel onmiddellijk aan toe dat uit de samenhang van voormelde wetsbepalingen en uit hun wetsgeschiedenis blijkt dat het de bedoeling was van de wetgever te verhinderen dat twee onderscheiden belastingplichtigen met betrekking tot dezelfde vaste activa zouden kunnen genieten van de investeringsaftrek. Uw Hof besloot dat de appelrechters op grond van de vaststellingen dat enerzijds de eiseres, in het kader van haar bedrijfsactiviteit, tenten en het bijhorende materiaal aankoopt en het gebruik ervan aan derden afstaat op basis van een huurovereenkomst en anderzijds dat de derden als eindgebruikers deze tenten niet beroepsmatig aanwenden, te beslissen dat eiseres niet kan genieten van de investeringsaftrek met betrekking tot de tenten en het bijhorende materiaal, hun beslissing niet naar recht verantwoorden.
  8. In het eerste onderdeel van het enig middel voert de eiseres thans aan dat uit de samenlezing van de voormelde fiscale bepalingen volgt dat de uitsluiting voorzien in artikel 42ter § 6, tweede lid, 4° WIB 64 en in artikel 75, 3° WIB 92 niet raakt aan de investeringsaftrek waarop een Belgische vennootschap gerechtigd is wegens door haar nieuw aangeschafte of tot stand gebrachte vaste activa, die zij in België voor de uitoefening van haar beroepswerkzaamheid gebruikt, ook al bestaat deze beroepswerkzaamheid in het laten gebruiken van deze vaste activa door de afnemers ervan, die deze activa niet voor de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid gebruiken. Particulieren, die de gehuurde activa gebruiken voor private doeleinden, kunnen, volgens de eiseres, immers geen aanspraak maken op enige fiscale afschrijving op die goederen en hebben zelfs nooit enige roeping daarop beroep te moeten of te kunnen doen. De eiseres voert aldus aan dat er in het beoogde geval geen gevaar voor een dubbele aftrek bestaat.
  9. Het arrest van uw Hof van 22 november 2001 (A.R. F.00.0090.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011122.12, nr. 639) stelt voorop dat de wetgever met de beperkingen van de investeringsaftrek door de artikelen 42ter, tweede lid, § 6, 2° WIB 64, 42ter, § 6, 4° WIB 64 en 75, 3° WIB 92, de bedoeling had te verhinderen dat twee onderscheiden belastingplichtigen met betrekking tot dezelfde vaste activa zouden kunnen genieten van de investeringsaftrek.
  10. Hoewel de leer van dit arrest door enkele auteurs werd toegejuicht, werd het arrest in de rechtsleer toch fel bekritiseerd (H. VAN OUTRYVE, "Investeringsaftrek en afstand van het recht van gebruik aan andere belastingplichtigen ", T.F.R. 2005, 508), terwijl het arrest ook geen gerechtelijke vrede tot stand kon brengen.
  11. De rechtsleer en ook het bestreden arrest hebben opgeworpen dat het Hof van Cassatie zich vergist heeft over de ratio legis van artikel 75, 3° WIB
  12. Auteur GARBEDIAN stelt dat enkel artikel 75, 2° WIB 92 tot doel heeft te vermijden dat twee belastingplichtigen de investeringsaftrek zouden genieten voor hetzelfde vast actief. Artikel 75, 3° WIB 92 heeft dat doel niet en zou het niet kunnen hebben vermits het precies de overdrachten van het recht van gebruik beoogt in de gevallen waarin de gebruiker het overgedragen goed niet als vast actief boekt, hetgeen een essentiële voorwaarde is om van de investeringsaftrek te kunnen genieten. De auteur vindt deze vergissing des te verrassender omdat het cassatiemiddel exact het doel van die bepaling weergaf zoals dit blijkt uit de parlementaire voorbereiding. Hij stelt dat deze vergissing elke precedentswaarde ontneemt aan het arrest van 21 november 2001 (D. GARABEDIAN, "Un cas d'interprétation de la loi fiscale", in Liber Amicorum L. Hinnekens, Brussel, Bruylant, 2002, 214). Ook auteurs JANSSENS en PELGROMS stellen dat uw Hof de ratio legis van de uitsluitingsgevallen van de artikelen 75, 2° en 75, 3° WIB 92 al te beperkt uitlegt en dat de wetgever met de invoering van artikel 75, 3° WIB 92 wou vermijden dat op een vast activum een investeringsaftrek wordt toegepast waarop de eigenlijke gebruiker van het goed, wettelijk geen aanspraak had kunnen maken indien hij de eigendom ervan zou hebben gehad (L JANSSENS en W. PELGROMS, "Herziening investeringsaftrek dringt zich op", Fisc.Act. 2004, nr. 16, 14; in dezelfde zin X, "Verhuur aan vennootschap: aftrek altijd uitgesloten", Fiscoloog 2002, nr. 863, 3). Auteur GARABEDIAN stelt dat de investeringsaftrek wordt geweigerd voor elk vast actief waarvan het gebruik aan een derde wordt overgedragen, behoudens in de gevallen waarin die derde van de aftrek zou hebben kunnen genieten indien hij zelf het vast actief zou hebben verworven. Door in artikel 75, 3° WIB 92 te eisen dat de natuurlijke persoon het goed zelf voor een beroepsactiviteit aanwendt, gaat de tekst verder dan de hypothese die in de parlementaire voorbereiding wordt beschreven, maar de wetgever heeft mogelijk willen voorkomen dat niet alleen een vreemde vennootschap, maar ook een particulier zijn toevlucht neemt tot het procédé dat er in bestaat het goed niet zelf te verwerven, maar het te laten verwerven door een verbonden Belgische vennootschap en het vervolgens te huren. Deze toestand is niet zeer waarschijnlijk, maar niet onmogelijk (D. GARABEDIAN, "Un cas d'interprétation de la loi fiscale", in Liber Amicorum L. Hinnekens, Brussel, Bruylant, 2002, 215). Misbruik kan eveneens in hoofde van particulieren voorhanden zijn (JVD, "Verhuur en investeringsaftrek: slaat Cassatie de bal mis?", Fiscoloog 2002, nr. 835, 7).
  13. Ook het bestreden arrest leidt uit de wetshistoriek af dat artikel 75, 3° WIB 92 ertoe strekt te vermijden dat belastingplichtigen die zelf geen recht hebben op de investeringsaftrek, het voordeel daarvan toch onrechtstreeks zouden genieten door de investering te laten verrichten door een andere belastingplichtige die wel recht heeft op investeringsaftrek en die het recht van gebruik op deze investering vervolgens afstaat (anders dan bij leasing) aan de eerste belastingplichtige. Volgens het bestreden arrest leidt de verweerder uit de wetshistoriek met reden af dat de wetgever heeft willen vermijden dat de investeringsaftrek wordt toegepast in alle gevallen waarin de activa worden gebruikt door huurders die, indien ze zelf eigenaar van de activa zouden zijn, de investeringsaftrek niet kunnen genieten. Dit is volgens het bestreden arrest dus ook het geval met activa die worden verhuurd aan natuurlijke personen die deze activa niet voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid gebruiken.
  14. Auteur GARABEDIAN stelt ook dat uw Hof in het arrest van 22 november 2001 (A.R. F.00.0090.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011122.12, nr. 63) een oplossing heeft bekrachtigd die tegen de wettekst ingaat, door de in de parlementaire voorbereiding uitgedrukte doelstelling te laten prevaleren op de duidelijke tekst van de wet (D. GARABEDIAN, "Un cas d'interprétation de la loi fiscale", in Liber Amicorum L. Hinnekens, Brussel, Bruylant, 2002, 211). Auteur SALENS is eveneens van oordeel dat artikel 75, 3° WIB 92 een duidelijke wettekst is die geen interpretatie behoeft (P. SALENS, "Noot bij Gent 8 juni 2000", A.F.T. 2001, 93). Ook het Hof van Beroep te Antwerpen (Antwerpen 7 november 2006, Fisc.Act. 2007, afl. 6, 13; bestreden arrest in de zaak F.07.0051.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.4) gaat er klaarblijkelijk van uit dat de tekst van artikel 75, 3 WIB 92 klaar en duidelijk is. Deze kritiek lijkt terecht. Waar artikel 42ter, § 6, tweede lid, 4° WIB 64 stelt dat de investeringsaftrek niet van toepassing is "op vaste activa waarvan het gebruik, niet zijnde het in 2° bedoelde gebruik, is afgestaan aan derden, tenzij die afstand is geschied ten voordele van bedrijven in de zin van artikel 20, 1°, die het gebruik van die vaste activa bestemmen voor de uitoefening van hun beroepswerkzaamheden in België zonder het geheel of gedeeltelijk over te dragen aan een derde" en waar artikel 75, 3° WIB 92 stelt dat de investeringsaftrek niet van toepassing is op "vaste activa, indien het recht van gebruik ervan anders dan op de wijze vermeld sub 2°, is overgedragen aan een andere belastingplichtige, tenzij de overdracht gebeurt aan een natuurlijke persoon die de vaste activa in België gebruikt voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdraagt", lijken deze teksten klaar en duidelijk. Een beroepsmatige aanwending van het afgestane vaste actief is uitdrukkelijk vereist opdat de investeringsaftrek kan worden genoten. Waar de wet geen onderscheid maakt, mag geen onderscheid gemaakt worden (Cass. 30 juni 2006, A.R. C.05.0117.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060630.13, www.cass.be).
  15. De rechtspraak van uw Hof is in die zin gevestigd dat de parlementaire voorbereiding van een wet niet kan worden aangevoerd tegen de klare en duidelijke tekst ervan (o.m. Cass. 22 december 1994, A.R. C.94.0035.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941222.9, nr. 572; Cass. 7 mei 2001, A.R. C.98.0300.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.5, nr. 257; Cass. 30 juni 2006, A.R. C.05.0117.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060630.13, www.cass.be)
  16. In zijn arrest van 27 juni 2002 (A.R. F.00.0095.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020627.18, nr. 388) is uw Hof overigens zelf teruggekomen op het standpunt ingenomen in het arrest van 22 november 2001 (A.R. F.00.0090.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011122.12, nr. 63), om terug nauwer aan te sluiten bij de letter van de wet. Het Hof van Beroep te Antwerpen (Antwerpen 7 november 2006, Fisc.Act. 2007, afl. 6, 13; bestreden arrest in de zaak F.07.0051.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.4) gaat er duidelijk van uit dat uw Hof met zijn arrest van 27 juni 2002 is teruggekeerd naar de regel die vervat is in de tekst van artikel 75, 3° WIB
  17. Uw Hof oordeelt in dat arrest : "Dat uit de samenhang van het voornoemde artikel 75, 2°, met artikel 75, 3°, volgt dat vaste activa, waarvan het gebruik aan een derde is overgedragen op een andere wijze dan via een leasing-, erfpacht-, opstal- of soortgelijke overeenkomst, geen recht geven op investeringsaftrek, tenzij wanneer een gebruiker een natuurlijke persoon is die de activa in België gebruikt voor de exploitatie van een onderneming of voor de uitoefening van een vrij beroep, ambt, post of winstgevende activiteit, en voor zover hij het recht van gebruik van die activa op zijn beurt niet geheel of gedeeltelijk aan een derde overdraagt". Uw Hof gaat bij zijn interpretatie van de voormelde wetsbepalingen nog steeds uit van de bedoeling van de wetgever, maar het vat de bedoeling van de wetgever, in overeenstemming met voormelde kritiek in de rechtsleer, veel ruimer op dan het eerdere arrest van 22 november
  18. Het Hof overweegt: "Overwegende dat hieruit blijkt dat artikel 75, 3°, zoals het gewijzigd is, er niet alleen toe strekt te voorkomen dat belastingplichtigen die geen recht hebben tot investeringsaftrek de wet zouden omzeilen door het goed te laten kopen door een onderneming die wel in aanmerking kwam om het vervolgens te verhuren aan de buitenlandse of moedervennootschap, maar dat hierbij tevens de bedoeling voorzat te vermijden dat de vennootschappen de begrenzing van de investeringsaftrek zouden omzeilen". Aldus stapt uw Hof duidelijk af van de opvatting dat alleen in geval van mogelijkheid van dubbele aftrek, de investeringsaftrek uitgesloten is. Uw Hof erkent thans dat de investeringsaftrek ook uitgesloten is wanneer personen die geen aanspraak kunnen maken op investeringsaftrek of slechts in beperkte mate van de investeringsaftrek kunnen genieten, de wettelijke beperkingen aan de investeringsaftrek kunnen omzeilen door het vast actief te laten verwerven door een vennootschap die wel de volledige investeringsaftrek kan genieten en het vervolgens in huur te nemen. Uw Hof erkent aldus dat de wetgever de bedoeling had om mogelijke misbruiken te voorkomen. Uw Hof overweegt in hetzelfde arrest nog dat de uitsluiting van elke overdracht aan een vennootschap beantwoordt aan de bedoeling van de wetgever de mogelijkheden van de investeringsaftrek te beperken.
  19. In een arrest van 1 september 2008 (nr. 127/2008) oordeelde het Grondwettelijk Hof weliswaar dat artikel 75, 3° WIB 92 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het tot gevolg heeft dat een vennootschap die beantwoordt aan de kenmerken van een kmo in de zin van artikel 201, eerste lid, 1° WIB 92 en die, wegens de uitoefening van haar vennootschapsactiviteit, het gebruik van de verkregen vaste activa overdraagt aan een vennootschap die zelf beantwoordt aan de kenmerken van een kmo in de zin van die laatste bepaling, van de investeringsaftrek wordt uitgesloten. Dit arrest van het Grondwettelijk Hof heeft tot gevolg dat een kmo die het recht van gebruik van de vaste activa in het kader van haar beroepsactiviteit overdraagt aan een andere kmo, in beginsel aanspraak kan maken op investeringsaftrek. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat in deze hypothese "de in artikel 75, 3°, van het WIB 92 vervatte maatregel niet pertinent is om het doel van de wetgever te bereiken" ervan uitgaande dat "de kans dat het aftrekverbod wordt omzeild, in een dergelijke hypothese immers onbestaande (is), vermits de overdragende vennootschap en de overnemende vennootschap beide aanspraak kunnen maken op de investeringsaftrek op grond van artikel 201, eerste lid, 1°, van het WIB 1992". (arrest, p. 11, randnr. B.4.2.)
  20. In onderhavige casus is de litigieuze maatregel wel degelijk pertinent om het doel van de wetgever te bereiken. De uitsluiting van de investeringsaftrek bij afstand van het recht van gebruik aan natuurlijke personen die het afgestane goed niet beroepsmatig aanwenden, is immers in overeenstemming met het doel van de wetgever om misbruiken te voorkomen. Misbruik kan, zoals hoger reeds gezegd, immers ook in hoofde van particulieren voorhanden zijn (D. GARABEDIAN, "Un cas d'interprétation de la loi fiscale", in Liber Amicorum L. Hinnekens, Brussel, Bruylant, 2002, 216; JVD, "Verhuur en investeringsaftrek: slaat Cassatie de bal mis?", Fiscoloog 2002, nr. 835, 7). Particulieren hebben geen recht op investeringsaftrek. Indien zij een vast actief doen verwerven door een verbonden vennootschap die wel investeringsaftrek kan genieten en het vervolgens huren, genieten zij onrechtstreeks toch van de investeringsaftrek. Zo kunnen verschillende particulieren overeenkomen om via een vennootschap vaste activa aan te schaffen, waarna het gebruik afwisselend op basis van huurovereenkomsten aan die particulieren wordt overgedragen. Op die manier kunnen ook die particulieren op onrechtstreekse wijze genieten van de investeringsaftrek waarop zij geen recht hebben. De uitsluiting van de investeringsaftrek bij afstand aan particulieren, belet aldus dat personen die er geen recht op hebben toch van de investeringsaftrek genieten.
  21. De beslissing van het bestreden arrest om de investeringsaftrek te weigeren, is dan ook niet alleen in overeenstemming met de tekst van de wet, maar ook met de interpretatie van de wet die door Uw Hof wordt aangehouden in het inmiddels tussengekomen arrest van 27 juni 2002 (A.R. F.00.0095.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020627.18, nr. 388). Het onderdeel faalt bijgevolg naar recht.
  22. In het tweede onderdeel voert de eiseres aan dat indien de uitsluiting voorzien door de artikelen 42ter , § 6, 4° WIB 64 en 75, 3° WIB 92 betekent dat de investeringsaftrek wordt geweigerd wanneer de belastingplichtige de activa verhuurt aan particulieren die ze gebruiken voor private doeleinden, deze uitsluiting verder reikt dan de bedoeling die bij de wetgever voorzat en die er, volgens de eiseres, enkel in bestond de investeringsaftrek te weigeren aan buitenlandse ondernemingen die in België een vennootschap oprichten met als doel materiële vaste activa te verhuren aan hun thuishaven. In die interpretatie zou de bedoelde uitsluiting strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel en een door de Grondwet verboden discriminatie in het leven roepen.
  23. Zoals is aangetoond bij de bespreking van het eerste onderdeel, is de veronderstelling waar het onderdeel van uitgaat, namelijk dat de wetgever enkel de bedoeling had om de investeringsaftrek te ontzeggen aan buitenlandse ondernemingen die in België een vennootschap oprichten met als doel materiële vaste activa te verhuren aan de thuishaven, verkeerd.
  24. Nu het onderdeel de aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet laat berusten op een verkeerde premisse, bestaat er geen aanleiding toe een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof (Cass. 27 juni 2002, A.R. F.00.0095.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020627.18., nr. 388). Besluit: VERWERPING. ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081114.8 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941222.9 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.5 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011122.12 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020627.18 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060630.13 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260212.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.