id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 01 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081201.1 Rolnummer: S.07.0116.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-01-20 Raadplegingen: 304 - laatst gezien 2026-07-03 07:27 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081201.1 Fiche 1 Het beginsel dat het Hof van Cassatie in de regel bij de beoordeling van de wettigheid van een rechterlijke beslissing die aan het Hof is voorgelegd, zijn toezicht slechts kan uitoefenen uitgaande van de dag waarop de beslissing is genomen, vindt evenwel geen toepassing wanneer de wetgever door een bekrachtiging terugwerkende kracht heeft willen verlenen aan een koninklijk besluit dat door de appelrechter onwettig werd bevonden
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M.. Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Toepassingsgebied SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Betaling SOCIAAL RECHT - ARBEID - Sluiting onderneming - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Toezicht door het Hof op de wettigheid van een rechterlijke beslissing - Rechterlijke beslissing waarbij een koninklijk besluit onwettig werd bevonden - Bekrachtiging bij wet door de wetgever Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 159 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 608 Fiche 2 De bekrachtiging van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 door artikel 69 van de wet van 8 juni 2008, met uitwerking krachtens artikel 70 op 1 juli 2005, heeft tot gevolg dat de bepalingen van dit koninklijk besluit kracht van wet hebben vanaf 1 juli 2005 en door het Hof dienen te worden toegepast
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M.. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Toepassingsgebied SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Betaling SOCIAAL RECHT - ARBEID - Sluiting onderneming - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Bekrachtiging bij wet van een koninklijk besluit Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 03-07-2005 - Artt. 1 en 2 Wet - 26-06-2002 - Artt. 81 en 82 Fiche 3 De appelrechters die oordelen dat de interest diende berekend te worden op het brutobedrag van alle nog openstaande loonachterstallen, ook als het recht tot betalen ervan is ontstaan vóór de inwerkingtreding van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002, oordelen zonder de bepalingen toe te passen van het koninklijk besluit van 3 juli 2005, die ingevolge de bekrachtiging bij wet van 8 juni 2008 kracht van wet hebben gekregen vanaf 1 juli 2005 en schenden aldus de in het subonderdeel aangegeven wettelijke bepalingen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M.. Thesaurus CAS: LOON - BESCHERMING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Toepassingsgebied SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Betaling SOCIAAL RECHT - ARBEID - Sluiting onderneming - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Berekening van verschuldigde interest - Toepassing van de wet in de tijd Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 2, 1382 en 1383 Wet - 26-06-2002 - Artt. 81, 82 en 90, § 1 Fiches 4 - 6 Concl. adv.-gen. Mortier, Cass., 1 dec. 2008, AR S.07.0116.N, A.C., 2008, nr. .... Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Toepassingsgebied SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Betaling SOCIAAL RECHT - ARBEID - Sluiting onderneming - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Toezicht door het Hof op de wettigheid van een rechterlijke beslissing - Rechterlijke beslissing waarbij een koninklijk besluit onwettig werd bevonden - Bekrachtiging bij wet door de wetgever Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Toepassingsgebied SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Betaling SOCIAAL RECHT - ARBEID - Sluiting onderneming - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Bekrachtiging bij wet van een koninklijk besluit Thesaurus CAS: LOON - BESCHERMING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Toepassingsgebied SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Loonbescherming - Betaling SOCIAAL RECHT - ARBEID - Sluiting onderneming - Andere PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte Vrije woorden: Berekening van verschuldigde interest - Toepassing van de wet in de tijd Tekst van de conclusie S.07.0116.N CONCLUSIE VAN Advocaat-generaal Mortier
- Situering. Verweerder was sedert 1993 met zijn werkgever verbonden door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. In het kader van een geplande herstructurering wenste de werkgever in 2005 over te gaan tot het wijzigen van de functie van verweerder. Op 30 mei 2005 deelde verweerder mee dat hij de voorgestelde functiewijziging niet kon aanvaarden, waarna de werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigde met onmiddellijke ingang op 30 mei
- Met dagvaarding van 7 september 2005 vorderde verweerder de veroordeling van zijn gewezen werkgever tot onder andere betaling van een opzeggingsvergoeding, een uitwinningsvergoeding en achterstallige eindejaarspremies, minstens schadevergoeding meer de interesten. Met dagvaarding in gedwongen tussenkomst van 9 januari 2006 vorderde verweerder de Belgische Staat te veroordelen tot een provisionele schadevergoeding wegens het niet of niet tijdig in werking stellen van de bepalingen van de wet van 26 juni
- In een nadien neergelegde conclusie werd deze tussenvordering gewijzigd en werd "voor zover de gewezen werkgever werd veroordeeld tot betaling van de intresten op de nettobedragen, een schadevergoeding gevorderd gelijk aan het bedrag van de interesten berekend op alle bruto toe te kennen bedragen onder aftrok van het bedrag aan interesten op de netto bedragen."
- Toepasselijke wetgeving. Verweerder steunde zich voor het vorderen van de interest op de brutobedragen, op artikel 10 van de Loonbeschermingswet, zoals gewijzigd bij artikel 82 van de Wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, dat luidt: "Voor het loon is van rechtswege rente verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Die rente wordt berekend op het loon, vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht." Bij Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 werd de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 bepaald op 1 juli 2005 en van toepassing verklaard op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli
- Het bestreden arrest. 3.
- De appelrechters oordelen dat verweerder enkel interest kan vorderen op de hem toekomende nettobedragen op volgende gronden: - Nog afgezien van de vraag naar de wettigheid van dit K.B. kan de werkgever niet veroordeeld worden tot betaling van interest op de toegekende brutobedragen, vermits artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 geen interpretatieve wetsbepaling is en omdat, krachtens artikel 2 van het K.B. van 3 juli 2005, de inwerkingtreding op 1 juli 2005 slechts van toepassing is op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005, wat in dit dossier niet het geval is. - Het K.B. van 3 juli 2005 is onwettig omdat het ontwerp van het Koninklijk besluit als reglementair besluit niet voorafgaandelijk werd voorgelegd aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State en dat zelfs geen dringende noodzakelijkheid werd ingeroepen om het ontbreken van een adviesaanvraag te rechtvaardigen. Op die grond oordeelden de appelrechters dat geen toepassing kon gemaakt worden van dit onwettig koninklijk besluit. - Blijkens de bewoordingen en het opzet van artikel 10 van de Loonbeschermingswet, naar luid waarvan voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is, slaat dit enkel op het loon dat de werknemer van zijn werkgever kan vorderen. De werknemer heeft niet het recht van de werkgever te eisen dat hem de bedrijfsvoorheffing, of de sociale zekerheidsbijdragen zouden uitgekeerd worden. 3.
- De appelrechters verklaren wel de door verweerder geformuleerde eis tot schadevergoeding in hoofde van de Belgische Staat gegrond. Zij stelden dat de redelijke termijn waarover de uitvoerende macht kon beschikken om maatregelen te nemen voor de inwerkingtreding van voornoemd artikel 82, op 30 mei 2005, datum van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, reeds verstreken was en hiervoor geen redelijke verantwoording wordt ingeroepen zodat de uitvoerende macht een fout heeft begaan, die haar aansprakelijkheid in het gedrang brengt. Bovendien was het uitgevaardigd Koninklijk besluit onwettig. Tenslotte aanvaarden de appelrechters dat verweerder door dit foutief optreden schade heeft geleden. Zij oordelen vooreerst dat de Belgische Staat de nodige maatregelen diende te nemen om ervoor te zorgen dat de wet op 30 mei 2005 reeds in werking was getreden, maar bovendien stellen zij dat artikel 90 van de wet van 26 juni 2002 aan de Koning niet de bevoegdheid verleende om de toepassing van artikel 82 van diezelfde wet te beperken tot de lonen waarvan het recht op betaling slechts ontstaan is vanaf een bepaalde datum en met uitsluiting van de lonen die voordien eisbaar zijn geworden maar nog niet werden betaald. Een correcte toepassing van het beginsel van de onmiddellijke werking van de wet zal er dan ook, bij hypothese, toe leiden dat vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 82 interest verschuldigd is op de brutobedragen van alle nog openstaande loonachterstallen, zonder afbreuk te doen aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.
- Evolutie van de wetgeving. Artikel 69 van de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008) bepaalt dat het Koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen wordt bekrachtigd. Krachtens artikel 70 van de wet van 8 juni 2008 heeft artikel 69 uitwerking met ingang van 1 juli
- Het Koninklijk besluit van 3 juli 2005 wordt aldus bekrachtigd met terugwerkende kracht tot op de datum van inwerkingtreding. Uit de memorie van Toelichting
(1)bij deze wet blijkt dat de bekrachtiging tot doel heeft de rechtsonzekerheid op te heffen die ontstaan is doordat bepaalde rechtspraak meent dat het Koninklijk besluit van 3 juli 2005 wegens vormgebreken onwettig is en de overheid om die reden veroordeeld wordt tot het betalen van schadevergoeding. Uw Hof heeft bij eerdere arresten
(2)geoordeeld dat wanneer een Koninklijk besluit bij wet wordt bekrachtigd, dit besluit de waarde van een wet heeft waardoor het ontsnapt aan het bij artikel 159 G.W. bepaalde wettigheidstoezicht. De hoven en rechtbanken kunnen zich dus niet meer uitspreken over de wettigheid van de bekrachtigde bepalingen. De bekrachtiging bij wet dekt zowel vormgebreken als inhoudelijke onregelmatigheden.
(3)In de zaken die aanleiding gaven tot voormelde arresten van Uw Hof, werd de appelrechter op het ogenblik van zijn beslissing geconfronteerd met een bij wet bekrachtigd besluit. Dit is in deze zaak niet het geval. De bekrachtiging bij wet van het van toepassing zijnde Koninklijk besluit dateert van na de beslissing van de appelrechters. Uw Hof oordeelde bij arrest van 8 september 1986
(4)in een gelijkaardige zaak en nadat werd opgeworpen dat het Hof om de aangevoerde grieven van onwettigheid tegen het Koninklijk besluit te onderzoeken, niet kan steunen op de bekrachtiging van dit besluit bij een wet die dateert van na de bestreden beslissing, dat hoewel het Hof van Cassatie, in de regel, bij de beoordeling van de wettigheid van de rechterlijke beslissing die aan het Hof is voorgelegd, zijn toezicht slechts kan uitoefenen op de dag waarop de beslissing is genomen, dit beginsel geen toepassing vindt wanneer de wetgever terugwerkende kracht heeft willen verlenen aan de wetgeving die nog niet van kracht was op de dag waarop de bestreden beslissing werd genomen. De voormelde bekrachtiging bij wet heeft tot gevolg dat de bepalingen van het Koninklijk besluit van 1 juli 2005 kracht van wet hebben vanaf 1 juli 2005 en door het Hof in aanmerking moeten genomen worden.
- De Middelen Tegen het bestreden arrest voert eiser twee middelen aan. 5.
- Eerste Middel 5.1.
- In het eerste onderdeel wordt de beslissing aangevochten dat eiser een fout heeft begaan. Het arrest oordeelt dit inderdaad door te stellen dat de uitvoerende macht een fout heeft begaan door meer dan drie jaar na het uitvaardigen van de wet een Koninklijk besluit uit te vaardigen. Het arrest vervolgt dat bovendien aan de Belgische Staat mag worden verweten dat een onwettig Koninklijk besluit werd uitgevaardigd. De beslissing van het arbeidshof steunt bijgevolg op twee zelfstandige redenen. In het tweede subonderdeel gaat eiser er van uit dat de appelrechters ten onrechte hebben geoordeeld dat de uitvoerende macht de redelijke termijn heeft laten verlopen, nu de wetgever geen termijn had bepaald voor de uitvoering van de wet en er dus aan de Koning een grote beleidsvrijheid werd toegekend en in conclusies door eiser redenen werden aangevoerd die tot de beleidsmatige beoordelingsvrijheid van eiser behoren. De feitenrechter beoordeelt evenwel op onaantastbare wijze op grond van de hem voorgelegde feitelijke gegevens of de redelijke termijn werd overschreden en daaruit afgeleid of een fout kan weerhouden worden. Voorzover het onderdeel opkomt tegen de feitelijke beoordeling door de rechter is het bijgevolg niet ontvankelijk. Voor het overige gaat dit onderdeel er ten onrechte van uit dat de redelijke termijn een aanvang neemt op de vervaldata van de eindejaarspremies en is het onderdeel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. De beslissing tot het veroordelen van eiser tot schadevergoeding steunt op twee zelfstandige grieven waarvan één in het tweede subonderdeel tevergeefs werd aangevochten, zodat het eerste subonderdeel niet ontvankelijk is nu het opkomt tegen een overbodige reden. 5.1.
- In het tweede onderdeel van het eerste middel betwist eiser de beoordeling door de appelrechters dat verweerder schade heeft geleden door het foutief optreden van eiser en het causaal verband tussen beide. In het derde subonderdeel bekritiseert eiser de beslissing van de appelrechters omtrent de beoordeling van het principe van de onmiddellijke werking van de wet overeenkomstig artikel 2 B.W. De appelrechters oordelen dat niets in de wet van 26 juni 2002 toelaat te besluiten dat de wetgever van het beginsel van de onmiddellijke werking van de wet heeft willen afwijken en deze wet dus van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de gevolgen van de onder de vroegere reglementering ontstane toestanden, die zich voordoen of voortduren na de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling, zonder evenwel afbreuk te doen aan onherroepelijk vastgestelde rechten. Hieruit leiden zij af dat een correcte toepassing van dit beginsel er toe zal leiden dat vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 interest verschuldigd is op de brutobedragen van alle nog openstaande loonachterstallen, zonder afbreuk te doen aan onherroepelijk vastgestelde rechten. Eiser stelt dat voor zover artikel 82 onmiddellijk uitwerking voor de toekomst zou hebben, dit beginsel niet inhoudt dat voor loonvoordelen waarvoor het recht op betaling is ontstaan vóór de datum van inwerkingtreding, vanaf die datum interest is verschuldigd op het brutobedrag ervan. Het blijven lopen van interest na de datum van inwerkingtreding op loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan vóór die datum, betreft immers geen toekomstig gevolg van een onder de oude wet ontstane toestand die blijft voortduren na de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Aangezien het recht op betaling van het loonvoordeel is ontstaan vóór de inwerkingtreding van artikel 82 gaat het om een rechtsverhouding die voorafgaandelijk aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet definitief is ontstaan en derhalve niet kan en mag aangetast worden door die nieuwe wet. 5.1.
- Het subonderdeel lijkt mij om die reden inderdaad gegrond. In zijn conclusie vóór het arrest van 22 oktober 1970 stelde Procureur-generaal Ganshof van der Meersch
(5): "La loi n'est pas faite pour le passé. Elle dispose pour l'avenir. Une précision est pourtant nécessaire: quand on mentionne le passé, on a en vue le passé définitivement accompli. Si la loi ne s'applique en principe pas au passé, elle s'applique en revanche à tout l'avenir jusqu'à son abrogation, c'est à dire non seulement aux situations qui naissent à partir de sa mise en vigueur et qui entrent dans les prévisions de la loi, mais aussi aux effets futurs des situations nées sous le régime de la loi antérieure qui se poursuivent sous l'empire de la loi nouvelle... L'étendue de l'application de la loi dans le temps, et donc le point de départ de cette application, ne présentent de difficultés que lorsque le législateur n'a pas fait connaître de manière certaine son opinion sur ce point, c'est à dire sur l'application de la loi nouvelle aux situations en cours... Il est fait exception en matière contractuelle à la règle de l'application immédiate de la loi nouvelle. Cette exception est largement reconnue en doctrine. Elle repose sur le besoin de sécurité et donc de stabilité dans la matière des contrats. La loi ancienne continue donc à régir les contrats tant qu'ils ne sont pas complètement exécutés. Mais à cette exception à l'application immédiate de la loi nouvelle aux effets des situations nées sous le régime de la loi antérieure en matière contractuelle, la loi qui revêt un caractère d'ordre public fait elle-même exception... » Bij arresten van 12 februari 1993
(6), 13 mei 1996
(7)en 17 september 2004
(8)oordeelde uw Hof dat de nieuwe wet in de regel niet enkel van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden, die zich voordoen of voortduren onder vigueur van de nieuwe wet, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten; inzake overeenkomsten blijft de oude wet van toepassing, tenzij de nieuwe wet van openbare orde is of uitdrukkelijk de toepassing voorschrijft op de lopende overeenkomsten. 5.1.4. Toegepast op het voorliggend geschil leidt dit tot volgende conclusies. Artikel 82 van de Wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen verving het vroeger artikel 10 van de Loonbeschermingswet door de tekst: " Voor het loon is van rechtswege rente verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Die rente wordt berekend op het loon, vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht." Uw Hof oordeelde bij arrest van 6 februari 2006
(9)dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 geen interpretatieve wetsbepaling is, waaronder wordt verstaan een bepaling waarbij bepalingen van een vroegere wet worden uitgelegd omdat er onduidelijkheid bestaat over de juiste draagwijdte ervan.
(10)Bij arrest van 21 september 1956
(11)oordeelde Uw Hof dat indien een bepaling als nieuw wordt aanzien, deze door de rechter met terugwerkende kracht moet toegepast worden indien dit overeenkomt met de bedoeling van de wetgever. Indien de wetsbepaling voor interpretatief wordt gehouden, maakt ze een geheel uit met de bepalingen van de geïnterpreteerde wet die vanaf het begin wordt geacht de zin te hebben zoals in de interpretatieve wet bepaald, derwijze dat de in artikel 2 B.W. ingeschreven regel niet van toepassing is. Waar de kwalificatie van een rechtsregel als interpretatief tot gevolg heeft dat deze regel terugwerkt tot het moment waarop de geïnterpreteerde rechtsregel in werking trad, heeft Uw Hof met voormelde uitspraak dat het hier geen interpretatieve wetsbepaling betrof, duidelijk aangegeven dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 niet kon toegepast worden vóór de datum van inwerkingtreding was bepaald. Hoe en in welke mate aan de nieuwe rechtsregel terugwerkende kracht wordt gegeven moet blijken uit de tekst van het besluit dat de inwerkingtreding bepaalt en uit de bedoeling van de wetgever. Bij Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 werd de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 bepaald op 1 juli 2005 en van toepassing verklaard op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli 2005. De bedoeling van de wetgever met betrekking tot de toepassing van deze wetsbepaling in de tijd blijkt uit de duidelijke bewoordingen ervan. Uw Hof heeft, naar aanleiding van een gelijkaardige zaak als degene die voorligt, bij arrest van 17 maart 2008
(12)geoordeeld dat: - luidens artikel 2 B.W.de wet alleen beschikt voor de toekomst en zij geen terugwerkende kracht heeft; - uit die bepaling volgt dat een nieuwe wet niet van toepassing is op de verplichtingen die voortvloeien uit een overeenkomst die vóór de inwerkingtreding ervan is beëindigd - de nieuwe wet, die het recht van de werknemer op het loon dat eisbaar wordt op het tijdstip waarop de overeenkomst is beëindigd, niet kan aantasten, kan evenmin het bedrag van de op dat loon verschuldigde interest wijzigen, aangezien dat loon onder de toepassing blijft vallen van de wet die van kracht is op het tijdstip waarop het recht op betaling ervan is ontstaan - de artikelen 3bis en 10, tweede lid van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, zoals zij voortvloeien uit de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen en waarvan de inwerkingtreding, krachtens artikel 90 van de wet van 26 juni 2002 is bepaald op 1 juli 2005 door artikel 1 van het Koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de voormelde artikelen 81 en 82, zijn, overeenkomstig die beginselen, slechts van toepassing op het loon waarvan het recht op betaling is ontstaan vanaf 1 juli 2005; - de Koning die in artikel 2 van het Koninklijk besluit van 3 juli 2005 melding maakt van deze regel vervat in artikel 2 B.W. heeft zijn bevoegdheid niet overschreden. De appelrechters hebben het Koninklijk besluit van 3 juli 2005 niet in aanmerking genomen omdat dit door hen onwettig wordt geacht en omdat de Koning niet de bevoegdheid had de toepassing van artikel 82 te beperken tot de lonen waarvan het recht op betaling is ontstaan vanaf een bepaalde datum en met uitsluiting van de lonen die voordien eisbaar zijn geworden maar nog niet werden betaald. Zij oordelen dat zonder de door hen aangenomen fout van eiser, bestaande in het overschrijden van de redelijke termijn, verweerder vanaf 30 mei 2005, interest had kunnen vorderen op het brutobedrag van alle nog openstaande loonachterstallen, dus ook als het recht op betaling daarvan ontstaan is vóór de inwerkingtreding van artikel 82. Zij gaan aldus, zonder acht te slaan op de bepalingen van het koninklijk besluit van 3 juli 2005, die door de bekrachtiging kracht van wet hebben gekregen vanaf 1 juli 2005, voor de berekening van de schadevergoeding uit van de bruto-interest vanaf 30 mei 2005 op de opzeggingsvergoeding, waarop het recht op 30 mei 2005 ontstond en op de eindejaarspremies voor de jaren 2000 tot 2004 en schenden aldus artikel 2 B.W. Het subonderdeel is in zoverre gegrond. 5.2. Het tweede middel Het tweede middel kan niet tot ruimere cassatie leiden. Conclusie: GEDEELTELIJKE VERNIETIGING ARREST ____________
(1)Parl.St. Kamer, 2007-2008, Doc 52, 1012/001, 49-50.
(2)Cass., 28 februari 2005, A.R. S.04.0149.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050228.5, A.C. 2005, nr.125, 496-498; Cass., 28 februari 1986, A.C. 1985-1986, 895.
(3)P. Popelier, "Toepassing van de wet in de tijd" in A.P.R., 1999, 136.
(4)Cass., 8 september 1986, A.C. 1986-1987, 31.
(5)Concl. Procureur-generaal Ganshof van der Meersch vóór Cass., 22 oktober 1970, Bull. et Pas. 1971, 143 en volgende.
(6)Cass., 12 februari 1993, A.R. nr. 7835, A.C. 1993, nr. 88.
(7)Cass.,13 mei 1996, A.R. C.94.0210.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960513.1, A.C. 1996, nr. 170.
(8)Cass., 17 september 2004, A.R.C.02.0282.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040919.1, A.C. 2004, nr. 418.
(9)Cass., 6 februari 2006, A.R. S.2005.0063.N, A.C. 2006, 78.
(10)P. Popelier, "Toepassing van de wet in de tijd", A.P.R., 1999, 99.
(11)Cass., 21 september 1956, A.C. 1957, 17.
(12)Cass., 17 maart 2008, A.R. S.07.0015.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080317.2. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081201.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960513.1 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040919.1 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050228.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080317.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div