id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 01 december 2008
Artt. 31 en 32 Fiche 2 Wanneer aan de in hoofdstuk II van de Uitzendarbeidswet bepaalde vormvereisten niet is voldaan, maar de door de werkkracht uit te voeren arbeid in het kader van uitzendarbeid toegelaten is, gelden slechts de in deze wet bepaalde gevolgen en is er geen sprake van verboden terbeschikkingstelling van werknemers, zodat het verzuim de overeenkomst voor uitzendarbeid schriftelijk vast te leggen overeenkomstig artikel 8, §1 van de Uitzendarbeidswet, slechts tot gevolg heeft dat de overeenkomst voor uitzendarbeid haar eigen karakter behoudt, maar overeenkomstig artikel 8, §1, vijfde lid voor onbepaalde duur geldt, met mogelijkheid van verkorte opzegging door de arbeidskracht
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: ARBEID - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Uitzendarbeid SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Terbeschikkingstelling Vrije woorden: Uitzendarbeid - Uitzendarbeidswet - Uitzendbureau - Terbeschikkingstelling voor toegelaten arbeid - Niet naleven van vormvereisten Wettelijke bepalingen:
Art. 8
, § 1 Fiche 3 Wanneer evenwel wordt vastgesteld dat de uitzendkracht tewerkgesteld wordt voor een niet in het kader van uitzendarbeid toegelaten tijdelijke arbeid, is de overeenkomst voor uitzendarbeid overeenkomstig artikel 31,§ 2 van de Uitzendarbeidswet, die van openbare orde is, nietig vanaf de verboden terbeschikkingstelling, zodat vanaf dat ogenblik de overeenkomst tussen uitzendkracht en het uitzendbureau van rechtswege eindigt, zoals ook bepaald in artikel 9 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr.58, op 7 juli 1994 gesloten in de nationale Arbeidsraad, en vanaf dat ogenblik de gebruiker en de werkkracht overeenkomstig artikel 31,§ 3 worden beschouwd als zijnde verbonden door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur, met evenwel een mogelijkheid tot onmiddellijke beëindiging door de werkkracht
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: ARBEID - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Uitzendarbeid SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Terbeschikkingstelling Vrije woorden: Uitzendarbeid - Uitzendarbeidswet - Uitzendbureau - Terbeschikkingstelling voor niet toegelaten arbeid Wettelijke bepalingen:
Art. 31Koninklijk Besluit - 23-09-1994 - Art.
9 Fiche 4 Overeenkomstig artikel 31, §4 zijn dan de gebruiker en de persoon, ook het uitzendbureau, die een werknemer of werknemers ter beschikking stelt van de gebruiker in strijd met de bepalingen van paragraaf, hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale bijdragen, lonen, vergoedingen en voordelen die uit de bij paragraaf 3 bedoelde overeenkomst voortvloeien
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: LOON - RECHT OP LOON UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Uitzendarbeid SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Terbeschikkingstelling Vrije woorden: Uitzendarbeid - Uitzendarbeidswet - Uitzendbureau - Terbeschikkingstelling voor niet toegelaten arbeid - Gehoudenheid tot betaling van sociale bijdragen en loon Wettelijke bepalingen:
Art. 31Fiches 5 - 8 Concl.
adv.-gen. Mortier, Cass., 1 dec. 2008, AR S.07.0043.N, A.C., 2008, nr. .... Thesaurus CAS: ARBEID - ALGEMEEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Uitzendarbeid SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Terbeschikkingstelling Vrije woorden: Uitzendarbeid - Uitzendarbeidswet - Toepassingsvoorwaarden - Uitzendbureau - Terbeschikkingstelling voor andere arbeid dan in deze wet bedoeld - Aard van de terbeschikkingstelling Uitzendarbeid - Uitzendarbeidswet - Uitzendbureau - Terbeschikkingstelling voor toegelaten arbeid - Niet naleven van vormvereisten Uitzendarbeid - Uitzendarbeidswet - Uitzendbureau - Terbeschikkingstelling voor niet toegelaten arbeid Thesaurus CAS: LOON - RECHT OP LOON UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Uitzendarbeid SOCIAAL RECHT - ARBEID - Tijdelijke en uitzendarbeid - Terbeschikkingstelling Vrije woorden: Uitzendarbeid - Uitzendarbeidswet - Uitzendbureau - Terbeschikkingstelling voor niet toegelaten arbeid - Gehoudenheid tot betaling van sociale bijdragen en loon Tekst van de conclusie S.07.0043.N Conclusie van advocaat-generaal Mortier
- Situering Eiseres is een door het Vlaams gewest erkend uitzendkantoor. Eerste verweerster is een actrice die in de periode van 25 juni 2002 tot 25 juli 2002 en de periode van 26 juli 2002 tot 25 augustus 2002 tijdelijke arbeid verrichtte voor tweede verweerster. De oorspronkelijke vordering van eerste verweerster strekte er onder meer toe van beide andere partijen uitbetaling van achterstallig loon te bekomen voor de tewerkstelling in de periode van 25 juli 2002 tot 25 augustus 2002, alsook van een verbrekingsvergoeding, en tevens eiseres te horen veroordelen tot betaling van loon hoofdens uitzendarbeid in het kader van een andere prestatie.
- Bespreking. 2.
- Er bestaat geen betwisting over het feitelijk gegeven dat eerste verweerster als actrice, via tussenkomst van eiseres als erkend uitzendbureau tijdelijke arbeid verrichtte bij tweede verweerster als gebruiker. De problematiek die zich, ingevolge de door eerste verweerster gestelde vordering, ontwikkelde had betrekking op de aard van de juridische verhouding tussen eiseres en eerste verweerster enerzijds en tussen eerste verweerster en tweede verweerster anderzijds, meer bepaald of een al dan niet regelmatige arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid voorlag, hetgeen implicaties had op de gehoudenheid tot betaling van het verschuldigd loon. 2.
- Nadat de eerste rechter bij vonnis van 1 september 2004 de herleide vordering van eerste verweerster ontvankelijk en gegrond verklaarde en eiseres en tweede verweerster solidair veroordeelde beslisten de appelrechters bij tussenarrest van 26 oktober 2005 de debatten te heropenen teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen over de volgende vragen: - Bestond of werd voor de periode van 26 juli 2002 tot 25 augustus 2002 tussen eiseres en eerste verweerster een al of niet regelmatige arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid aangegaan en wat zijn de gevolgen daarvan voor beide partijen - voor zover de tewerkstelling van eerste verweerster een toegelaten tijdelijke arbeid in de zin van de uitzendarbeidswet betrof - wat vooralsnog niet is aangetoond - dienen de naleving van de vormvoorwaarden van artikel 8 van de uitzendarbeidswet en de gevolgen daarvan voor de uitzendkracht en het uitzendbureau nader onderzocht te worden - eiseres stelt in haar conclusies dat zij als uitzendbureau in de culturele sector werd erkend vanaf december 2003, dit is na de tewerkstellingsperiode van eerste verweerster. Het is dus de vraag of eerste verweerster in de periode van 25 juni 2002 tot 25 juli 2002 als uitzendkracht door een uitzendbureau werd tewerkgesteld bij de gebruiker ofwel door een rechtspersoon verboden ter beschikking werd gesteld van de tweede verweerder. De appelrechters beslisten bij ditzelfde tussenarrest dat uit het dossier niet blijkt dat de tewerkstelling van eerste verweerster in de periode van 25 juni 2002 tot 25 juli 2002 voldeed aan de voorwaarden van artikel 8, 3° en 4° lid van de Uitzendarbeidswet. In het eindarrest van 26 april 2006 stelden de appelrechters nogmaals dat "omdat partijen betwisting voerden over de uitvoering van een overeenkomst voor uitzendarbeid tussen de eiseres als -thans blijkt erkend- uitzendbureau en de eerste verweerster als uitzendkracht bij de tweede verweerster zonder te concluderen over de toepassing van de Uitzendarbeidswet van 24 juli 1987, in het tussenarrest de principes werden uiteengezet en partijen werden uitgenodigd om te concluderen over de tewerkstelling van eerste verweerster als uitzendkracht in de periodes van 25 juni 2002 tot 25 juli 2002 en van 26 juli 2002 tot 25 augustus
- Meer in het bijzonder stelde zich de vraag of er in de periode van 26 juli 2002 tot 25 augustus 2002 tussen eiseres en eerste verweerster een al of niet regelmatige overeenkomst voor uitzendarbeid bestond of werd aangegaan en wat de gevolgen daarvan zijn voor beide partijen".
- Het middel 3.
- Beoordeling ingeval twee afzonderlijke periodes van tewerkstelling worden onderscheiden. Uit de onder 2.
- vermelde overwegingen kan afgeleid worden dat de appelrechters de regelmatigheid van de tewerkstelling van eerste verweerster voor de periode van 25 juni 2002 tot 25 juli 2002 koppelen aan het erkend zijn van eiseres als uitzendbureau en zij oordelen dat, nu deze erkenning voorligt, er een overeenkomst voor uitzendarbeid bestond, die evenwel, blijkens pagina 7 onderaan van het arrest, niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8 van de Uitzendarbeidswet. De voorafgaande vaststelling van de appelrechters op pagina 7 van het arrest, dat "in het voorliggend geschil niet is aangetoond dat de eerste verweerster, als uitzendkracht door eiseres, als uitzendbureau, werd ter beschikking gesteld en door de tweede verweerder als gebruiker werd tewerkgesteld voor de uitvoering van toegelaten tijdelijke arbeid in de zin van de uitzendarbeidswet", kan in deze omstandigheden enkel betrekking hebben op de tewerkstelling van eerste verweerster in de periode van 26 juli 2002 tot 25 augustus
- In deze hypothese mist het tweede onderdeel van het middel feitelijke grondslag waar het er van uitgaat dat de beslissing van de appelrechters "dat niet is aangetoond dat eerste verweerster als uitzendkracht werd tewerkgesteld voor de uitvoering van toegelaten tijdelijke arbeid in de zin van de uitzendarbeidswet" betrekking heeft op zowel de periode van 25 juni 2002 tot 25 juli 2002 als de periode van 26 juli 2002 tot 25 augustus
- Het eerste onderdeel van het middel heeft betrekking op de beoordeling van de appelrechters dat de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid niet van rechtswege beëindigd was en eiseres als uitzendkantoor en werkgever het loon verschuldigd is tot de beëindiging van de tewerkstelling van eerste verweerster bij tweede verweerster. De appelrechters stellen vast dat het feit dat de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid die betrekking heeft op de periode van 25 juni 2002 tot 25 juli 2002 niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8 van de Uitzendarbeidswet, nu ze alleszins niet tijdig schriftelijk werd vastgesteld, tot gevolg heeft dat voor deze overeenkomst uitsluitend de regels inzake de voor onbepaalde tijd gesloten overeenkomsten met de appellante gelden. Zij maken hierbij correcte toepassing van artikel 8 van de Uitzendarbeidswet dat bepaalt: "De bedoeling een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid te sluiten moet, voor iedere werknemer afzonderlijk, door beide partijen schriftelijk worden vastgelegd uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer voor de eerste maal in dienst treedt voor het uitzendbureau. De overeenkomst moet schriftelijk worden vastgesteld uiterlijk binnen twee werkdagen te rekenen vanaf het tijdstip waarop de werknemer in dienst treedt. Bij ontstentenis van een geschrift overeenkomstig de twee vorige leden gelden voor deze overeenkomst uitsluitend de regels inzake de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomsten. In dat geval kan de werknemer echter binnen zeven dagen volgend op het verstrijken van de in het vierde lid bepaalde termijn, zonder opzegging noch vergoeding, een einde maken aan de overeenkomst." Het arbeidshof gaat er van uit dat voor wat de periode van 25 juni 2002 tot 25 juli 2002 betreft er sprake is van een (inhoudelijk) regelmatige overeenkomst voor uitzendarbeid die evenwel niet voldoet aan de formele voorwaarden bepaald in artikel 8 van de Uitzendarbeidswet. Het gevolg van deze vaststelling is dat op de overeenkomst, die was aangegaan voor een bepaalde duur namelijk tot 25 juli 2002, uitsluitend de regels inzake de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomsten van toepassing zijn. De overeenkomst verstrijkt dus niet door het bereiken van de vooraf bepaalde einddatum. Evenmin kunnen de andere regels, van toepassing indien een zowel inhoudelijk als formeel regelmatige overeenkomst voor uitzendarbeid voorligt, in deze toepassing vinden. Eiseres verwijst naar artikel 9 van CAO nr.58 van 7 juli 1994 waarin wordt bepaald dat de arbeidsovereenkomst tussen het uitzendbureau en de uitzendkracht is beëindigd en de uitzendkracht en de gebruiker zijn verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd indien de gebruiker een uitzendkracht die hem ter beschikking is gesteld door een uitzendbureau in strijd met de bepalingen van artikel 21 van de wet van 24 juli 1987 tewerkstelt met het oog op het verrichten van een andere dan de bij artikel 1 van genoemde wet en onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst bedoelde of toegelaten arbeid. De appelrechters hebben met betrekking tot de periode van 26 juli 2002 tot 25 augustus 2002 vastgesteld dat niet is aangetoond dat de uitzendkracht werd ter beschikking gesteld voor het verrichten van toegelaten arbeid in de zin van de uitzendarbeidswet. Rekening houdend met het bepaalde in artikel 9 van CAO nr.58 zou dit tot gevolg hebben dat de overeenkomst tussen uitzendbureau en uitzendkracht van rechtswege eindigt. Dit is evenwel enkel zo indien een inhoudelijk en formeel regelmatige overeenkomst voor uitzendarbeid voorligt, hetgeen te dezen niet het geval is nu de appelrechters vaststellen dat de voorwaarden van artikel 8 van de Uitzendarbeidswet niet vervuld zijn. De bepaling van artikel 9 CAO nr.58 kan dus geen toepassing vinden nu uitsluitend de regels inzake de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomsten van toepassing zijn. De appelrechters gaan er dus ten onrechte van uit dat het niet naleven van de voorwaarden van artikel 8 van de Uitzendarbeidswet, niet uitsluit dat overeenkomstig de bijzondere en de specifieke regelingen voor de arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid, zoals bepaald in artikel 20 van de uitzendarbeidswet van 24 juli 1987 en artikel 9 van CAO nr.58 van 7 juli 1994, eiseres de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid kon vaststellen omdat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aanving tussen de uitzendkracht en de gebruiker, gezien de gebruiker de uitzendkracht tewerkstelde in strijd met de bepalingen van de artikelen 21 en 23 van de uitzendarbeidswet (toegelaten tijdelijke arbeid). De beslissing van de appelrechters dat de onregelmatige arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid tussen eiseres en eerste verweerster geen einde nam is wel correct, niet omwille van de onterecht aangenomen reden dat eiseres niet de beëindiging heeft vastgesteld maar wel omdat overeenkomstig artikel 8 van de Uitzendarbeidswet uitsluitend de regels van de voor onbepaalde tijd gesloten overeenkomsten van toepassing zijn. Hun beslissing dat eiseres als uitzendkantoor en werkgever het loon verschuldigd is aan eerste verweerster tot de beëindiging van haar tewerkstelling bij de tweede verweerder blijft op grond van deze bepalingen naar recht verantwoord. Het onderdeel, zelfs al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. 3.
- Beoordeling ingeval de tewerkstelling tijdens de twee periodes als één geheel wordt beschouwd. Evenwel zou het arrest ook in die zin kunnen gelezen worden dat de vaststelling van de appelrechters op pagina 7 van het arrest, dat "in het voorliggend geschil niet is aangetoond dat de eerste verweerster, als uitzendkracht door eiseres, als uitzendbureau, werd ter beschikking gesteld en door de tweede verweerder als gebruiker werd tewerkgesteld voor de uitvoering van toegelaten tijdelijke arbeid in de zin van de uitzendarbeidswet", betrekking heeft op de globale tewerkstelling van eerste verweerster en dit dus zowel in de periode van 25 juni 2002 tot 25 juli 2002 als in de periode van 26 juli 2002 tot 25 augustus
- De appelrechters gaan er in die hypothese van uit dat de tewerkstelling van eerste verweerster geen regelmatige uitzendarbeid was in de zin van Hoofdstuk II van de Uitzendarbeidwet. Wat is het lot van dergelijke overeenkomst? Uit de voorbereidende werken
(1)bij de totstandkoming van de wet betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikkingstellen van werknemers ten behoeve van gebruikers blijkt dat deze wet het specifieke karakter van de tijdelijke arbeid wou waarborgen door precies te omschrijven in welke gevallen en volgens welke procedure de werkgever op de tijdelijke arbeid een beroep kan doen. Welke tijdelijke arbeid de specifieke regeling zoals voorzien door de UAW viseert blijkt uit artikel 1 van de wet. Tijdelijke arbeid die niet onder toepassing van het bepaalde in artikel 1 valt is bijgevolg van de toepassing van de wet uitgesloten. De memorie van toelichting bij het wetsontwerp, vermeldt dat er geen enkel verbod is om voor het uitvoeren van tijdelijke werken, die niet beoogd zijn in dit ontwerp van wet, op grond van de regels van de wetten op de arbeidsovereenkomsten werknemers in dienst te nemen door een overeenkomst voor bepaalde duur, door een overeenkomst voor een duidelijk omschreven werk of door een vervangingsovereenkomst. Tegen een dergelijke indienstneming voor de uitvoering van tijdelijke werkzaamheden bestaat evenmin enig verbod in zoverre de werkgever afziet van de voordelen van de in artikel 3 (opeenvolgende overeenkomsten) en artikel 5 (proeftijd van drie dagen) voorkomende bepalingen die een afwijking inhouden op de regels zoals voorzien in de wetten op de arbeidsovereenkomsten. Een toepassing hiervan blijkt uit artikel 20.2° luidens hetwelk de gebruiker en de uitzendkracht worden geacht verbonden te zijn door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur indien de gebruiker de uitzendkracht tewerkstelt buiten de in artikel 21 bepaalde gevallen, dit is wanneer tijdelijke arbeid wordt verricht die niet bedoeld wordt in artikel 1 van de wet. De wetgever ging bij het tot stand komen van de wet uit van een zeer strikte afbakening van de voorwaarden waaronder uitzendarbeid werd toegelaten en van een principieel verbod van terbeschikkingstelling. De reglementering die op uitzendarbeid van toepassing was werd opgenomen onder Hoofdstuk II van de wet, de niet toegelaten terbeschikkingstelling werd opgenomen in Hoofdstuk III. De bepalingen van Hoofdstuk I en II van de uitzendarbeidswet kunnen mijns inziens enkel toegepast worden indien tijdelijke arbeid in de zin van artikel 1 wordt gepresteerd en een uitzendbureau kan slechts als uitzendbureau in de zin van de uitzendarbeidswet beschouwd worden indien (volgens de definitie in artikel 7) uitzendkrachten in dienst worden genomen om hen ter beschikking te stellen van gebruikers met het oog op het uitvoeren van bij of krachtens hoofdstuk 1 van de wet toegelaten tijdelijke arbeid. Het middel gaat ervan uit dat indien een gebruiker een uitzendkracht tewerkstelt in strijd met het bepaalde in artikel 21 van de wet, de overeenkomst tussen uitzendbureau en uitzendkracht van rechtswege beëindigd wordt op grond van artikel 9 van de CAO nr.58. Dit standpunt is correct, maar enkel in de veronderstelling dat de ter beschikkingstelling door het uitzendbureau zelf regelmatig was. Indien de appelrechters aannemen, zoals hiervoor uiteengezet, dat de uitgevoerde arbeid geen toegelaten arbeid is in de zin van artikel 1 van de UAW, heeft dit voor gevolg dat de overeenkomst tussen appellante en eerste verweerster geen arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid was in de zin van de UAW. In dit geval komt de toepassing van artikel 8 mijns inziens niet ter sprake, nu dit artikel enkel kan toegepast worden indien er sprake is van een regelmatige terbeschikkingstelling die evenwel niet schriftelijk werd geattesteerd. Evenmin komt de toepassing van artikel 9 van de CAO nr. 58 ter sprake omdat dit artikel mijns inziens enkel kan toegepast worden indien het uitzendbureau regelmatig handelt en een persoon regelmatig ter beschikking stelt, maar de gebruiker de hem terbeschikkinggestelde persoon niet regelmatig (in de zin van gebruiken voor het verrichten van niet toegelaten arbeid in de zin van de UAW) tewerkstelt. Indien aangenomen wordt dat appellante eerste verweerster terbeschikkingstelde voor het verrichten van niet toegelaten arbeid, verricht appellante een verboden terbeschikkingstelling. Artikel 7 van de UAW bepaalt immers dat een uitzendbureau een onderneming is waarvan de activiteit erin bestaat uitzendkrachten in dienst te nemen, om hen ter beschikking te stellen van gebruikers met het oog op de uitvoering van een bij of krachtens hoofdstuk I van deze wet toegelaten arbeid. Uit de reeds vermelde memorie van antwoord
(2)blijkt dat deze definitie de drie hoofdbestanddelen van een arbeidsovereenkomst bevat, namelijk de verhouding van ondergeschiktheid tussen de uitzendkracht en het uitzendbureau, de arbeid die bij de gebruiker wordt verricht en het loon dat door het uitzendbureau moet betaald worden. Het uitzendbureau is dus de werkgever van de uitzendkracht daar de verhouding van ondergeschiktheid tot stand komt tussen dat bureau en de uitzendkracht. Het feit dat de uitzendkracht zijn arbeid in de onderneming van de gebruiker uitvoert en dat deze hem richtlijnen kan geven belet niet dat de uitzendkracht onder het algemeen gezag van het uitzendbureau blijft staan. Indien de uitzendkracht wordt terbeschikking gesteld aan de gebruiker voor het uitvoeren van niet door de wet geviseerde arbeid, treedt het uitzendbureau niet op als uitzendbureau in de zin van artikel 7 van de UAW, maar wel als onderneming-werkgever en is de uitzendkracht in dat geval geen uitzendkracht in de zin van de UAW, maar een werknemer die wordt terbeschikkinggesteld. Tussen hen zal een arbeidsovereenkomst tot stand komen die enkel beheerst wordt door de regels van de gewone arbeidsovereenkomstenwet. Op dergelijke onderneming, die dan geen uitzendbureau in de zin van Hoofdstuk II van de UAW is, zijn de bepalingen van Hoofdstuk III van toepassing. En dus ook artikel 31§4 volgens hetwelk de gebruiker en de persoon die werknemers ter beschikking stelt van de gebruiker in strijd met de bepalingen van §1 hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de sociale bijdragen, lonen, vergoedingen en voordelen die uit de bij §3 bedoelde overeenkomst voortvloeien. Voor zover zou opgeworpen worden dat dit standpunt in strijd is met het arrest nr. 62/01 van 8 mei 2001van het Arbitragehof kan opgemerkt worden dat het Arbitragehof gevat was door een prejudiciële vraag met betrekking tot een interpretatie die de verwijzende rechter aan artikel 31, §4 had gegeven. De verwijzende rechter had drie mogelijke interpretaties onderzocht en besloten met betrekking tot de derde interpretatie (artikel 31, §4 is niet van toepassing op de uitzendbureau's) de vraag naar de strijdigheid met de artikelen 10 en 11 te stellen. Het Arbitragehof dient uitsluitend en in abstracto te oordelen over de grondwettigheid van een bestreden wettelijke norm in een vooropgestelde interpretatie. De interpretatie van de bestreden norm zelf behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de verwijzende rechter. Evenmin kan het Arbitragehof uitspraak doen over de precieze draagwijdte van de voorgelegde wettelijke norm. De interpretatie van de betwiste norm door de verwijzende rechter bindt het Arbitragehof en vormt de vertrekbasis voor de toetsing van de norm aan de Grondwet ook al is die interpretatie manifest fout. In die zin kunnen de prejudiciële arresten van het Arbitragehof geen enkele precedentswaarde hebben op het vlak van wetsinterpretatie; dat geldt zowel voor het toepassingsgebied als voor de inhoudelijke draagwijdte van de betrokken norm. In de formulering van zijn prejudiciële arresten zal het Arbitragehof trouwens vaak vermijden zelf stelling te nemen omtrent de interpretatie van de voorgelegde norm
(3). Het gebruikt daartoe uitdrukkingen zoals "in zoverre", "gelezen als" of "in de mate dat". Ook in het arrest 62/01 wordt de nuance "in zoverre dat" gebruikt. Indien het arbitragehof bijgevolg de wetsinterpretatie hanteert die de prejudiciële vraag suggereert of vooropstelt, berust zulks trouwens niet op een oordeel van het Arbitragehof maar op de verplichte mechanische toepassing van de interpretatie die uitgaat van de verwijzende rechtbank. Dat het Arbitragehof de interpretatie van de verwijzende rechtbank zonder meer aanhoudt, betekent met andere woorden geen uitspraak over de juridische waarde van die interpretatie. Het staat elke rechter vrij alsnog een andere interpretatie aan te houden. Ook Uw Hof heeft onder andere bij arrest van 15.11.1993
(4)beslist dat de bevoegdheid om te wet te interpreteren toekomt aan de rechter en niet aan het Arbitragehof. Overeenkomstig de artikelen 31, §2 en §3 heeft een verboden terbeschikkingstelling tot gevolg dat de overeenkomst tussen appellante en eerste verweerster nietig is vanaf het begin van de uitvoering van de arbeid en tussen eerste verweerster en tweede verweerster een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur ontstaat. Krachtens artikel 31, §4 zijn in die omstandigheden zowel appellante als uitzendbureau als tweede verweerster als gebruiker hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van het verschuldigd loon. Op grond van deze in de plaats gestelde redenen mocht het arrest door bevestiging van het eerste vonnis eiseres en tweede verweerster solidair veroordelen tot het betalen aan eerste verweerster van het door haar gevorderde loon voor de periode van 26 juli 2002 tot 25 augustus 2002. Het middel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Conclusie: VERWERPING. ________________
(1)Wetsontwerp betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, Parl. St; Kamer, 1986-1987, 762/1.
(2)Wetsontwerp betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, Parl. St; Kamer, 1986-1987, 762/1, 5.
(3)M. De Vos, Het Arbitragehof en het arbeidsrecht, in Actuele problemen van arbeidsrecht 6, 2001, p. 71 en volgende.
(4)Cass., 15 november 1993, A.R. 9147, A.C. 1993, nr.459. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081201.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div