← België

ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081205.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 05 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081205.6 Rolnummer: C.07.0057.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-01-07 Raadplegingen: 268 - laatst gezien 2026-07-03 01:56 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081205.6 Fiches 1 - 2 Het instellen van een vordering tot uitlegging of verbetering van een vonnis heeft niet tot gevolg dat de uitvoerbare kracht ervan geschorst wordt; dit is evenmin het geval voor de tenuitvoerlegging van de aan het uit te leggen of te verbeteren vonnis verbonden dwangsom

(1).
(1)Zie de concl. O.M. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Verjaring Vrije woorden: Vordering tot uitlegging of verbetering - Uitvoerbare kracht - Dwangsom Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2251 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 793, 794 en 1385octies Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Verjaring Vrije woorden: Vordering tot uitlegging of verbetering van het veroordelend vonnis - Uitvoerbare kracht Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2251 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 793, 794 en 1385octies Fiches 3 - 4 Conc. adv.-gen. Dubrulle, Cass., 5 dec. 2008, AR C.07.0057.N, A.C., 2008, nr. ... Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Verjaring Vrije woorden: Vordering tot uitlegging of verbetering - Uitvoerbare kracht - Dwangsom Thesaurus CAS: DWANGSOM UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Verjaring Vrije woorden: Vordering tot uitlegging of verbetering van het veroordelend vonnis - Uitvoerbare kracht Tekst van de conclusie C.07.0057.N Conclusie van de heer advocaat-generaal G. Dubrulle
  1. De verweerster, Sony, exploiteert een aantal CD's die een inbreuk blijken uit te maken op de auteursrechten van de eiser. Bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 27 november 2000 wordt de verweerster een verbod opgelegd om de exploitatie en de verspreiding van de betrokken CD's verder te zetten. Daarbij wordt een dwangsom van 50.000 BEF per inbreuk (en per dag vertraging) opgelegd. Ook moeten de nog in omloop zijnde CD's uit de markt gehaald te worden, eveneens onder verbeurte van een dwangsom van 50.000 BEF per dag (en per inbreuk). Op 26 februari en 4 maart 2002 worden de eisers gedagvaard door de verweerster, teneinde van de appelrechters te Brussel een interpretatief arrest te bekomen (klaarblijkelijk omdat onduidelijk was welke specifieke inbreuken de verbeurte van dwangsommen tot gevolg hadden). Op 30 augustus 2002 werd een eerste bevel tot betaling van dwangsommen betekend. Op 11 februari 2003 werd het interpretatief arrest uitgesproken. Op 11 maart 2003 werden zowel het interpretatief arrest als een nieuw betalingsbevel betekend. De verweerster deed verzet tegen het bevel tot betaling bij de executierechter, die het betalingsbevel rechtmatig acht. Op haar hoger beroep beslist het bestreden arrest dat het betalingsbevel niet rechtmatig is, nu de dwangsommen voor de feiten beschreven in het P.V. van vaststelling van 27 augustus 2002 verjaard zijn. Het arrest neemt de exceptie van de verjaring van de verweerster aan en verwerpt het verweer van de eiser dat de verjaring geschorst werd tijdens de procedure tot interpretatie, op dagvaarding door de verweerster. In dit verweer en in hun cassatiemiddel voeren de eisers aan dat deze procedure een wettelijk beletsel is voor de tenuitvoerlegging van de dwangsom dat, overeenkomstig het artikel 1385octies, eerste, tweede en derde lid van het Gerechtelijk Wetboek, de verjaringstermijn van zes maanden na de dag waarop ze verbeurd is, schorst.
  2. In het eerste onderdeel voeren de eisers een schending aan van de motiveringsplicht (artikel 149 van de Grondwet), doordat de appelrechters niet antwoorden op dit verweer en namelijk "(niet) onderzoeken (...) of, gelet op de onzekerheid die er over de hoofdveroordeling bestond, eisers niet geacht moeten worden met het verbeuren van de dwangsom redelijkerwijze niet bekend te zijn geweest". Zij leiden hieruit ook een schending van het artikel 1385octies, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek af.
  3. In zoverre de schending van het artikel 149 van de Grondwet wordt aangevoerd, lijkt me verweerster in haar memorie van antwoord te moeten worden gevolgd: de grief dat de appelrechters bedoeld onderzoek niet deden lijkt me geen miskenning te zijn van de formele motiveringsplicht, zodat het onderdeel, in zoverre, niet ontvankelijk is. Het komt mij alleszins, in zoverre, ongegrond voor, nu het arrest het bedoelde verweer wel beantwoordt en namelijk met de reden dat "een procedure tot interpretatie van een vonnis bovendien ... (niet) verhinderde dat (de eisers) in elk geval de nodige bewarende maatregelen konden treffen door tijdig (...) een hernieuwd bevel tot betaling te laten betekenen". De overige aangevoerde schendingen houden geen zelfstandige grief in doch zijn louter afgeleid uit het vergeefs aangevoerd motiveringsgebrek. Het onderdeel is dus, in zoverre, niet ontvankelijk.
  4. Het tweede onderdeel "Contra non valentem agere non currit praescriptio". Hoewel de eisers zich (terecht) niet op dit adagium beroepen is het zinvol meteen te benadrukken dat het geen algemeen rechtsbeginsel is
(1)en dat het antwoord op de door het onderdeel gestelde vraag dus enkel in de wet kan gevonden worden (of in wat ze niet bepaalt). Het als geschonden aangewezen artikel 2251 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt: "De verjaring loopt tegen alle personen, behalve tegen hen voor wie de wet een uitzondering maakt." Aldus dient, voor het antwoord, nagegaan te worden of de bijzondere bepalingen betreffende de dwangsom, meer bepaald het eveneens door dit onderdeel geviseerd artikel 1385octies van het Gerechtelijk Wetboek, dergelijke uitzondering maakt.
  1. Er kan begrip getoond worden voor de opmerking van de verweerster dat het onderdeel onduidelijk is en derhalve niet ontvankelijk. De eisers voeren inderdaad twee verschillende wettelijke schorsingsgronden aan, deze van voormeld artikel 1385octies, tweede lid ("De verjaring wordt geschorst door faillissement en ieder ander wettelijk beletsel voor tenuitvoerlegging van de dwangsom.") en deze van het derde lid ("De verjaring wordt geschorst zolang degene die de veroordeling verkreeg met het verbeuren van de dwangsom redelijkerwijze niet bekend kon zijn."), zonder evenwel te preciseren welke van beide gronden in casu toepasselijk is en dus welk van beide leden van dat artikel 1385octies geschonden is, nu ze besluiten dat deze bepaling, zonder enig onderscheid, geschonden werd. De eigenlijke grief, namelijk dat "door de gerezen betwisting omtrent de draagwijdte van de hoofdveroordeling de dwangsom niet (kan) ten uitvoer worden gelegd", kan overigens bezwaarlijk ingepast worden in de tweede (door art. 1385octies, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde) in de aanhef van het onderdeel aangevoerde schorsingsgrond. Dezelfde opmerking geldt trouwens voor de in het middel geciteerde conclusie van de eisers, waarin ze zich weliswaar op art. 1385octies "§ 3" (dit is volgens de voorziening het derde lid) beroepen, doch evenmin de toepasselijke schorsingsgrond (van beide wettelijke) aanwijzen. In deze lezing is het onderdeel niet ontvankelijk, minstens in zoverre het voormeld derde lid viseert. Het is evenmin ontvankelijk in zoverre het de schending van de artikelen 793 en 795 van het Gerechtelijk Wetboek viseert, nu het ook niet preciseert hoe deze bepalingen geschonden zijn en meer bepaald niet aangevoerd wordt dat de dwangsomrechter (i.c. de appelrechters) niet zelf zijn arrest interpreteert.
  2. In de lezing dat de in het tweede lid, van artikel 1385octies van het Gerechtelijk Wetboek, bedoelde schorsingsgrond door de appelrechters ten onrechte niet aanvaard werd, faalt het onderdeel naar recht. Het hierboven geciteerde artikel 2251 van het Burgerlijk Wetboek, krachtens hetwelk de wet de loop van de verjaring kan beletten, strekt ertoe dat deze niet verder loopt tegen de schuldeiser die, op een wettelijke grond, verhinderd wordt de uitvoering van de verbintenis van zijn schuldenaar te verkrijgen. Hierbij rijst dan, in dezen, de vraag of het instellen door de schuldenaar van een vordering tot uitlegging van het arrest, dat hem tot zodanige uitvoering dwingt, een wettelijk beletsel voor de schuldeiser uitmaakt. Deze vraag moet, m.i., ontkennend beantwoord worden. In tegenstelling tot verzet en hoger beroep
(2), rechtsmiddelen die, krachtens het artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek, (behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt) de tenuitvoerlegging van het bestreden eindvonnis schorsen, bestaat geen dergelijke uitdrukkelijke wettelijke bepaling tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis (of arrest) op de enkele grond dat een uitlegging (of verbetering) ervan gevorderd wordt
(3). Daarenboven wordt de interpretatie die het uitleggend of verbeterend vonnis geeft, geacht terug te werken tot op het ogenblik van uitspraak van het uitgelegde of verbeterde vonnis
(4). Nu dit uitgelegde of verbeterde vonnis wordt geacht van in den beginne de uitwerking te hebben gehad die het uitleggend of verbeterend vonnis eraan geeft
(5), is het moeilijk te vatten dat deze procedure enige schorsende werking zou hebben. De ontstentenis van een uitdrukkelijke wettelijke bepaling die in de schorsing voorziet bevestigt deze zienswijze. 7. Vervolgens dient nagegaan te worden of deze algemene regel zonder meer toepasselijk is op een vonnis (of arrest) dat een dwangsom oplegt, waarvan de uitlegging gevorderd wordt. De dwangsom vormt een accessorium van de hoofdveroordeling
(6), die noodzakelijkerwijze bestaat in het opleggen of verbieden van een bepaalde gedraging aan de veroordeelde
(7). Dit brengt met zich mee dat, zodra de tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling wordt geschorst, ook de mogelijkheid tot de verbeurte van de dwangsom wordt geschorst
(8). Dit betekent, omgekeerd, dat, wanneer de tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling niet wordt geschorst, de dwangsom kan verbeuren. Ook de verjaring van de reeds verbeurde dwangsom, door verloop van zes maanden na de dag van de verbeurte, wordt geschorst, (o.m.), door een wettelijk beletsel voor haar tenuitvoerlegging (art. 1385octies, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). In beginsel heeft de opschorting van de tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling dus hetzelfde gevolg op de verbeurte van de dwangsom en op de verjaring van de verbeurde dwangsom. Maar dus ook geen ander gevolg dan veroorzaakt door een "wettelijk beletsel". Zoals voor andere vonnissen
(9), heeft het instellen van een (door de wet voorzien) rechtsmiddel tegen dat vonnis schorsende werking
(10). Daaruit volgt dus dat de loutere aanhangigmaking van een vordering tot uitlegging (of verbetering) van het vonnis (of arrest) dat de dwangsom oplegt, door de wet niet als specifieke schorsingsgrond voorzien, geen beletsel vormt voor de invordering van verbeurde dwangsommen
(11). Artikel 1385octies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek - naar luid waarvan "de verjaring wordt geschorst door (...) ieder ander wettelijk beletsel voor tenuitvoerlegging van de dwangsom" - bevestigt overigens de voormelde algemene regel dat de verjaring niet loopt tegen degene die niet kan uitvoeren, voor zover dit tenminste een wettelijke basis heeft
(12). De procedure tot uitlegging heeft deze basis niet. Het valt op dat de auteurs, die stellen dat ze die wel heeft, daarvoor enkel verwijzen naar de (schaarse) rechtspraak terzake, zonder evenwel een standpunt nader te motiveren
(13). 8. Uit het louter bestaan van een procedure tot uitlegging (of verbetering) volgt overigens niet noodzakelijk dat de tenuitvoerlegging (van de dwangsom) onmogelijk wordt: als de vordering tot uitlegging een ander aspect dan de tenuitvoerlegging van de dwangsom betreft rijst er geen probleem. Wanneer de uitvoering toch op risico van de begunstigde van de dwangsom geschiedt, dienen, na het wijzen van het uitleggend vonnis, de onterecht betaalde dwangsommen eventueel terugbetaald te worden
(14). Vragen over de situatie waarin men verkeert, kunnen aan de executierechter (beslagrechter) worden voorgelegd
(15), die desnoods, indien hij dit nuttig acht, de uitvoering kan schorsen totdat het interpretatief vonnis is gewezen door de dwangsomrechter
(16). Dit is een feitelijke beoordeling. Er is dus geen nood aan een specifieke regeling die de schorsing van de verjaring van de verbeurte van de dwangsom als gevolg van een procedure tot uitlegging (of verbetering) dient mogelijk te maken. Bovendien bepaalt artikel 1385quinquies, van het Gerechtelijk Wetboek, uitdrukkelijk dat, indien de uitvoering van de hoofdveroordeling onmogelijk wordt, het aan de dwangsomrechter toekomt om deze op te schorten, te verminderen of zelfs op te heffen.
(17). Ook dit is overigens een feitelijke beoordeling. Er bestaan dus voldoende wettelijke mogelijkheden om aan "onredelijke situaties" het hoofd te bieden. Tot slot dient nog opgemerkt te worden dat de begunstigde van de dwangsom de verjaring kan stuiten door de eenvoudige betekening van o.m. een bevel tot betaling
(18), zodat desgewenst de periode waarin onzekerheid bestaat omtrent de omvang en draagwijdte van de dwangsomverplichtingen, kan gedekt worden in afwachting van de uitspraak van het uitleggend vonnis
(19)(of arrest). 9. Conclusie: verwerping. _____________________
(1)Cass., 2 jan. 1969, R.C.J.B., 1969, 91, noot DABIN, recent bevestigd door Cass., 30 juni 2006, A.R. C.04.0573.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060630.12, Pas., 2006, nr. 370.
(2)Deze beide rechtsmiddelen zijn gericht tegen uitspraken die gezag van gewijsde hebben; een uitleggend of verbeterend vonnis grijpt in op een uitspraak die reeds kracht van gewijsde heeft verkregen.
(3)Dat zulk vonnis kan pas gevorderd worden wanneer de uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen blijkt overigens uit de artikelen 798 en 799 Ger. Wb. Kracht van gewijsde betekent immers dat "voortaan de tenuitvoerlegging niet meer kan worden belet" (concl. A.G. KRINGS, voor Benelux-Gerechtshof, 5 juli 1985, A 84/3, Jur., 1985,
(120)122). Enkel vonnissen waarvan de uitvoering niet meer kan worden belet zijn voor uitlegging of verbetering vatbaar.
(4)Dit blijkt uit artikel 800 Ger. Wb., dat stelt dat van de interpretatieve of verbeterende uitspraak melding wordt gemaakt op de kant van het verbeterde of uitgelegde vonnis. Zie Cass., 1 februari 1990, A.R. 6425, A.C., 1989-1990, nr. 338 en R.W., 1990-1991,
(392)392-393.
(5)Beide beslissingen (verbeterde/uitgelegde en verbeterende/uitleggende uitspraak) maken één geheel uit. Zie Cass., 1 februari 1990, R.W., 1990-1991,
(392)393.
(6)K. WAGNER, Dwangsom, in A.P.R., Mechelen, Kluwer, 2003, 8, nr. 8
(7)"de reden van bestaan van de dwangsom ...[hangt] noodzakelijk af ... van het bestaan van de veroordeling" (concl. A.G. KRINGS, bij Benelux-Gerechtshof, 14 april 1983, A 82/8, Jur., 1983,
(88)89).
(8)Het zou immers "intrinsiek tegenstrijdig [zijn] ... te beslissen dat de dwangsom kan worden toegepast terwijl de uitvoering van het vonnis niet kan worden afgedwongen" (concl. AG. KRINGS voor Benelux-Gerechtshof, 5 juli 1985, A 84/3, Jur., 1985,
(120)128).
(9)Zie hierboven, randnummer 6.
(10)Concl. AG. KRINGS voor Benelux-Gerechtshof, 5 juli 1985, A 84/3, Jur., 1985,
(120)129.
(11)K. WAGNER, Dwangsom, in A.P.R., Mechelen, Kluwer, 2003, 153, nr. 166, met verwijzing naar Brussel, 29 februari 2000, J.T., 2000, 466. Zie nochtans nr. 194, waar de tegengestelde rechtspraak blijkbaar wordt bijgetreden .
(12)De Memorie van Toelichting bevat een aantal voorbeelden: het gerechtelijk akkoord, de aanvaarding van een nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving (K. WAGNER., 'Actuele problemen inzake dwangsom' in Goed Procesrecht - Goed Procederen. XXIXe Postuniversitaire cyclus Willy Delva, Antwerpen, Kluwer, p. 112-113, nr. 30).
(13)E. DIRIX, & K.BROECKX, , Beslag, in A.P.R., Antwerpen, Story, 2001, 60, nr. 80, punt n) in fine en K. WAGNER, 'Actuele problemen inzake dwangsom' in Goed Procesrecht - Goed Procederen. XXIXe Postuniversitaire cyclus Willy Delva, Antwerpen, Kluwer, p. 111, nr. 28; beide verwijzen naar Beslagr. Marche-en-Famenne, 30 januari 1996, J.L.M.B., 1996,
(475)475-477, hoewel dat vonnis later wordt hervormd door Luik, 26 juni 1997, J.L.M.B., 1997,
(1691)1691-1693, noot G. DE L.
(14)Concl. A.G. KRINGS bij Benelux-Gerechtshof, 14 april 1983, A 82/8, Jur., 1983,
(88)90.
(15)E. DIRIX, , 'Dwangsom en overmacht', noot onder Benelux-Gerechtshof, 25 mei 1999, R.W., 1999-2000,
(914)917; G. DE LEVAL, & J.VAN COMPERNOLLE, 'Les problèmes posés par l'exécution de l'astreinte', in Tien jaar toepassing van de dwangsom, I.T.O.A.U. (ed.), 1991,
(237)256 e.v., nr. 22.
(16)De bevoegdheid van de beslagrechter om de actualiteit of doeltreffendheid van de uitvoerbare titel na te gaan, werd erkend door Cass., 15 januari 1999, E.DIRIX, 'Dwangsom en overmacht', noot onder Benelux-Gerechtshof, 25 mei 1999, R.W., 1999-2000,
(914)917.
(17)I.VERNIMME, 'De stuiting van de verjaring van de dwangsom ingevolge een bevel tot betaling en de onmogelijkheid aan verplichtingen onder verbeurte van een dwangsom te voldoen', noot onder Brussel, 6 april 1995, A.J.T., 1995-96,
(172)174-176, in het bijzonder 175-176, nrs. 3-6; E.DIRIX, "Executieproblemen met betrekking tot de dwangsom" in De Dwangsom. Referatenbundel van de studiedag Jura Falconis, P. VAN ORSHOVEN, en E. DIRIX, (eds.), Leuven, Jura Falconis Libri, 1999, 50, nr. 24 in fine; K. WAGNER, Dwangsom, in A.P.R., Mechelen, Kluwer, 2003, 153, nr. 166.
(18)Dit wordt gegrond op artikel 2244 B.W., dat een ruime interpretatie dient te kennen - zie A.VAN OEVELEN, 'Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch privaatrecht', T.P.R., ,
(1755)1807-1808.
(19)De korte verjaringstermijn is ingegeven ter bescherming van de dwangsomplichtige, teneinde te beletten dat hij enorme dwangsommen zou verbeuren; het betalingsbevel dat die verjaring stuit is het middel waarmee de dwangsombegunstigde aangeeft dat hij wel degelijk de uitvoering van de hoofdveroordeling nastreeft. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081205.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060630.12 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260219.1N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.