id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.4 Rolnummer: F.07.0051.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-01-08 Raadplegingen: 227 - laatst gezien 2026-07-03 01:44 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.4 Fiche 1 Wie de investeringsaftrek vordert op vaste activa waarvan hij het gebruik in de zin van art. 75, 3°, van het W.I.B.
(1992)aan een derde overdraagt, moet bewijzen dat hij dit doet in de voorwaarden bepaald bij dit artikel, en inzonderheid dat de gebruikers het goed gebruikt hebben voor het verwerven van belastbare inkomsten
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Andere aftrekbare posten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Economische vrijstellingen Vrije woorden: Investeringsaftrek - Vaste activa - Gebruik overgedragen - Voorwaarden inzake aftrek - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 75, 2° en 3° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 12 december 2008, AR F.07.0051.N, A.C., 2008, nr. .... Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Andere aftrekbare posten UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Economische vrijstellingen Vrije woorden: Investeringsaftrek - Vaste activa - Gebruik overgedragen - Voorwaarden inzake aftrek - Bewijslast Tekst van de conclusie F.07.0051.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. Onderhavige zaak heeft betrekking op de vraag of een vennootschap die beroepsmatig werktuigen voor korte periodes verhuurt aan om het even welke klanten, aanspraak kan maken op een investeringsaftrek voor de aanschaffingsprijs van de verhuurde werktuigen. 2. De eiseres vroeg de bijkomende investeringsaftrek voor de voor verhuur bestemde werktuigen voor het eerst in het bezwaar tegen de betwiste belastingaanslag, onder verwijzing naar het cassatiearrest van 22 november 2001
(1). Het bezwaar werd afgewezen waarop de eiseres zich tot de fiscale rechter wendde. In eerste aanleg werd de bijkomende investeringsaftrek toegestaan. In hoger beroep werd de bijkomende aftrek verworpen omdat eiseres niet het bewijs heeft geleverd dat de verhuringen gebeurden aan natuurlijke personen die de gehuurde activa in België gebruikten voor het verwerven van belastbare inkomsten en die het gebruiksrecht van de goederen niet aan derden hebben afgestaan
- Krachtens artikel 75, 2° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (verder WIB 92), is de investeringsaftrek niet van toepassing op vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht met het doel het recht van gebruik ervan bij leasingcontract of bij een overeenkomst van erfpacht, opstal of enig gelijkaardig onroerend recht aan een derde over te dragen, in geval de vaste activa kunnen worden afgeschreven door de onderneming die het recht heeft verkregen. Krachtens artikel 75, 3° WIB 92, zoals gewijzigd bij wet van 28 december 1992, is de investeringsaftrek niet van toepassing op "vaste activa, indien het recht van gebruik ervan anders dan op de wijze vermeld sub 2°, is overgedragen aan een andere belastingplichtige, tenzij de overdracht gebeurt aan een natuurlijke persoon die de vaste activa in België gebruikt voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdraagt."
- In het eerste onderdeel van het enig middel voert de eiseres vooreerst aan dat uit de samenhang van artikelen 75, 2° en 75, 3° WIB 92 blijkt dat de investeringsaftrek enkel is uitgesloten indien "de economische eigendom" van de vaste activa op permanente of quasi-permanente wijze is overgedragen aan een derde en dat de investeringsaftrek derhalve niet uitgesloten is in geval van kortstondige verhuringen van de vaste activa. In de in artikel 75, 2° WIB 92 bedoelde gevallen (leasing, erfpacht, opstal of soortgelijke onroerende rechten) is het gebruiksrecht op permanente wijze aan een derde afgestaan. Volgens de eiseres viseert artikel 75, 3° WIB 92 enkel overeenkomsten die een zelfde resultaat beogen als de overeenkomsten bedoeld in 75, 2°, met name de min of meer permanente overdracht van de economische eigendom van het goed.
- Deze stelling vindt steun bij bepaalde auteurs.
- Zo kan een tekstargument worden aangevoerd. Artikel 75, 3° WIB 92 spreekt over "overgedragen aan een andere belastingplichtige" en "overdracht aan een natuurlijke persoon". Men zou hier kunnen uit afleiden dat alleen een exclusieve overdracht bedoeld is en een exclusieve overdracht is wellicht ook een permanente of quasi-permanente overdracht. Toch overtuigt dit tekstargument niet. Ook bij kortstondige verhuringen is het gebruik telkens opnieuw overgedragen aan "een persoon". De exclusieve en permanente overdracht is allicht het "quod plerumque fit", maar dat betekent niet dat ook niet-exclusieve, opeenvolgende overdrachten onder het toepassingsgebied van artikel 75, 3° WIB 92 kunnen vallen. De tekst van de wet noch de parlementaire voorbereiding bevatten aanwijzingen dat kortetermijnverhuringen uitgesloten zijn.
- In eerste aanleg besliste de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dat bij de in casu quo gedane kortetermijnverhuringen, niet door middel van huurcontracten of op andere wijze aan derden tegelijk het recht van gebruik wordt "overgedragen" in de zin van een min of meer duurzame overdracht in de werkelijke zin van dit laatste begrip
(2). 8. Auteur GARABEDIAN lanceerde reeds eerder de denkpiste dat alleen duurzame verhuringen zouden bedoeld zijn.
(3). Auteur VERBANCK vraagt zich af of, in geval de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige erin bestaat om het gebruik van activa kortstondig aan derden af te staan, niet kan worden verdedigd dat de belastingplichtige de eigenlijke gebruiker van de bewuste activa blijft en men bij verhuur geen rechten van gebruik overdraagt
(4). 9. Uit andere rechtspraak blijkt dat de rechtbanken de beperking van artikel 75, 3° WIB 92 toepassen op kortstondige verhuringen
(5)of minstens ervan uitgaan dat kortstondige verhuringen onder het toepassingsgebied van dat artikel kunnen vallen
(6). 10. Ook in de rechtsleer wordt artikel 75, 3° WIB 92 van toepassing geacht op verhuringen
(7). Volgens auteurs MALHERBE, DE WOLF en SCHOTTE beoogt artikel 75, 3° WIB 92 vooral de overdracht van het recht van gebruik krachtens een huurcontract
(8). 11. Bepaalde rechtspraak laat de investeringsaftrek toe als het afstaan (verhuren) van de activa gebeurt als onderdeel van een brede dienstverlening
(9). Ook de belastingadministratie heeft in het verleden om die reden de investeringsaftrek toegelaten voor onder meer hotels en rusthuizen, omdat de verhuring gepaard gaat met een uitgebreide dienstverlening
(10). Het Hof van Beroep te Brussel gaat er in zijn voormeld arrest van 11 oktober 2001 van uit dat de terbeschikkingstelling van tentoonstellingsstands niet als een verhuring, maar als een dienstprestatie moet worden beschouwd. A contrario kan hieruit worden afgeleid dat deze rechtspraak de investeringsaftrek uitgesloten acht indien de verhuur (zoals in voorliggend geval) niet gepaard gaat met een brede dienstverlening. 12. Uw Hof heeft in zijn arrest van 22 november 2001
(11), artikel 75, 3° WIB 92 toegepast op een hypothese van verhuur van tenten aan particulieren. Het Hof heeft in dat arrest weliswaar geoordeeld dat de verhuur van tenten aan particulieren geen uitsluiting van de investeringsaftrek tot gevolg heeft omdat er geen gevaar voor bestaat dat twee onderscheiden belastingplichtigen voor dezelfde activa zouden kunnen genieten van de investeringsaftrek, maar uit het arrest blijkt niettemin dat het Hof artikel 75, 3° WIB 92 principieel toepasselijk acht op opeenvolgende kortstondige verhuringen.
- Het eerste onderdeel faalt dan ook naar recht in zoverre het voorhoudt dat artikel 75, 3° WIB 92 enkel van toepassing is op permanente of quasi-permanente overdrachten van het gebruik van vaste activa.
- Het standpunt innemen dat artikel 75, 3° WIB 92 alleen permanente of quasi-permanente overdrachten van het gebruik van vaste activa beoogt, opent de deur voor misbruiken. Men kan dan immers aan de beperking ontsnappen door de permanente overdracht van het gebruik aan één derde te vervangen door meerdere opeenvolgende, in de tijd beperkte overdrachten aan diezelfde derde. Ook wordt dan de deur geopend voor omzeilingen waarbij verschillende vennootschappen of particulieren, die niet voor investeringsaftrek in aanmerking komen, via een vennootschap vaste activa aanschaffen, waarna het gebruik afwisselend aan die vennootschappen of particulieren wordt overgedragen (bijvoorbeeld de aanschaf door een vennootschap van medische apparatuur op verzoek van verschillende doktersvennootschappen die de apparatuur vervolgens afwisselend gebruiken. Uit de cassatiearresten van 22 november 2001
(12)en 27 juni 2002
(13)blijkt dat de mogelijkheid van omzeiling van de wet een determinerende rol speelt bij de interpretatie van artikel 75, 3° WIB
- Men kan natuurlijk de vraag kan stellen of het opportuun is dat echte verhuurfirma's die vaste activa voor korte tijd verhuren aan om het even wie, dus ook aan vennootschappen en particulieren, van de investeringsaftrek moeten worden uitgesloten voor de verhuurde activa. Maar de tekst van artikel 75, 3° WIB 92 laat niet toe dat de lege lata de investeringsaftrek wordt toegestaan aan dergelijke verhuurfirma's.
- Het toestaan van de investeringsaftrek aan de verhuurfirma's zou wel kunnen worden gegrond op de rechtsregel vervat in voormeld arrest van uw Hof van 22 november 2001
(14). Uit dat arrest volgt dat de investeringsaftrek kan worden toegestaan indien er geen gevaar voor is dat twee personen voor hetzelfde vast actief de investeringsaftrek genieten. Vermits de huurder van een vast actief niet voor investeringsaftrek in aanmerking komt, is er geen gevaar voor een dubbele aftrek. 16. Dit arrest werd in de rechtsleer sterk bekritiseerd, vooral omdat het Hof zich zou vergist hebben over wat de ratio legis is van artikel 75, 3° WIB 92
(15). Auteur GARABEDIAN stelt ook dat uw Hof in dit arrest een oplossing heeft bekrachtigd die tegen de wettekst ingaat door de in de parlementaire voorbereiding uitgedrukte doelstelling te laten prevaleren op de tekst van de wet
(16). 17. Het standpunt van uw Hof werd overigens niet gevolgd door het verwijzingshof waarnaar de zaak verwezen werd door het voormelde arrest van uw Hof van 22 november 2001
(17). Zulks was niet verwonderlijk nu uw Hof bij arrest van 27 juni 2002 inmiddels was teruggekomen op haar rechtspraak
(18). Het arrest van het verwijzingshof werd daarop op zijn beurt voor uw Hof betwist
(19). Het verwijzingshof meent dat de tekst van 75, 3° WIB 92 duidelijk is en de investeringsaftrek uitsluit indien het gebruik wordt overgedragen aan particulieren
(20). Het verwijzingshof stelt dat de Belgische Staat met reden doet gelden dat de stelling van het Hof van Cassatie dat de bepalingen in verband met de investeringsaftrek tot doel hebben te verhinderen dat twee verschillende belastingplichtigen de investeringsaftrek zouden toepassen op dezelfde vaste activa, enkel opgaat voor artikel 75, 2° WIB 92 maar niet voor artikel 75, 3° WIB
- Deze laatste bepaling strekt er volgens het verwijzingshof toe te vermijden dat belastingplichtigen die zelf geen recht hebben op de investeringsaftrek, het voordeel daarvan toch onrechtstreeks zouden genieten door de investering te laten verrichten door een andere belastingplichtige die wel recht heeft op de investeringsaftrek en die het recht van gebruik op deze investering vervolgens afstaat (anders dan bij leasing) aan de eerste belastingplichtige. Het Hof van Beroep te Brussel oordeelt dat de Belgische Staat uit de wetshistoriek met reden afleidt dat de wetgever heeft willen vermijden dat de investeringsaftrek wordt toegepast in alle gevallen waarin de activa worden gebruikt door huurders die, indien ze zelf eigenaar van de activa zouden zijn, de investeringsaftrek niet kunnen genieten, wat ook het geval is met activa die worden verhuurd aan natuurlijke personen die deze activa niet voor de uitoefening van een beroepswerkzaamheid gebruiken.
- In zijn arrest van 27 juni 2002
(21)is uw Hof terug gekomen op de rechtsregel verwoord in het arrest van 22 november 2001
(22). Het interpreteert de artikelen 75, 2° en 75, 3° WIB 92 nog steeds in het licht van de bedoeling van de wetgever, maar heeft die bedoeling veel ruimer opgevat en is daardoor terug nauwer gaan aansluiten bij de letter van de wet.
- Uw Hof oordeelt: "Dat uit de samenhang van het voornoemde artikel 75, 2°, met artikel 75, 3°, volgt dat vaste activa, waarvan het gebruik aan een derde is overgedragen op een andere wijze dan via een leasing-, erfpacht-, opstal- of soortgelijke overeenkomst, geen recht geven op investeringsaftrek, tenzij wanneer een gebruiker een natuurlijke persoon is die de activa in België gebruikt voor de exploitatie van een onderneming of voor de uitoefening van een vrij beroep, ambt, post of winstgevende activiteit, en voor zover hij het recht van gebruik van die activa op zijn beurt niet geheel of gedeeltelijk aan een derde overdraagt". Het Hof besluit daaruit uitdrukkelijk dat de activa waarvan het gebruik aan een rechtspersoon is overgedragen op een andere wijze dan vermeld in artikel 75, 2° WIB 92, niet voor investeringsaftrek in aanmerking komen. Het oordeelt dat de uitsluiting van elke overdracht aan een vennootschap beantwoordt aan de bedoeling van wetgever de mogelijkheden van investeringsaftrek te beperken. Op grond van deze rechtsregel is het verlenen van de investeringsaftrek aan zuivere verhuurfirma's die zich tot om het even wie richten, dus ook tot vennootschappen, thans in ieder geval uitgesloten.
- De appelrechters stellen vast dat de activiteit van de eiseres bestaat in de verhuring van werktuigen en kleine machines op korte termijn aan om het even welke klanten, zijnde particulieren, eenmanszaken, vennootschappen. Vermits de verhuring ook aan vennootschappen gebeurt, is de weigering van de investeringsaftrek door de appelrechters volledig in overeenstemming met het voormeld arrest van uw Hof van 27 juni
- Uw Hof overweegt in voormeld arrest van 27 juni 2002 ook: "Overwegende dat hieruit blijkt dat artikel 75, 3°, zoals het gewijzigd is, er niet alleen toe strekt te voorkomen dat belastingplichtigen die geen recht hebben tot investeringsaftrek de wet zouden omzeilen door het goed te laten kopen door een onderneming die wel in aanmerking kwam om het vervolgens te verhuren aan de buitenlandse of moedervennootschap, maar dat hierbij tevens de bedoeling voorzat te vermijden dat de vennootschappen de begrenzing van de investeringsaftrek zouden omzeilen". Aldus stapt uw Hof duidelijk af van de opvatting dat alleen in geval van mogelijkheid van dubbele aftrek, de investeringsaftrek uitgesloten is. Uw Hof erkent, anders dan in het eerdere arrest van 22 november 2001, dat de investeringsaftrek ook uitgesloten is wanneer personen die geen aanspraak kunnen maken op investeringsaftrek of slechts in beperkte mate van de investeringsaftrek kunnen genieten, de wettelijke beperkingen aan de investeringsaftrek kunnen omzeilen door het vast actief te laten verwerven door een vennootschap die wel de volledige investeringsaftrek kan genieten en het vervolgens in huur te nemen. Uw Hof erkent aldus dat de wetgever de bedoeling had om mogelijke misbruiken te voorkomen.
- De uitsluiting van de investeringsaftrek bij afstand van het recht van gebruik aan natuurlijke personen die het afgestane goed niet beroepsmatig aanwenden, is in overeenstemming met het doel van de wetgever om de mogelijkheden van investeringsaftrek te beperken en met het doel van de wetgever om misbruiken te voorkomen. Misbruik kan immers ook in hoofde van particulieren voorhanden zijn
(23). Particulieren hebben geen recht op investeringsaftrek. Indien zij een vast actief doen verwerven door een verbonden vennootschap die wel investeringsaftrek kan genieten en het vervolgens huren, genieten zij onrechtstreeks toch van de investeringsaftrek. Zo kunnen ook verschillende particulieren overeenkomen om via een vennootschap vaste activa aan te schaffen, waarna het gebruik afwisselend op basis van huurovereenkomsten aan die particulieren wordt overgedragen. Op die manier kunnen ook die particulieren op onrechtstreekse wijze genieten van de investeringsaftrek waarop zij geen recht hebben. De uitsluiting van de investeringsaftrek bij afstand aan particulieren, belet aldus dat personen die er geen recht op hebben toch van de investeringsaftrek genieten.
- Het eerste onderdeel voert ook de schending van artikel 1709 B.W. aan omdat artikel 75, 3° WIB 92 het heeft over de overdracht van het "recht van gebruik" van vaste activa, en de huurder geen "recht van gebruik" zou hebben maar slechts een vorderingsrecht op het genot van de zaak.
- Ook dit argument gaat niet op. Uit het feit dat artikel 75, 2° WIB 92 ook de leasing van vaste activa beoogt en uit het feit dat artikel 75, 3° WIB 92 overdrachten van het recht van gebruik op andere wijze dan vermeld sub 2° (leasing, erfpacht, opstal of enig gelijkaardig onroerend recht) bedoelt, blijkt dat niet alleen een zakenrechtelijk "recht van gebruik" is bedoeld, maar ook de overdracht van het gebruik als dusdanig (het genot).
- De meerderheidsopvatting binnen de rechtspraak
(24)en de rechtsleer
(25)acht artikel 75, 3° WIB 92 van toepassing op huurcontracten. De lange termijnverhuring wordt zelfs als hét typevoorbeeld van de in artikel 75, 3° bedoelde overdracht naar voren geschoven
(26). Auteur MEULEMEESTER meent daarentegen dat alleen de zakelijke rechten zijn bedoeld en niet de huur
(27). Auteur VERBANCK stelt zich de vraag of bij (kortstondige) verhuur rechten van gebruik worden overgedragen. Hij wijst erop dat sommige commentatoren stellen dat het Hof van Beroep te Antwerpen in zijn arrest van 18 maart 1996
(28)waarschijnlijk van oordeel was dat het gebruiksrecht niet was overgedragen in een geval waarin een firma die de verhuur van jachten als maatschappelijk doel had een jacht ter beschikking stelde van zijn zaakvoerder. 26. De Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen stelt uitdrukkelijk dat de bewoording "recht van gebruik" van artikel 75, 3° geenszins vereist dat het moet gaan om vestiging van een zakelijk recht in de zin van artikel 625 B.W.
(29). 27. Uit de omstandigheid dat uw Hof het in zijn arrest van 27 juni 2002
(30)stelselmatig heeft over het gebruik zonder meer, blijkt dat het Hof van oordeel is dat "het gebruik" in zijn dagdagelijkse betekenis wordt beoogd en niet alleen het zakenrechtelijke "recht van gebruik". Dat het Hof van oordeel is dat huur onder het toepassingsgebied van artikel 75, 3° valt, blijkt duidelijk uit volgende overweging in voormeld arrest van 27 juni 2002: "Overwegende dat hieruit blijkt dat artikel 75, 3°, zoals het gewijzigd is, er niet alleen toe strekt te voorkomen dat belastingplichtigen die geen recht hebben tot investeringsaftrek de wet omzeilen door het goed te laten kopen door een onderneming die wel in aanmerking kwam om het vervolgens te verhuren aan de buitenlandse of moedervennootschap..." Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (...) Besluit: VERWERPING. ARREST _________________
(1)A.R. F.00.0090.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011122.12, nr. 639.
(2)Rb. Antwerpen 29 juni 2005, F.J.F. 2006, nr. 2006/99.
(3)D. GARABEDIAN, "Un cas d'interprétation de la loi fiscale", in Liber Amicorum L Hinnekens, Brussel, Bruylant, 2002, 217, nr. 15.
(4)P. VERBANCK, Investeringsaftrek, Fiscale praktijkstudies nr. 23, Ced.Samsom, 2001, 35.
(5)Gent 8 juni 2000, T.F.R. 2002, nr. 2002/28; Brussel 21 september 2006, F.J.F. 2007, nr. 2007/136, Antwerpen 7 november 2006, Fisc.Act. 2007, afl. 6, 13.
(6)Rb. Antwerpen, 15 december 2004, T.F.R. 2005, nr. 2005/49.
(7)C. CHEVALIER, Vademecum vennootschapsbelasting, Larcier, 2004, 1193; JVD, "Verhuur en investeringsaftrek: slaat Cassatie de bal mis?", Fiscoloog 2002, afl. 835, 6.
(8)J. MALHERBE, M. DE WOLF en C. SCHOTTE, Droit fiscal. L'impôt des sociétés, Larcier, 1997, 228.
(9)Brussel, 11 oktober 2001, T.F.R. 2002, nr. 2002/29; Antwerpen, 4 mei 2004, besproken in Fisc.Act. 2004, afl. 24, 4, Rb. Brugge, 24 februari 2004, Fisc.Koer. 2004, 460; Contra: Gent 8 juni 2000, T.F.R. 2002, nr. 2002/28.
(10)Zie bespreking van de antwoorden op parlementaire vragen aan de minister van Financiën bij P. VERBANCK, Investeringsaftrek, Fiscale praktijkstudies nr. 23, Ced.Samsom, 2001, 36-38; Com.IB 92, nr. 68/23, p. 68/33.
(11)A.R. F.00.0090.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011122.12, nr. 639.
(12)A.R. F.00.0090.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011122.12, nr. 639.
(13)Cass. 27 juni 2002, A.R. F.00.0095.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020627.18, nr. 388.
(14)A.R. F.00.0090.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011122.12, nr. 639.
(15)D. GARABEDIAN, "Un cas d'interprétation de la loi fiscale", in Liber Amicorum L. Hinnekens, Brussel, Bruylant, 2002, 214 e.v., JVD, "Verhuur en investeringsaftrek: slaat Cassatie de bal mis?", Fiscoloog 2002, nr. 835, 6-7.
(16)D. GARABEDIAN, "Un cas d'interprétation de la loi fiscale", in Liber Amicorum L. Hinnekens, Brussel, Bruylant, 2002, 211.
(17)Brussel 21 september 2006, F.J.F. 2007, nr. 2007/136.
(18)Cfr. infra, dub nrs. 18 e.v.
(19)Zaak F.06.0129.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081114.8.
(20)In die zin ook J. MALHERBE, M. DE WOLF en C. SCHOTTE, Droit fiscal. L'impôt des sociétés, Larcier, 1997, 228.
(21)A.R. F.00.0095.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020627.18, nr. 388.
(22)A.R. F.00.0090.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011122.12, nr. 63.
(23)D. GARABEDIAN, "Un cas d'interprétation de la loi fiscale", in Liber Amicorum L. Hinnekens, Brussel, Bruylant, 2002, 216; JVD, "Verhuur en investeringsaftrek: slaat Cassatie de bal mis?", Fiscoloog 2002, nr. 835, 7.
(24)Brussel 21 september 2006, F.J.F. 2007, nr. 2007/136; Brussel 5 september 1996, zoals geciteerd in R. VERHOEVEN, Praktijkboek voor vennootschappen, Kluwer, 2001, 617; Gent 8 juni 2000, T.F.R. 2002, nr. 2002/28; Rb. Brugge, 24 februari 2004, besproken in Fisc.Act. 2004, afl. 16, 5.
(25)D. GARABEDIAN, "Un cas d'interprétation de la loi fiscale" in Liber Amicorum L. Hinnekens, Brussel, Bruylant, 2002, 210-211, nr. 6, W. ROBBEN, "Belastingregime van de NV" in De NV in de praktijk, Kluwer, losbl. II.2.1., nr. 4.7.3.2.; P. SALENS, "Noot bij Gent 8 juni 2000, A.F.T. 2001, 92; H. VAN OUYRYVE, "Investeringsaftrek en afstand van het recht van gebruik aan andere belastingplichtigen", T.F.R. 2005, 509, P. VERBANCK, Investeringsaftrek, Fiscale praktijkstudies nr. 23, Ced.Samsom, 2001, 34.
(26)JVD, "Verhuur en investeringsaftrek: slaat Cassatie de bal mis?", Fiscoloog 2002, afl. 835, 6.
(27)J. MEULEMEESTER, "De overdracht van het recht van gebruik en de investeringsaftrek: hoe een ruim geïnterpreteerde wettekst het doel van de wet kan voorbijschieten" T.F.R. 2002, 370.
(28)Antwerpen 18 maart 1996, F.J.F. 1996, nr. 96/204; Fisc.Koer. 1996, 300.
(29)Rb. Antwerpen 29 juni 2005, F.J.F. 2006, nr. 2006/99.
(30)A.R. F.00.0095.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020627.18, nr. 388. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011122.12 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020627.18 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081114.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div