id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.5 Rolnummer: F.07.0072.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-01-08 Raadplegingen: 365 - laatst gezien 2026-07-03 01:47 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.5 Fiche 1 De aanzuivering door de ontvanger der directe belastingen van aan een belastingschuldige terug te geven sommen op de door die belastingschuldige verschuldigde belastingen, maakt een door de wet opgelegde wijze van betaling bij wege van schuldvergelijking uit waarop de voorwaarden van de artikelen 1413 en 1415 van het Ger. W. niet van toepassing zijn; de aanzuivering is uitdrukkelijk toegelaten indien de aangezuiverde schuld geen zekere en vaststaande schuld is in de zin van artikel 410 van het W.I.B.
(1992), in welk geval ze tevens strekt tot zekerheid van de betaling van de betwiste schuld
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvergelijking FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Betwiste belastingen Vrije woorden: Belastingschuld - Aan belastingschuldige terug te geven sommen - Ontvanger der directe belastingen - Aanzuivering Fiche 2 De rechter kan, op vraag van de schuldenaar, de vrijgave van de door de ontvanger der directe belastingen op een betwiste schuld aangezuiverde som bevelen indien de betwisting hem kennelijk gegrond voorkomt
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvergelijking FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Betwiste belastingen Vrije woorden: Belastingschuld - Aan belastingschuldige terug te geven sommen - Ontvanger der directe belastingen - Aanzuivering - Toetsing door de rechter Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-08-1993 - Artt. 166, § 2 en § 3, en 143 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 12 dec. 2008, AR F.07.0072.N, A.C., 2008, nr. ... Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvergelijking FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Betwiste belastingen Vrije woorden: Belastingschuld - Aan belastingschuldige terug te geven sommen - Ontvanger der directe belastingen - Aanzuivering Belastingschuld - Aan belastingschuldige terug te geven sommen - Ontvanger der directe belastingen - Aanzuivering - Toetsing door de rechter Annotaties Publicaties: TFR - Gregory GOOSSENS; Over bisschoppen die nooit pastoor zijn geweest : het Hof van cassatie en het toetsing van de beslagrechter inzake fiscale schuldvergelijking - 2009, 636-644 Tekst van de conclusie F.07.0072.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: I. De feiten. De ontvanger der directe belastingen te Gent 2 heeft teruggaven in de personenbelasting waarop verweerders recht hadden, in 2004 en 2006 aangerekend op een betwiste aanslag in de personenbelasting voor aanslagjaar
- Verweerders hebben de aanwendingen betwist en kregen in eerste aanleg en in hoger beroep gelijk. De appelrechters bevelen de terugbetaling omdat de aanrekening op grond van artikel 166 § 3 KB/WIB 92 volgens hen een bewarend beslag uitmaakt, en in casu niet voldaan was aan de ter zake in de artikelen 1413 en 1415 Ger.W. gestelde voorwaarden. II. De voorziening in cassatie. In het enig middel tot cassatie voert eiser aan dat het bestreden arrest niet wettig heeft beslist dat de met toepassing van artikel 166, § 3 KB/WIB 92 verrichte fiscale schuldvergelijking als een bewarend beslag onder derden in eigen handen moet worden gekwalificeerd, noch wettig de teruggave heeft bevolen van de voor het aanslagjaar 2003 ingehouden fiscale terugbetalingen, op grond dat deze inhoudingen niet de toets van de artikelen 1413 en 1415 Ger.W. inzake het bewarend beslag konden doorstaan. III. Bespreking.
- Onderhavige betwisting noopt Uw Hof standpunt in te nemen omtrent de vraag of de "aanzuivering" door de fiscus van een terug te betalen som op een betwiste belastingschuld, waarin artikel 166, § 3 KB/WIB 92 voorziet, een bewarend beslag in eigen hand uitmaakt dan wel een schuldvergelijking. Indien de aanzuivering een bewarend beslag is, is het bestreden arrest correct, indien het om een schuldvergelijking gaat is het middel van de Staat mijns inziens gegrond en moet het bestreden arrest gecasseerd worden.
- Mijns inziens is de tekst van artikel 166 KB/WIB 92 zelf het belangrijkste argument dat pleit voor de kwalificatie van de in dat artikel voorziene aanzuivering als een wijze van betaling of een bijzondere fiscale schuldvergelijking. Artikel 166 bepaalt: §
- Het bepaalde van Boek III, Titel III, Hoofdstuk V, afdeling IV, van het Burgerlijk Wetboek, is inzake directe belastingen niet van toepassing. §
- Elke som die aan een belastingschuldige moet worden teruggegeven of betaald in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en de ermee gelijkgestelde belastingen of krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, kan door de ontvanger van de directe belastingen zonder formaliteit, overeenkomstig artikel 143, worden aangezuiverd op de door die belastingschuldige verschuldigde voorheffingen, belastingen en ermee gelijkgestelde belastingen in hoofdsom, opcentiemen, verhogingen, interesten en kosten. §
- In geval van bezwaar, van een in artikel 376 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aanvraag om ontheffing of van een vordering in rechte en in zover het geen zekere en vaststaande schuld in de zin van artikel 410van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreft, wordt de aanzuivering ingevolge § 2 verricht als bewarende maatregel in de zin van artikel 409 van hetzelfde Wetboek. Artikel 166 gebruikt zowel in paragraaf 2 als in paragraaf 3 de term "aanzuivering". Deze term wijst mijns inziens duidelijk op een aanwending van de terug te betalen som tot betaling van de verschuldigde belasting en dus op een soort van schuldvergelijking. De term "aanzuivering" is mijns inziens niet te rijmen met de kwalificatie van de maatregel als een bewarend beslag in eigen hand. In geval van eigenbeslag gebeurt er immers geen aanzuivering. Het lijkt dan ook zeer onwaarschijnlijk dat de wetgever de term "aanzuivering" zou gebruikt hebben, indien hij de bedoeling had om door artikel 217bis, § 3 KB/WIB 64 (thans artikel 166, § 3 KB/WIB 92) een bijzonder bewarend beslag onder derden in eigen hand in te stellen. Toen de aanrekening in 1947 werd ingevoerd bestond er trouwens nog twijfel over de geldigheid van eigenbeslag (cf. E. DIRIX, "Beslag" in A.P.R., Story, 2001, nr. 733 en de verwijzingen aldaar).
- Het KB/WIB 92 regelt het bewarend beslag niet. De ontvanger moet dus de gemeenrechtelijke procedure volgen als hij bewarend beslag legt. Het lijkt mij in die optiek zeer onwaarschijnlijk dat de wetgever die geen fiscaal bewarend beslag organiseert, met artikel 166, § 3 een bijzonder bewarend fiscaal eigenbeslag zou hebben willen organiseren, zonder daarbij op enigerlei wijze aan te geven dat het om een bewarend beslag gaat. Artikel 166, § 3 KB/WIB 92 verwijst niet naar artikel 409 WIB 92 om aan te geven dat de aanzuivering op een betwiste aanslag de aard heeft van een bewarend eigenbeslag en dus een andere aard heeft dan de aanrekening op grond van artikel 166, § 2 KB/WIB
- Die verwijzing heeft enkel tot doel uitdrukkelijk aan te geven dat de "aanzuivering" op een betwiste aanslag een door artikel 409 toegelaten bewarende maatregel is.
- Het is ook duidelijk dat de wetgever de terug te betalen bedragen exclusief heeft willen bestemmen tot betaling van openstaande belastingschulden. Zo vergelijkt het Hof van Beroep te Brussel (Brussel 22 februari 2001, T.F.R. 2001, 685) de aanrekening op grond van artikel 217bis, § 3 KB/WIB (thans artikel 166, § 3 KB/WIB 92) met een kantonnement als bedoeld in artikel 1404 Ger.W. Dit objectief zou niet worden bereikt door het instellen van een bewarend beslag onder derden in eigen hand. In dat geval kunnen immers ook andere schuldeisers van de belastingplichtige aanspraak maken op de in beslag genomen som.
- Uw Hof heeft in een arrest van 10 februari 1994 overwogen dat uit artikel 192 van dat besluit (thans artikel 143, KB/WIB 92) waarnaar artikel 217bis, § 2 (thans artikel 166, § 2 KB/WIB 92) verwijst blijkt dat de aanrekening een door de wet opgelegde wijze van betaling van de belasting of de nalatigheidsinteresten is, wanneer de ontvanger daartoe overgaat (Cass., 10 februari 1994, A.R. 9605, A.C., 1994, nr. 74). Het Hof oordeelde in dat arrest dat de appelrechters door te vermelden dat "de aanrekening bedoeld in " artikel 217bis, § 2, "zoals de schuldvergelijking naar burgerlijk recht, neerkomt op een ingekorte dubbele betaling", dat zij voor het overige een aan het belastingrecht eigen techniek is die niet alle kenmerken van de burgerrechtelijke schuldvergelijking vertoont, dat zij daarvan meer bepaald verschilt door het feit dat de belastingwet aan één van de schuldenaars, de Staat, het recht toekent om de ontlaste bedragen aan te wenden tot aanzuivering van belastingen naar zijn keuze, terwijl de schuldvergelijking naar burgerlijk recht van rechtswege plaatsheeft" en "dat de Belgische Staat, door de ontlaste bedragen aan te rekenen op de natigheidsinteresten op de vennootschapsbelasting (...) de naamloze vennootschap AG 1824 verplicht heeft tot betaling van die nalatigheidsinteresten" zonder de in het middel aangegeven wettelijke bepalingen te schenden, beslist hebben dat de terugbetaling van de aldus betaalde nalatigheidsinteresten aanleiding geeft tot betaling van moratoire interesten. Uit dit arrest blijkt mijns inziens duidelijk dat het Hof de aanrekening als bedoeld in het huidige artikel 166, § 2 KB/WIB 92 als een betaling en een bijzondere fiscale schuldvergelijking aanziet.
- Artikel 166, § 3, KB/WIB 92 stelt uitdrukkelijk dat in geval de belastingschuld betwist wordt door het instellen van bezwaar of een vordering in rechte, de "aanzuivering ingevolge § 2" verricht wordt, zij het als bewarende maatregel. De wet stelt dus duidelijk dat de aanrekening op grond van artikel 166, § 3 dezelfde aard heeft als de aanrekening op grond van artikel 166, § 2 KB/WIB
- De aanzuivering heeft aldus de aard van een betaling en van een bijzondere fiscale schuldvergelijking. De betaling blijft evenwel precair in die zin dat de ontheffing of vernietiging van de aangezuiverde belastingschuld deze betaling tot een onverschuldigde betaling maakt en de Staat verplicht tot terugbetaling. In die zin is de aanzuivering een bewarende maatregel.
- Ook de omstandigheid dat paragraaf 1 van artikel 166 de gemeenrechtelijke regels inzake schuldvergelijking buiten werking stelt op het vlak van de directe belastingen, waarna paragraaf 2 in een bijzondere regeling voor de aanrekening van terug te betalen sommen op openstaande betwiste schulden voorziet, wijst erop dat de wetgever een bijzondere fiscale schuldvergelijking heeft willen instellen en geenszins een fiscaal beslag in eigen hand.
- Ook KIRKPATRICK meent dat de aanrekening op grond van artikel 166, § 3 een betaling door schuldvergelijking uitmaakt. Deze auteur voegt er echter aan toe dat deze bepaling onwettig is in zoverre ze deze compensatie instelt, en dus buiten werking moet worden gelaten, omdat artikel 208 WIB 64 de Koning niet zou hebben gemachtigd om zichzelf door schuldvergelijking te betalen voor een belastingschuld die krachtens de tekst zelf van de fiscale wet geen vaststaande schuld uitmaakt. Volgens deze auteur kan de Staat hoogstens, met machtiging van de beslagrechter, overeenkomstig het gemeen recht bewarend beslag leggen in eigen hand (J. KIRKPATRICK, "La compensation entre les dettes d'impôts et les créances de restitution d'impôts de même nature" in Mélanges offerts à Pierre Van Ommeslaghe, Bruylant, 2000, 167-168). Eigenaardig genoeg ziet deze auteur geen graten in de eerste twee paragrafen. Hij meent dat de Koning de schuldvergelijking van artikel 166, § 2 kon instellen op grond van artikel 208 WIB 64 (300 WIB 92) dat bepaalt dat de Koning onder meer de betalingen en de vervolgingen regelt.
- De Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel (Rb. Brussel 5 november 2004, F.J.F. 2006, 829 en reeds Rb. Brussel 26 januari 1995, J.D.F. 1995, 122) oordeelde dat de aanrekening op grond van artikel 166, § 3 een wijze van betaling uitmaakt en geen bewarend beslag. De rechtbank oordeelde dat artikel 166, § 3 KB/WIB 92 artikel 410 WIB 92 miskent. De inhouding van tegoeden leidt ertoe dat de belastingplichtige de betaling van de betwiste belasting wordt opgedrongen, terwijl overeenkomstig artikel 410 enkel het onbetwist verschuldigd gedeelte kan worden ingevorderd. Door aan Schatkist het recht toe te kennen om zich een betwiste belastingschuld te doen betalen, heeft de Koning de hem toegekende bevoegdheid krachtens artikel 300 WIB 92 overschreden. Deze bevoegdheid is immers beperkt tot het vastleggen van de wijze van betaling, de kwijtschriften en de vervolgingen binnen de grenzen van het WIB 92 en meer bepaald artikel 410 WIB
- Mijns inziens miskent de analyse van de Brusselse rechtbank de ware draagwijdte van artikel 410 WIB
- Dat artikel sluit ontegenzeggelijk de gedwongen tenuitvoerlegging uit van het niet onmiddellijk verschuldigd gedeelte van de betwiste belasting. Dat artikel sluit evenwel geenszins de schuldvergelijking uit, die immers geen gedwongen tenuitvoerlegging uitmaakt. De instelling door de Koning van een bijzondere fiscale schuldvergelijking maakt naar mijn oordeel dan ook geen schending uit van artikel 410 WIB
- Als de Koning de bevoegdheid heeft om de fiscale schuldvergelijking te regelen, mag hij ook van de gemeenrechtelijke regels ter zake afwijken (G. VAN DEN AVYLE, Guide fiscal permanent, Partie I, Livre I, Titre VII, Chapitre XII, nr. 1720.). Ook inzake de BTW-inhoudingen werd door het Hof het beginsel aanvaard dat de Koning mag afwijken van de gemeenrechtelijke regels inzake het bewarend beslag, zij het dat hij de beslagene geen daadwerkelijk jurisdictioneel toezicht mag ontzeggen (Cass. 3 januari 2003, A.R. C.00.0116.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030103.7, A.C., 2003, nr. 4, met concl. O.M.; Cass. 6 november 2003, A.R. C.00.0144.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031106.5, A.C., 2003, nr. 559.).
- De belastingadministratie zelf behandelt de aanrekening op grond van artikel 166 KB/WIB 92 als een schuldvergelijking. Zo aanvaardt de administratie dat de fiscale schuldvergelijking van artikel 166, net als de wettelijke schuldvergelijking, niet mogelijk is na beslag, faillissement of enige andere oorzaak van samenloop van de schuldeisers (Com. IB 64, nr.208/105.1.).
- De aanrekening van tegoeden op directe belastingschulden en BTW-schulden, waarin artikel 334 Programmawet 27 december 2004 voorziet wordt door de rechtsleer opgevat als een "verruimd recht tot compensatie" (E. DIRIX en R. DE CORTE, "Zekerheidsrechten" in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Deel XII, Kluwer, 2006, 387, nr. 559.). De bewoordingen van voormeld artikel 334 komen vrijwel woordelijk overeen met de woorden van artikel 166, § 2 KB/WIB 92: "Elke som die aan een belastingschuldige moet worden teruggegeven of betaald in het kader van de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de inkomstenbelastingen en de ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde of krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, kan door de bevoegde ambtenaar zonder formaliteit worden aangewend ter betaling van de door deze belastingschuldige verschuldigde voorheffingen, inkomstenbelastingen en ermee gelijkgestelde belastingen, de belasting over de toegevoegde waarde, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, fiscale of administratieve geldboeten, interesten en kosten, wanneer deze laatste niet of niet meer worden betwist. Het voorgaande lid blijft van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure". Deze vorm van schuldvergelijking staat evenwel niet open voor betwiste belastingschulden. Ook het Grondwettelijk Hof erkent deze aanrekening uitdrukkelijk als "een mechanisme van wettelijke schuldvergelijking" (Grondwettelijk Hof 19 april 2006, nr. 54/2006, overweging B.4.1.) en stelt vast dat blijkens de parlementaire voorbereiding de wetgever heeft voorzien in een wettelijke schuldvergelijking die afwijkt van de regel van de gelijkheid van de schuldeisers (overweging B.3.). Uit het feit dat de wetgever hier vrijwel dezelfde bewoordingen hanteert als artikel 166 KB/WIB 92 en dat uit de parlementaire voorbereiding duidelijk blijkt dat hier door de schuldeiser een schuldvergelijking wordt beoogd, blijkt mijns inziens duidelijk dat ook de aanrekening van artikel 166 door de wetgever als een vorm van schuldvergelijking wordt aangemerkt. Aan de andere kant kan de omstandigheid dat artikel 334 de aanwending ter betaling voortaan slechts openstelt voor niet betwiste belastingen als een argument worden gehanteerd om te stellen dat de aanwending op een betwiste aanslag op grond van artikel 166, § 3 KB/WIB 92 een louter bewarende maatregel is. Dat wil evenwel nog niet zeggen dat die maatregel een bewarend beslag uitmaakt. (over de onduidelijke verhouding tussen artikel 334 Programmawet 27 december 2004 en artikel 166 KB/WIB 92 zie B. VANERMEN, "Onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen en aanrekening van terug te betalen bedragen op belastingschulden", R.W. 2005-06, 289-290).
- Tenslotte kan nog verwezen worden naar de procedure van inhouding van BTW-tegoeden. Artikel 81, § 3, 7de lid van het KB nr. 4 verwijst - in tegenstelling tot artikel 166, § 3, KB/WIB 92 - wel uitdrukkelijk naar het begrip bewarend beslag. Het betreft een sui-generis-figuur die niet gebaseerd is op schuldvergelijking, maar uitdrukkelijk verwijst naar een bewarend beslag onder derden. De basis van deze procedure is derhalve totaal verschillend van de procedure van schuldvergelijking waarin artikel 166, § 3, KB/WIB 92 voorziet. In deze context moet evenwel worden vastgesteld dat zelfs bij BTW-inhoudingen Uw Hof van oordeel is dat de artikelen 1413 en 1415 Ger.W. slechts ‘van overeenkomstige' toepassing zijn. Uw Hof stelt dat de inhouding dezelfde gevolgen heeft als het bewarend beslag onder derden, inzonderheid wat betreft het recht van de belastingschuldige om de geldigheid van de inhouding te laten toetsen door de rechter, maar hieruit volgt niet dat de inhouding alleen mag worden gedaan wanneer aan alle voorwaarden vereist voor een bewarend beslag is voldaan (Cass., 3 januari 2003, A.R. C.00.0116.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030103.7, A.C., 2003, nr. 4, met conclusie O.M.; Cass., 6 november 2003, A.R. C.00.0144.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031106.5, A.C., 2003, nr. 559). Zo ook kan de beslagrechter de rechtmatigheid en de regelmatigheid toetsen van de toepassing door de ontvanger der directe belastingen van de regels inzake fiscale schuldvergelijking, waarbij evenwel niet kan worden geëist dat deze schuldvergelijking moet beantwoorden aan de "essentiële gemeenrechtelijke voorwaarden waaraan een bewarend beslag dient te voldoen, zoals onder meer de dringende noodzakelijkheid ervan en het vaststaande en opeisbare karakter van de schuldvordering (artikel 1413 en 1415 Ger.W.)" (Bestreden arrest, p. 5, voorlaatste alinea.). IV. Besluit.
- In artikel 166 KB/WIB 92 ligt een bijzondere vorm van fiscale schuldvergelijking besloten, die mogelijk maakt dat fiscale terugbetalingen kunnen worden aangerekend op openstaande belastingschulden die hierdoor worden aangezuiverd. Kenmerkend voor deze schuldvergelijking is dat hij enkel door de ontvanger van de directe belastingen kan worden ingeroepen en niet onderworpen is aan de gemeenrechtelijke regels inzake schuldvergelijking (De artt. 1289 e.v. B.W.; Cass., 10 februari 1994, A.R. 9605, A.C., 1994, nr. 74.). Het bijzonder karakter van deze fiscale schuldvergelijking komt nog meer tot uiting wanneer de aanrekening plaatsvindt krachtens artikel 166, § 3 KB/WIB
- In dat geval wordt de aanwending van fiscale terugbetalingen ter aanzuivering van openstaande belastingschulden verricht als een bewarende maatregel in de zin van artikel 409 WIB 92, waardoor de schuldvergelijking wordt onderworpen aan een ontbindende voorwaarde, nl. de definitieve inwilliging van de door de belastingplichtige ingezette bezwaarprocedure. Ofschoon artikel 166, § 3, KB/WIB 92 verwijst naar artikel 409 WIB 92, waarin sprake is van bewarende beslagen, kan het mechanisme van de fiscale schuldvergelijking niet worden opgevat als een bewarend beslag in eigen handen op hetgeen aan de belastingplichtige verschuldigd is (E. DIRIX, "Het vereenvoudigd fiscaal derdenbeslag", in E. DIRIX en P. TAELMAN (eds.), Fiscaal executierecht, Antwerpen, Intersentia, 2003, 191-192; B. VANERMEN, "Principes inzake invordering van directe belastingen", in Fiscaal executierecht, o.c., 58, nr. 92; Brussel, 22 februari 2001, F.J.F., 2001, 682). In artikel 166, § 3, KB/WIB 92 wordt immers uitdrukkelijk bepaald dat deze maatregel een "aanzuiverende" werking heeft. Een bewarend beslag daarentegen heeft slechts de onbeschikbaarheid van de beslagen sommen tot gevolg en niet de aanzuivering van de achterliggende schuld. De gevolgen van de fiscale schuldvergelijking zijn aldus onverzoenbaar met de kwalificatie van een bewarend beslag in eigen handen. Zo heeft de aanrekening van de terugbetalingen op betwiste belastingschulden tot gevolg dat de aangerekende terugbetaling uit het vermogen van de belastingplichtige verdwijnt zodat andere schuldeisers van de belastingplichtige er geen aanspraak kunnen op maken. Verder is de aangezuiverde aanslag uitgedoofd zonder dat nog nalatigheidsintresten kunnen worden aangerekend. Het is voor de toepassing van de fiscale schuldvergelijking niet vereist dat voldaan moet zijn aan de gemeenrechtelijke voorwaarden inzake bewarend beslag, zoals bedoeld in de artikelen 1413 en 1415 van het Ger.W.. De aanzuivering wordt overigens uitdrukkelijk toegelaten indien de aangezuiverde fiscale schuld geen zekere en vaststaande schuld is in de zin van artikel 410 van het WIB
- Door te oordelen dat de fiscale schuldvergelijking aan de voorwaarden van de artikelen 1413 en 1415 Ger.W. moet worden getoetst, onder meer aan de urgentievereiste en het vaststaand en opeisbaar karakter van de schuldvordering, heeft het bestreden arrest derhalve voorwaarden toegevoegd aan artikel 166, § 3, KB/WIB 92 die deze bepaling niet bevat. Het middel komt mij dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING. ARREST Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030103.7 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031106.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div