id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.6 Rolnummer: F.07.0101.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-01-08 Raadplegingen: 222 - laatst gezien 2026-07-03 01:44 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.6 Fiches 1 - 2 De bezwaarprocedure ingevolge het door de belastingplichtige tegen het hem betekend kadastraal inkomen ingediend bezwaar, is beperkt tot de betwistingen over het bedrag van dat inkomen; deze bezwaarprocedure laat geen betwisting toe over de aard van de goederen en de aanduiding van de belastingplichtige
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - KADASTRAAL INKOMEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VOORHEFFING EN BELASTINGKREDIET - Voorheffingen - Onroerende voorheffing FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - KADASTRAAL INKOMEN - Vaststelling kadastraal inkomen - Algemeen Vrije woorden: Vaststelling - Bezwaarprocedure Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 472, §1, 497, 499, 501 en 502, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Thesaurus CAS: KADASTER UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VOORHEFFING EN BELASTINGKREDIET - Voorheffingen - Onroerende voorheffing FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - KADASTRAAL INKOMEN - Vaststelling kadastraal inkomen - Algemeen Vrije woorden: Kadastraal inkomen - Vaststelling - Bezwaarprocedure Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 472, §1, 497, 499, 501 en 502, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 3 Het Vlaamse Gewest dient de onroerende voorheffing betreffende een belastbaar goed te vestigen op naam van de houder van het in art. 251 en van het W.I.B.
(1992)beoogde zakelijk recht, in geval van bezwaar tegen een aanslag in de onroerende voorheffing, kan de door Vlaamse regering gemachtigde ambtenaar onderzoeken of de indiener van het bezwaar de hoedanigheid heeft van belastingplichtige in de zin van deze wetsbepaling
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M.. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Onroerende voorheffing UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VOORHEFFING EN BELASTINGKREDIET - Voorheffingen - Onroerende voorheffing FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - KADASTRAAL INKOMEN - Vaststelling kadastraal inkomen - Algemeen Vrije woorden: Hoedanigheid van belastingplichtige - Wijze van vaststelling Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Artt. 251 en 366 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Wet - 16-01-1989 - Artt. 3, 5°, en 4, en 4, § 2 en § 4 Fiches 4 - 6 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 12 dec. 2008, AR F.07.0101.N, A.C., 2008, nr. ... Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - KADASTRAAL INKOMEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VOORHEFFING EN BELASTINGKREDIET - Voorheffingen - Onroerende voorheffing FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - KADASTRAAL INKOMEN - Vaststelling kadastraal inkomen - Algemeen Vrije woorden: Vaststelling - Bezwaarprocedure Thesaurus CAS: KADASTER UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VOORHEFFING EN BELASTINGKREDIET - Voorheffingen - Onroerende voorheffing FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - KADASTRAAL INKOMEN - Vaststelling kadastraal inkomen - Algemeen Vrije woorden: Kadastraal inkomen - Vaststelling - Bezwaarprocedure Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Onroerende voorheffing UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VOORHEFFING EN BELASTINGKREDIET - Voorheffingen - Onroerende voorheffing FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - KADASTRAAL INKOMEN - Vaststelling kadastraal inkomen - Algemeen Vrije woorden: Hoedanigheid van belastingplichtige - Wijze van vaststelling Tekst van de conclusie F.07.0101.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: 1. Onderhavige betwisting betreft de vraag of de administratie van het kadaster al dan niet exclusief bevoegd is aan te duiden wie als belastingplichtige moet worden beschouwd voor de vestiging van de onroerende voorheffing op het door haar vastgestelde kadastraal inkomen. 2. Eisers in cassatie voeren onder het eerste middel aan dat uit de bevoegdheidsverdeling tussen de gewesten en de federale wetgever vervat in artikel 4 van de Wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, en uit de samenhang tussen de bepalingen inzake de vaststelling van het kadastraal inkomen enerzijds en de bepalingen inzake de heffing van de onroerende voorheffing anderzijds, volgt dat het Vlaamse Gewest de onroerende voorheffing betreffende een belastbaar goed slechts kan vestigen op naam van de belastingplichtige aan wie het kadastraal inkomen werd toegewezen volgens de kadastrale inschrijvingen. Volgens eisers in cassatie zijn het niet de civielrechtelijke titels maar de kadastrale inschrijvingen die bepalen wie als eigenaar of als houder van een ander zakelijk recht op het belastbaar goed, overeenkomstig artikel 251 W.I.B.
(1992), de onroerende voorheffing verschuldigd is. Eisers in cassatie stellen dat de gewestelijke belastingadministratie de aanslag in de onroerende voorheffing moet vestigen niet op grond van burgerlijke titels, maar op basis van de kadastrale inschrijvingen die zouden bepalen wie de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de belastbare goederen is in de zin van artikel 251 W.I.B.
- Vrij algemeen wordt aanvaard dat met een bezwaar tegen de ingekohierde onroerende voorheffing niet kan worden opgekomen tegen een inmiddels definitief vastgesteld kadastraal inkomen, vermits dit via de geëigende procedure dient te geschieden. Noch de gewestelijke directeur, noch het hof van beroep heeft de bevoegdheid het kadastraal inkomen te herzien wanneer geen verhaalprocedure werd ingesteld (Zie Memorie van Toelichting van de Wet van 19 juli 1979, Pasin., 1979, 719; J. MALHERBE et J. AUTENNE, « Réforme de la fiscalité immobilière par la loi du 19 juillet 1979 », J.T., 1980, 41; Tiberghien, Handboek voor Fiscaal Recht, 2006, p. 72, nr. 1037; Vgl. de volgende arresten van het Hof die echter dateren van voor de wet van 19 juli 1979: Cass., 10 januari 1939, A.C., 1939, 8; Cass., 10 maart 1970, A.C., 1970, 655; Cass., 19 februari 1976, A.C., 1976, 721 en de noot; J.D.F., 1978, 271 en de interessante noot; T. Not., 1977, 326; Anders P. VAN ORSHOVEN, Behoorlijke rechtsbedeling bij geschillen over directe rijksbelastingen, Antwerpen, Kluwer, 1987, p. 194, nr. 154 en p. 220, nr. 181: de belastingplichtige zou volgens deze auteur steeds (op grond van artikel 159 van de Grondwet) de illegaliteit van het kadastraal inkomen kunnen aanvoeren in het contentieux van de inkomstenbelasting die op deze grondslag wordt gevestigd - bij bezwaar tegen de aanslag, het verzet tegen de vervolging of de vordering tot terugbetaling van ten onrechte geheven belasting - om te verhinderen dat onwettig belasting zou worden geheven).
- Uit geen enkele van de door eisers als geschonden aangewezen wetsbepalingen, noch uit enige andere regelgeving, vloeit voort dat de federale overheidsadministratie van het kadaster bevoegdheid zou hebben - laat staan een ‘exclusieve bevoegdheid" - om de belastingplichtige in de onroerende voorheffing aan te duiden. Uit artikel 472 W.I.B.
(1992)en de bepalingen van het K.B. van 10 oktober 1979 blijkt weliswaar dat de wetgever aan de administratie van het kadaster de exclusieve bevoegdheid heeft gegeven om tot de schatting van de percelen over te gaan teneinde het kadastraal inkomen ervan vast te stellen. Auteur J. VAN HOUTTE merkt terecht op dat de exclusieve bevoegdheid van het kadaster beperkt is tot de schatting der percelen om er het kadastraal inkomen van vast te stellen. Alleen de schatting van de percelen is de taak van de administratie der kadaster: of de verschillende voorwaarden voor de belastbaarheid van inkomsten uit onroerend goed wel verenigd zijn, wordt beoordeeld door de administratie der directe belastingen (J. VAN HOUTTE, "De resp. bevoegdheid van het kadaster en van de administratie der directe belastingen bij de bepaling van de grondslag van de belasting op het inkomen uit onroerend goed", T.Not. 1977, 323, nr. 11). Het ontbreken van enige andere wettelijke bepaling en de beperking van de bevoegdheid van de administratie van het kadaster tot het cijfermatig bedrag van het kadastraal inkomen, heeft voor gevolg dat de andere betwistingen, waaronder het onroerend karakter van het goed, en de hoedanigheid van belastingschuldige voor de vestiging van de onroerende voorheffing, niet behoren tot de bevoegdheid van het kadaster. Zulks kan tevens worden afgeleid uit artikel 499, 3°, W.I.B.
(1992)dat bepaalt dat het bezwaar op straffe van verval het inkomen moet vermelden dat de bezwaarindiener stelt tegenover datgene dat aan zijn onroerend goed wordt toegekend. Dat de bezwaarprocedure van artikel 497 W.I.B.
(1992)beperkt is tot betwistingen over het bedrag van het kadastraal inkomen, blijkt ook uit het voorschrift dat de scheidsrechter in de arbitrale procedure die moet worden gevolgd als het bezwaar en de onderhandelingen tussen belastingplichtige en het bestuur geen resultaat opleveren, niet bevoegd is om uitspraak te doen over de belastbaarheid van het te schatten goed (KB 10 oktober 1979, artikel 14, §2; A. DELAHAYE, "De belasting op het inkomen uit onroerende goederen in België", Brussel, Bruylant, 1978, 51, nr. 4.8.2, noot 1: zijn opdracht beperkt zich uitsluitend tot het nazicht van het cijfer, zijnde het kadastraal inkomen).
(1)De administratieve rechtshandeling die de administratie van het kadaster stelt wanneer het een persoon als belastingplichtige voor de onroerende voorheffing inschrijft, behoort niet tot de uitoefening van een eigen exclusieve bevoegdheid, maar betreft enkel het noteren van een voor de belastingheffing noodzakelijk gegeven op grond van de haar ter kennis gebrachte bewijzen (J. VAN HOUTTE, "De resp. bevoegdheid van het kadaster en van de administratie der directe belastingen bij de bepaling van de grondslag van de belasting op het inkomen uit onroerend goed", T.Not. 1977, 324, nr. 1 met verwijzing naar Brussel, 24 september 1969, T. Not. 1972, 167; Vgl. P. VAN ORSHOVEN, Behoorlijke rechtsbedeling bij geschillen over directe rijksbelastingen, Antwerpen, Kluwer, 1987, p. 194, nr. 154 die stelt dat de bijzondere geschillenprocedure slechts een beperkt voorwerp heeft nl. de wijziging van het cijfermatig bedrag van het kadastraal inkomen en geen betrekking heeft op de belasting of de voorheffing die op die grondslag wordt geheven en waarvoor de geëigende procedure moet worden gevolgd).
- Het Vlaamse Gewest is bevoegd om de onroerende voorheffing te heffen, zij het dat deze wel berekend wordt op basis van het door de administratie van het kadaster vastgestelde kadastraal inkomen (art. 3, eerste lid, 5° Bijzondere Financieringswet 16 januari 1989). Het feit dat het kadastraal inkomen zich aldus opdringt aan het Vlaamse gewest - te meer daar het kadastraal inkomen niet kan gewijzigd worden door het Vlaamse Gewest (art. 4, § 2 Bijzondere Financieringswet 16 januari 1989) - kan niet voor gevolg hebben dat de daarop te vestigen onroerende voorheffing automatisch verschuldigd is. Het gegeven dat de onroerende voorheffing berekend wordt op het kadastraal inkomen, verhindert niet dat nog betwistingen mogelijk zijn over het al dan niet roerend karakter van materieel en outillage, de aanwijzing van de belastingplichtige en de vrijstellingen of verminderingen van onroerende voorheffing. De betwistingen of de verschillende voorwaarden voor de belastbaarheid van inkomsten uit onroerend goed wel verenigd zijn, behoren wel degelijk tot de bevoegdheid van de administratie der directe belastingen. Zo hebben de hoven van beroep zich in het kader van betwistingen omtrent onroerende voorheffing, terecht bevoegd verklaard om zich uit te spreken over het al dan niet onroerend karakter van welbepaalde goederen (Luik 4 februari 1987, F.J.F, 87/124; Antwerpen, 23 juni 1987, J.D.F. 1988, 154; Luik, 20 april 1988, F.J.F., 88/186; Antwerpen, 2 juni 1994, Bull. Bel. 1996, 1090 e.v.). Uw Hof bevestigde vanuit die optiek bij een arrest van 15 september 1988 een arrest van het hof van Beroep te Luik waar deze de verschuldigdheid van de onroerende voorheffing toetste door na te gaan of de litigieuze benzinepompen al dan niet onroerende goederen waren uit hun aard (Cass. 15 september 1988, Bull. nr. 684, 1264). In een zaak waarin eiseres de vestiging van onroerende voorheffing op haar rolkranen betwistte omdat deze volgens haar noch onroerend van nature, noch onroerend door bestemming zouden zijn, bevestigde Uw Hof bij arrest van 14 februari 2008 het bestreden arrest van het Hof van Beroep te Gent dat de rolkranen als onroerend uit hun aard had gekwalificeerd (Cass., 14 februari 2008, A.R. nr. F.05.0022.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080214.10, www.cass.be).
- Krachtens artikel 251 W.I.B. 1992 is de onroerende voorheffing verschuldigd door de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de belastbare goederen. De begrippen die in deze bepaling worden gebezigd, zijn rechtstreeks ontleed aan het burgerlijk recht, inzonderheid het zakenrecht. Bij gebrek aan een zuiver fiscale invulling doet het burgerlijk recht in fiscale zaken dienst als het gemeen recht en van toepassing is voor zover het fiscaal recht er niet via specifieke bepalingen van afwijkt (Cass. 23 november 1989, A.C. 1989-90, nr. 191; Cass., 7 juli 1938, Pas. 1938, I, 259; Cass., 9 juli 1931, Pas. 1931, I, 218). Het fiscale legaliteitsbeginsel (artikel 170 Grondwet) noopt bovendien tot een strikte uitlegging van de belastingwet. De wettelijke opsomming in artikel 251 W.I.B.
(1992)is limitatief: wie niet de hoedanigheid heeft van "eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebuiker" van een belastbaar goed, kan op basis van artikel 251 W.I.B.
(1992)ten aanzien van de fiscus geen schuldenaar worden van de onroerende voorheffing. Uit de artikelen 251, 395 en 396 W.I.B.
(1992)blijkt dat het criterium voor de beoordeling in wiens hoofde de onroerende voorheffing verschuldigd is, de houder van het in de wet beoogde zakelijk recht is, en niet de inschrijving in de stukken van het kadaster. Om na te gaan of een goed onroerend is van nature en dus door het bestuur aan de onroerende voorheffing kon worden onderworpen, greep Uw Hof in zijn arrest van 14 februari 2008 niet terug naar de inschrijving van goed in de stukken van het kadaster, doch preciseerde het dat de term "van nature" moet begrepen worden in de betekenis van het gemeen recht (Cass., 14 februari 2008, A.R. nr. F.05.0022.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080214.10, www.cass.be). In dit verband kan tevens verwezen worden naar de specifieke uitzonderingsbepaling van artikel 395 W.I.B.
(1992), dat onder bepaalde voorwaarden voorziet in de mogelijkheid dat de nieuwe eigenaar wordt aangesproken in de betaling van de onroerende voorheffing zelfs wanneer zijn eigendom nog niet in de stukken van het kadaster is overgeschreven. Uit de samenlezing van de artikelen 395 en 396 W.I.B.
(1992)volgt dat de wetgever uitdrukkelijk rekening heeft gehouden met de overgang van het eigendomsrecht van een onroerend goed. Het feit dat de wetgever deze regeling vastknoopt aan het effectieve, civielrechtelijke eigendomsrecht en niet aan de inschrijving van het onroerend goed in het kadaster, bevestigt dat het kadaster niet geacht wordt het eigendomsrecht aan te wijzen. Het middel faalt naar recht in zoverre het steunt op de onjuiste rechtsopvatting dat de belastingplicht inzake onroerende voorheffing volgt uit de kadastrale inschrijvingen.
- Eisers in cassatie voeren voorts aan dat verweerders nagelaten hebben om een bezwaar in te dienen tegen de toewijzing op hun naam van het kadastraal inkomen op de weefgetouwen zodat zij hun hoedanigheid van belastingplichtige voor de heffing van de onroerende voorheffing niet meer konden betwisten voor de rechter. Volgens eisers in cassatie kon deze betwisting bijgevolg niet meer aan bod komen in het kader van het bezwaar tegen de vestiging van de aanslag in de onroerende voorheffing op de weefgetouwen. De vordering van verweerders die strekte tot de vernietiging van de aanslag in de onroerende voorheffing was volgens eisers in cassatie onontvankelijk bij gebrek aan het voorafgaandelijk instellen door verweerders van het door de wet georganiseerde administratief beroep tegen hun inschrijving als belastingplichtige in de kadastrale stukken.
- Het middel kan ook op dit punt niet worden gevolgd nu de bezwaarprocedure inzake het kadastraal inkomen waarin artikel 497 W.I.B.
(1992)voorziet, beperkt is tot de betwisting van het bedrag dat als kadastraal inkomen aan een onroerend goed werd toegekend (zie supra, nr. 4; Gent, 19 december 2006, T.F.R., nr. 320, april 2007). Betwistingen over de aard van het betrokken goed, de hoedanigheid van belastingplichtige of de belastbaarheid in de onroerende voorheffing kunnen in deze bezwaarprocedure niet aan bod komen. Nu de oorspronkelijke vordering van verweerders in cassatie er niet toe strekte de vestiging van het kadastraal inkomen op de litigieuze weefgetouwen te betwisten, kan artikel 497 W.I.B.
(1992)er niet op van toepassing zijn. Er bestond in hoofde van verweerders in cassatie dan ook geen wettelijke verplichting om voorafgaand aan het instellen van hun vordering, die er slechts op gericht was de vernietiging van de bestreden aanslag in de onroerende voorheffing te bekomen, een administratieve beroepsprocedure te voeren ten aanzien van de administratie van het kadaster conform artikel 497 W.I.B.
(1992). Het eerste middel faalt bijgevolg naar recht. (...) Besluit: VERWERPING. ARREST _____________
(1)F. VANBIERVLIET, "De bevoegdheid van de Administratie der directe belastingen en het hof van beroep om zich in het kader van een betwisting inzake onroerende voorheffing uit te spreken over het onroerend karakter van een welbepaald goed, het aan dat goed toegekend kadastraal inkomen en de identiteit van de belastingplichtige", noot onder Brussel 22 oktober 1999, T.F.R. 2002/12,
(127), 129: "De exclusieve bevoegdheid van het kadaster brengt inderdaad met zich mee dat de geschillen omtrent de door haar genomen beslissingen, waarvoor zij alleen bevoegd is, langs een andere procedure worden beslecht dan via de gewone bezwaarprocedure voorzien in de art. 366 e.v. W.I.B.
- M.i. kan echter ook met evenveel gezag worden gesteld dat het voorwerp van de bezwaarprocedure tegen het kadastraal inkomen een aanduiding is betreffende de omvang van de exclusieve bevoegdheid van de Administratie van het kadaster. Terzake blijkt nu uit artikel 472 W.I.B. 1992 en het K.B. 10 oktober 1979 dat de wetgever aan de Administratie van het kadaster de exclusieve bevoegdheid heeft gegeven om tot de schatting van de percelen over te gaan teneinde het kadastraal inkomen ervan vast te stellen. De rechtspraak die stelt dat het bedrag van het kadastraal inkomen uitsluitend via de bezwaarprocedure tegen het kadastraal inkomen betwist kan worden en de gewestelijke directeur der directe belastingen zich niet zonder bevoegdheidsoverschrijding kan uitspreken over het bedrag van het kadastraal inkomen, moet dan ook bijgetreden worden. Voor het overige dient men m.i. uit het ontbreken van een andere wettelijke bepalingen die aan de administratie van het kadaster een bijkomende exclusieve bevoegdheid geven en uit het voorwerp van de bezwaarprocedure, dat toch in correlatie staat met de exclusieve bevoegdheid van de Administratie van het kadaster en beperkt is tot het cijfermatig bedrag van het kadastraal inkomen, af te leiden dat de exclusieve bevoegdheid van de Administratie van het kadaster beperkt is tot het bepalen van het bedrag van het kadastraal inkomen. Bijgevolg behoren de betwistingen of de verschillende voorwaarden voor de belastbaarheid van inkomsten uit onroerend goed wel verenigd zijn, wel degelijk tot de bevoegdheid van de Administratie der directe belastingen"; C. CARDYN, H. DEPRET en M. LOOCKX, Procédure fiscale contentieuse, Brussel, Bruylant, 1992, p. 3, nr. 4 en p. 382, nr. 331; zie tevens de goedkeurende noot van SVC onder het bestreden arrest, Fiscoloog, 2007, nr. 1076,
- Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080214.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div