id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.9 Rolnummer: F.07.0099.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-01-08 Raadplegingen: 325 - laatst gezien 2026-07-03 03:42 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.9 Fiche 1 Inzake inkomstenbelastingen kan het uitvoerbaar verklaarde kohier in de regel slechts ten uitvoer worden gelegd tegen de bij name in dat kohier vermelde belastingschuldige of belastingschuldigen; de tenuitvoerlegging van het kohier tegen andere personen is slechts mogelijk wanneer zulks voortvloeit uit het systeem van de wet
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M.. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslag en inkohiering UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Belastingschuldigen Vrije woorden: Uitvoerbaar verklaard kohier - Tenuitvoerlegging Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-08-1993 - Art. 133 Fiche 2 Het louter feit dat de overnemer van een geheel van goederen hoofdelijk gehouden is tot betaling van een belastingschuld van de overdrager impliceert nog niet dat het initieel uitvoerbaar verklaarde kohier, dat op hem geen betrekking had noch kon hebben, tegen de overnemer zonder meer ten uitvoer kan worden gelegd
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M.. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslag en inkohiering UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Belastingschuldigen Vrije woorden: Overdracht van een geheel van goederen - Belastingschulden van de overdrager - Hoofdelijke aansprakelijkheid van de overnemer Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 442bis, §1, §2 en §3, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Koninklijk Besluit - 27-08-1993 - Art. 133 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 12 dec. 2008, AR F.07.0099.N, A.C., 2008, nr. .... Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslag en inkohiering UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Invordering belasting - Belastingschuldigen Vrije woorden: Uitvoerbaar verklaard kohier - Tenuitvoerlegging Overdracht van een geheel van goederen - Belastingschulden van de overdrager - Hoofdelijke aansprakelijkheid van de overnemer Annotaties Publicaties: Fisc.Act. - Mark DELANOTE; Noot - 2009, 9-10 Tekst van de conclusie F.07.0099.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:
- De feiten die aanleiding hebben gegeven tot onderhavige betwisting kunnen als volgt worden samengevat. Bij overeenkomst, geregistreerd op 21 april 2000, nam verweerder het handelsfonds over van de krantenwinkel van mevrouw Blondiau. Op het ogenblik van de overdracht had de overdrager van het handelsfonds nog een uitstaande belastingschuld van 523.525 BEF. Vermits de overdracht nog niet ter kennis was gebracht van de ontvanger der directe belastingen werd bij dwangschrift van 11 april 2001 overgegaan tot een vereenvoudigd fiscaal derdenbeslag in handen van de verweerder. Op 25 april 2001 liet verweerder in zijn verklaring van derde-beslagene weten dat "er geen schulden meer waren ten aanzien van mevrouw Blondiau". Op 15 mei 2001 deelde de ontvanger aan verweerder mee dat er beslag zou worden gelegd omdat de overdracht niet werd aangeboden ter registratie voorzien van het certificaat bedoeld in artikel 442bis W.I.B.
- De ontvanger wees erop dat de overdracht bijgevolg niet tegenwerpbaar was aan het fiscaal bestuur en maande de verweerder aan om de belastingschuld van de overdrager te betalen binnen de maand. De akte van overdracht werd op 28 mei 2001 aan de bevoegde ontvanger ter kennis gebracht, zij het zonder overlegging van het voormelde certificaat. Op 28 augustus 2001 betekende de ontvanger een dwangbevel aan verweerder omdat hij als overnemer van de handelszaak hoofdelijk aansprakelijk is voor de uitstaande belastingschuld van de overdrager. Verweerder tekende op 27 september 2001 hiertegen verzet aan.
- De appelrechter stelt vast dat de kohieren uitsluitend werden opgesteld op naam van mevrouw Blondiau en oordeelt dat deze kohieren, zonder rechterlijke tussenkomst, geen uitvoerbare titel vormen tegen een derde, zoals een hoofdelijke medeschuldenaar. Artikel 442bis W.I.B. 1992 zou op dat punt geen uitzondering voorzien op de basisregel van artikel 1494 van het Gerechtelijk Wetboek, noch op het personele karakter van de inkohiering, zulks in tegenstelling met artikel 396 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 dat wel expliciet voorziet dat lastens de hoofdelijke schuldenaar inzake de onroerende voorheffing "krachtens hetzelfde kohier" kan worden uitgevoerd. Mede in het licht van het legaliteitsbeginsel inzake fiscaal beslagrecht en het principiële personele karakter van het kohier zou het ontbreken in artikel 442bis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 van een gelijkaardige vermelding als in artikel 396 van hetzelfde wetboek voor gevolg hebben dat de fiscus niet ontheven is van de verplichting om een afzonderlijke uitvoerbare titel te bekomen lastens verweerder die een hoofdelijk gehouden medeschuldenaar is. De appelrechter is dan ook van oordeel dat "de inkohiering op naam van E. Blondiau (de overdrager) onvoldoende is als titel en grondslag van tenuitvoerlegging ten aanzien van verweerder als hoofdelijk aansprakelijke derde".
- De fiscus kon geen genoegen nemen met deze zienswijze en tekende cassatieberoep aan. In het cassatiemiddel vertrekt de fiscus van het uitgangspunt dat het kohier in bepaalde gevallen ook een uitvoerbare titel kan vormen voor de invordering jegens derden. Dit zou onder meer het geval zijn wanneer een derde krachtens een wettelijke bepaling hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de belastingschuld van de belastingplichtige. Het middel onderbouwt dit standpunt met een verwijzing naar artikel 1200 van het Burgerlijk Wetboek (hoofdelijkheid tussen schuldenaars) en naar artikel 133, eerste lid KB/WIB 1992, dat bepaalt dat de belastingen op naam van de betrokken belastingplichtige ten kohiere worden gebracht.
- De rechtsleer is van oordeel dat het kohier in beginsel slechts een uitvoerbare titel verschaft tegen de belastingplichtige zelf.
(1)Over het precieze aantal wettelijke uitzonderingen op deze regel bestaat echter minder eensgezindheid.
(2)De administratie verdedigt reeds lang het standpunt dat het kohier, zonder rechterlijke tussenkomst, als basis kan dienen voor de tenuitvoerlegging ten laste van hoofdelijke medeschuldenaars van de belastingschuld die niet in het kohier vermeld zijn. Daarbij wordt verwezen naar artikel 458 W.I.B. 1992 (daders of medeplichtigen aan fiscale misdrijven), artikel 442bis W.I.B. 1992 (hoofdelijk aansprakelijke overnemers), en artikel 402 e.v. W.I.B. 1992 (diegene die beroep heeft gedaan op een niet-geregistreerde aannemer). Heel wat auteurs zijn het daarmee echter niet eens.
(3)De wetgever heeft recent een einde gemaakt aan die controverse met het nieuwe artikel 393, §2 W.I.B. 1992 dat werd ingevoegd door artikel 66 van de Wet van 27 april 2007, luidende als volgt: "Het kohier is uitvoerbaar tegen de personen die er niet zijn in opgenomen in de mate dat zij gehouden zijn tot de betaling van de belastingschuld op grond van het gemeen recht of op grond van de bepalingen van dit Wetboek".
(4)Voor een goed begrip wordt opgemerkt dat deze nieuwe wetsbepaling geen terugwerkende kracht heeft en niet van toepassing is op onderhavige betwisting.
- Enkele wettelijke uitzonderingen op de (oude) regel dat het kohier slechts uitvoerbaar is tegen de belastingplichtige kwamen al aan bod in de rechtspraak van uw Hof. Hierna volgt een beknopt overzicht van de belangrijkste arresten.
- In het raam van de invordering van de belastingschuld ten laste van feitelijk gescheiden echtgenoten oordeelde het Hof meermaals dat de belasting die werd ingekohierd op naam van één van de echtgenoten ook verhaalbaar is op het vermogen van de andere echtgenoot. De relevante wetsbepaling is hier artikel 295, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)(thans: artikel 394, §1, W.I.B. 1992) dat als volgt luidt: "Elk gedeelte van de belasting in verband met de onderscheiden inkomsten van de echtgenoten alsook de voorheffing ingekohierd op naam van een van hen, mag ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel vervolgd worden op al de eigen en gemeenschappelijke goederen van beide echtgenoten". Uit die wetsbepaling volgt dat de aanslag die regelmatig is vastgesteld op naam van een echtgenoot en op het uitvoerbaar verklaard kohier is gebracht, de titel vormt op grond waarvan de administratie de betaling van die aanslag kan vorderen en overgaan tot de invordering ervan op de goederen van de echtgenoot die niet in het kohier is vermeld. Die wetsbepaling geldt tevens wanneer, in gevolge artikel 75 W.I.B
(1964)(thans: artikel 128 W.I.B. 1992) voor de voor elk van de echtgenoten verschuldigde belasting een afzonderlijke aanslag is vastgesteld.
(5)Uit de omstandigheid dat de wet bepaalt dat bij feitelijke scheiding de belasting vervolgd mag worden op de eigen en gemeenschappelijke goederen van beide echtgenoten wordt dus afgeleid dat de uitvoerbare kracht van het kohier zich niet alleen uitstrekt tot de belastingplichtige zelf, maar ook tot de niet in het kohier opgenomen echtgenoot. Artikel 295, §1, WIB
(1964)(thans: artikel 394, §1 W.I.B. 1992) is een uitdrukkelijke wettelijke uitzondering op de personeel-beperkte uitvoerbare kracht van het kohier.
(6)7. Bij arrest van 14 juni 2007 vernietigde uw Hof de beslissing van de appelrechters die hadden geoordeeld dat geen enkele bepaling van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen in de mogelijkheid voorziet om de vennootschapsbelasting op grond van een te name van de vennootschap gevestigd kohier in te vorderen bij de vennoten van een coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid.
(7)Het arrest brengt artikel 352, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen in herinnering dat bepaalt dat wanneer een coöperatieve vennootschap kiest voor de onbeperkte aansprakelijkheid, de vennoten persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de vennootschap en steunt tevens op artikel 1200 van het Burgerlijk Wetboek, dat toelaat dat elke hoofdelijk gehouden schuldenaar voor het geheel van de schuld wordt aangesproken. Aangezien de vennoot persoonlijk en hoofdelijk gehouden is tot betaling van de belasting die vastgesteld is ten name van de coöperatieve vennootschap is de vennoot een belastingschuldige ten laste van wie de administratie de rechten kan doen gelden die de wet haar verleent met het oog op de invordering van de belasting. Dit arrest sluit aan bij een arrest van het Hof van 16 september 2004 waarin werd geoordeeld dat de vennoot van een coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid persoonlijk en hoofdelijk gehouden is tot de betaling van de aanslag die ten name van de coöperatieve vennootschap is gevestigd en bijgevolg ook de belasting verschuldigd is in de zin van artikel 366 W.I.B. 1992.
(8)De hoofdelijk aansprakelijke vennoot van een CVOA kan overigens bezwaar indienen tegen de belasting die werd ingekohierd op naam van de vennootschap. 8. In een recent arrest van 22 november 2007 vernietigde uw Hof de beslissing van de appelrechters omdat zij hadden geoordeeld dat het kohier ten name van een vennootschap onder firma niet ten uitvoer kon worden gelegd tegen de vennoten onder firma.
(9)Dit arrest hanteert als uitgangspunt dat het uitvoerbaar verklaarde kohier in de regel slechts ten uitvoer kan worden gelegd tegen de bij name in dat kohier vermelde belastingschuldige of belastingschuldigen. De tenuitvoerlegging van het kohier tegen andere personen is slechts mogelijk wanneer zulks voortvloeit uit het systeem van de wet. Uit de omstandigheid dat de vennoten onder firma persoonlijk hoofdelijk gehouden zijn tot de belastingen verschuldigd door de vennootschap onder firma en gelden als belastingschuldigen die gerechtigd zijn om een bezwaarschrift in te dienen tegen de aanslag, opcentiemen, verhogingen en kosten inbegrepen, die ten name van de vennootschap is gevestigd, wordt afgeleid dat de aanslag tegen de vennoten onder firma ten uitvoer kan worden gelegd. Een coherente interpretatie van de fiscale wet heeft tot gevolg dat er een band is tussen het bezwaarrecht en de uitvoerbare kracht van het kohier: indien de vennoot als belastingschuldige bezwaar kan indienen tegen een aanslag gevestigd op naam van de VOF, dan hangt dit samen met het gegeven dat het kohier op naam van die vennootschap ook een uitvoerbare titel vormt lastens die vennoot-belastingschuldige.
(10)9. Er moet worden opgemerkt dat in het arrest van 22 november 2007 elke verwijzing naar de gemeenrechtelijke regeling inzake hoofdelijkheid (artikel 1200 B.W.) ontbreekt. Wellicht wil het Hof op die manier tot uiting brengen dat het bestaan van een hoofdelijke gehoudenheid niet automatisch impliceert dat het kohier uitvoerbaar is tegen alle medeschuldenaars. De wettelijke regeling in het Burgerlijk Wetboek van de passieve hoofdelijkheid leidt inderdaad niet tot die conclusie. Niettemin beroept de fiscus zich in de Com. IB wel op de gemeenrechtelijke principes om het tegengestelde aan te voeren: "volgens de rechtsleer worden de hoofdelijke schuldenaars geacht elkaar volmacht te hebben gegeven, zodat de handelingen tegen één van hen gevolgen hebben tegenover de anderen en zodat ze rechtstreeks kunnen worden vervolgd krachtens een uitvoerbare titel ten name van één van hen (hier, het kohier)".
(11)Deze redenering stelt het kohier gelijk met een vonnis, hetgeen niet opgaat omdat het kohier een administratieve rechtshandeling is en derhalve niet dezelfde gevolgen (zoals bv. gezag van gewijsde) heeft als een vonnis. Daarenboven wordt in het gemeen recht slechts aangenomen dat een vonnis tegen één van de hoofdelijke schuldenaren tegenwerpbaar is tegen de hoofdelijk verbonden schuldenaren.
(12)De tegenwerpbaarheid van het vonnis en de uitvoerbaarheid ervan mogen niet worden gelijkgeschakeld. De opvatting dat een vonnis tegen een hoofdelijke schuldenaar ook tegen de andere medeschuldenaars kan worden uitgevoerd, is in elk geval te verregaand en kan bijgevolg niet getransponeerd worden naar het kohier. In dit verband kan verwezen naar een arrest van het Franse Hof van Cassatie van 19 mei 1998: "toute exécution forcée implique que le créancier soit muni d'un titre exécutoire à l'égard de la personne même qui doit exécuter et que le titre délivré à l'encontre d'une société n'emporte pas le droit de saisir les biens des associées, fussent-ils tenus indéfiniment et solidairement des dettes sociales, à défaut de titre exécutoire pris contre eux ".
(13)- Een ander geval van hoofdelijke aansprakelijkheid vinden we terug in artikel 442bis W.I.B.
- Met deze wetsbepaling wil de wetgever verhinderen dat een geheel van goederen (zoals een handelszaak) wordt overgedragen zonder dat de overdrager zijn fiscale schulden heeft betaald.
(14)Deze anti-fraudemaatregel werkt als volgt. De overdracht in eigendom of in vruchtgebruik van een geheel van goederen moet worden gemeld aan de fiscus en is niet tegenstelbaar aan de ontvangers van de belastingen dan na afloop van de maand die volgt op die waarin een eensluidend afschrift van de akte tot overdracht ter kennis is gebracht van de ontvanger van de woonplaats of maatschappelijke zetel van de ontvanger (artikel 442bis, §1, W.I.B. 1992). De overnemer kan hoofdelijk worden aangesproken voor de betaling van de fiscale schulden die de overdrager nog verschuldigd was op het tijdstip dat de termijn van niet-tegenstelbaarheid afloopt en dit tot beloop van het bedrag dat reeds door hem is gestort of verstrekt, of voor een bedrag dat overeenstemt met de nominale waarde van de aandelen die in ruil voor de overdracht zijn toegekend voor de afloop van de voornoemde termijn. Noch de uitgestelde tegenstelbaarheid, noch de hoofdelijke aansprakelijkheid zijn van toepassing indien de overdrager bij de akte van overdracht een certificaat voegt dat bevestigt dat er geen belastingschulden openstaan en dat er lastens hem geen onderzoek of controle loopt (artikel 442bis, §3, eerste lid, W.I.B. 1992). De wettelijke regeling impliceert aldus dat de overnemer van een geheel van goederen, dat werd overgedragen zonder dat bij de akte een certificaat werd gevoegd dat bevestigt dat de overdrager geen belastingschulden heeft, hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de belastingschulden die de overdrager nog verschuldigd was op het tijdstip dat de termijn van niet-tegenstelbaarheid afloopt. De hoofdelijke aansprakelijkheid geldt niet voor het totaal bedrag van de uitstaande fiscale schuld maar is beperkt tot het bedrag dat reeds door de overnemer is gestort of verstrekt, of tot het bedrag dat overeenstemt met de nominale waarde van de aandelen die in ruil voor de overdracht zijn toegekend voor de afloop van de voornoemde termijn (artikel 442bis, §2, W.I.B. 1992). 11. Na deze korte toelichting bij de hoofdelijke aansprakelijkheid van artikel 442bis W.I.B. 1992 komen we toe aan de rechtsvraag die door het cassatiemiddel wordt gesteld, nl. kan de tenuitvoerlegging die ingesteld wordt tegen de hoofdelijk aansprakelijke overnemer van een handelszaak gebeuren op basis van het kohier op naam van de overdrager? De fiscus wil de uitvoerbare kracht van het kohier uitbreiden tot de hoofdelijk aansprakelijke derden en steunt daarvoor in het cassatiemiddel op artikel 133 KB/WIB 1992. De redenering die wordt opgebouwd, overtuigt echter niet. Krachtens artikel 133 KB/WIB 1992 worden de aanslagen op naam van de betrokken belastingschuldigen ten kohiere gebracht. Het opmaken en uitvoerbaar maken van het kohier is een eenzijdige rechtshandeling, gematerialiseerd door een authentieke akte, waarbij het bestuur het bestaan vaststelt van een bepaalde fiscale schuld ten laste van een bepaalde schuldenaar en een uitvoerbare titel opmaakt om de verschuldigde belasting in te vorderen.
(15)De inkohiering heeft declaratieve werking omdat ze de belastingplicht concretiseert en de belastingschuldige aanwijst.
(16)Door het kohier wordt de materiële belastingschuld immers omgezet in een formele schuld en omgevormd in een verplichting tot betaling van een bepaald bedrag aan belasting in concreto. De belastingplichtige - elke persoon waarop de fiscale wet toepasselijk is - wordt ingevolge de inkohiering belastingschuldige d.i. een verkrijger van belastbare inkomsten in wiens hoofde de voorwaarden voor belastingheffing voldaan zijn.
(17)Men kan niet aannemen dat de overnemer die op grond van artikel 442bis W.I.B. 1992 als hoofdelijke medeschuldenaar gehouden is tot betaling van de uitstaande belastingschuld van de overdrager "belastingschuldige" is in de zin van artikel 133 KB/WIB 1992. Het is immers duidelijk dat deze reglementaire bepaling de notie "belastingschuldige" in enge zin gebruikt zodat een derde op wiens vermogen de belastingschuld kan worden ingevorderd omwille van het bestaan van een hoofdelijke gehoudenheid, geen belastingschuldige is in de zin van die bepaling.
(18)Slechts de overdrager is belastingschuldige in de zin van artikel 133 KB/WIB
- Ook de leer van het arrest van 22 november 2007 kan voor het fiscaal bestuur in casu geen soelaas bieden. De hoofdelijk gehouden vennoten van een vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid kunnen in meer of mindere mate worden vereenzelvigd met de vennootschap en de schulden van een dergelijke vennootschap worden van bij hun ontstaan niet alleen vastgeknoopt aan het vermogen van de rechtspersoon zelf maar bezwaren ook het persoonlijk vermogen van de vennoten
(19). Die vereenzelviging of minstens de onmiddellijke "dubbele aanknoping" van de fiscale schuld aan het vermogen van de hoofdelijk gehouden schuldenaars geldt niet voor andere vormen van hoofdelijkheid die specifiek op het vlak van de inkomstenbelastingen bestaan.
(20)De overnemer van een handelszaak voldoet als hoofdelijk aansprakelijke persoon slechts achteraf (na de inkohiering van de aanslag) en door zijn eigen nalatigheid aan de vereiste voorwaarden om door de fiscus aangesproken te kunnen worden tot betaling van de belastingschuld. Ondanks de hoofdelijke gehoudenheid is het niet mogelijk om hem te beschouwen als een belastingschuldige die beschikt over een bezwaarrecht.
(21)Bijgevolg kan de leer van het arrest van 22 november 2007 hier niet worden toegepast. Het loutere feit dat de overnemer van een handelszaak naderhand hoofdelijk gehouden blijkt te zijn tot de betaling van de belastingschuld van de overdrager, impliceert nog niet dat het initieel uitvoerbaar verklaarde kohier, dat op hem geen betrekking kon hebben, zonder meer tegen hem kan worden ten uitvoer gelegd.
(22)De omstandigheid dat de overnemer krachtens de wet hoofdelijk aansprakelijk is voor eerdere schulden van de overlater houdt niet in dat de inkohiering op naam van de overlater toereikend is. Het middel dat berust op de veronderstelling dat de overnemer van een geheel van goederen, die op grond van artikel 442bis, §2, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de belastingschulden van de overdrager, een belastingschuldige is lastens wie het bestuur tot invordering van de belastingschuld kan overgaan op grond van een kohier dat enkel op naam van de overdrager is gevestigd, faalt zodoende naar recht. BESLUIT: VERWERPING. ARREST __________________
(1)Zie o.m. DIRIX en K. BROECKX, v° Beslag, in A.P.R., Gent, Story-Scientia, 2001, p. 195, nr. 305; M. LOYENS, De invordering van de directe belastingen, Brussel, Bruylant, 2005, p. 6, nr. 11.
(2)Over de volgende gevallen bestaat weinig betwisting: 1°) bij de invordering van de onroerende voorheffing geldt het kohier op naam van de vroegere eigenaar van een onroerend goed ook als uitvoerbare titel tegen de nieuwe eigenaar van zodra de verkoopakte werd overgemaakt aan de fiscus (artikel 396 W.I.B. 1992); 2°) het kohier is ook uitvoerbaar ten laste van derden in de door het KB/WIB opgesomde onrechtstreekse vervolgingen (zie artikel 147 KB/WIB 1992; artikel 164 e.v. KB/WIB 1992). De tenuitvoerlegging op het vermogen van de derde die niet of niet tijdig de verklaring van derde-beslagene aflegt, kan evenwel slechts na tussenkomst van de rechter. Zie Arbitragehof, nr. 11/97, 5 maart 1997, R.W., 1997-98, 337 en nr. 35/97, 12 juni 1997, J.T., 1998, 2.
(3)Zie bv. L. HUYBRECHTS, v° Fiscaal strafrecht, in A.P.R., 2002, p. 93, nr. 179: "de administratie zal de ontdoken belasting ten laste van de derde (aansprakelijk op grond van artikel 458 WIB 1992) moeten invorderen lastens een gemeenrechtelijke procedure; P. MOREAU, "L'enregistrement des entrepreneurs sous son aspect solidarité", in X, Le point sur le droit des sûretés, Luik, Formation permanente CUP, 2000, 59; Anders N. PIROTTE, "Recouvrement des impôts et droit fondamental à un controle judiciaire effectif", in Le point sur le droit fiscal, Luik, Formation permanente CUP, 2000, 145-146: " L'existence de dispositions spéciales validant un recouvrement accéléré à charge d'un tiers pratiqué en vertu d'un même rôle ne peut que confirmer le principe ".
(4)Over het bezwaarrecht van derden, op wiens vermogen de belastingschuld kan worden verhaald, heeft de wetgever zich tot op heden niet duidelijk uitgesproken. Volgens de parlementaire voorbereiding van de programmawet van 27 april 2007 zou die categorie van personen niet beschikken over een bezwaarrecht, maar wel over de mogelijkheid om de belasting die van hen wordt geëist, te betwisten voor de rechtbank (Ontwerp van Programmawet, Parl. St., Kamer, 2006-2007, nr. 51-3058/001, p. 30-31). De fiscus blijft dus ook na de wijziging van artikel 393 W.I.B. 1992 achter de enge interpretatie staan van het begrip "belastingschuldige" in de zin van artikel 366 WIB 1992.
(5)Zie o.m. Cass., 12 september 2003, C.01.0578.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030912.7., met conclusie advocaat-generaal A. HENKES; Cass., 3 januari 2002, C.00.0636.N., www.cass.be; Cass., 10 mei 2001, R.W. , 2002-2003, 1096, noot G. VAN HAEGENBORGH; Cass., 15 september 2000, A.C., 2000, nr. 474; T.F.R., 2000, 1076, noot L. VAN HEESWIJCK en S. HUYGHE;
(6)A. GOEGEBUER, " Hoofdelijke aansprakelijkheid inzake lokale en regionale belastingen ", in Jaarboek Lokale en regionale belastingen 2001-2003, Brugge, die Keure, 2003,
(171), 194, nr. 33.
(7)Cass., 14 juni 2007, F.06.0044.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070614.3., met conclusie advocaat-generaal A. HENKES, gepubliceerd in T.F.R., 2008,
(346), noot J. HEIRMAN.
(8)Cass., 16 september 2004, T.F.R., 2005, 677, noot M. MAUS.
(9)Cass., 22 november 2007, F.06.0053.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071122.9.,T.F.R., 2008, 356, met conclusie van het O.M. en noot H. VANDEBERGH.
(10)Zie mijn conclusie bij Cass., 22 november 2007, gepubliceerd in T.F.R., 2008, 360, nr. 5.
(11)COM IB 1992, nr. 458/3.
(12)Zie bv. W. VAN GERVEN en S. COVEMAEKER, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2001, 331-332. Heel wat auteurs nemen echter afstand van die opvatting. Zie bv. L. CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, Antwerpen, Intersentia, 2000, 167 die terecht opmerkt dat die opvatting moeilijk verenigbaar is met het relatief karakter van het gezag van gewijsde (artikel 23 Ger. W.) en van de proceshandelingen in het algemeen en derhalve aan herziening toe is; H. DE PAGE, Traité, III, Brussel, Bruylant, 1967, p. 345, nr. 359 en nr. 359bis.
(13)Cass. fr. (2e civ.), 19 mei 1998, Bull., 1998, II, n° 161 (p. 95). Zie tevens K. GEENS, M. DENEF, F. HELLEMANS, R. TAS en J. VANANROYE, "Overzicht van rechtspraak Vennootschappen 1992-1998", T.P.R., 2000, 237, nr. 159.
(14)Zie voor een uitgebreide bespreking: M. DE MUYNCK, G. DE NEEF en C. AMAND, Overdracht van ondernemingen. Fiscaal-juridische aspecten, Brussel, Larcier, 2004, 344-359; M. LOYENS, De invordering van de directe belastingen, Brussel, Bruylant, 2005, 188-203.
(15)I. CLAEYS BOUUAERT, De aanslag, Brussel, Larcier, 1963, p. 92, nr. 125; S. DE RAEDT en J. HEIRMAN, "De ene belastingschuldige is de andere niet" (noot onder Cass., 14 juni 2007), T.F.R., 2008,
(346), 352, nr. 25 e.v.
(16)S. DE RAEDT en J. HEIRMAN, l.c., 352, nr. 27.
(17)Vgl. P. VAN ORSHOVEN, Behoorlijke rechtsbedeling bij geschillen over directe rijksbelastingen, Antwerpen, Kluwer, 1987, p. 140, nr. 120 en p. 272, nr. 230, voetnoot 3.
(18)A. GOEGEBUER, " Hoofdelijke aansprakelijkheid inzake lokale en regionale belastingen ", in Jaarboek Lokale en regionale belastingen 2001-2003, Brugge, die Keure, 2003,
(171), 192, nr. 31; M. LOYENS, l.c., p. 1. H. VANDEBERGH en J. BOES, " Invordering van belasting op grond van het kohier bij niet in het kohier opgenomen personen. Het cassatiearrest van 14 juni 2007", T.F.R., 2008,
(335), 340-341; S. DE RAEDT en J. HEIRMAN, o.c., T.F.R., 2008,
(346), 352, nr. 27. De begrippen belastingplichtige en belastingschuldige hebben in het fiscaal recht wel eens een andere betekenis. In de oude tekst van artikel 366 W.I.B. 1992 was sprake van de belastingplichtige die tegen het bedrag van de te zijnen name gevestigde aanslag bezwaar kon aantekenen. In het nieuwe artikel 366 WIB 1992 werd het begrip "belastingplichtige" vervangen door "belastingschuldige".
(19)J. HEIRMAN, "De ene belastingschuldige is de andere niet" (noot onder Cass., 14 juni 2007), T.F.R., 2008,
(346), 355, nr. 47. Voor de VOF oordeelde uw Hof in een arrest van 15 december 1938 reeds dat de persoonlijkheid van de vennoten als het ware vermengd is met die van de vennootschap (Cass., 15 december 1938, Pas., 1938, I, 383). Volgens sommige auteurs is er echter geen sprake van een echte identificatie tussen rechtspersoon en vennoten. Bij vennootschappen met rechtspersoonlijkheid heeft de onbeperkte aansprakelijkheid van de vennoten in elk geval tot gevolg dat de verbintenissen die in hoofde van de vennootschap ontstaan, tegelijk in hoofde van alle vennoten ontstaan. Dit geldt voor alle verbintenissen van de vennootschap en dus niet alleen voor deze die hun oorsprong vinden in een contract (Cass., 1 december 1925, Pas., 1926, I, 88; J. RONSE, Algemeen deel van het vennootschapsrecht, Leuven, Acco, 1970, 250-251). De onvolkomen rechtspersoonlijkheid van de rechtspersoon werkt langs de passiefzijde zodat de passiva dubbel worden aangeknoopt (zie nader: H. DE WULF, "Onbeperkte aansprakelijkheid van vennoten impliceert geen toerekening van handelaarshoedanigheid" (noot onder Kh. Tongeren, 13 januari 2003), TRV, 2003,
(679), 680 en de verwijzingen aldaar).
(20)M. DELANOTE, "Invordering van belastingschulden op het vlak van de inkomstenbelastingen en de BTW", A.F.T., 2007,
(3), 7-8; S. DE RAEDT en J. HEIRMAN, "De ene belastingschuldige is de andere niet" (noot onder Cass., 14 juni 2007), T.F.R., 2008,
(346), 355, nr. 49-50.
(21)Anders J.-P. MAGREMANNE, D. LAMBOT, M. MARLIERE en B. DE CLIPPEL, Le contentieux de l'impôt sur les revenus, Kluwer, 2000, 59, nr. 44.
(22)Anders Circulaire Ci. Rh.81/488.797 d.d. 28 april 1999, Bull. Bel., 1999, nr. 793, p. 1541, nr. 31: een kohier op naam van de overdrager volstaat en laat toe dat een dwangschrift kan worden opgesteld lastens de overnemer in zijn hoedanigheid van hoofdelijke medeschuldenaar. Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030912.7 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070614.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071122.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210430.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div