← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.3 Rolnummer: S.08.0064.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-01-20 Raadplegingen: 832 - laatst gezien 2026-07-03 06:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Waar betalingen door de werkgever aan zijn werknemer gedaan, in beginsel beschouwd worden als betalingen verschuldigd ingevolge de dienstbetrekking, dus als loon waarop de sociale zekerheidsbijdragen worden berekend, heeft de wetgever evenwel de bedoeling gehad de door de werkgever aan de werknemer toegekende giften uit te sluiten van het begrip loon. Thesaurus CAS: LOON - RECHT OP LOON UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Algemeen Vrije woorden: Loon als berekeningsbasis voor socialezekerheidsbijdragen - Giften - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - Art. 2 Fiche 2 Uit de omschrijving van het loonbegrip in de Loonbeschermingswet volgt echter dat van een gift slechts sprake kan zijn wanneer het voordeel niet is toegekend wegens de ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid en dus niet ingevolge de dienstbetrekking, maar bij gelegenheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, naar aanleiding van een arbeidsonderbreking of wegens bijzondere omstandigheden zoals de persoonlijke genegenheid of de waardering van de werkgever of van een andere gebeurtenis in het persoonlijk leven of dat van de familie van de werknemer. Thesaurus CAS: LOON - RECHT OP LOON UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Loon - Algemeen Vrije woorden: Loonbegrip in de Loonbeschermingswet - Gift Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - Art. 2 Tekst van de beslissing Nr. S.08.0064.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen NAFTA, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Van Putlei 32, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 oktober 2007 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 2, in het bijzonder het eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers (Loonbeschermingswet), vóór zijn wijziging bij wet van 22 mei 2001; - de artikelen 1, §1, 14, §1 en §2, 23, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (RSZ-wet) ; - de artikelen 1, §1, 2, §1, eerste lid, 23, eerste en tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (Algemene beginselenwet sociale zekerheid). Aangevochten beslissing Het bestreden arrest vernietigt het vonnis van de eerste rechter en, opnieuw wijzende, verklaart het de oorspronkelijke vorderingen, zoals deze werden ingesteld in de akten van rechtsingang in de zaken die de eerste rechters hebben samengevoegd, ongegrond en wijst de eiser ervan af. Wat de vordering i.v.m. de eenmalige premie betreft, gaat het meer bepaald om de vordering, ingeleid bij dagvaarding van 26 november 1986 inzake A.R. 355.176 (ex A.R. 158.996), voor een totaal bedrag van 2.272.564 BEF, waarvan 1.537.356 BEF (38.110,06 euro) specifiek betrekking heeft op de bijdragen verschuldigd op de eenmalige premie (zie de eerste zes posten van het R.U. van 3 september 1986; zie het vonnis van de eerste rechter, p.17, tweede alinea). Het bestreden arrest oordeelt dat deze eenmalige premie uitgekeerd in het tweede kwartaal van 1984 geen grond oplevert om RSZ-bijdragen te innen, verklaart de tegenvordering van de verweerster dienaangaande gegrond en veroordeelt de eiser tot terugbetaling aan de verweerster van de bijdragen die zij m.b.t. die eenmalige premie reeds had betaald, hetzij een bedrag van 38.110,06 euro. De beslissing dat er geen RSZ-bijdragen zijn verschuldigd op de eenmalige premie werd op de volgende overwegingen gegrond: "De eenmalige premie, betaald in 1984 P.S. , hoofd van de personeelsdienst bij (verweerster) verklaarde op 2 juni 1986 aan de inspectie: ‘In de loop van het tweede kwartaal 1984 heeft de vennootschap aan een aantal werknemers een bedrag betaald om aan deze werknemers de bijzondere sympathie van de firma te tonen. Er werd een bedrag betaald aan bijna alle arbeiders voor een totaal bedrag van 763.000 BEF. Hierbij overhandig ik u de lijst. De 6 laatste arbeiders van de lijst hebben niets gekregen omdat ze pas in dienst waren. G.R. was overleden op het ogenblik van de uitbetaling. Het betaalde bedrag hangt af van de looncategorie van de betrokken arbeider. Het merendeel van de bedienden, d.w.z. alle bedienden behalve de kaderleden, en degenen die pas in dienst waren, hebben een bedrag ontvangen voor een totaal van 1.717.000 BEF. De te betalen bedragen werden vastgesteld door de directeur-generaal volgens criteria die mij onbekend zijn. Volgens mij zijn deze bedragen echte vrijgevigheden en ik wens er dan ook geen RSZ-bijdragen op te betalen'. Volgens (eiser) staat de ‘bijzondere sympathie' van de (verweerster) in rechtstreeks verband met de tegenprestatie voor arbeid die in het kader van de arbeidsovereenkomst werd verricht. Volgens de (eiser) werd de premie meer bepaald uitbetaald om de ongemakken van een reorganisatie binnen de arbeidsrelatie te vergoeden. Het (arbeids)hof is van oordeel dat de eerste rechters deze kwestie op oordeelkundige wijze hebben beoordeeld. Het (arbeids)hof sluit zich bij hun beslissing, die op goede gronden werd genomen, aan. Het (arbeids)hof is, zoals de eerste rechters van oordeel, dat de toegekende gelden geen arbeid hebben gecompenseerd maar een aantal ongemakken, waaronder het personeel te lijden had gehad. Blijkbaar werd aan diegenen die van deze ongemakken gespaard bleven (de recent in dienst gekomen werknemers), geen vergoeding uitbetaald. Het is ook duidelijk dat de personeelsdirecteur deze bedragen als echte vrijgevigheden bestempelde. Het (arbeids)hof bevestigt, wat dit onderdeel betreft, de beslissing van de eerste rechters" (arrest, p.8 - 9). De eerste rechter, waarvan het bestreden arrest vaststelde dat hij deze kwestie op oordeelkundige wijze heeft beoordeeld, en bij wiens beslissing het arbeidshof zich aansloot, oordeelde als volgt: In casu ging het om een waarderingspremie die werd betaald ter compensatie van de bijzondere last die de werknemers hadden ondervonden door de doorgevoerde reorganisatie. Het ging hier duidelijk om een eenmalige gift, die niet onder te brengen is onder artikel 2, 3°, van de Loonbeschermingswet. De (eiser) toont trouwens op geen enkele wijze het loonkarakter aan. Tevergeefs verwijst de eiser naar de cassatierechtspraak (zoals Cass., 20 april 1977) waar het principe werd gevestigd dat het loonkarakter niet aan een premie wordt ontnomen door het loutere feit dat er geen recht op die premie bestaat voor de toekomst. (...) Welnu, de premie waarvan hier sprake, werd niet toegekend als tegenprestatie voor geleverde arbeid. Ze werd wel toegekend als compensatie voor de last die het personeel had ondervonden als gevolg van een reeks wijzigingen en reorganisaties in het bedrijf. Die last staat los van de arbeid zelf. Deze vergoeding, die een aantal ongemakken moest compenseren, heeft geen loonkarakter" (vonnis van 20 december 2004 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen; p.16 - 17, 3.3.2.5). Grieven

  1. Luidens de artikelen 14 van de RSZ-wet en 23 van de Algemene beginselenwet sociale zekerheid worden de sociale zekerheidsbijdragen berekend op basis van het loon van de werknemer zoals gedefinieerd in artikel 2 van de Loonbeschermingswet.
  2. Artikel 2, eerste lid, van de Loonbeschermingswet bepaalt dat onder het begrip loon moet worden verstaan, het loon in geld en de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever. Deze definitie omvat, enerzijds, al wat loon is in de eigenlijke arbeidsrechtelijke betekenis, d.w.z. elk voordeel dat de werkgever aan zijn werknemer toekent als tegenprestatie voor arbeid verricht krachtens de arbeidsovereenkomst, anderzijds, bij uitbreiding van het arbeidsrechtelijke loonbegrip, elk voordeel dat ingevolge de dienstbetrekking wordt verleend zonder dat daar rechtstreeks een arbeidsprestatie tegenover staat.
  3. Wanneer het voordeel wordt toegekend als tegenprestatie van ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid, dan ontstaat het recht op dat voordeel door het verrichten van de arbeid zelf. Indien het voordeel niet de tegenprestatie uitmaakt van ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid, dan kan de werknemer lastens zijn werkgever slechts aanspraak maken op dat voordeel voor zover de toekenning van dat voordeel door de partijen is bedongen of voor zover de werkgever daartoe een eenzijdige verbintenis heeft aangegaan of verplicht is ingevolge een wet, een C.A.O., een arbeidsreglement of een gebruik.
  4. Wanneer de toekenning van een voordeel geen tegenprestatie uitmaakt voor verrichte arbeid en niet gestoeld kan worden op één van voormelde rechtsbronnen, dan moet dat voordeel als een vrijgevigheid of gift worden beschouwd nu de werknemer in die omstandigheden lastens zijn werkgever geen recht op dat voordeel kan laten gelden. Het gaat dan ondermeer om voordelen die worden toegekend bij gelegenheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, naar aanleiding van een arbeidsonderbreking of wegens bijzondere omstandigheden als daar zijn de persoonlijke genegenheid of waardering van de werkgever of één of andere gebeurtenis in het persoonlijk leven of dat van de familie van de werknemer.
  5. Het bestreden arrest stelt vast dat de toegekende eenmalige premies geen arbeid hebben gecompenseerd (arrest, p. 8, laatste alinea) en bevestigt zodoende het oordeel van de eerste rechter - die volgens het arbeidshof deze kwestie op oordeelkundige wijze heeft beoordeeld, waarbij het arbeidshof zich aansluit - dat deze premies niet werden toegekend als tegenprestatie voor geleverde arbeid (vonnis eerste rechter, p. 17, eerste alinea). Hieruit leiden de appelrechters af dat deze premies geen loonkarakter hebben, maar een gift uitmaken die werd toegekend ter compensatie van een aantal ongemakken waaronder het personeel te lijden heeft gehad (als gevolg van een reorganisatie).
  6. De loutere vaststelling dat de premie niet werd toegekend als tegenprestatie voor verrichte arbeid, volstaat evenwel niet om het loonkarakter te ontzeggen aan dat voordeel in zoverre een premie ook loon kan zijn wanneer zij wordt toegekend ingevolge de dienstbetrekking, zonder dat daar rechtstreeks een arbeidsprestatie tegenoverstaat, voor zover de werknemer ten overstaan van zijn werkgever een recht kan laten gelden op de toekenning van dat voordeel.
  7. Ook de vaststelling dat de personeelsdirecteur van de verweerster de toegekende premies als echte vrijgevigheden heeft bestempeld (arrest, p. 9, tweede alinea) kan geen wettige grondslag vormen voor de beslissing dat deze premies geen loonkarakter hebben. Of er sprake is van loon dan wel van een gift, hangt immers niet af van de kwalificatie die de werkgever aan die premie heeft gegeven, maar van het antwoord op de vraag of die premie al dan niet een voordeel uitmaakt in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet, waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever.
  8. Het feit dat volgens de eerste rechter de last, ter vergoeding waarvan de premie aan de werknemers werd toegekend, losstaat van de arbeid zelf (p. 17, eerste alinea, derde zin), kan tenslotte evenmin uitsluiten dat de premie werd toegekend ingevolge de dienstbetrekking en dat de werknemer recht heeft op die premie ten laste van de werkgever, temeer daar de premie werd toegekend voor een last die verband houdt met de tewerkstelling bij de verweerster.
  9. Hieruit volgt dat het bestreden arrest op grond van de vaststellingen dat de toegekende premies geen arbeid hebben gecompenseerd, dat de personeelsdirecteur deze premies als echte vrijgevigheden heeft beschouwd en dat de last, ter compensatie waarvan de premies werden toegekend, losstaat van de arbeid, niet wettig heeft kunnen oordelen dat deze premies een gift zijn en geen loonkarakter hebben, nu het bestreden arrest zodoende niet uitsluit dat die premies aan de werknemers werden toegekend ingevolge de dienstbetrekking en dat zij hierop aanspraak kunnen maken ten laste van hun werkgever, ook al staat daar rechtstreeks geen arbeidsprestatie tegenover (schending van de artikelen 2, in het bijzonder het eerste lid, Loonbeschermingswet, 1, §1, 14, §1 en §2, 23, §1, RSZ-wet, 1, 2, §1, eerste lid, 23, eerste en tweede lid, Algemene beginselenwet sociale zekerheid). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
  10. De verweerster werpt op dat het middel nieuw is.
  11. In het verzoekschrift tot hoger beroep en in zijn appelconclusie voerde de eiser aan dat de toekenning van een premie in rechtstreeks verband staat met de te verrichten arbeid indien de werkgever die toekenning verricht als een middel om een reorganisatie binnen het bedrijf in goede banen te leiden. De eiser voerde alsdus niet uitsluitend aan dat deze premie een tegenprestatie was voor de geleverde arbeid, maar ook dat de premie alleszins in directe relatie stond met de uitvoering van de dienstbetrekking en eruit voortvloeide. De grond van niet-ontvankelijkheid van het middel dient te worden verworpen. Middel
  12. Artikel 14, §1, van de R.S.Z.-wet van 27 juni 1969 bepaalt dat de bijdragen voor de sociale zekerheid berekend worden op basis van het loon van de werknemer. Krachtens artikel 14, §2, van deze wet, wordt het loonbegrip omschreven met verwijzing naar het loonbegrip van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965, met dien verstande dat het in de laatstgenoemde wet bepaalde loonbegrip bij koninklijk besluit kan worden verruimd of beperkt.
  13. Krachtens artikel 2 van de Loonbeschermingswet, wordt onder loon verstaan: het loon in geld en de in geld waardeerbare voordelen "waarop de werknemer ingevolge de dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever". De voormelde wetsbepaling breidt het loonbegrip in de zin van de arbeidsovereenkomstenwet, zijnde de tegenprestatie van de krachtens de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid, uit tot de voordelen in geld of in geld waardeerbaar, waarop de werknemer ingevolge de dienstbetrekking aanspraak heeft ten laste van de werkgever.
  14. Betalingen door de werkgever aan zijn werknemer gedaan, worden in beginsel beschouwd als betalingen verschuldigd ingevolge de dienstbetrekking, dus als loon waarop de socialezekerheidsbijdragen worden berekend.
  15. De wetgever heeft evenwel de bedoeling gehad de door de werkgever aan de werknemer toegekende giften uit te sluiten van het begrip loon. Uit de omschrijving van het loonbegrip in de Loonbeschermingswet volgt echter dat van een gift slechts sprake kan zijn wanneer het voordeel niet is toegekend wegens de ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid en dus niet ingevolge de dienstbetrekking, maar bij gelegenheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, naar aanleiding van een arbeidsonderbreking of wegens bijzondere omstandigheden zoals de persoonlijke genegenheid of de waardering van de werkgever of een andere gebeurtenis in het persoonlijke leven of dat van de familie van de werknemer.
  16. Het arrest oordeelt dat de eenmalige premie die in 1984 door de verweerster werd betaald aan de arbeiders en bedienden "geen arbeid (heeft) gecompenseerd", maar wel een aantal ongemakken heeft vergoed, die het personeel te lijden had gehad bij de reorganisatie van het bedrijf en dat de personeelsdirecteur de betaalde bedragen als echte vrijgevigheden bestempelde.
  17. Op grond hiervan vermocht het arrest niet wettig te oordelen dat de uitbetaalde premie als gift werd uitbetaald en niet ingevolge de dienstbetrekking. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de socialezeker-heidsbijdragen op de eenmalige premie, over de tegenvordering van de verweerster in dit verband en over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 5 januari 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170619.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220419.2N.11 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250324.3F.7 ECLI:BE:CTLIE:2010:ARR.20100421.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100201.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.