id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.4 Rolnummer: S.08.0086.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2022-07-07 Raadplegingen: 799 - laatst gezien 2026-07-03 01:32 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De rechter die de aan de bediende toekomende opzeggingstermijn en de forfaitaire opzeggingsvergoeding moet bepalen, dient dit te doen met inachtneming van het loon op het tijdstip van de kennisgeving van het ontslag of van de vaststelling van de onregelmatige beëindiging van de overeenkomst en met inachtneming van de voor de bediende op dat ogenblik bestaande kans om een gelijkwaardige, passende betrekking te vinden, gelet op zijn leeftijd, zijn anciënniteit in het bedrijf en zijn functie
(1).
(1)Zie Cass., 3 feb. 2003, AR S.02.0090.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.10, A.C., 2003, nr. 78. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzeggingsvergoeding Vrije woorden: Bepaling van de opzeggingstermijn en de opzeggingsvergoeding - Door de rechter in acht te nemen elementen Wettelijke bepalingen: Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Artt. 39, § 1, en 82, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Fiche 2 Voor het bepalen van de hoegrootheid van de opzeggingsvergoeding mag, gelet op het forfaitair karakter ervan, geen rekening gehouden worden met omstandigheden die zich na de kennisgeving van het ontslag of na de vaststelling van de onregelmatige beëindiging van de overeenkomst hebben voorgedaan
(1).
(1)Zie Cass., 3 feb. 2003, AR S.02.0090.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.10, A.C., 2003, nr.
- Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzeggingsvergoeding Vrije woorden: Bepaling van de opzeggingstermijn en de opzeggingsvergoeding - Invloed van omstandigheden die zich na de opzegging voordoen Wettelijke bepalingen: Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Artt. 39, § 1, en 82, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Nr. S.08.0086.N V.P., eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen ELECTRICITEIT VOOR GOEDERENBEHANDELING MARINE EN INDUSTRIE, in het kort EGEMIN, naamloze vennootschap, met zetel te 2070 Zwijndrecht, Baarbeek 1, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 maart 2007 gewezen door het Arbeidshof te Gent. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 39, §1, 82, §2, eerste en tweede lid, §3, eerste en tweede lid, en, voor zoveel als nodig, §4, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van de eiser tot het verkrijgen van een opzeggingsvergoeding, het hoger beroep van de eiser slechts gedeeltelijk gegrond. Opnieuw recht doende, veroordeelt het arbeidshof de verweerster tot betaling aan de eiser van een brutobedrag van 28.246,25 euro als opzeggingsvergoeding. De beslissing van het arbeidshof om het bedrag van de door de verweerster verschuldigde opzeggingsvergoeding te bepalen op 28.246,25 euro, is gesteund op de volgende motieven: "b. Nopens de begroting van de opzeggingsvergoeding:
- De (verweerster) is dus, conform artikel 39, §1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, een vergoeding verschuldigd aan de (eiser; het arbeidshof vermeldt verkeerdelijk ‘verweerster'). De (verweerster) is derhalve gehouden tot betaling aan de (eiser) van een opzeggingsvergoeding en niet omgekeerd.
- Het arbeidshof hanteert geen schalen of formules (zie stuk II/16 (van de eiser)), die trouwens geen enkele wettelijke basis hebben, maar houdt rekening met de concrete omstandigheden, zoals daar zijn het feit dat hij amper één maand later - volgens de conclusies van de (verweerster) - een vennootschap heeft opgericht met dezelfde activiteiten als de (verweerster) (BVBA VEDECOM, die de bestuurder is van de NV AVALON, met dezelfde activiteiten als Egemin) : de anciënniteit (sinds 1 oktober 1989), de functie (bediende, projectmanager), de leeftijd (° 17 augustus 1962), het loon van de (eiser; het arbeidshof vermeldt verkeerdelijk ‘verweerster') en de wederzijds belangen van de partijen (Cass. 9 mei 1994, Soc. Kron., 1994, 253).
- Nopens de parameters anciënniteit, functie en leeftijd bestaan er geen betwistingen tussen de partijen. Dit is wel het geval voor wat betreft het loonelement. Het maandloon zelf en het voordeel van de groepsverzekering dient weerhouden zoals hierna overwogen en berekend.
- Het arbeidshof verwerpt de forfaitaire onkostenvergoeding van 1.488,00 euro per jaar daar een dergelijke vergoeding geen loon uitmaakt en niet bewezen wordt dat deze de normale uitgaven te boven gaat. De (eiser) heeft dit trouwens evenmin als voordeel in natura aangegeven aan de fiscus, minstens wordt dit niet bewezen. Dit bedrag kan niet mee berekend worden om het jaarloon van de (eiser) te bepalen. De (eiser) toont evenmin aan dat hij deze kosten als loon heeft beschouwd of aangegeven. Het feit dat de kosten forfaitair werden berekend in functie van de graad bewijst daarom niet dat het hier gaat om verdoken loon. Het arbeidshof neemt logischerwijze aan dat de (eiser) wanneer hij de baan op moet en zich naar klanten en werven moet begeven kosten heeft inherent aan deze bezoeken en verplaatsingen. Volgens de (verweerster) heeft de (eiser) telkens onkostennota's voor verplaatsingen ingediend, hetgeen dan flagrant in strijd is met de stelling van de (eiser) zelf.
- Wat het bruto jaarsalaris betreft kan het de (eiser) evenmin volgen waar dit berekend wordt op 82.386,67 euro. Dit jaarloon wordt als volgt vastgesteld: vast loon 3.735,30 euro per maand (zie loonfiches, stukken II/20) x 13,92 = 51.995,37, meer de groepsverzekering 4.197,12 euro (zie stuk II/19 (van de eiser)) en de hospitalisatie-verzekering 300,00 euro; hetzij in het totaal: 56.492,49 euro. De oudejaarspremie is reeds inbegrepen in het jaarloon gezien de gebruikte formule (maandloon x 13,92).
- Het gebruik laptop en GSM wordt niet aanvaard als zijnde voordelen. Deze werden hem enkel ter beschikking gesteld voor professionele doeleinden (zie artikel 38 arbeidsreglement, stuk 11 (van de verweerster)). De (eiser) bewijst niet dat hij de laptop en de GSM voor private doeleinden mocht gebruiken. Een dergelijk gebruik kan dan ook niet als een voordeel worden be¬schouwd, zelfs niet wanneer deze zeer bescheiden werden begroot. Ook de onkostenvergoeding kan niet in rekening worden gebracht, zoals hoger overwogen.
- De overuren worden niet aanvaard gezien deze niet worden bewezen door de (eiser) (noch vermeld op de loonbrieven). De (eiser) bewijst geen overwerk, noch de hoegrootheid ervan. In graad van beroep berust hij in de afwijzing van zijn vordering. Het arbeidshof gaat om die redenen dan ook niet in op de argumenten die de (verweerster) dienaangaande heeft ontwikkeld.
- De contractbreuk in hoofde van de (verweerster) kan enkel, gezien de concrete omstandigheden van deze zaak en in het bijzonder het feit dat de (eiser) bijna onmiddellijk na het inroepen van de eenzijdige wijziging door de (verweerster) gestart is met een nieuwe firma (met trouwens dezelfde activeiten), aanleiding geven tot een vergoeding aan de (eiser) gelijk aan 6 maand loon hetzij 28.246,25 euro bruto. De (verweerster) die de verantwoordelijkheid draagt voor de eenzijdige wijziging kan echter geen aanspraak maken op een vergoeding vanwege de (eiser).
- De eerste rechter kan derhalve niet gevolgd worden zodat het hoger beroep op dit punt gegrond voorkomt" (blz. 19, vanaf "b. Nopens de begroting van de opzeggings-vergoeding", t.e.m. blz. 20, van het bestreden arrest). Grieven Op grond van artikel 39, §1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (hieronder afgekort als de Arbeidsovereenkomstenwet) is de partij die de arbeidsovereenkomst gesloten voor onbepaalde tijd op onregelmatige wijze beëindigt, gehouden de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon en de voordelen verworven krachtens de overeenkomst overeenstemmende hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn. Om de opzeggingsvergoeding te berekenen dient aldus de duur van de opzeggingstermijn die door de onregelmatig beëindigende partij in acht had dienen genomen te worden, bepaald te worden. Krachtens artikel 82, §3, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, wordt, wanneer het jaarlijks loon van de bediende de in dat artikel bepaalde grens overschrijdt, de door de werkgever ten aanzien van de bediende in acht te nemen opzeggingstermijn vastgesteld hetzij bij overeenkomst, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij, indien de partijen geen dergelijke overeenkomst hebben gesloten, door de rechter. Indien de partijen niet tot een akkoord komen, behoort het dus aan de rechter om de opzeggingstermijn te bepalen. Het arbeidshof beslist dat de verweerster (werkgever) op grond van artikel 39, §1, van de Arbeidsovereenkomstenwet aan de eiser (werknemer) een opzeggingsvergoeding is verschuldigd (blz. 19, punt 1, van het bestreden arrest). Uit de vaststellingen van het arbeidshof in het bestreden arrest en de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser een bediende was wiens jaarloon de in artikel 82, § 3, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde grens overschrijdt, en dat tussen de partijen geen overeenkomst werd gesloten over de duur van de opzeggingstermijn. De duur van de opzeggingstermijn die door de verweerster (werkgever) ten aanzien van de eiser (werknemer) in acht genomen had dienen te worden, dient aldus, overeenkomstig artikel 82, §3, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, bij ontstentenis van overeenkomst gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging werd gegeven, door de rechter bepaald te worden.
- Eerste onderdeel 1.1.
- Artikel 82, §3, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat, indien de opzegging wordt gegeven door de werkgever, de opzeggingstermijn niet korter mag zijn dan de in §2, eerste en tweede lid, van dat artikel vastgestelde termijnen. De rechter die de opzeggingstermijn dient te bepalen die de werkgever in acht had dienen te nemen ten aanzien van een bediende wiens jaarloon de in artikel 82, § 3, eerste lid, van de Arbeidsovereenkom¬stenwet bepaalde grens overschrijdt, moet aldus de wettelijke minimumtermijn eerbiedigen voor bedienden wier jaarloon die grens bepaald in artikel 82, §2, eerste en tweede lid, van de Arbeidsover¬eenkomstenwet niet overschrijdt. Krachtens artikel 82, §2, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, dient de werkgever ten aanzien van een bediende wiens jaarloon de in dat artikel bepaalde grens niet overschrijdt, een opzeggingstermijn in acht te nemen van ten minste drie maanden indien de bediende minder dan vijf jaar in dienst is. Op grond van artikel 82, §2, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt die termijn vermeerderd met drie maanden bij de aanvang van elke nieuwe periode van vijf jaar dienst bij dezelfde werkgever. De door de rechter te bepalen opzeggingstermijn die een werkgever ten aanzien van een bediende wiens jaarloon de in artikel 82, §3, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomsten-wet bepaalde grens overschrijdt, in acht had dienen te nemen, dient aldus minimaal drie maanden per (aangevangen) en nieuwe periode van vijf jaar dienst bij dezelfde werkgever te bedragen. 1.1.
- Het arbeidshof stelt in het bestreden arrest vast dat tussen de partijen geen betwisting bestond over het element anciënniteit (blz. 19, nr. 3, eerste zin, van het bestreden arrest). Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest: "Het arbeidshof hanteert geen schalen of formules (zie stuk II/16 (van de eiser)), die trouwens geen enkele wettelijke basis hebben, maar houdt rekening met de concrete omstandigheden, zoals daar zijn het feit dat hij amper één maand later - volgens de conclusies van de (verweerster) - een vennootschap heeft opgericht met dezelfde activiteiten als de (verweerster) (BVBA VEDECOM, die de bestuurder is van de NV AVALON, met dezelfde activiteiten als Egemin): de anciënniteit (sinds 1 oktober 1989), de functie (bediende, projectmanager), de leeftijd (° 17 augustus 1962), het loon van de (eiser; het arbeidshof vermeldt verkeerdelijk ‘verweerster') en de wederzijds belangen van de partijen (Cass. 9 mei 1994, Soc. Kron., 1994, 253)" (blz. 19, nr. 2, van het bestreden arrest). Het arbeidshof geeft aldus in het bestreden arrest aan dat bij de berekening van de anciënniteit van de eiser rekening dient te worden gehouden met het feit dat de tewerkstelling een aanvang nam op 1 oktober
- Het arbeidshof beslist in het bestreden arrest dat de arbeidsovereenkomst als beëindigd dient te worden beschouwd door toedoen van de verweerster met ingang van 1 april 2004 (blz. 19, bovenaan, van het bestreden arrest). Uit de vaststellingen en overwegingen van het arbeidshof in het bestreden arrest blijkt aldus dat de tewerkstelling van de eiser een aanvang nam op 1 oktober 1989 en een einde nam op 1 april 2004, zodat de eiser veertien jaar en zes maanden ononderbroken in dienst is geweest bij de verweerster. De door het arbeidshof te bepalen opzeggingstermijn die de verweerster ten aanzien van de eiser in acht had dienen te nemen, dient aldus op grond van artikel 82, §2, eerste en tweede lid, en §3, eerste en tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet minimaal negen maanden te bedragen (zijnde drie maanden per (aangevangen) nieuwe periode van vijf jaar dienst bij dezelfde werkgever). Het arbeidshof beslist in het bestreden arrest dat "de contractbreuk in hoofde van de (verweerster) enkel, gezien de concrete omstandigheden van deze zaak en in het bijzonder het feit dat de (eiser) bijna onmiddellijk na het inroepen van de eenzijdige wijziging door de (verweerster) gestart is met een nieuwe firma (met trouwens dezelfde activiteiten), aanleiding kan geven tot een vergoeding aan de (eiser) gelijk aan 6 maand loon hetzij 28.246,25 euro bruto" (blz. 20, nr. 8, eerste zin, van het bestreden arrest). Het arbeidshof stelt aldus de duur van de opzeggingstermijn die de verweerster ten aanzien van de eiser in acht had moeten nemen, vast op zes maanden. Het arbeidshof kent aldus aan de eiser een kortere opzeggingstermijn (zes maanden) toe dan de in artikel 82, §3, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde wettelijk minimale opzeggingstermijn (negen maanden). Conclusie Het arbeidshof ken aan de eiser niet wettig een kortere opzeggingstermijn toe dan de wettelijk minimale (schending van de artikelen 82, §2, eerste en tweede lid, §3, eerste en tweede lid, en § 4, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). Het arbeidshof stelt het bedrag van de door de verweerster aan de eiser verschuldigde opzeggingsvergoeding dan ook niet wettig vast op zes maanden loon, hetzij 28.246,25 euro (schending van artikel 39, §1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). 1.
- Tweede onderdeel 1.2.
- De door de rechter vast te stellen opzeggingstermijn die een werkgever ten aanzien van een bediende wiens jaarloon de in artikel 82, §3, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde grens overschrijdt, in acht had moeten nemen en die als basis moet dienen voor de berekening van de door de werkgever verschuldigde opzeggingsvergoeding, moet worden bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van de opzegging of het ontslag bestaande kans voor de bediende om spoedig een gelijkwaardige en passende dienstbetrekking te vinden. De kans voor de bediende om spoedig een gelijkwaardige en passende dienstbetrekking te vinden, moet door de rechter worden bepaald "gelet op" de anciënniteit van de bediende, zijn leeftijd, de belangrijkheid van zijn functie en het bedrag van zijn loon, naargelang van de elementen eigen aan de zaak. De rechter dient bij de bepaling van de duur van de hier bedoelde in acht te nemen opzeggingstermijn slechts rekening te houden met de feiten die bestonden op het tijdstip van het ontslag in zoverre die feiten de voor de bediende bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige en passende dienstbetrekking te vinden, beïnvloeden. De rechter mag dus bij de bepaling van de duur van die opzeggingstermijn geen rekening houden met gedragingen of omstandigheden die zich na het ontslag hebben voorgedaan of zich eventueel zouden kunnen voordoen, noch met feiten die de mogelijkheid voor de bediende om een gelijkwaardige en passende dienstbetrekking te vinden, niet beïnvloeden. 1.2.
- Het arbeidshof overweegt dat het "geen schalen of formules, die trouwens geen enkele wettelijke basis hebben, hanteert, maar rekening houdt met de concrete omstandigheden, zoals daar zijn het feit dat (de eiser' amper één maand later - volgens de conclusies van de (verweerster) - een vennootschap heeft opgericht met dezelfde activiteiten als de (verweerster) (BVBA VEDECOM, die de bestuurder is van de NV AVALON, met dezelfde activiteiten als (die van de verweerster)), de anciënniteit (sinds 1 oktober 1989), de functie (bediende, projectmanager), de leeftijd (° 17 augustus 1962), het loon van (de eiser; het arbeidshof vermeldt verkeerdelijk ‘verweerster') en de wederzijdse belangen van de partijen" (blz. 19, nr. 2, van het bestreden arrest). Verder in het bestreden arrest overweegt het arbeidshof ook nog dat "de contractbreuk in hoofde van de (verweerster) enkel, gezien de concrete omstandigheden van deze zaak en in het bijzonder het feit dat de eiser bijna onmiddellijk na het inroepen van de eenzijdige wijziging door de (verweerster) gestart is met een nieuwe firma (met trouwens dezelfde activiteiten), aanleiding kan geven tot een vergoeding aan (de eiser) gelijk aan 6 maand loon hetzij 28.246,25 euro bruto" (blz. 20, nr. 8, eerste zin, van het bestreden arrest). Het arbeidshof houdt bij het bepalen van de duur van de opzeggingstermijn waarop de eiser aanspraak kan maken (en bijgevolg bij het bepalen van de door de verweerster verschuldigde opzeggingsvergoeding) aldus rekening met het feit dat de eiser amper één maand later een vennootschap heeft opgericht met dezelfde activiteiten als die van de verweerster of m.a.w. bijna onmiddellijk na het inroepen van de eenzijdige wijziging gestart is met een nieuwe firma die dezelfde activiteiten uitoefent als de verweerster. Het feit dat de eiser bijna onmiddellijk na het inroepen van de eenzijdige wijziging, zijnde het ontslag, gestart is met een nieuwe firma (een vennootschap heeft opgericht) die dezelfde activiteiten uitoefent als de verweerster, heeft zich voorgedaan na het ontslag. Bovendien beïnvloedt dat feit niet de mogelijkheid voor de eiser om een gelijkwaardige en passende dienstbetrekking te vinden. Conclusie Bij het bepalen van de duur van de opzeggingstermijn waarop de eiser aanspraak kan maken, houdt het arbeidshof niet wettig rekening met het feit dat de eiser bijna onmiddellijk na het inroepen van de eenzijdige wijziging, zijnde het ontslag, gestart is met een nieuwe firma (een vennootschap heeft opgericht) die dezelfde activiteiten uitoefent als de verweerster (schending van artikel 82, §3, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). Het arbeidshof stelt het bedrag van de door de verweerster aan de eiser verschuldigde opzeggingsvergoeding dan ook niet wettig vast op zes maanden loon, hetzij 28.246,25 euro (schending van artikel 39, §1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten).
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 108 en 159 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 81, 82 en 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen; - de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen; - de artikelen 2, eerste lid, 1°, 3bis, zoals ingevoegd bij artikel 81 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, 10, zowel in de versie van toepassing vóór als in die van toepassing na de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, en 23, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht, zoals neergelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel overeenkomstig welk een nieuwe wet in beginsel onmiddellijke werking heeft; - de artikelen 270, 272 en 273 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992; - artikel 23, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van de eiser tot het verkrijgen van een opzeggingsvergoeding, vermeerderd met interest, het hoger beroep van de eiser slechts gedeeltelijk gegrond. Het arbeidshof beslist slechts op het door de verweerster als opzeggingsvergoeding verschuldigde nettobedrag interest toe te kennen. Die beslissing is gesteund op de volgende motieven: "E. Nopens de intresten
- De intresten kunnen enkel toegekend worden op grond van het netto opeisbare gedeelte (Cass. 16 maart 1988, J.T.T. 1987, 495; Cass. 10 maart 1986, J.T.T. 1986, 189).
- Het gaat om bedragen en intresten verschuldigd vanaf 1 april
- Met de (verweerster) dient overwogen dat artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen niet als een interpretatieve wet met retroactieve werking kan beschouwd worden.
- Het arbeidshof is m.b.t. het hierboven vermeld punt
- in uitstekend gezelschap (Cass. 11 december 2006, AR S.2005.0083.N).
- Op sommen toegekend van voor 1 juli 2005 dient volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass. 7 april 2003, A.R. nr. S.00.0013.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030407.18, wwwjuridat.be; Cass. 8 november 1993, R.W. 1993-93, 1024; Cass. 16 maart 1987, Pas. 1987, I, 845, ...) rente toegekend op het nettobedrag, zelfs voor het loon van de werknemers waarvan het recht ontstaan is voor 1 juli 2005, voortduurt na 1 juli 2005 en na deze datum wordt toegekend (vgl. Arbeidsrechtbank Brussel, 18de kamer, 6 december 2005, A.R. nr. 62125/03, niet gepubliceerd aangehaald in Kluwer Nieuwsbrief Ontslag nr. 8, weken 15 en 16 blz. 6). Dit volgt uit artikel 2, a contrario, van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen" (blz. 23, onder "E. Nopens de intresten:", van het bestreden arrest). Grieven
- Artikel 10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, hieronder afgekort als Loonbeschermingswet, in de versie van toepassing v66r de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen (hieronder afgekort als wet van 26 juni 2002) bepaalt dat voor het loon van rechtswege rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt. Blijkens de bewoordingen en het opzet van dat artikel (in zijn voormelde versie), slaat dat enkel op het loon dat de werknemer van zijn werkgever kan vorderen. Artikel 10 van de Loonbeschermingswet is van toepassing op de opzeggingsvergoeding door de werkgever verschuldigd op grond van artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Die vergoeding is immers een geldelijk bedrag waarop de werknemer ten laste van zijn werkgever recht heeft ingevolge de dienstbetrekking en maakt derhalve loon uit in de zin van artikel 2, eerste lid, 1°, van de Loonbeschermingswet. Op grond van artikel 270, 1°, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 is de bedrijfsvoorheffing verschuldigd door de belastingplichtigen die als schuldenaar bezoldigingen betalen of toekennen. Behoudens tegenstrijdig beding hebben de in het voornoemde artikel bedoelde belastingschuldigen op grond van artikel 272, 1°, van hetzelfde wetboek, het recht op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden. Luidens artikel 273, 1°, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 is de bedrijfsvoorheffing opeisbaar uit hoofde van het betalen of toekennen van belastbare bezoldigingen. Bijgevolg heeft de werknemer, behoudens tegenstrijdig beding, waarvan het arbeidshof in deze zaak het bestaan niet vaststelt en waarvan het bestaan evenmin blijkt uit een stuk waarop uw Hof vermag acht te slaan, niet het recht te eisen dat die voorheffing aan hem zou betaald worden. De bijdragen voor sociale zekerheid worden berekend op grond van het loon van de werknemer. Overeenkomstig artikel 23, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, moet de werkgever bij iedere betaling van het loon de bijdrage van de werknemer inhouden. De werkgever is die ingehouden bijdrage, samen met de zijne, verschuldigd aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Bijgevolg kan de werknemer van de werkgever niet de betaling van zijn socialezekerheidsbijdragen vorderen. Luidens artikel 23, eerste lid, 1°, van de Loonbeschermingswet mogen de inhoudingen krachtens de belastingwetgeving, de wetgeving op de sociale zekerheid en krachtens particuliere of collectieve overeenkomsten betreffende bijkomende voordelen inzake socialezekerheid, in mindering gebracht worden op het loon van de werknemer. Met toepassing van artikel 10 van de Loonbeschermingswet, in de versie van toepassing vóór de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002, is derhalve interest verschuldigd op het nettobedrag van het loon.
- Artikel 81 van de wet van 26 juni 2002 voegde een artikel 3bis in de Loonbeschermingswet in. Dat artikel bepaalt dat de werknemer recht heeft op betaling, door de werkgever, van het hem verschuldigde loon en dat dit recht op de betaling van het loon betrekking heeft op het loon vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 werd artikel 10 van de Loonbeschermingswet vervangen en werd aan dat artikel een tweede lid toegevoegd. Dat tweede lid van artikel 10 van de Loonbeschermingswet bepaalt dat de rente wordt berekend op het loon vooraleer de in artikel 23 van die wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht. Met toepassing van artikel 10, tweede lid, van de Loonbeschermingswet, zoals ingevoegd bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002, is derhalve interest verschuldigd op het brutobedrag van het loon. 3.
- Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 maakt geen interpretatieve wetsbepaling uit. Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest overigens zelf in die zin (blz. 23, punt E, nrs. 3 en 4, van het bestreden arrest). Artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de wet alleen voor het toekomende beschikt en geen terugwerkende kracht heeft. Het beginsel dat een wet geen terugwerkende kracht heeft, maakt een algemeen rechtsbeginsel uit. Het beginsel dat een wet onmiddellijke uitwerking voor de toekomst heeft, vloeit voort uit artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht, dan wel maakt het een afzonderlijk algemeen rechtsbeginsel uit. Dat beginsel houdt in dat een nieuwe wet, in de regel, niet alleen van toepassing is op de toestanden die na haar inwerkingtreding zijn ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Overeenkomstig artikel 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 bepaalt de Koning de datum waarop deze wet in werking treedt. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, hieronder afgekort als koninklijk besluit van 3 juli 2005, bepaalt dat de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking treden op 1 juli
- Het recht op betaling van de door de verweerster aan de eiser verschuldigde opzeggingsvergoeding is ontstaan op het ogenblik waarop aan de arbeidsovereenkomst een einde kwam, zijnde volgens de vaststellingen van het arbeidshof 1 april 2004 (zie blz. 19, bovenaan, en blz. 23, punt E, nr. 2, van het bestreden arrest). Dat recht is aldus ontstaan vóór de inwerkingtreding van de (artikelen 81 en 82 van de) wet van 26 juni 2002 (1 juli 2005). Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 wijkt niet af van de algemene regel van de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet. Dat beginsel houdt in dat een nieuwe wet ook van toepassing is op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan reeds onherroe¬pelijk vastgestelde rechten. Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 (nieuwe wet) is dan ook van toepassing op de interest die blijft lopen na de inwerkingtreding ervan (1 juli 2005) voor loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan vóór die inwerkingtreding, zijnde een toekomstig gevolg van een onder de oude wet ontstane toestand dat voortduurt na de inwerkingtreding van de nieuwe wet (1 juli 2005). De toepassing met betrekking tot een schuldvordering die onder vigeur van de vroegere wet is ontstaan, van een latere wet die de grondslag van de door de schuldenaar wegens laattijdige betaling verschuldigde wettelijke interest bepaalt, op de lopende interest vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet, doet geen afbreuk aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Het beginsel van de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet (de wet van 26 juni 2002) houdt derhalve in dat voor loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan vóór 1 juli 2005 (datum van inwerkingtreding van de (artikelen 81 en 82 van de) wet van 26 juni 2002) de interest voor de periode tot aan de inwerkingtreding van de wet van 26 juni 2002 (1 juli 2005) op het nettoloon moet worden berekend (toepassing van de oude regelgeving (artikel 10 van de Loonbeschermingswet vóór de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002)), en dat vervolgens voor de periode erna de interestberekening op het brutoloon moet gebeuren (toepassing van de nieuwe wet (artikel 10 van de Loonbeschermingswet zoals vervangen bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002)). Artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 bepaalt weliswaar dat artikel 1 van dat besluit (luidens welk de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 in werking treden op 1 juli 2005) van toepassing is op het loon waarvan het recht op betaling ontstaat vanaf 1 juli
- Uit dat artikel 2 volgt a contrario dat de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 (volgens welke interest ver¬schuldigd is op het brutoloon) niet van toepassing zijn op loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan vóór 1 juli 2005, zelfs voor de periode na die datum, zodat, met toepassing van artikel 10 van de Loonbeschermingswet vóór de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 (oude wet), slechts interest verschuldigd is op het nettoloon. 3.
- Overeenkomstig artikel 108 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 maakt de Koning de verordeningen en neemt Hij de besluiten die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, zonder ooit de wetten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen. De uitvoerende macht kan slechts een besluit of een verordening nemen wanneer de Grondwet of een wettelijke bepaling de bevoegdheid daartoe aan de uitvoerende macht heeft toegewezen. Het besluit van de uitvoerende macht kan dan ook steeds worden getoetst aan de basiswet. Op grond van artikel 108 van de gecoördineerde Grondwet is het de Koning verboden om de wetten te schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te verlenen. Een koninklijk besluit kan dus (zonder wettelijke machtiging) niet afwijken van een wettelijke bepaling, noch van een algemeen rechtsbeginsel met wettelijke waarde. De uitvoerende macht moet binnen de perken van de wet blijven en mag daaraan geen regels of uitzonderingen toevoegen. Het beginsel dat een wet onmiddellijke uitwerking voor de toekomst heeft, vloeit voort uit artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel (met wettelijke waarde) betreffende het verbod van terugwerkende kracht, dan wel maakt het een afzonderlijk algemeen rechtsbeginsel (met wettelijke waarde) uit. 3.
- Artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 houdt in dat de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 niet van toepassing zijn op loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan vóór 1 juli 2005, zodat zelfs voor de periode na die datum slechts interest is verschuldigd op het nettoloon. Op grond van het beginsel van de onmiddellijke werking van de nieuwe wet, dat zijn grondslag vindt in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht, dan wel een afzonderlijk algemeen rechtsbeginsel uitmaakt, is, zoals hierboven reeds uiteengezet, voor loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan vóór 1 juli 2005, vanaf die datum evenwel interest verschuldigd op het brutobedrag ervan. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 wijkt aldus af van het beginsel dat een nieuwe wet in principe onmiddellijke werking heeft, beginsel dat zijn grondslag vindt in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht, dan wel een afzonderlijk algemeen rechtsbeginsel uitmaakt: de nieuwe wet (artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 volgens welk interest is verschuldigd op het brutoloon) wordt immers niet toepasselijk geacht op toekomstige gevolgen van onder de oude wet ontstane toestanden die voortduren na de inwerkingtreding van de nieuwe wet (zijnde het blijven lopen van interest op loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan vóór 1 juli 2005). Bovendien voegt artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 aan de wet van 26 juni 2002 een regel toe die daarin niet is vervat. De Koning werd door de wetgever niet gemachtigd om af te wijken van artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel van een algemeen rechtsbeginsel met wettelijke waarde (hetzij dat luidens welk een nieuwe wet geen terugwerkende kracht heeft hetzij dat luidens welk een nieuwe wet onmiddellijke werking heeft), noch om een bijkomende regel aan de wet van 26 juni 2002 toe te voegen. Artikel 90, §1, van de wet van 26 juni 2002 bepaalt dat de Koning de datum bepaalt waarop die wet in werking treedt. Die bepaling houdt niet in dat de Koning werd gemachtigd af te wijken van het algemeen beginsel dat een nieuwe wet onmiddellijke werking heeft (zoals neergelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel in een algemeen rechtsbeginsel met wettelijke waarde), dan wel een bijkomende regel aan de wet van 26 juni 2002 toe te voegen. Die bepaling machtigt de Koning enkel de datum van inwerkingtreding van de wet van 26 juni 2002 te bepalen. 3.
- Overeenkomstig artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten (de Grondwet, de internationale normen met directe werking en de algemene rechtsbeginselen inbegrepen) overeenstemmen. In geval van strijdigheid is de rechter verplicht de besluiten en de verordeningen buiten beschouwing te laten. Aangezien de Koning in artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 afwijkt van het beginsel dat een nieuwe wet in principe onmiddellijke werking heeft, beginsel dat zijn grondslag vindt in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht, dan wel een afzonderlijk algemeen rechtsbeginsel uitmaakt, en een bijkomende regel aan de wet van 26 juni 2002 toevoegt, zonder daartoe door de wetgever gemachtigd te zijn, is artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 onwettig en dient het dan ook door de rechter met toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet buiten toepassing te worden gelaten.
- Het arbeidshof overweegt in het bestreden arrest dat "op sommen toegekend van voor 1 juli 2005 volgens de rechtspraak van (het Hof) (...) rente dient toegekend op het nettobedrag, zelfs voor het loon van de werknemers waarvan het recht ontstaan is voor 1 juli 2005, (dat) voortduurt na 1 juli 2005 en na deze datum wordt toegekend" (blz. 23, punt E, nr. 5, eerste zin, van het bestreden arrest). Volgens het arbeidshof "volgt dit uit artikel 2, a contrario, van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 betreffende de inwerkingtreding van de artikelen 81 en 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen" (blz. 23, punt E, nr. 5, tweede zin, van het bestreden arrest). Het arbeidshof beslist aldus in het bestreden arrest dat met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005 voor loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan vóór 1 juli 2005, zoals de door de verweerster aan de eiser op 1 april 2004 verschuldigde opzeggingsvergoeding, slechts interest is verschuldigd op het nettobedrag ervan, ook voor de periode na 1 juli
- Zoals eveneens hierboven uiteengezet, is artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005, waarin de Koning afwijkt van het beginsel dat een nieuwe wet in principe onmiddellijke werking heeft, beginsel dat zijn grondslag vindt in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht, dan wel een afzonderlijk algemeen rechtsbeginsel uitmaakt, en een bijkomende regel aan de wet van 26 juni 2002 toevoegt, zonder daartoe door de wetgever gemachtigd te zijn, onwettig, zodat het door de rechter met toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet buiten toepassing dient te worden gelaten. Het arbeidshof maakt derhalve niet wettig toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli
- Zoals hierboven uiteengezet, is (zijn) op grond van het beginsel van de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet (dat zijn grondslag vindt in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel in het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van terugwerkende kracht, dan wel een afzonderlijk algemeen rechtsbeginsel uitmaakt) de (artikelen 81 en 82 van de) wet van 26 juni 2002 (volgens welke interest is verschuldigd op het brutoloon) van toepassing op de interest die blijft lopen na de datum van inwerkingtreding van de (artikelen 81 en 82 van de) wet van 26 juni 2002 (1 juli 2005) op de loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan vóór die datum (zijnde toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet). Voor loonvoordelen waarvan het recht op betaling is ontstaan vóór 1 juli 2005, zoals de door de verweerster aan de eiser verschuldigde opzeggingsvergoeding, is vanaf die datum dan ook interest verschuldigd op het brutobedrag ervan. Het arbeidshof kent dan ook niet wettig slechts interest toe op het nettobedrag van de door de verweerster aan de eiser verschuldigde opzeggingsvergoeding wat de periode na 1 juli 2005 betreft. Conclusie Het arbeidshof maakt niet wettig toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 2005, past niet wettig artikel 10 van de Loonbeschermingswet vóór de vervanging ervan bij artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 toe op de door de verweerster verschuldigde opzeggingsvergoeding wat betreft de periode na 1 juli 2005 en kent niet wettig wettelijke en gerechtelijke interest toe op het nettobedrag van die door de verweerster verschuldigde opzeggingsvergoeding wat de periode na 1 juli 2005 betreft (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde bepalingen en algemene rechtsbeginselen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 39, §1, van de Arbeidsovereenkomstenwet, is de werkgever die de voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de aan de bediende toekomende opzeggingstermijn, de betaling van een opzeggingsvergoeding verschuldigd die gelijk is aan het lopend loon en de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst, overeenstemmend met de duur van de aan de bediende toekomende opzeggingstermijn. De rechter die de aan de bediende toekomende opzeggingstermijn en de forfaitaire opzeggingsvergoeding moet bepalen, dient dit te doen met inachtneming van het loon op het tijdstip van de kennisgeving van het ontslag of van de vaststelling van de onregelmatige beëindiging van de overeenkomst en met inachtneming van de voor de bediende op dat ogenblik bestaande kans om een gelijkwaardige, passende betrekking te vinden, gelet op zijn leeftijd, zijn anciënniteit in het bedrijf en zijn functie. Voor het bepalen van de hoegrootheid van deze opzeggingsvergoeding mag, gelet op het forfaitair karakter ervan, geen rekening gehouden worden met omstandigheden die zich na de kennisgeving van het ontslag of na de vaststelling van de onregelmatige beëindiging van de overeenkomst hebben voorgedaan.
- Door voor het bepalen van de hoegrootheid van de verschuldigde opzeggingsvergoeding rekening te houden met de omstandigheid dat de eiser een maand na zijn vaststelling van de onregelmatige beëindiging van de overeenkomst door de verweerster een vennootschap opgericht heeft met dezelfde activiteiten als deze van de verweerster, schendt het arrest de artikelen 39, §1, en 82, §3, van de Arbeidsovereenkomstenwet. Het onderdeel is gegrond. Overige middelen
- De overige middelen kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit de verweerster veroordeelt tot het betalen aan de eiseres van een opzeggingsvergoeding ten belope van 28.246,25 euro, vermeerderd met de interest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 5 januari 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030407.18 geciteerd door: ECLI:BE:ARANT:2015:JUG.20150213.10 ECLI:BE:ARANT:2015:JUG.20151222.8 ECLI:BE:CTBRL:2012:ARR.20120106.5 ECLI:BE:CTBRL:2012:ARR.20121218.6 ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.090 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div