id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.5 Rolnummer: S.08.0101.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Overige Invoerdatum: 2009-01-20 Raadplegingen: 620 - laatst gezien 2026-07-03 01:31 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bepaalde in de slotzin van artikel 33,§ 1, vierde lid, van de wet van 4 december 2007, dat "het behoren tot een categorie van werknemers wordt vastgesteld in functie van de kiezerslijst waarop de werknemer is ingeschreven", er enkel toe strekt problemen te vermijden die kunnen ontstaan wanneer een kandidaat in de loop van de verkiezingsprocedure van werknemerscategorie verandert, in het bijzonder wanneer de wijziging van categorie plaatsvindt nadat de kandidatenlijst definitief is geworden, maar niet tot doel heeft een bijkomende verkiesbaarheidsvoorwaarde die niet in de Bedrijfsorganisatiewet en de Wet Welzijn Werknemers is bepaald, namelijk op een kiezerslijst ingeschreven zijn, in te voeren. Thesaurus CAS: ONDERNEMINGSRAAD EN VEILIGHEIDSCOMITE - VERKIEZINGEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie Vrije woorden: Voorwaarden voor verkiesbaarheid - Behoren tot een werknemerscategorie - Inschrijving op een kiezerslijst Wettelijke bepalingen: Wet - 04-12-2007 - Art. 33, § 1, vierde lid Fiche 2 Zelfs al raakt een middel de openbare orde of is het van dwingend recht ten voordele van de eiser in cassatie, toch is het nieuw en derhalve niet ontvankelijk wanneer uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat voor de feitenrechter enig feit is aangevoerd dat met de als geschonden aangewezen bepaling verband houdt en uit de bestreden beslissing evenmin blijkt dat die beslissing feitelijke gegevens vaststelt die hierop betrekking hebben. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Nieuw middel UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1080 Tekst van de beslissing Nr. S.08.0101.N WIT-GELE KRUIS VAN OOST-VLAANDEREN, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 9000 Gent, Jubileumlaan 111, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 1. ALGEMEEN BELGISCH VAKVERBOND, representatieve werknemers-organisatie, met zetel te 1000 Brussel, Hoogstraat 42, 2. K.H., verweerders, en ten aanzien van ALGEMEEN CHRISTELIJKE VAKVERBOND, in het kort A.C.V., representatieve werknemersorganisatie, met zetel te 1030 Schaarbeek, Haachtsesteenweg 579, ALGEMENE CENTRALE DER LIBERALE VAKBONDEN VAN BELGIË, representatieve werknemersorganisatie, met zetel te 9000 Gent, Koning Albertlaan 95, tot bindendverklaring opgeroepen partijen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 15 april 2008 in laatste aanleg gewezen door de Arbeidsrechtbank te Gent. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. 1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, 18, eerste lid, en 33, §1, inzonderheid vierde lid, van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008; - de artikelen 19 en 21, §2, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven; - de artikelen 59 en 61 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk; - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart de arbeidsrechtbank de vordering van de eiseres te zeggen voor recht dat de kandidatuurstelling van de verweerster ongeldig is en dat de verweerster niet aan de verkiesbaarheidvoorwaarden voldoet, toelaatbaar maar ongegrond. De arbeidsrechtbank beslist dat op grond van alle motieven waarop de beslissing steunt, die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen, en in het bijzonder op de volgende overwegingen: "A. Nopens de aangevoerde ongeldigheid van de kandidatuurstelling van (de verweerster) omwille van het niet voldoen aan de verkiesbaarheidvoorwaarden (...) 3. Beoordeling door de rechtbank 3.1. Juridisch kader De verkiesbaarheidvoorwaarden zijn limitatief opgesomd in de wet. Er kunnen geen bijkomende voorwaarden voor de kandidaatstelling worden toegevoegd (...). De kandidaat moet op de datum van de verkiezingen, in casu dus op 13 mei 2008, aan de door de wet gestelde verkiesbaarheidvoorwaarden voldoen (...). Er gelden zowel expliciete als zogenaamde impliciete verkiesbaarheidvoorwaarden (...). Tot de expliciete verkiesbaarheidvoorwaarden behoren de volgende vereisten: 1. ‘werknemer' zijn; 2. voldoen aan zekere leeftijdsvoorwaarden: ten minste 18 jaar oud zijn en de leeftijd van vijfenzestig jaar niet bereikt hebben; 3. voldoen aan zekere anciënniteitvoorwaarden; 4. geen preventieadviseur zijn; 5. niet behoren tot het leidinggevend personeel. Als zogenaamde impliciete verkiesbaarheidvoorwaarden gelden navolgende vereisten: 1. de kandidaat moet behoren tot de technische bedrijfseenheid; 2. de kandidaat moet lid zijn van de vakbond die de kandidatuur voordraagt; 3. de kandidaat mag niet voorkomen op meer dan één kandidatenlijst; 4. de kandidaat moet behoren tot de categorie waarvoor men kandidaat is. De werkgever die een bepaalde kandidatuur betwist, draagt als eisende partij de bewijslast dat de verkiesbaarheidvoorwaarden niet vervuld zijn. 3.2. Toepassing in concreto De rechtbank stelt vast dat de betwisting of (de verweerster) al dan niet beantwoordt aan de expliciete en impliciete verkiesbaarheidvoorwaarden zich toespitst op de (impliciete) vereiste dat de kandidaat moet ‘behoren tot de categorie waarvoor hij of zij zich kandidaat stelt'. Voor de sociale verkiezingen van 2008 wordt deze voorwaarde nader geregeld door artikel 33, §1, vierde lid, van de wet sociale verkiezingen: ‘Op de lijsten mogen niet meer kandidaten voorkomen dan er gewone en plaatsvervangende mandaten toegekend kunnen worden. De kandidaten-arbeiders, kandidaten-bedienden, kandidaten-jeugdige werknemers en kandidaten-kaderleden moeten onderscheidenlijk behoren tot de categorie waarvoor zij ter verkiezing worden voorgedragen en moeten behoren tot de technische bedrijfseenheid waar hun kandidatuur wordt voorgedragen. Het behoren tot de categorie van werknemers wordt vastgesteld in functie van de kiezerslijst waarop de werknemer is ingeschreven'. Met name de laatste zinsnede uit artikel 33, §1, vierde lid, van de wet Sociale Verkiezingen, namelijk dat ‘het behoren tot de categorie van werknemers wordt vastgesteld in functie van de kiezerslijst waarop de werknemer is ingeschreven', geeft in casu aanleiding tot discussie. Volgens (de eiseres) houdt deze voorwaarde in dat men - om zich verkiesbaar te kunnen stellen in het kader van de sociale verkiezingen van 2008 - op de kiezerslijst moet staan, aangezien men anders nooit kan beantwoorden aan de verkiesbaarheidvoorwaarde van het behoren tot de categorie waarvoor men zich kandidaat stelt. De rechtbank treedt deze zienswijze niet bij. Samen met de arbeidsauditeur is deze rechtbank de mening toegedaan dat de interpretatie die de eisende partij aan de laatste zin van artikel 33, §1, vierde lid, van de wet Sociale Verkiezingen verleent, een nieuwe verkiesbaarheidvoorwaarde toevoegt, namelijk dat men op de kiezerslijst dient vermeld te staan. Het toevoegen van een dergelijke bijkomende verkiesbaarheidvoorwaarde is evenwel niet toegelaten, gelet op het feit dat deze voorwaarden limitatief zijn opgesomd in de wet. Op de eerste plaats stelt de arbeidsauditeur in dit verband, naar het oordeel van deze rechtbank terecht, dat de betwiste zinsnede in artikel 33, §1, vierde lid, in zijn juiste context dient gelezen te worden. Met die zin wenste de wetgever meer bepaald de bewijsperikelen in verband met tot welke categorie een bepaalde werknemer behoort, indien daarover betwisting bestaat, duidelijk(
- er)en eenduidig(
- er)te regelen, meer bepaald door te stipuleren dat in voorkomend geval de plaats op de kiezerslijsten beslissend is. Dat deze zinsnede tegen deze specifieke achtergrond moet worden begrepen, blijkt tevens uit de rechtsleer die beide partijen aanhalen ((...) ‘Zo oordeelde de Arbeidsrechtbank te Brussel dat de werknemer die op de kiezerslijsten van de jongeren stond, zich niet kandidaat kan stellen voor de bedienden. Doordat voor jongeren geen lijst was ingediend kon er (...) ook geen wijzigende lijst worden neergelegd (...). De Arbeidsrechtbank van Gent was van mening dat een arbeider die conventioneel het bediendenstatuut had, enkel als arbeider kon worden voorgedragen - zelfs al stond hij op de kiezerslijst voor de bedienden. Thans is deze discussie beslecht. Er is immers expliciet bepaald dat de kandidaat moet voorkomen op de kiezerslijst van de categorie waarvoor hij/zij zich kandidaat stelt'). Het advies van de Nationale Arbeidsraad nr. 1563 van 18 juli 2006, waarnaar (de eiseres) verwijst in haar besluiten na advies arbeidsauditoraat (...), koppelt de invoering van de laatste zinsnede in artikel 33, §1, vierde lid, van de wet Sociale Verkiezingen eveneens aan de (bewijs)problemen in verband met de verkiesbaarheidvereiste van het behoren tot een bepaalde categorie. De rechtbank stelt vast dat er in casu tussen partijen echter geen betwisting bestaat omtrent het feit dat (de verweerster) tot de categorie van de bedienden behoort en dat zij zich tevens voor deze categorie kandidaat heeft gesteld. Bijgevolg dient de laatste zin van artikel 33, §1, vierde lid, van de wet Sociale Verkiezingen in casu geen toepassing te vinden: er dient niet gekeken te worden naar de kiezerslijst, aangezien niet betwist wordt dat (de verweerster) tot de categorie van bedienden behoort en zij zich eveneens voor deze categorie kandidaat heeft gesteld. De interpretatie van de laatste zinsnede in artikel 33, §1, vierde lid, die (de eiseres) thans voorhoudt, namelijk (dat) omwille van het feit dat (de verweerster) niet voorkomt op de kiezerslijst (en nagelaten heeft daartegen beroep aan te tekenen), zij niet kan beantwoorden aan de voorwaarde dat men moet behoren tot de categorie waarvoor men zich kandidaat stelt - ook al bestaat er daarover, zoals gezegd, in casu geen betwisting -, treedt deze rechtbank, net zoals de arbeidsauditeur, niet bij. Een dergelijke interpretatie leidt tot het bestaan van een nieuwe verkiesbaarheidvoorwaarde, namelijk dat een kandidaat - ook indien er geen betwisting bestaat over de categorie waartoe hij of zij behoort - op de kiezerslijst vermeld dient te staan om zich geldig kandidaat te kunnen stellen. Terecht wijst de auditeur in haar schriftelijk advies erop dat de invoering van een dergelijke, nieuwe voorwaarde geen steun vindt in de parlementaire voorbereidingen van de wet Sociale Verkiezingen (...). Noch in de algemene commentaar, noch in de artikelsgewijze bespreking, noch in het advies van de Raad van State wordt op enigerlei wijze melding gemaakt van een dergelijke, bijkomende voorwaarde. Evenmin wordt er in de twee adviezen van de Nationale Arbeidsraad ter evaluatie van de vorige sociale verkiezingen, met nummers 1576 en 1577, gewag gemaakt van de noodzaak of de wenselijkheid om een dergelijke algemene nieuwe verkiesbaarheidvoorwaarde (vermeld staan op de kiezerslijst) in te voeren (...). Hogerop werd aangegeven dat de verkiesbaarheidvoorwaarden limitatief in de wet opgesomd zijn. Op basis hiervan werd vóór de inwerkingtreding van de wet Sociale Verkiezingen in de doctrine de stelling verdedigd dat ‘op een kiezerslijst staan' niet als een bijkomende verkiesbaarheidvoorwaarde kan worden opgelegd (...). De rechtbank stelt vast dat na de inwerkingtreding van de Wet Sociale Verkiezingen deze stelling in de doctrine onverkort gehandhaafd blijft (...). Mede om die reden meent de rechtbank dan ook dat (de verweerster) een geldige kandidatuur kon indienen, ondanks het feit dat haar naam niet op de kiezerslijst voorkomt. Het feit dat en de reden(
- en)waarom (de verweerder en de verweerster) geen beroep hebben aangetekend tegen deze kiezerslijsten - evenals de vraag wie daarvoor de verantwoordelijkheid draagt -, zijn bijgevolg in casu niet relevant voor de beoordeling van de geldigheid van de kandidatuur van (de verweerster). Gelet op het feit dat (de verweerster) tot de categorie van de bedienden behoort - hetgeen (de eiseres) niet betwist - en dat deze categorie vermeld werd op de indiening, bij brief van 11 maart 2008, van de kandidatenlijst van (de verweerder), beantwoordt (de verweerster) aan de impliciete verkiesbaarheidvoorwaarde van het behoren tot de categorie waarvoor men kandidaat is, ook al staat (de verweerster) niet vermeld op de kiezerslijst. Dit laatste heeft gevolgen voor de uitoefening van het kiesrecht van (de verweerster) op 13 mei 2008 (...), maar niet op het vlak van de beoordeling of (de verweerster) aan de verkiesbaarheidvoorwaarden voldoet. De kandidatuur van (de verweerster) beantwoordt aan de verschillende expliciete en impliciete verkiesbaarheidvoorwaarden" (5de blad, tweede helft, en 7de blad, tweede helft, tot 10de blad, van het bestreden vonnis). Grieven De sociale verkiezingen voor het jaar 2008 zijn geregeld bij de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, hieronder afgekort als wet van 4 december 2007. Artikel 33, §1, vierde lid, van de wet van 4 december 2007 bepaalt dat op de kandidatenlijsten niet meer kandidaten mogen voorkomen dan er gewone en plaatsvervangende mandaten kunnen worden toegekend. De kandidaten-arbeiders, kandidaten-bedienden, kandidaten-jeugdige werknemers en kandidaten-kaderleden moeten onderscheidenlijk behoren tot de categorie waarvoor zij ter verkiezing worden voorgedragen en moeten behoren tot de technische bedrijfseenheid waar hun kandidatuur wordt voorgedragen. Het behoren tot een categorie werknemers wordt vastgesteld in functie van de kiezerslijst waarop de werknemer is ingeschreven, aldus de voornoemde bepaling. Luidens artikel 18, eerste lid, van de wet van 4 december 2007 worden de kiezers op afzonderlijke lijsten ingeschreven naargelang zij in functie van de aangifte overgemaakt aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid als arbeider of als bediende moeten worden beschouwd. Binnen het kader van een procedure betreffende de sociale verkiezingen kan de arbeidsrechtbank dus niet zelf oordelen of een werknemer arbeider of bediende is als bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Enkel de aangifte aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is daartoe bepalend. 1. Eerste onderdeel 1.1. Luidens artikel 2 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, is die wet van toepassing onverminderd de bepalingen van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, hieronder afgekort als Bedrijfsorganisatiewet, en van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, hieronder afgekort als Wet Welzijn Werknemers. Op grond van artikel 19 van de Bedrijfsorganisatiewet en artikel 59 van de Wet Welzijn Werknemers moet, om als afgevaardigde van het personeel verkiesbaar te zijn voor de ondernemingsraad, respectievelijk het comité voor preventie en bescherming op het werk, de werknemer aan een aantal (expliciete) verkiesbaarheidvoorwaarden voldoen wat betreft leeftijd en anciënniteit, mag hij geen preventieadviseur zijn en mag hij niet behoren tot het leidinggevend personeel. Bovendien is het verboden eenzelfde kandidatuur op meer dan één lijst voor te dragen. Luidens de artikelen 21, §2, van de Bedrijfsorganisatiewet en 61 van de Wet Welzijn Werknemers neemt het mandaat van een personeelsafgevaardigde onder meer een einde indien de betrokkene geen lid meer is van de werknemersorganisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen (4°) en indien de betrokkene niet meer behoort tot de categorie van werknemers waartoe hij behoorde op het ogenblik van de verkiezingen, tenzij de organisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen, het behoud van het mandaat vraagt bij ter post aangetekend schrijven, gericht aan de werkgever (6°). 1.2. Uit het geheel van de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen, en meer in het bijzonder uit de samenlezing van enerzijds artikel 33, §1, vierde lid, van de wet van 4 december 2007 (luidens welk de kandidaten-arbeiders, de kandidaten-bedienden, de kandidaten-jeugdige werknemers en de kandidaten-kaderleden onderscheidenlijk moeten behoren tot de categorie waarvoor zij ter verkiezing worden voorgedragen en het behoren tot een categorie van werknemers wordt vastgesteld in functie van de kiezerslijst waarop de werknemer is ingeschreven, wat krachtens artikel 18 van diezelfde wet gebeurt naargelang de werknemer in functie van de aangifte overgemaakt aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid als arbeider of als bediende moet worden beschouwd), en anderzijds de artikelen 21, §2, 6°, van de Bedrijfsorganisatiewet en 61, 6°, van de Welzijnswet Werknemers (luidens welk het mandaat van personeelsafgevaardigde een einde neemt indien de betrokkene niet meer behoort tot de categorie van werknemers waartoe hij behoorde op het ogenblik van de verkiezingen), volgt dat enkel werknemers die op een kiezerslijst staan vermeld, zich kandidaat kunnen stellen voor een mandaat van personeelsafgevaardigde in het comité voor preventie en bescherming op het werk en in de ondernemingsraad. Enkel op grond van de inschrijving op de kiezerslijsten kan immers worden uitgemaakt of een werknemer tot de categorie van arbeiders of bedienden behoort. 2. De arbeidsrechtbank stelt vast dat de eiseres, gelet op de omvang van haar personeelsbestand, ertoe gehouden is sociale verkiezingen te organiseren, dat de datum voor de verkiezingen is vastgelegd op 13 mei 2008, en dat er voor het comité voor preventie en bescherming op het werk en de ondernemingsraad respectievelijk 10 en 11 effectieve en plaatsvervangende mandaten zijn (4de blad, derde alinea, van het bestreden vonnis). De arbeidsrechtbank vervolgt dat tussen de partijen niet ter discussie staat dat de naam van de verweerster niet vermeld staat op de kiezerslijsten die op 13 februari 2008 werden aangeplakt alsook dat tegen die kiezerslijsten geen beroep werd aangetekend (4de blad, vierde alinea, van het bestreden vonnis). Vervolgens stelt de arbeidsrechtbank vast dat de verweerder per aangetekende brief van 11 maart 2008, verstuurd op 12 maart 2008, zijn kandidatenlijst voor de sociale verkiezingen bij de eiseres heeft ingediend met daarop de vermelding dat de verweerster kandidaat is voor het comité voor preventie en bescherming op het werk en voor de ondernemingsraad, en dat voor de categorie bedienden, alsook dat zij de enige kandidaat is (4de blad, laatste alinea, van het bestreden vonnis). 3. De arbeidsrechtbank oordeelt dat de kandidatuurstelling van de verweerster geldig is, ondanks het feit dat haar naam niet op de kiezerslijsten voorkomt (10de blad, eerste alinea, derde lid, van het bestreden vonnis). Volgens de arbeidsrechtbank is voor een geldige kandidatuurstelling niet vereist dat de betrokken werknemer op de kiezerslijsten vermeld staat (zie 8ste blad, onderaan, en 9de blad, bovenaan, van het bestreden vonnis) en moet de laatste zinsnede van artikel 33, §1, vierde lid, van de wet van 4 december 2007, m.n. dat het behoren tot de categorie van werknemers wordt vastgesteld in functie van de kiezerslijst waarop de werknemer is ingeschreven, tegen zijn specifieke achtergrond worden begrepen, zijnde in de context van het bewijs (9de blad, tweede alinea, van het bestreden vonnis). De arbeidsrechtbank stelt vast dat in deze zaak tussen de partijen geen betwisting bestaat over het feit dat de verweerster behoort tot de categorie van bedienden en oordeelt dat de voornoemde regel van artikel 33, §1, vierde lid, van de wet van 4 december 2007 in deze zaak dan ook geen toepassing vindt (10de blad, tweede alinea, laatste lid, van het bestreden vonnis). Aangezien de - overigens door de arbeidsrechtbank erkende (8ste blad, eerste alinea, laatste punt 4., van het bestreden vonnis) - verkiesbaarheidvoorwaarde dat de kandidaat moet behoren tot de categorie van werknemers waarvoor hij ter verkiezing wordt voorgedragen, impliceert dat de kandidaat op de kiezerslijst van die categorie van werknemers moet zijn ingeschreven, oordeelt de arbeidsrechtbank, na te hebben vastgesteld dat de naam van de verweerster niet is vermeld op de kiezerslijsten, niet wettig dat de kandidatuurstelling van de verweerster geldig is (schending van alle in de aanhef van het middel opgesomde wettelijke bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Alleszins ligt de vereiste ingeschreven te zijn op de kiezerslijst van de categorie waarvoor men zich kandidaat stelt, vervat in de laatste zinsnede van artikel 33, §1, vierde lid, van de wet van 4 december 2007, luidens welk het behoren tot de categorie van werknemers wordt vastgesteld in functie van de kiezerslijst waarop de werknemer is ingeschreven. Anders dan de arbeidsrechtbank oordeelt, vindt die bepaling niet alleen toepassing in geval van bewijsproblemen, maar geldt zij onverkort. De beslissingen van de arbeidsrechtbank dat de voornoemde bepaling tegen zijn specifieke achtergrond moet worden begrepen, zijnde in de context van het bewijs, en dat die bepaling in deze zaak geen toepassing vindt aangezien tussen de partijen geen betwisting bestaat over het feit dat de verweerster behoort tot de categorie van bedienden, zijn dan ook niet naar recht verantwoord (schending van alle in de aanhef van het middel opgesomde wettelijke bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Conclusie De arbeidsrechtbank oordeelt niet wettig dat het vermeld staan op de kiezerslijsten geen verkiesbaarheidvoorwaarde is en oordeelt derhalve niet wettig dat de kandidatuurstelling van de verweerster, van wie de rechtbank vaststelt dat haar naam niet op de kiezerslijsten voorkomt, geldig is (schending van de artikelen 2, 18, eerste lid, en 33, § 1, inzonderheid vierde lid, van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008, 19 en 21, §2, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en 59 en 61 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk). 2. Tweede onderdeel 1. Uit de wettelijke bepalingen vermeld vóór het eerste onderdeel van dit middel volgt dat het behoren tot een categorie werknemers wordt vastgesteld op grond van de kiezerslijst waarop de werknemer is ingeschreven en dat de kiezers op afzonderlijke lijsten worden ingeschreven naargelang zij volgens de aangifte overgemaakt aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid als arbeider of als bediende moeten worden beschouwd. De vereiste dat de kandidaten behoren tot de categorie van werknemers waarvoor zij als personeelsafgevaardigde worden voorgedragen, moet aldus worden afgetoetst aan hun inschrijving op de kiezerslijsten waarbij de kiezers worden ingeschreven naargelang zij volgens de aangifte bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid als arbeider of als bediende moeten worden beschouwd. 2. In het bestreden vonnis oordeelt de arbeidsrechtbank dat de kandidatuur van de verweerster, ondanks het feit dat haar naam niet op de kiezerslijst voorkomt, geldig is, op grond van de vaststellingen dat de verweerster behoort tot de categorie van de bedienden, dat zulks door de partijen niet wordt betwist en dat zij zich voor die categorie kandidaat heeft gesteld (9de blad, tweede alinea, laatste lid, en 10de blad, voorlaatste alinea, van het bestreden vonnis). Nergens in het bestreden vonnis gaat de arbeidsrechtbank evenwel na of noch stelt het vast dat de verweerster volgens de aangifte overgemaakt aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid als bediende moet worden beschouwd. Evenmin blijkt dat uit enig stuk waarop uw Hof vermag acht te slaan. Aangezien de arbeidsrechtbank vaststelt dat de naam van de verweerster niet op de kiezerslijsten staat vermeld, is, bij ontstentenis van de vaststelling dat de verweerster volgens de aangifte overgemaakt aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid als bediende moet worden beschouwd, de beslissing dat de kandidatuur van de verweerster geldig is, niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 18, eerste lid, en 33, §1, inzonderheid vierde lid, van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008). Minstens maken de vaststellingen en overwegingen van het bestreden vonnis het wettigheidstoezicht van het Hof op de beslissing dat de kandidatuur van de verweerster geldig is, onmogelijk (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Conclusie De arbeidsrechtbank beslist op grond van de loutere vaststellingen dat de verweerster behoort tot de categorie van de bedienden, dat zulks door de partijen niet werd betwist en dat de verweerster zich voor die categorie kandidaat heeft gesteld, niet wettig dat haar kandidatuurstelling geldig is (schending van de artikelen 18, eerste lid, en 33, §1, inzonderheid vierde lid, van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008). Minstens is die beslissing niet wettig gemotiveerd aangezien zij het Hof niet in staat stelt zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van rechtsmisbruik zoals vervat in de artikelen 1134, 1135, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing oordeelt de arbeidsrechtbank, recht sprekend over de vordering van de eiseres dat de kandidatuurstelling van de verweerster rechtsmisbruik uitmaakt en derhalve ongeldig is, dat de eiseres faalt in de op haar rustende bewijslast. De arbeidsrechtbank oordeelt dat op grond van de motieven weergegeven op (het) 14de en 15de blad van het bestreden vonnis, die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen, en dus onder meer op grond van de volgende motieven: "(...) Uit het door (de eiseres) ter zake aangereikte bewijsmateriaal blijkt niet of en in elk geval onvoldoende zeker dat (de verweerster) haar kandidatuur heeft ingediend met het uitsluitend oogmerk van ontslagbescherming of -vergoeding. Het feit dat (de verweerder) en (de verweerster) geen bezwaar hebben aangetekend tegen de kiezerslijst, acht de rechtbank in deze niet relevant, aangezien het al dan niet voorkomen op de kiezerslijst, omwille van de hogerop uiteengezette overwegingen, geen afzonderlijke verkiesbaarheidvoorwaarde uitmaakt" (14de blad, eerste en laatste alinea, van het bestreden vonnis). Grieven 1. Het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van rechtsmisbruik, zoals vervat in de artikelen 1134, 1135, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, verbiedt een partij mis¬bruik te maken van haar rechten. Rechtsmisbruik is de uitoefening van een recht op een manier die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bezorgd persoon. Er is sprake van misbruik van recht onder meer als een recht zonder redelijk en voldoende belang wordt uitgeoefend en inzonderheid wanneer het berokkende nadeel buiten verhouding is met het door de houder van het recht beoogde of verkregen voordeel, alsook wanneer een recht wordt uitgeoefend met afwending van zijn doel. De sanctie van het misbruik bij de uitoefening van rechten bestaat in het opleggen van de normale uitoefening ervan of in het herstel van de schade ten gevolge van dat misbruik. Het herstel kan erin bestaan dat aan de schuldeiser het recht wordt ontzegd op dat recht een beroep te doen. 2. De arbeidsrechtbank overweegt dat de eiseres aanvoerde dat de kandidatuurstelling van de verweerster rechtsmisbruik uitmaakt aangezien het enige doel daarvan het genieten van een ontslagbescherming is (11de blad, eerste alinea, van het bestreden vonnis). Volgens de arbeidsrechtbank blijkt uit het door de eiseres aangereikte bewijsmateriaal niet of in elk geval onvoldoende dat de verweerster haar kandidatuur heeft ingediend met het uitsluitend oogmerk van ontslagbescherming of -vergoeding (14de blad, eerste alinea, van het bestreden vonnis). Met betrekking tot het door de eiseres tot staving van haar vordering gesteund op rechtsmisbruik aangevoerde argument dat de verweerder en verweerster geen bezwaar hebben aangetekend tegen de kiezerslijst, overweegt de arbeidsrechtbank dat zulks niet relevant is aangezien het al dan niet voorkomen op de kiezerslijst geen afzonderlijke verkiesbaarheidvoorwaarde uitmaakt (14de blad, laatste alinea, van het bestreden vonnis). In de mate dat het eerste middel gegrond wordt verklaard, dient ook de door het tweede middel aangevochten beslissing van het bestreden vonnis te worden vernietigd, aangezien de arbeidsrechtbank zijn hierboven vermelde overweging omtrent het niet voorkomen op de kiezerslijst blijkens de bewoordingen "omwille van de hogerop uiteengezette overwegingen" steunt op de beslissing die door het eerste middel wordt aangevochten. De arbeidsrechtbank gaat niet na, noch stelt zij vast dat uit de omstandigheid dat de verweerder en de verweerster geen bezwaar hebben aangetekend tegen de kiezerslijsten waarop de naam van de verweerster niet voorkomt, geen rechtsmisbruik kan worden afgeleid. Meer bepaald gaat de arbeidsrechtbank niet na of en stelt zij niet vast dat uit de voornoemde omstandigheid niet blijkt dat de kandidatuurstelling van de verweerster enkel tot doel had haar tegen ontslag te beschermen, en dus niet afwijkt van haar wettelijke doelstelling. De beslissing van de arbeidsrechtbank dat het aangevoerde rechtsmisbruik niet bewezen is, is dan ook niet naar recht verantwoord (schending van het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van rechtsmisbruik). Conclusie De arbeidsrechtbank oordeelt niet wettig dat het door de eiseres aangevoerde rechtsmis¬bruik niet bewezen is (schending van het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van rechtsmisbruik, zoals vervat in de artikelen 1134, 1135, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 2 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale ver¬kiezingen van het jaar 2008, is die wet van toepassing, onverminderd de bepalingen van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, hierna Bedrijfsorganisatiewet genoemd, en van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, hierna Wet Welzijn Werknemers genoemd. Krachtens de artikelen 19, eerste lid, van de Bedrijfsorganisatiewet en 59, §1, eerste lid, van de Wet Welzijn Werknemers, moeten de werknemers, om als personeelsafgevaardigde verkiesbaar te zijn, op de datum van de verkiezingen aan de volgende voorwaarden voldoen: 1° ten minste 18 jaar oud zijn (...); 2° geen deel uitmaken van het leidinggevend personeel, noch de hoedanigheid hebben van preventieadviseur van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk(...); 3° (...) minstens zes maanden ononderbroken tewerkgesteld zijn in de juridische entiteit waartoe de onderneming behoort of in de technische bedrijfseenheid, gevormd door verschillende juridische entiteiten (...); 4° de leeftijd van vijfenzestig jaar niet hebben bereikt. Krachtens de artikelen 21, §2, van de Bedrijfsorganisatiewet en 61 van de Wet Welzijn Werknemers, neemt het mandaat van personeelsafgevaardigde onder meer een einde indien de betrokkene geen lid meer is van de representatieve werknemersorganisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen en indien hij niet meer behoort tot de categorie van werknemers waartoe hij behoorde op het ogenblik van de verkiezingen, tenzij de organisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen, het behoud van het mandaat vraagt bij ter post aangetekend schrijven, gericht aan de werkgever. Krachtens artikel 33, §1, vierde en vijfde lid, van de voormelde wet van 4 december 2007: - mogen op de kandidatenlijsten niet meer kandidaten voorkomen dan er gewone en plaatsvervangende mandaten kunnen toegekend worden; - moeten de kandidaten behoren tot de technische bedrijfseenheid waar hun kandidatuur wordt voorgedragen; - moeten de kandidaten-arbeiders, kandidaten-bedienden, kandidaten-jeugdige werknemers en kandidaten-kaderleden onderscheidenlijk behoren tot de categorie waarvoor zij ter verkiezing worden voorgedragen, waarbij het behoren tot een categorie van werknemers wordt vastgesteld in functie van de kiezerslijst waarop de werknemer is ingeschreven; - mag er geen zelfde kandidaat op meer dan één kandidatenlijst worden voorgedragen. 2. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bepaalde in de slotzin van artikel 33, §1, vierde lid, van de voormelde wet van 4 december 2007 dat "het behoren tot een categorie van werknemers wordt vastgesteld in functie van de kiezerslijst waarop de werknemer is ingeschreven", er enkel toe strekt problemen te vermijden die kunnen ontstaan wanneer een kandidaat in de loop van de verkiezingsprocedure van werknemerscate¬gorie verandert, in het bijzonder wanneer de wijziging van categorie plaatsvindt nadat de kandidatenlijst definitief is geworden. Die bepaling heeft niet tot doel een bijkomende verkiesbaarheids-voorwaarde die niet in de Bedrijfsorganisatiewet en de Wet Welzijn Werknemers is bepaald, namelijk op een kiezerslijst ingeschreven zijn, in te voeren. 3. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat enkel werknemers die op een kiezerslijst staan vermeld, zich kandidaat kunnen stellen voor een mandaat van personeelsafgevaardigde in de ondernemingsraad of het comité voor preventie en bescherming op het werk, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt mitsdien naar recht. Tweede onderdeel 4. Bij gebrek aan een daartoe strekkende conclusie dient de rechter niet alle gegevens te vermelden waarop hij zijn beslissing laat steunen. Uit het enkele feit dat een gegeven in een vonnis niet is vermeld, volgt niet dat de rechter dit niet heeft onderzocht. 5. Zelfs al raakt een middel de openbare orde of is het van dwingend recht ten voordele van de eiser in cassatie, toch is het nieuw en derhalve niet ontvankelijk wanneer uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat voor de feitenrechter enig feit is aangevoerd dat met de als geschonden aangewezen bepaling verband houdt en uit de bestreden beslissing evenmin blijkt dat die beslissing feitelijke gegevens vaststelt die hierop betrekking hebben. 6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de partijen voor de feitenrechter enig feit hebben aangevoerd dat met het volgens het onderdeel te onderzoeken, maar beweerd niet onderzochte, gegeven verband houdt. Uit de bestreden beslissing blijkt evenmin dat het bestreden vonnis feitelijke gegevens vaststelt die op de als geschonden aangewezen bepaling betrekking hebben. Het onderdeel is nieuw en derhalve niet ontvankelijk. Tweede middel 7. In zoverre het middel is afgeleid uit het vergeefs aangevoerde eerste middel, is het niet ontvankelijk. 8. Met de reden: "Het feit dat eerste en tweede verwerende partij geen bezwaar hebben aangetekend tegen de kiezerslijst, acht de rechtbank in deze niet relevant, aangezien het al dan niet voorkomen op de kiezerslijst, omwille van de hogerop uiteengezette overwegingen, geen afzonderlijke verkiesbaarheidsvoorwaarde uitmaakt", oordeelt het vonnis dat uit de omstandigheid dat de verweerders geen bezwaar hebben aangetekend tegen de kiezerslijst, niet valt af te leiden dat de kandidatuurstelling van de tweede verweerster enkel tot doel had haar tegen ontslag te beschermen. In zoverre het middel aanvoert dat de rechters niet nagaan noch vaststellen dat uit de omstandigheid dat de verweerder en de verweerster geen bezwaar hebben aangetekend tegen de kiezerslijsten waarop de naam van de verweerster niet voorkomt, geen rechtsmisbruik kan worden afgeleid, mist het feitelijke grondslag. Vordering tot bindendverklaring 9. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt alle belang aan de vordering tot bindendverklaring. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 346,44 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 5 januari 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.5 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171221.15 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211004.3N.1 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260326.1N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180129.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div