← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.6 Rolnummer: S.08.0013.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-01-20 Raadplegingen: 553 - laatst gezien 2026-07-03 07:45 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090105.6 Fiche 1 Wanneer een werknemer die door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur gebonden is, ontslagen wordt met een ontoereikende opzeggingstermijn, ontstaat in zijn hoofde overeenkomstig artikel 39,§ 1, van de Arbeidsovereenkomstenwet, een recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding vanaf de kennisgeving van het ontslag, hoewel de arbeidsovereenkomst blijft voortbestaan totdat de in acht genomen opzeggingstermijn verstrijkt

(1).
(1)Zie de strijdige conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzeggingsvergoeding UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Algemeen Vrije woorden: Ontstaan van het recht - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art. 39, § 1 Fiche 2 Dit recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding, dat ertoe strekt de hem ter kennis gebrachte ontoereikende opzeggingstermijn te compenseren, heeft geen bestaansreden meer indien de arbeidsovereenkomst niet meer eindigt ten gevolge van de opzegging gegeven met een ontoereikende opzeggingstermijn, maar wel van een later door de werkgever terecht gegeven ontslag om dringende redenen, zodat de werknemer die zich gedurende de in acht genomen opzeggingstermijn schuldig maakt aan een ernstige tekortkoming die zijn ontslag om dringende reden rechtvaardigt, door zijn toedoen het recht verliest op de vergoeding die de ontoereikende duur van die termijn compenseert
(1).
(1)Zie de strijdige conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzeggingsvergoeding UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Algemeen Vrije woorden: Gerechtvaardigd ontslag om dringende reden tijdens de opzeggingstermijn Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art. 39, § 1 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzeggingsvergoeding UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Algemeen Vrije woorden: Ontstaan van het recht - Tijdstip Gerechtvaardigd ontslag om dringende reden tijdens de opzeggingstermijn Tekst van de beslissing Nr. S.08.0013.N DHL GLOBAL FORWARDING (BELGIUM), naamloze vennootschap, met zetel te 1931 Zaventem, Luchthaven Brussel Nationaal, Freightzone, Brucargo, Building 720, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen T.J., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 13 februari 2007 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 27 oktober 2008 verwezen naar de voltallige terechtzitting. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 35, 39,§1, en 82, meer bepaald §§ 2 tot en met 4, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; - artikel 4, eerste lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals dat van kracht was zowel vóór als na de wetswijzigingen van 13 april en 23 december
  1. Bestreden beslissing Na eiseres' hoger beroep evenals het incidenteel beroep van de verweerster reeds deels ongegrond te hebben verklaard, vernietigt het Arbeidshof te Antwerpen in het bestreden arrest van 13 februari 2007 het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 31 mei 2005 in zoverre het de eiseres veroordeelt tot betaling van 77.095,42 euro aanvullende opzegvergoeding, meer de wettelijke intrest op het netto equivalent van dit bedrag en de wettelijke intrest op de met het brutobedrag overeenstemmende nettobedrag alsook tot afgifte van sociale documenten met betrekking tot het toegekende bedrag, en opnieuw rechtsprekend in dat verband, veroordeelt het arbeidshof eiseres tot betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van 63.861,84 euro, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing, voor zover verschuldigd, en het overeenstemmend nettogedeelte te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf de respectievelijke datum van opeisbaarheid en de gerechtelijke interest tot 30 juni
  2. Het arbeidshof veroordeelt de eiseres tot afgifte van een verbeterde individuele rekening en verbeterde sociale documenten met betrekking tot dit bedrag. Na te hebben vastgesteld dat de verweerster, die in dienst was van de eiseres, ontslagen werd met een opzegtermijn van zes maanden, ingaand op 1 september 2002 en vervolgens met een aangetekende brief van 8 november 2002 werd ontslagen wegens dringende reden, grondt het arbeidshof zijn bovengenoemde beslissing op volgende motieven: "De regel van openbare orde, vastgelegd in artikel 4 V.T.W. Sv., krachtens welke de burgerlijke rechtsvordering die niet tezelfdertijd voor dezelfde rechter als de strafvordering wordt vervolgd, geschorst is zolang niet definitief beslist is over de strafvordering, wordt verantwoord door het feit dat het strafvonnis ten overstaan van de afzonderlijk ingestelde burgerlijke rechtsvordering gezag van gewijsde heeft aangaande de punten die aan de strafvordering en aan de burgerlijke vordering gemeen zijn. De burgerlijke rechter is derhalve verplicht het resultaat van het strafonderzoek af te wachten zodra effectief een strafvordering werd ingesteld, doch enkel voor wat betreft de punten die gemeen zijn aan beide vorderingen. (...) Uit de gegevens van het voorliggend dossier blijkt dat de werkgever op 17 februari 2005 klacht met burgerlijke partijstelling heeft neergelegd tegen mevrouw T. wegens valsheid in geschriften/informatica, schending van bedrijfsgeheimen, diefstal, misbruik van vertrouwen en misdrijven tegen de vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid van informaticasystemen. Anders dan mevrouw T. in haar syntheseconclusie van 1 december 2006 doet gelden werd tot op heden niet definitief beslist over de door de werkgever tegen haar ingestelde strafvordering. (...) Dit arbeidshof dient bijgevolg zijn beslissing over de door mevrouw T. ingestelde vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met het niet verstreken gedeelte van de betekende opzeggingstermijn (...) te schorsen, doch enkel voor wat betreft de punten die gemeen zijn aan beide vorderingen. (...) Anders dan mevrouw T. voorhoudt is het arbeidshof van oordeel dat de feiten die het voorwerp uitmaken van de strafvordering tegen haar ingevolge de klacht met burgerlijke partijstelling van 17 februari 2005 gelieerd zijn aan het in de ontslagbrief ingeroepen ontslagmotief van schending van bedrijfsgeheim. Overigens bestaat er hic et nunc geen zekerheid omtrent het feit of het door mevrouw T. op 5 november 2002 aan de firma Schenker doorgestuurde document - met name een fax van de vervoersagent Ubemar - werd aangewend in het strafonderzoek. Derhalve dient het arbeidshof zijn beslissing omtrent het bestaan en het zwaarwichtig karakter van het eerste ingeroepen feit te schorsen in afwachting van het resultaat van de strafvordering. (...) Wanneer de werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder de wettelijk voorgeschreven opzeggingstermijn, dan is hij gehouden aan de werknemer een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopende loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn hetzij met het resterende gedeelte van die termijn (artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet). Als de bediende is ontslagen met een opzeggingstermijn die korter is dan die waarop hij aanspraak kan maken, ontstaat het recht van de bediende op een opzeggingsvergoeding op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging, ongeacht de omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst nog tijdens de in acht genomen opzeggingstermijn blijft voortbestaan. Deze opzeggingsvergoeding, ook wel aanvullende opzeggingsvergoeding genoemd, moet worden berekend op basis van het loon waarop de bediende recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van de opzegging (...). De aanvullende opzeggingsvergoeding is dan ook te onderscheiden van de opzeggingsvergoeding die de werkgever verschuldigd is wanneer hij eenzijdig en onregelmatig een einde stelt aan de arbeidsovereenkomst tijdens de betekende opzegging, opzeggingsvergoeding die gelijk is aan het lopende loon voor het niet-verstreken gedeelte van de betekende opzeggingstermijn. Het recht op laatstbedoelde opzeggingsvergoeding ontstaat slechts op het ogenblik van de effectieve beëindiging en deze opzeggingsvergoeding wordt becijferd op basis van het loon waarop de bediende op het tijdstip van de effectieve beëindiging recht heeft. Mevrouw T. maakt aanspraak op betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 24 maanden loon onder aftrek van de reeds gepresteerde opzeggingstermijn van 2 maanden en 8 dagen. De aldus gevorderde vergoeding bestaat juridisch uit twee componenten, met name de opzeggingsvergoeding overeenstemmend met (het nog niet verstreken gedeelte van) de betekende opzeggingstermijn wegens de beweerde onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever tijdens de opzeggingstermijn en een aanvullende opzeggingsvergoeding, overeenstemmend met de duur van de in acht te nemen opzeggingstermijn, verminderd met de duur van de betekende opzeggingstermijn. (...) Mits inachtneming van alle relevante elementen, zoals die bestonden op het ogenblik van de opzegging, is het arbeidshof van oordeel dat de werkgever een opzeggingstermijn van 24 maanden in acht had moeten nemen. De betekende opzeggingstermijn was derhalve ontoereikend zodat mevrouw T. door en op het ogenblik van de opzegging recht had op betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding overeenstemmend met het loon voor 18 maanden, hetzij 63.861,84 euro. Het arbeidshof wenst in dit verband nog te benadrukken dat als de bediende is ontslagen met een opzeggingstermijn die korter is dan die waarop hij aanspraak kan maken, het recht van de bediende op een aanvullende opzeggingsvergoeding wegens deze onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst ontstaat op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging, hoewel de arbeidsovereenkomst nog tijdens de in acht genomen opzeggingstermijn blijft voortbestaan, en dat dit recht van de bediende geen ‘virtueel' recht is, maar een ‘verworven' recht dat niet kan worden beïnvloed door latere gebeurtenissen, ook niet door een ontslag door de werkgever wegens een dringende reden tijdens de opzeggingstermijn. (...)". Grief De in artikel 4, eerste lid, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering gestelde regel krachtens welke de burgerlijke rechtsvordering die niet tezelfdertijd en voor dezelfde rechters als de strafvordering wordt vervolgd, geschorst is zolang niet definitief is beslist over de strafvordering, wordt gesteld omdat het strafvonnis, ten opzichte van de afzonderlijke burgerlijke rechtsvordering, gezag van gewijsde heeft aangaande de punten die aan de strafvordering en aan de burgerlijke rechtsvordering gemeen zijn. De burgerlijke vordering waarover de burgerlijke rechter zijn uitspraak moet opschorten tot de definitieve beslissing over de strafvordering, is die welke betrekking heeft op punten die gemeenschappelijk zijn met de genoemde strafvordering en waarover derhalve, tussen dezelfde partijen, niet in tegenspraak met de over deze laatste rechtsvordering gewezen beslissing mag worden gevonnist. Het arbeidshof stelt vast dat de verweerster ontslagen werd met een opzegtermijn van zes maanden en oordeelt dat deze betekende opzegtermijn, gelet op artikel 82 van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, te kort was, nu de normale opzeggingstermijn, aldus het arbeidshof, 24 maanden beliep. Het arbeidshof stelt tevens vast dat de eiseres op 17 februari 2005 klacht instelde met burgerlijke partijstelling tegen de verweerster, wegens een aantal strafrechtelijke inbreuken, waarvan het minstens impliciet oordeelt dat deze te maken konden hebben met de als dringende reden tot ontslag door de eiseres ingeroepen feiten. Het arbeidshof oordeelt dan ook dat het zijn beslissing over de door verweerster op grond van artikel 39,§1, van de genoemde Arbeidsovereenkomstenwet ingestelde vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding diende te schorsen (voor wat betreft de punten die gemeen zijn aan de beide vorderingen), doch enkel wat betreft de vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met het niet verstreken gedeelte van de betekende opzeggingstermijn van zes maanden. Wanneer een werknemer, die gebonden is door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur, ontslagen wordt met een ontoereikende opzeggingstermijn, ontstaat zijn in artikel 39,§1, van de genoemde Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding vanaf de kennisgeving van het ontslag, hoewel de arbeidsovereenkomst tijdens de opzeggingstermijn blijft voortbestaan en dit recht in beginsel niet kan worden beïnvloed door latere gebeurtenissen. Dit recht, dat ertoe strekt de aan de werknemer ter kennis gebrachte, ontoereikende opzeggingstermijn te vergoeden, gaat teniet om dezelfde redenen als die op grond waarvan het recht op de opzegging zelf teniet gaat. De werknemer die zich gedurende de opzeggingstermijn schuldig maakt aan een zwaarwichtige fout die zijn ontslag om dringende reden, in de zin van artikel 35 van de genoemde Arbeidsovereenkomstenwet rechtvaardigt, verliest het recht op de opzegging en, bijgevolg, op de vergoeding die de ontoereikende duur van die termijn vergoedt. Het arrest dat, gelet op artikel 4, eerste lid, van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, de beslissing op de burgerlijke vordering tot het bekomen van een opzeggingsvergoeding overeenstemmend met het niet verstreken gedeelte van de betekende opzeggingtermijn (van zes maanden) schorst wegens het aanhangig zijn van een strafvordering (voor wat betreft de punten die gemeen zijn aan de beide vorderingen) kon vervolgens dan ook niet wettig oordelen dat het reeds uitspraak kon doen over het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding overeenstemmend met de duur van de in acht te nemen opzeggingstermijn, verminderd met de duur van de betekende opzeggingstermijn. Ten onrechte oordeelt het arbeidshof dat het "verworven" recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding, wegens het ontoereikend karakter van de door de werkgever toegekende opzeggingstermijn, niet kan worden beïnvloed door een ontslag, door de werkgever, wegens een dringende reden, tijdens de (ontoereikende) opzeggingstermijn. De beslissing tot veroordeling van de eiseres jegens de verweerster tot betaling van "een aanvullende opzeggingsvergoeding overeenstemmend met het loon voor 18 maanden, hetzij 63.861,84 euro" (verminderd, voor zover verschuldigd, met de sociale zekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing, en vermeerderd met intresten) is bijgevolg niet wettig. Het arbeidshof schendt alle in de aanhef van het middel aangehaalde wetsbepalingen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  3. Wanneer een werknemer die door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur gebonden is, ontslagen wordt met een ontoereikende opzeggingstermijn, ontstaat in zijn hoofde overeenkomstig artikel 39, §1, van de Arbeidsovereen-komstenwet, een recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding vanaf de kennisgeving van het ontslag, hoewel de arbeidsovereenkomst blijft voortbestaan totdat de in acht genomen opzeggingstermijn verstrijkt.
  4. Dit recht, dat ertoe strekt de hem ter kennis gebrachte ontoereikende opzeggingstermijn te compenseren, heeft geen bestaansreden meer indien de arbeidsovereenkomst niet meer eindigt ten gevolge van de opzegging gegeven met een ontoereikende opzeggingstermijn, maar wel van een later door de werkgever terecht gegeven ontslag om dringende redenen.
  5. De werknemer die zich gedurende de in acht genomen opzeggingstermijn schuldig maakt aan een ernstige tekortkoming die zijn ontslag om een dringende reden rechtvaardigt, verliest door zijn toedoen het recht op de vergoeding die de ontoereikende duur van die termijn compenseert.
  6. Het arrest dat zijn beslissing over de door de eiseres ingeroepen dringende redenen voor het ontslag van de verweerster opschort en tezelfdertijd, de eiseres veroordeelt tot betaling aan de verweerster van een aanvullende opzeggings-vergoeding, schendt artikel 39, §1, van de Arbeidsovereenkomstenwet. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vordering van de verweerster gegrond verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, de voorzitters Ivan Verougstraete en Christian Storck, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Daniel Plas, Christine Matray, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Alain Simon, en in openbare en voltallige terechtzitting van 5 januari 2009 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090105.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090105.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181210.3 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181210.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.