← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090106.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090106.6 Rolnummer: P.08.0980.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-20 Raadplegingen: 227 - laatst gezien 2026-07-03 01:30 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De wettige reden, als bedoeld in artikel 95, § 10, derde lid, Kieswetboek, dat strafbaar stelt de bijzitter of plaatsvervangende bijzitter die binnen de bepaalde tijd de reden van zijn verhindering niet opgeeft of die zonder wettige reden nalaat het hem opgedragen ambt te vervullen, is iedere door de wet of het recht erkende grond van rechtvaardiging, zoals noodtoestand, overmacht, dwang of onoverwinnelijke dwaling, die het betrokkene absoluut onmogelijk maakt het ambt van bijzitter of plaatsvervangende bijzitter van een stembureau uit te oefenen; een loutere inschatting van de betrokkene over het al dan niet ongrondwettig karakter van de verkiezingen kan, zelfs indien hij meent dat er redenen zijn om aan de grondwettigheid van de verkiezingen te twijfelen, geen wettige reden zijn als bedoeld in artikel 95, § 10, derde lid, Kieswetboek omdat in dat geval het bestaan van een rechtvaardigingsgrond immers niet aannemelijk wordt gemaakt. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen de persoon - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - KIESWETGEVING - Federale verkiezingen Vrije woorden: Kieswetboek - Als bijzitter of plaatsvervangend bijzitter zonder wettige reden nagelaten te hebben zijn ambt te vervullen - Wettige reden - Begrip - Toepassing Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 70 en 71 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Kieswetboek - Art. 95, § 10, derde lid Thesaurus CAS: VERKIEZINGEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen de persoon - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - KIESWETGEVING - Federale verkiezingen Vrije woorden: Kieswetboek - Misdrijf - Als bijzitter of plaatsvervangend bijzitter zonder wettige reden nagelaten te hebben zijn ambt te vervullen - Wettige reden - Begrip - Toepassing Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 70 en 71 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Kieswetboek - Art. 95, § 10, derde lid Tekst van de beslissing Nr. P.08.0980.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, eiser, tegen G E J M, beklaagde, verweerder, met als raadslieden mr. Mathias Storme en mr. Karl Vanlouwe, advocaten bij de balie te Brussel, en mr. Igor Rogiers, advocaat bij de balie te Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel, correctionele kamer van 20 mei

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. De verweerder voert aan dat het cassatieberoep bij gebrek aan belang en doel niet ontvankelijk is: op het ogenblik van de betekening van het cassatieberoep op 12 juni 2008, was de strafvordering waarover het arrest uitspraak doet, reeds verjaard; daarenboven zou, in geval van verwijzing, het misdrijf verjaard zijn vóór de dagstelling van de zaak voor de verwijzingsrechter.
  3. De verjaring van de strafvordering is geschorst vanaf het instellen van het cassatieberoep en niet vanaf de betekening ervan.
  4. Het belang van het openbaar ministerie om een cassatieberoep in te stellen, is niet beperkt tot de mogelijkheid om na verwijzing de strafvordering verder uit te oefenen. Dit belang bestaat eveneens in de noodzaak om een onwettige beslissing niet te laten bestaan. Het cassatieberoep is ontvankelijk. Middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 95, § 10, Kieswetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de verweerder wegens zijn subjectieve overtuiging over de ongrondwettelijkheid van de verkiezingen, gesteund op de stellingname van prominente persoonlijkheden en beleidsorganen, geloofwaardig maakt dat hij niet behoorlijk als bijzitter in het stembureau kon functioneren en aldus een wettige reden had om zijn opdracht als bijzitter of plaatsvervangend bijzitter van een stemopnemingsbureau niet te vervullen.
  6. Artikel 95, § 10, derde lid, Kieswetboek stelt strafbaar de bijzitter of plaatsvervangende bijzitter die binnen de bepaalde tijd de reden van zijn verhindering niet opgeeft of die zonder wettige reden nalaat het hem opgedragen ambt te vervullen.
  7. De wettige reden als bedoeld in dit wetsartikel is iedere door de wet of het recht erkende grond van rechtvaardiging, zoals noodtoestand, overmacht, dwang of onoverwinnelijke dwaling, die het betrokkene absoluut onmogelijk maakt het ambt van bijzitter op plaatsvervangende bijzitter van een stembureau uit te oefenen. Een loutere inschatting van de betrokkene over het al dan niet ongrondwettig karakter van de verkiezingen kan, zelfs indien hij meent dat er redenen zijn om aan de grondwettelijkheid van de verkiezingen te twijfelen, geen wettige reden zijn als bedoeld in artikel 95, § 10, derde lid, Kieswetboek. In dat geval wordt het bestaan van een rechtvaardigingsgrond immers niet aannemelijk gemaakt.
  8. Het arrest stelt vooreerst vast dat de verweerder zich in zijn aangetekende brief van 15 mei 2007 beriep op gewetensbezwaren, politieke redenen en burgerzin om niet te zetelen en het houden van verkiezingen waarbij Waalse en Frans-Brusselse lijsten in het Nederlands taalgebied aan de kiezer worden voorgelegd, onmogelijk wilde maken. Vervolgens oordeelt het arrest dat aan het voorgaande nog moet worden toegevoegd dat: - verschillende prominente figuren voorafgaand aan de verkiezingen van 10 juni 2007 met verwijzing naar het arrest 73/2003 van het Grondwettelijk Hof van 26 mei 2003 stelden dat deze ongrondwettelijk waren; - reeds op 10 december 2003, na het arrest van het Grondwettelijk Hof, het Vlaams Parlement een resolutie heeft aangenomen waarin uitdrukkelijk gesteld is dat het tegenover de bevolking niet langer kon verantwoorden dat Waalse en Frans-Brusselse verkiezingen in het Nederlandse taalgebied werden georganiseerd; - verscheidene colleges van burgemeester en schepenen op 29 maart 2007 beslisten dat ze de federale verkiezingen van 10 juni 2007 niet konden organiseren wegens strijdigheid aan de Grondwet; - er discussie ontstond tussen grondwetspecialisten over de in het voormelde arrest van het Grondwettelijk Hof van 26 mei 2003 bepaalde termijn van vier jaar meer bepaald of deze verstreek al dan niet vóór de verkiezingen van 10 juni 2007; - het feit dat op de oorspronkelijke brief van de eiser van 15 mei 2007 geen gemotiveerde weigeringbeslissing van de voorzitter van het kantonhoofdbureau van Lennik volgde; - het feit dat andere voorzitters van kantonbureaus begrip hadden voor dezelfde ingeroepen reden en deze wel als "wettig" beschouwden.
  9. Met die feitelijke gegevens stelt het arrest niet vast dat voor de eiser een rechtvaardigingsgrond bestond die het hem absoluut onmogelijk maakte zijn opdracht te vervullen. Aldus kan het arrest niet zonder schending van artikel 95, § 10, Kieswetboek oordelen dat de eiser geloofwaardig maakt dat hij niet behoorlijk als bijzitter in een stemopnemingsbureau had kunnen functioneren en aldus een wettige reden had om de hem toevertrouwde taak niet te vervullen. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Laat de kosten ten laste van de Staat. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Begroot de kosten op 73,85 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare rechtszitting van 6 januari 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090106.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.