← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090109.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090109.4 Rolnummer: C.07.0188.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-02-10 Raadplegingen: 590 - laatst gezien 2026-07-03 03:17 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090109.4 Fiche 1 De bevoegde douaneautoriteiten kunnen een procedure instellen tot navordering van de niet-geheven rechten op grond van de Verordening (EG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 wanneer de betalingsverplichting volgt uit de niet-naleving van de voorwaarden van een bepaalde douaneregeling; de omstandigheid dat er geen aangifte zou zijn uitgereikt waaruit de verplichting tot betaling voortvloeit, is niet doorslaggevend voor de toepassing van die verordening

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Bijzondere bepalingen Vrije woorden: Rechten bij invoer of uitvoer - Niet-geheven rechten - Procedure tot navordering Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 24-07-1979 - Art. 2.1, eerste lid Fiche 2 Voor de toepassing van artikel 3 van de Verordening (EG), nr. 1679/79 van de Raad van 24 juli 1979, krachtens welke bepaling de in artikel 2 van die verordening gestelde termijn van drie jaar om de procedure tot navordering van niet-geheven rechten in te leiden niet van toepassing is in geval van strafrechtelijk vervolgbare handelingen, is niet vereist dat de autoriteiten niet in staat waren om binnen de termijn van drie jaar het juiste bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer vast te stellen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Bijzondere bepalingen Vrije woorden: Rechten bij invoer of uitvoer - Niet-geheven rechten - Procedure tot navordering - Termijn van drie jaar - Afwijking - Strafrechtelijk vervolgbare handeling - Toepassingsvoorwaarden Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - 24-07-1979 - Artt. 2.1, eerste lid, en 3 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal THIJS Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Bijzondere bepalingen Vrije woorden: Rechten bij invoer of uitvoer - Niet-geheven rechten - Procedure tot navordering Rechten bij invoer of uitvoer - Niet-geheven rechten - Procedure tot navordering - Termijn van drie jaar - Afwijking - Strafrechtelijk vervolgbare handeling - Toepassingsvoorwaarden Tekst van de beslissing Nr. C.07.0188.N BELGISCH INTERVENTIE- EN RESTITUTIEBUREAU, met zetel te 1040 Brussel, Trierstraat 82, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen GERLACH & C°, GmbH, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 41334 Nettetal (Duitsland), Bahnnofstrasse 19, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 juni 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. FEITEN Uit het bestreden arrest blijken de volgende relevante feiten: 1. De verweerster deed in 1992, met T1-documenten, aangifte van een aantal zendingen melkpoeder, als niet-communautaire goederen met het oog op extern communautair douanevervoer. 2. Uit een proces-verbaal opgesteld door de administratie der douane en accijnzen op 29 november 1994, bleek dat een aantal van de door de verweerster aangegeven zendingen niet geldig aan het kantoor van bestemming was aangebracht en dat de T1-documenten niet werden aangezuiverd. De zendingen zouden aan de doorvoer onttrokken zijn en door sluikvervoer in België aangeleverd en in verbruik zijn gesteld. 3. Bij dagvaarding van 24 januari 1997 vorderden de Belgische Staat en de eiser, de veroordeling van de verweerster tot betaling van de verschuldigde invoerheffingen. III. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, 2, 3, 4 en 5 van de EEG-Verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake de navordering van de rechten bij invoer of uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide; - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994. Aangevochten beslissingen Bij arrest van 27 juni 2006 verklaart het Hof van Beroep te Ant¬werpen het hoger beroep van de eiser ontvankelijk en deels gegrond, hervormt het bestre¬den vonnis voor zover het de vordering van beide (eisers) ontvankelijk verklaart, opnieuw wijzende, verklaart de vordering van de Belgische Staat niet ontvankelijk en de vordering van de eiser ontvankelijk, zegt voor recht dat de eisers vordering verjaard is en veroordeelt (de eiser en de Belgische Staat) tot de kosten van het geding. Deze beslissing is onder meer op volgende overwegingen gestoeld: "(De verweerster) heeft in de loop van 1992 een aantal zendingen melkpoeder, afkomstig uit derde landen, aangegeven onder document T1, dit wil zeggen als niet-communautaire goederen voor communautair douanevervoer. In 1992 gebeurde dergelijk communautair douanevervoer overeenkomstig de verorde¬ning EEG 222/77 onder de verantwoordelijkheid van de aangever die zich verplicht, door de aangifte tot het regelmatig verrichten van het douanevervoer. De aangever is verplicht de goederen binnen de gestelde termijn ongeschon¬den aan het kantoor van bestemming aan te bieden, met inachtneming van de door de bevoegde autoriteiten getrokken identificatiemaatregelen, en de bepa¬lingen na te leven betreffende de regeling van communautair douanevervoer. Dit communautair douanevervoer is slechts voltrokken wanneer de zending aan het kantoor van bestemming wordt aangebracht. Uit het proces-verbaal van 29 november 1994, opgesteld door de administratie der douane en accijnzen, blijkt dat een aantal van de aldus door (de verweerster) aangegeven zendingen niet geldig aan het kantoor van bestemming werden aangebracht en dat de T1-documenten niet werden aangezuiverd. De goederen zouden in werkelijkheid aan de doorvoer onttrokken zijn en op onregelma¬tige wijze, met name door sluikinvoer, in België aangeleverd worden en in ver¬bruik gesteld. Volgens (de eiser en de Belgische Staat) heeft (de verweerster) niet voldaan aan haar verplichtingen als aangever om het bewijs te leveren dat de goederen binnen de termijn aan de bestemming zijn aangekomen, en de documenten aan te zuiveren en is (de verweerster) aansprakelijk voor de douaneschuld die daaruit is ontstaan, na¬melijk de betaling van de verschuldigde invoerheffing, zijnde 1.886.354 frank (document 01545) + 1.946.952 frank (document 04007) + 1.937.629 frank (do¬cument 02093) + 1.937.629 frank (document 02094) + 1.919.566 frank (docu¬ment 04205) + 1919.566 frank (document 04154) + 1.919.566 frank (document 04151) + 1919.566 frank (document 04236) + 1.919.566 frank (document 04118) + 1919.566 frank (document 04153) + 1.949.399 frank (document 04521) + 1.949.399 frank (document 04619) + 1949.399 frank (document 04636), zijnde in totaal 25.074.157 frank (621.572,12 euro). (...) De kwestieuze T1-documenten dateren van 1992, zodat de EG-Verordening nr. 1697/79 van toepassing is. (...) Sedert 1 januari 1994 is het Communautair Douanewetboek (C.D.W.) van toepassing, ingesteld bij EG-verordening nr. 2913/92. Te dezen is de douaneschuld ontstaan in 1992, dus voor de inwerkingtreding van het C.D.W., terwijl de invordering door de bevoegde administratie slechts is aangevat na 1 januari 1994, hetzij in een periode dat het C.D.W. reeds van toepassing was. In het arrest van 23 februari 2006 inzake C-201/04 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen - in antwoord op een prejudiciële vraag van het Hof van Beroep te Antwerpen - geoordeeld: ‘Alleen de procedureregels van de artikelen 217 tot en met 232 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair dou¬anewetboek zijn van toepassing op de na 1 januari 1994 aangevatte invorde¬ring van een douaneschuld die voor deze datum is ontstaan'. (...) Bijgevolg dienen te dezen de artikelen 2 en 3 van de Verordening nr. 1697/79 toegepast te worden. Voormeld artikel 2, eerste lid, kan worden toegepast op een aangever communau¬tair douanevervoer die door de douaneautoriteiten werd uitgenodigd om de douaneschulden bij invoer te voldoen, die waren ontstaan ingevolge de niet-zuivering van T1-documenten. De douaneschulden bij invoer zijn in casu ontstaan in de periode tussen 22 april 1992 en 11 december 1992, met name op het tijdstip van het verstrijken van de geldigheidsduur van de kwestieuze T1-documenten. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de vordering van (de eiser) verjaard is". Grieven Eerste onderdeel De eiser liet in zijn syntheseconclusie, neergelegd op 20 december 2005 ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen, op pagina 37 en in zijn conclusie, neergelegd op 26 april 2006, op pagina 38 onder verwijzing naar J.D.B. gelden dat er enkel sprake kan zijn van navordering voor zover er een aangifte werd ingereikt waaruit een verplichting tot betaling van de belastingen (douaneschuld, accijnzen of btw) voortvloeide. Indien na de aanvaarding van die aangifte en na de verificatie en de vrijgave van de goederen ingevolge een controle a posteriori komt vast te staan dat niet alle rechten werden betaald omwille van b.v. een oorsprongscertificaat dat verworpen wordt, een verkeerde benaming, een te lage waarde enz. waardoor aanvullende belastin¬gen moeten worden ingevorderd, is er sprake van navordering. In casu was er dus geen geval van navordering; er werd geen aangifte ingereikt door Gerlach waaruit de verplichting tot betaling van de thans gevorderde invoerheffingen voortvloeide. Er werd integendeel een aangifte voor communautair douanevervoer gedaan, waaruit geen verplichting tot betaling van rechten bij invoer of uitvoer voortvloeide. De verplichting tot betaling van de rechten vloeide niet voort uit de aangifte, maar wel uit een inbreuk op de reglementering. Hij vervolgde op pagina 39 van de syntheseconclusie, neergelegd op 20 december 2005 en op pagina 40 van de conclusie, neergelegd op 26 april 2006 onder verwijzing naar J.D.B. dat in de gevallen waarin er geen aangifte is ingereikt waaruit de verplichting tot betaling van rechten voortvloeide, er geen sprake is van navordering maar dat het een invordering van belastingen betreft, waarop andere termijnen van toepassing zijn. Het betreft hier de invordering van belastingen naar aanleiding van bv. invoer zonder aangifte, niet zuivering van documenten, onttrekking aan de doorvoer, enz. De eiser vervolgde dat het in casu ging om onttrekking aan doorvoer en derhalve om invordering van het volledige bedrag aan rechten en niet om navordering van te weinig betaalde rechten. Deze vorderingen verjaren na verloop van een termijn van dertig jaar op basis van artikel 2262 van het Bur¬gerlijk Wetboek (Cass. 12 december 1985, R.W. 1986-87, 276; Cass. 4 april 1979, Pas. 1979, I, 926). De stuiting van deze termijn gebeurt op dezelfde wijze als voor alle andere burgerlijke vorderingen overeenkomstig de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Er werd ter zake geen aangifte ingediend waardoor rechten ver¬schuldigd werden, vermits de goederen onttrokken werden aan de doorvoer en bij een aangifte voor doorvoer er geen rechten verschuldigd zijn, derwijze dat de verjaringstermijn van dertig jaar, thans tien jaar, op grond van artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek gold. De dagvaarding die dateerde van 24 januari 1997 was derhalve tijdig. Besluit Het hof van beroep dat met geen enkele overweging voornoemd middel, dat aanvoerde dat er te dezen geen sprake was van een navordering, maar van een invordering, waarop een langere verjaringstermijn van toepas¬sing was, beantwoordt, heeft zijn beslissing niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 fe¬bruari 1994). Tweede onderdeel Naar luid van artikel 1.1 van de EEG-Verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake de navordering van de rechten bij invoer of uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, worden in deze verordening de voorwaarden vastgesteld waaronder de bevoegde autoriteiten overgaan tot navordering van rechten bij invoer of bij uitvoer die om ongeacht welke reden niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen waarvoor een aangifte voor een douaneregeling is gedaan waaruit de verplichting tot betaling van die rechten voortvloeide. Uit voornoemde bepaling evenals uit de titel van de aangehaalde verordening volgt duidelijk dat de regeling vervat in de verordening nr. 1697/79 van toepassing is op de navordering van de niet onmiddellijk opgeëiste in- of uitvoerrechten voor goederen die werden aangegeven voor een douanerege¬ling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten - onder te verstaan in- of uitvoerrechten - voortvloeide. Dat wordt nog bevestigd door artikel 2 van dezelfde verordening, dat in het eerste lid stelt dat wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat het gehele of gedeeltelijke bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat wettelijk verschuldigd is voor een goed dat is aangegeven voor een douanere¬geling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeit, niet van de belastingschuldige is opgeëist, zij een procedure tot navordering van de niet-geheven rechten inleiden. De verordening viseert zodoende de navordering van rechten, hetgeen wordt bevestigd door de artikelen 3, 4 en 5 van diezelfde verordening. De navordering onderscheidt zich evenwel van de invordering van rechten. Van navordering is er slechts sprake voor zover er een aangifte werd ingediend waaruit een verplichting tot betaling van de belastingen, zoals een douaneschuld, voorvloeit. De navordering veronderstelt dat na de aanvaarding van die aangifte en na de verificatie en de vrijgave van de goederen, ingevolge een controle a posteriori, komt vast te staan dat niet alle rechten werden betaald omwille van een of andere reden, zoals een verkeerde bena¬ming of een te lage waarde, waardoor er aanvullende belastingen moeten worden ingevorderd. Van invordering is er daarentegen sprake in de gevallen waarin er geen aangifte is ingediend waaruit de verplichting tot betaling van in- of uitvoerrechten voortvloeide, zoals de invoer zonder aangifte, de niet-zuivering van documenten of de onttrekking aan de doorvoer, situatie waarin er nog geen invoerrechten werden betaald. Te dezen waren de rechten, waarvan van verweerster betaling werd gevorderd, geenszins rechten die voortvloeiden uit een aangifte voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van invoerrechten voortvloeide; de aanvankelijk gedane aangifte betrof immers blijkens de eigen vaststellingen van het bestreden arrest de doorvoer van niet-communautaire goederen, doorvoer waarvoor geen rechten verschuldigd zijn, noch bij invoer, noch bij uitvoer. Indien de rechten die in het kader van de huidige procedure door de eiser werden ingevorderd weliswaar invoerrechten waren, werden zij ingevor¬derd, niet ingevolge een aangifte bij invoer, doch omwille van de niet-aanzui¬vering van de T1-documenten en de onttrekking in België van de goederen aan het doorvervoer, zoals door het bestreden arrest op pagina 2, laatste ali¬nea, en op pagina 11, derde alinea, werd vastgesteld, feiten die slechts naderhand bij proces-verbaal van 29 november 1994 door de opsporingsinspec¬tie van de Belgische douane werden vastgesteld en aanleiding gaven tot de invordering van invoerrechten. In die omstandigheden kon het hof van beroep dan ook niet wettig beslissen dat terzake toepassing van voornoemde verordening diende te wor¬den gemaakt. Besluit Waar uit de door het hof van beroep in het bestreden arrest ge¬dane vaststellingen duidelijk blijkt dat de vordering van eiser betrekking had op de invordering van rechten, die verschuldigd werden naar aanleiding van de niet-aanzuivering van de T1-documenten, ingediend naar aanleiding van een communautair douanevervoer, en van de onttrekking van de goederen aan de doorvoer in België, waardoor er in België invoerrechten verschuldigd werden, kon het hof van beroep niet wettig beslissen dat de verordening 1697/79 van 24 juli 1979, welke uitsluitend van toepassing is op de hypothese waarin rechten, die verschuldigd zijn voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten, onder te verstaan rechten bij invoer of uitvoer, voortvloeide, worden nagevor¬derd, op onderhavige zaak van toepassing was (schending van artikelen 1, 2, 3, 4 en 5 van de EEG-Verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake de navordering van de rechten bij invoer of uitvoer die niet van de be¬lastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1.2.c), 2 en 3 van de EEG-Verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake de navordering van de rechten bij invoer of uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide; - de artikelen 1.2.c), 2, 3 en 5 van de EEG-Verordening nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of bij uitvoer; - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994. Aangevochten beslissingen Bij arrest van 27 juni 2006 verklaart het Hof van Beroep te Ant¬werpen het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond, hervormt het bestre¬den vonnis voor zover het de vordering van (de eiser en de Belgische Staat) ontvankelijk verklaart, opnieuw wijzende, verklaart de vordering van de Belgische Staat niet ontvankelijk en eisers vordering ontvankelijk, zegt voor recht dat de vorde¬ring van de eiser verjaard is en veroordeelt (de eiser en de Belgische Staat) tot de kosten van het geding. Deze beslissing is onder meer op volgende overwegingen gestoeld: "Bijgevolg dienen te dezen de artikelen 2 en 3 van de Verordening nr. 1697/79 toegepast te worden. Voormeld artikel 2, eerste lid, kan worden toegepast op een aangever communau¬tair douanevervoer die door de douaneautoriteiten werd uitgenodigd om de douaneschulden bij invoer te voldoen, die waren ontstaan ingevolge de niet-zuivering van T1-documenten. Artikel 6, eerste lid, van de EEG-Verordening nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of bij uitvoer bepaalt dat onmiddellijk na de boeking, het bedrag van de rechten op de voorgeschreven wijze aan de tot betaling gehouden persoon dient meegedeeld te worden. Het bedrag van de rechten dient weliswaar niet onmiddellijk na de boeking meegedeeld te worden aan de schuldenaar, doch het geboekte bedrag moet binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de dag waarop de douaneschuld terzake van het betrokken goed is ontstaan aan de schuldenaar wor¬den meegedeeld. De douaneschulden bij invoer zijn in casu ontstaan in de periode tussen 22 april 1992 en 11 december 1992, met name op het tijdstip van het verstrijken van de geldigheidsduur van de kwestieuze T1-documenten. De mededeling van het geboekte bedrag van de rechten aan de schuldenaar diende voor wat de meest recente douaneschuld betreft, te gebeuren uiterlijk op 11 december 1995 en voor de andere douaneschulden vroeger. (De eiser en de Belgische Staat) hebben onder nummer 29 van hun stukkenbundel een document voorgelegd dat, althans volgens (de eiser en de Belgische Staat), zou gelden als "boekingsstuk" Door (de eiser en de Belgische Staat) wordt evenwel slechts een "globaal overzicht - boekhouding der vastgestelde rechten" van 11 mei 2000 voorgelegd. Dit overzicht bewijst evenwel niet dat de kwestieuze heffingen op 1 september 1994 geboekt wer¬den. Bovendien kan niet worden uitgemaakt dat dit globaal overzicht betrekking heeft op de vorderingen ten laste van (de verweerster) tot betaling van hef¬fingen ten bedrage van 621.572,12 euro in hoofdsom. (De verweerster) wordt niet nominatim vermeld in dit overzicht. Ook het gevorderde bedrag van 621.572,12 euro kan niet worden aangetroffen in het overzicht. (De eiser en de Belgische Staat) tonen niet aan dat de kwestieuze schulden werden geboekt. (...) (De eiser en de Belgische Staat) stellen tenslotte dat de kennisgeving/mededeling is gebeurd door de gedinginleidende dagvaarding van 24 januari 1997. Deze dagvaarding dateert evenwel van meer dan 4 jaar na het ontstaan van de kwestieuze douaneschulden. De procedure tot invordering werd dus ruim na de wettelijke driejarige vervaltermijn opgestart. Artikel 3 van de Verordening nr. 1697/79 bepaalt dat wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat zij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer of bij uitvoer terzake van het betrokken goed vast te stellen, de in artikel 2 vastgestelde termijn niet van toepassing is. In dat geval ge¬schiedt de navordering door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de op dit gebied in de lidstaten geldende bepalingen. Deze uitzondering op de als algemene regel geldende driejarige vervaltermijn dient beperkend geïnterpreteerd te worden. Wanneer de douaneautoriteiten binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de doua¬neschuld is ontstaan in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk ver¬schuldigde rechten vast te stellen en de schuldenaar te identificeren, doch on¬danks deze wetenschap om welke reden dan ook hebben nagelaten de vereiste kennisgeving/mededeling binnen de driejarige periode aan de schulde¬naar te laten geworden, kunnen de douaneautoriteiten zich niet beroepen op de in voornoemd artikel 3 bepaalde uitzonderingsregel, zelfs niet indien een strafrechtelijk vervolgbare handeling aan de basis zou liggen van de ingevor¬derde douaneschuld. (De eiser en de Belgische Staat) stellen tot boeking overgegaan te zijn op 1 september 1994, hetzij ruim binnen de termijn van drie jaar te rekenen vanaf het ontstaan van de douaneschuld, hetgeen betekent dat zij binnen de termijn van drie jaar vanaf het ontstaan van de douaneschulden bij invoer in de periode tussen 22 april 1992 en 11 december 1992 in staat waren om het juiste bedrag van rechten te berekenen en de schuldenaar te identificeren. Zij hebben evenwel - om welke redenen dan ook - nagelaten om (de verweerster) binnen de voormelde driejarige verjaringstermijn kennis te geven van het bedrag van de rechten of het bedrag van de rechten mee te delen en kunnen zich dus niet beroepen op de in artikel 3 van de Verordening nr. 1697/79 gestipuleerde uitzonderingsregel. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de vordering van (de eiser) verjaard is". Grieven Eerste onderdeel Naar luid van artikel 1.2.
  1. c)van de Verordening 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake de navordering van de rechten bij invoer of uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, is de boeking de administratieve handeling waardoor het door de bevoegde autoriteiten aan rechten bij invoer of bij uitvoer te heffen bedrag naar behoren wordt vastgesteld, terwijl naar luid van artikel 1.2.
  2. c)van de EEG-Verordening nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of bij uitvoer de boeking de inschrijving is in de boeken of met gebruikmaking van enige an¬dere drager door de douaneautoriteit van het bedrag aan rechten bij invoer of bij uitvoer dat overeenkomt met een douaneschuld. Artikel 2 van voornoemde EEG-Verordening nr. 1854/89 bepaalt dat elk bedrag dient te worden berekend zodra de nodige gegevens beschikbaar zijn en door deze autoriteit worden geboekt. Indien de douaneschuld niet of onvolledig is geboekt kan er worden nageboekt. De lidstaten stellen zelf de regels voor de praktijk van de boeking vast. Indien een douaneschuld ontstaat onder andere omstandigheden dan door de aanvaarding van een aangifte, moet het bedrag van die douaneschuld in de regel worden geboekt binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de dag waarop de douaneautoriteiten in staat zijn het bedrag van de desbetreffende rechten te berekenen en de schuldenaar aan te wijzen (artikel 3, derde lid, van de EEG-Verordening nr. 1854/89). In artikel 5 van diezelfde verordening wordt voorts bepaald dat wanneer het uit een douaneschuld voortvloeiend bedrag aan rechten niet overeenkomstig de artikelen 3 en 4 is geboekt, of een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, het te innen of na te vorderen bedrag aan rechten dient te worden geboekt binnen een termijn van twee dagen te rekenen van de datum waarop de douaneautoriteit deze situatie heeft gecon¬stateerd en in staat is het wettelijk verschuldigde bedrag te berekenen en te bepalen welke persoon tot betaling van dat bedrag gehouden is. De in artikelen 3 en 5 van de Verordening 1854/89 gestelde termijnen hebben enkel tot doel te verzekeren dat de technische voorschriften voor de boeking van in- en uitvoerrechten door de bevoegde administratieve autoriteiten snel en op eenvormige wijze worden toegepast. Anders gezegd, de boeking is enkel dienstig voor de verhouding Lidstaten/Gemeenschap en heeft geen invloed op het recht op navordering of op het ontstaan van de dou¬aneschuld. De boeking is een zuiver administratieve handeling die de afreke¬ning en de controle van de eigen middelen van de Europese Unie mogelijk moet maken en die de douaneschuldenaar niet aanbelangt. Afwezigheid van boeking is geen grond van tenietgaan van de douaneschuld en verhindert de administratie niet tot invordering over te gaan. Artikel 2 van de EEG-Verordening nr. 1679/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer en bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, bepaalt trouwens uitdrukkelijk dat de procedure tot navordering van de niet geheven rechten niet meer kan worden ingeleid na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan en weerhoudt zodoende uitdrukkelijk de hypothese dat er geen boeking, - zuiver administratieve formaliteit die de verhouding tussen Lidstaten en de Gemeenschap betreft - , heeft plaatsgevonden. Besluit Waar het hof van beroep in het bestreden arrest overweegt dat het geboekte bedrag binnen een termijn van drie jaar te rekenen van de dag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan, aan de schuldenaar moet worden meegedeeld en aldus laat uitschijnen dat enkel de betaling van een geboekte schuld kan worden ingevorderd, verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 1.2.
  3. c)en 2 van de EEG-Verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake de navordering van de rechten bij invoer of uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, 1.2.c), 2, 3 en 5 van de EEG-Verordening nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of bij uitvoer). Tweede onderdeel Uit de bepalingen aangehaald in het eerste onderdeel, welke geacht worden alhier te zijn overgenomen, volgt dat de boeking, waarnaar artikel 2 van de EEG-Verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake de navordering van de rechten bij invoer of uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een doua¬neregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, verwijst, een zuiver administratieve handeling is die de afrekening en de controle van de eigen middelen van de Europese Unie mogelijk moet maken en die de douaneschuldenaar niet aanbelangt. Uit die bepalingen volgt geenszins dat de belastingschuldige bij deze boeking nominatim zou moeten worden aangeduid. Ter zake liet de eiser in zijn conclusie, neergelegd op 26 april 2006, op pagina 19 onderaan gelden dat de verordening EEG 1854/89 de boeking oplegt aan de lidstaten zelf en in artikel 2 bepaalt dat de Lidstaten nadere regels voor de praktijk van de boeking moeten vaststellen; dat om aan de voorwaarden van deze verordeningen te voldoen in België een systeem werd ingesteld waarbij, in geval van vaststelling van een fraude of een onregelmatig¬heid van meer dan 10.000 ecu, de douane een "fiche" voor de E.U. opstelt van zodra voldoende bewijzen van fraude of onregelmatigheden bestaan; dat de onregelmatigheid of fraude in onderhavige zaak door de douane werd ingeschreven in de boekhouding B op 28 december 1994 en via de permanente vertegenwoordiging aan de E.U. ter kennis werd gebracht met referentie 93/1-49, te weten het negenenveertigste fraudedossier van het eerste semester van 1993, als belangrijk fraudegeval. Op pagina 20 van die besluiten vervolgde de eiser in antwoord op de kritiek van de verweerster dat haar naam, noch het bedrag van de vordering in het boekingsdocument voorkwamen, dat geen enkele wettelijke bepaling voorschrijft dat de boeking op een welbepaalde manier zou moeten gebeuren, bvb. met vermelding van naam en identiteit van de betrokken douaneschuldenaars en detail over alle bedragen die nochtans reeds in andere documenten zijn opgenomen. In casu maakte de fraude in kwestie deel uit van een giganti¬schere fraude die beschouwd werd als één belangrijk fraudegeval, waarin verweerster één van de medespelers was. Het totale bedrag van de nog openstaande heffingen bedroeg 190.607.727 frank of 4.725.042,13 euro, dat werd geboekt onder het firmanummer van de hoofdschuldenaar nr. 428.012.104, de bvba Timaco. De eiser betwistte zodoende uitdrukkelijk het bestaan van enige bepaling die de lidstaten zou verplichten om de douaneschuld op naam van ie¬dere schuldenaar afzonderlijk met vermelding van het door die persoon ver¬schuldigde bedrag te boeken. Besluit Waar het hof van beroep, minstens impliciet doch zeker, oordeelt dat opdat er zou zijn voldaan aan de vereiste van boeking de douaneschuld op naam van iedere persoon, van wie betaling van de rechten kan worden gevor¬derd, en met vermelding van het door deze persoon verschuldigde bedrag moet worden geboekt, en dit ongeacht of deze persoon wordt aangesproken als hoofdschuldenaar dan wel als hoofdelijke medeschuldenaar, en ongeacht of dit bedrag reeds als deel van een groter bedrag aan verschuldigde invoerrechten werd geboekt, voegt het hof van beroep aan de artikelen 1.2.
  4. c)en 2 van de EEG-Verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 en aan artikelen 1.2.c), 2, 3 en 5 van de EEG-Verordening nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of bij uitvoer een voorwaarde toe (schending van de artikelen 1.2.
  5. c)en 2 van de EEG-Verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake de navor¬dering van de rechten bij invoer of uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, 1.2.c), 2, 3 en 5 van de EEG-Verordening nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of bij uitvoer). Minstens is het bestreden arrest dat in het ongewisse laat uit welke bepalingen volgt dat de douaneschuld op naam van iedere douaneschuldenaar afzonderlijk moet worden geboekt met vermelding van het door die persoon verschul¬digde bedrag, zulks op gevaar af dat een zelfde bedrag meermaals zou wor¬den geboekt, en aldus de wettigheidscontrole van het Hof ter zake onmogelijk maakt, niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). Derde onderdeel Artikel 2 van de EEG-Verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake de navordering van de rechten bij invoer of uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, stelt: "1. Wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat het gehele of gedeel¬telijke bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat wettelijk verschuldigd is voor een goed dat is aangegeven voor een douaneregeling waaruit de ver¬plichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeien, niet van de belastingschuldige is opgeëist, leiden zij een procedure in tot navordering van de niet-geheven rechten. Deze procedure kan echter niet meer worden ingeleid na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opge¬ëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan. 2. De procedure tot navordering in de zin van lid 1 wordt ingeleid door kennis¬geving aan de betrokkene van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat hij verschuldigd is". Artikel 3 van de verordening 1679/79 voorziet weliswaar een uitzondering op voornoemde bepaling: "Wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat zij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer of bij uitvoer ter zake van het betrokken goed vast te stellen is de in artikel 2 vastgestelde termijn niet van toepassing. In dat geval geschiedt de navordering door de bevoegde autoriteiten overeen¬komstig de op dit gebied in de Lid-Staten geldende bepalingen". Uit deze laatste bepaling volgt dat de termijn van drie jaar, waarvan sprake in voornoemd artikel 2, voor het inleiden van de procedure bij een kennisgeving niet geldt wanneer de bevoegde autoriteiten vaststellen dat zij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij in- of uitvoer vast te stellen, onder te verstaan bij de vrijmaking van de goederen, dit ongeacht het tijdstip waarop die vaststelling gebeurt. Artikel 3 van de EEG-Verordening nr. 1697/79 stelt immers als enige voorwaarde voor de niet-toepasselijkheid van de termijn van drie jaar de vaststelling van een strafrechtelijk vervolgbare handeling, zonder er als voorwaarde aan toe te voegen dat die vaststelling en derhalve ook de vaststelling van het juiste bedrag van de verschuldigde rechten, buiten de termijn van drie jaar zou dienen te gebeuren. De omstandigheid dat de schuld vooralsnog binnen de termijn van drie jaar te rekenen van het ontstaan van de belastingschuld zou zijn vastge¬steld vermag derhalve geen afbreuk te doen aan de toepasselijkheid van deze uitzonderingsbepaling. Besluit Waar het hof van beroep in het bestreden arrest de toepassing van de uitzonderingsregel van artikel 3 van de EEG-Verordening nr. 1697/79 afhankelijk maakt van de voorwaarde dat de vaststelling van de strafrechtelijk vervolgbare handeling tot gevolg had dat het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten niet binnen de termijn van drie jaar, te rekenen vanaf het ontstaan van de douaneschuld, kon worden vastgesteld, voegt het aan artikel 3 EEG-Verordening nr. 1697/79 een voorwaarde toe die dit artikel niet bevat en verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht (schending van arti¬kelen 2 en 3 van de EEG-Verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake de navordering van de rechten bij invoer of uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide). IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel 1. Krachtens artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening (EEG), nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, leiden de bevoegde autoriteiten een procedure in tot navordering van de niet-geheven rechten, wanneer zij constateren dat het gehele of gedeeltelijke bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat wettelijk verschuldigd is voor een goed dat is aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, niet van de belastingschuldige is opgeëist. 2. Er is sprake van navordering in de zin van deze verordening wanneer de betalingsverplichting volgt uit de niet-naleving van de voorwaarden van een bepaalde douaneregeling. De omstandigheid dat er geen aangifte waaruit de verplichting tot betaling voortvloeit, zou zijn uitgereikt, is niet doorslaggevend voor de toepassing van die verordening. Dit blijkt onder meer ook uit het arrest van 7 september 1999, De Haan, C-61/98, waarbij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen oordeelt betreffende een douaneschuld ontstaan in 1993, die niet was opgeëist van de belastingschuldige, voor goederen aangegeven met T1-documenten maar wederrechtelijk aan het douanetoezicht in de EG onttrokken, dat de verschuldigde rechten konden worden nagevorderd overeenkomstig artikel 2.1 van de voormelde verordening. 3. Het middel dat aanvoert dat van navordering geen sprake is in de gevallen waarin geen aangifte is aangereikt waaruit de verplichting tot betaling voortvloeit, of in de gevallen waarin een aangifte is gedaan van T1-documenten, maar die niet zijn aangezuiverd, faalt naar recht. Tweede middel Derde onderdeel Grond van niet-ontvankelijkheid 4. De verweerster voert aan dat het onderdeel dat opkomt tegen de beslissing van de appelrechter dat de douaneschuld verjaard is, ook al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden. De beslissing van de appelrechter dat de eiser de schuld niet meer kan invorderen, zou immers naar recht verantwoord zijn door de beslissing dat de douaneschuld niet werd geboekt. 5. Het bestreden arrest houdt echter niet de beslissing in dat de schuld niet meer kon worden ingevorderd omdat de douaneschuld niet was geboekt. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Onderdeel 6. Krachtens artikel 2.1, tweede lid, van de Verordening (EEG), nr. 1697/79, kan de procedure tot navordering van de niet-geheven rechten niet meer worden ingeleid na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan. Artikel 3 van deze verordening bepaalt dat wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat zij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer of bij uitvoer ter zake van het betrokken goed vast te stellen, de in artikel 2 vastgestelde termijn niet van toepassing is. Krachtens de tweede voorafgaandelijke considerans van deze verordening kan de beperking op het optreden van de bevoegde autoriteiten niet gelden wanneer een strafrechtelijk vervolgbare handeling er de oorzaak van was dat de bevoegde autoriteiten bij de vrijmaking van de goederen niet het juiste bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer konden vaststellen. 7. Voor de toepassing van artikel 3 van de verordening is duidelijk niet vereist dat de autoriteiten niet in staat waren om binnen de termijn van drie jaar het juiste bedrag vast te stellen. 8. Het bestreden arrest oordeelt betreffende artikel 3 van de verordening: "Deze uitzondering op de als algemene regel geldende driejarige vervaltermijn dient beperkend geïnterpreteerd te worden. Wanneer de douaneautoriteiten binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen en de schuldenaar te identificeren, doch ondanks deze wetenschap om welke reden dan ook hebben nagelaten de vereiste kennisgeving/mededeling binnen de driejarige periode aan de schuldenaar te laten geworden, kunnen de douaneautoriteiten zich niet beroepen op de in (...) artikel 3 bepaalde uitzonderingsregel, zelfs niet indien een strafrechtelijk vervolgbare handeling aan de basis zou liggen van de ingevorderde douaneschuld". Hierdoor maakt het bestreden arrest de toepassing van artikel 3 van de Verordening (EEG), nr. 1697/79 afhankelijk van de voorwaarde dat het strafrechtelijk vervolgbaar handelen tot gevolg heeft gehad dat de douaneschuld niet binnen de in artikel 2 van de verordening bepaalde termijn van drie jaar kon worden vastgesteld. Door aldus te beslissen, schendt het bestreden arrest, de artikelen 2 en 3 van de Verordening (EEG), nr. 1697/79. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven 9. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat de vordering van de eiser verjaard is en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 9 januari 2009 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090109.4 Gerelateerde publicatie(
  6. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090109.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110114.7 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150213.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111108.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.