id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090116.1 Rolnummer: C.07.0563.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-01-28 Raadplegingen: 427 - laatst gezien 2026-07-03 01:19 Versie(s): Vertaling FR Fiche Als blijkt dat de verzoeker tot toekenning van het recht op persoonlijk contact met het kind een bijzondere affectieve band heeft met het kind maar dat een affectieve band van het kind met de verzoeker niet of niet meer bestaat, komt het aan de jeugdrechtbank toe na te gaan of de toekenning van een persoonlijk contact in het belang is van het kind. Thesaurus CAS: KIND UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Ouderlijk gezag - Omgangsrecht grootouders Vrije woorden: Derde - Recht op persoonlijk contact - Bijzondere affectieve band - Belang van het kind - Beoordeling Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 375bis Verdrag of internationale overeenkomst - 20-11-1989 - Art. 3.1 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0563.N
- V.V., en,
- W. G., eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen S. P., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 4 juni 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 3.1 van het Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind opgemaakt te New-York, goedgekeurd bij wet van 25 no¬vember 1991 en bij decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 mei 1991; - artikel 375bis van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing Bij het bestreden arrest van 4 juni 2007 verklaart de jeugdkamer van het Hof van Beroep te Antwerpen het hoger beroep van de verweerder ont¬vankelijk en gegrond, doet het vonnis van 19 oktober 2006, waarbij de vorde¬ring van de verweerder tot toekenning van een recht op persoonlijk contact met het kind van de eisers onontvankelijk verklaard werd, teniet, verklaart de oor¬spronkelijke vordering van de verweerder ontvankelijk en gegrond en kent aan de verweerder een recht op persoonlijk contact toe op grond van artikel 375bis van het Burgerlijk Wetboek met het kind Z.V., geboren op 21 mei 2002, à rato van één zondagnamiddag per maand van 14 uur tot 19 uur, bij gebreke aan minnelijke regeling telkens de eerste zondag der maand, kind te halen en terug te brengen door de verweerder, en dit op de volgende gronden: "dat (de verweerder) niet de biologische vader is van het kind Z., geboren op 21/5/2002; dat hij echter stelt dat hij steeds gezorgd heeft voor het kind gedurende de feitelijke relatie die bestaan heeft tussen partijen en het feitelijk gezin dat partijen gevormd hebben en zich binnen het gezin als naar de buitenwereld toe gedragen heeft als een echte vader voor Z.; dat de eerste (eiseres) stelt dat zij slechts kortstondig met (de verweerder) heeft samengewoond en (de verweerder) zich in het prille begin als zorgvader voordeed, doch zich zeer spoedig overgaf aan overmatig alcoholgebruik en haar en het kind aan hun lot overliet; dat ze stelt dat (de verweerder) nooit financieel heeft bijgedragen aan het huisge¬zin en zijn geld besteedde aan de aankoop van sigaretten, drank en seksfilms; dat vaststaat dat partijen een feitelijk gezin hebben gevormd en (de verweerder) zich als de vader van het kind heeft gedragen, ook naar de buitenwereld toe en dit duidelijk bewezen voorkomt op grond van overgelegde foto's, waaruit blijkt dat hij geruime tijd heeft samengewoond met (de eiseres) gezien het kind gefotografeerd staat als baby met (de verweerder) en later als kleuter; dat partijen samen een huis hebben gekocht en er duidelijk een affectieve band bestond tussen het kind en de vader zoals volgt op grond van het gevoerde maatschappelijk onderzoek, doch deze affectieve band thans niet meer bestaat in hoofde van het kind volgens de justitieassistente en dit louter door het tijdsverloop van het proces; dat blijkt dat (de verweerder) zeer spoedig na het beëindigen van de relatie met (de eiseres) een procedure voor de jeugdrechtbank heeft ingeleid, doch de pro¬cedure geruime tijd heeft aangesleept, zodat het kind thans geen herinnering meer blijkt te hebben aan (de verweerder); dat derhalve op grond van de overgelegde stukken door (de verweerder) en het maatschappelijk onderzoek mag aangenomen worden dat (de verweerder) geruime tijd als vader van het kind werd beschouwd en ook op die wijze door het kind zelf gezien werd; dat (de verweerder) van de ene dag op de andere door de moeder werd opzij gezet en in het begin geprobeerd heeft om de contacten op minnelijke wijze op te starten, doch moeder dit verijdeld heeft en dusdanig zelf de vervreemding en verdwijning van de affectiviteit van het kind ten opzichte van (de verweerder) in de hand heeft gewerkt; dat het kind thans vijf jaar oud is en deze affectieve band spoedig kan terugke¬ren, eens er terug contacten worden gelegd tussen (de verweerder) en het kind; dat de beschuldigingen van (de eisers) aan het adres van (de verweerder) geensdeels bewezen worden; dat het dan ook gerechtvaardigd voorkomt om (de verweerder) een plaats te geven in het leven van het jonge kind, gezien hij gedurende geruime tijd de zorg van het kind heeft waargenomen en voor het kind de vaderfiguur betekende en er dus duidelijk een bijzonder affectieve band bestond tussen (de verweerder) en het kind; dat het feit dat de eerste (eiseres) thans terug een ander gezin heeft gevormd met de tweede (eiser) geen afbreuk kan doen aan het recht op omgang tussen (de verweerder) en het kind, waarvoor hij geruime tijd gezorgd heeft; dat (de eisers) zelf trouwens nog maar twee jaar samenwonen en de duurzaam¬heid hiervan eveneens nog verder moet bewezen worden; dat de contacten tussen (de verweerder) en het kind kunnen toegekend worden gedurende één zondagnamiddag per maand van 14 uur tot 19 uur, bij gebreke aan minnelijke regeling telkens de eerste zondag der maand; dat het hoger beroep in die zin dient ingewilligd en het bestreden vonnis dient gewijzigd". Grieven Eerste onderdeel Luidens artikel 375bis, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek hebben de grootouders het recht persoonlijk contact met het kind te onderhouden. Datzelfde recht kan aan ieder andere persoon worden toegekend, indien hij aantoont dat hij met het kind een bijzondere affectieve band heeft. Overeenkomstig het tweede lid van dit artikel wordt, bij gebreke van een overeenkomst tussen de partijen, over de uitoefening van dat recht in het belang van het kind op verzoek van de partijen of van de procureur des Konings beslist door de jeugdrechtbank. Het artikel 3.1 van het Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind opgemaakt te New-York, goedgekeurd bij wet van 25 no¬vember 1991 en bij decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 mei 1991, schrijft voor dat de belangen van het kind de eerste overweging vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen genomen door rechterlijke instanties. Aan de verweerder, geen ouder of grootouder zijnde, kan bijgevolg enkel een recht op persoonlijk contact met het kind van de eisers worden toege¬kend op voorwaarde dat hij aantoont een bijzondere affectieve band met het kind te hebben. Dit veronderstelt dat de verweerder aantoont dat hij met het kind een bijzondere affectieve band heeft en het kind met hem. Wanneer die bijzondere affectieve band niet, of niet meer, bestaat in hoofde van het kind, kan immers geen recht op persoonlijk contact aan een derde worden toegekend, ook niet wanneer de beslissingsgerechtigde ouder de vervreemding en verdwijning van de affectiviteit van het kind ten opzichte van de derde in de hand zou hebben gewerkt. Het artikel 375bis van het Burgerlijk Wetboek voorziet terzake im¬mers in geen uitzondering op de vereiste van een bijzondere affectieve band tussen het kind en de derde. Het bestreden arrest stelt vast dat de affectieve band volgens de justitieassistente thans niet meer bestaat in hoofde van het kind
(1)en dat het kind thans geen herinnering meer blijkt te hebben aan de verweerder
(2). Nu het bestreden arrest aldus vaststelt dat het kind van de eisers geen bijzondere affectieve band meer heeft met de verweerder, kon het niet wettig een recht op persoonlijk contact met het kind aan de verweerder toekennen op grond van de overweging dat de eiseres, als ouder, de vervreemding en verdwijning van de affectiviteit ten opzichte van de verweerder in de hand zou hebben gewerkt (schending van het artikel 375bis van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 3.1 van het Verdrag van 20 november 1989 zoals nader gepreciseerd in dit onderdeel en in de aanhef van het middel). Tweede onderdeel Luidens artikel 375bis, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek hebben de grootouders het recht persoonlijk contact met het kind te onderhouden. Datzelfde recht kan aan ieder andere persoon worden toegekend, indien hij aantoont dat hij met het kind een bijzondere affectieve band heeft. Overeenkomstig het tweede lid van dit artikel wordt, bij gebreke van een overeenkomst tussen de partijen, over de uitoefening van dat recht in het belang van het kind op verzoek van de partijen of van de procureur des Konings beslist door de jeugdrechtbank. Het artikel 3.1 van het Verdrag van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind opgemaakt te New-York, goedgekeurd bij wet van 25 no¬vember 1991 en bij decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 mei 1991, schrijft voor dat de belangen van het kind de eerste overweging vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen genomen door rechterlijke instanties. Aan een derde, geen ouder of grootouder zijnde, kan bijgevolg enkel een recht op persoonlijk contact met een kind worden toegekend op voorwaarde dat die derde aantoont een bijzondere affectieve band met het kind te hebben. Het recht op persoonlijk contact kan bijgevolg niet aan een derde worden toegekend om een verdwenen bijzondere affectieve band met het kind te doen terugkeren vermits het recht op persoonlijk contact een bestaande bijzondere affectieve band veronderstelt. Het bestreden arrest neemt aan dat er een bijzondere actieve band bestond tussen de verweerder en het kind
(1), dat deze affectieve band thans echter niet meer bestaat in hoofde van het kind
(2), dat het kind thans geen herinnering meer blijkt te hebben aan de verweerder
(3), maar dat deze affectieve band spoedig kan terugkeren eens er terug contacten worden gelegd tussen de verweerder en het kind
(4). Nu het bestreden arrest vaststelt dat het kind van de eisers geen bijzondere affectieve band meer heeft met de verweerder, kon het niet wettig beslissen aan de verweerder een recht op persoonlijk contact met het kind toe te kennen op grond van de overweging dat de affectieve band spoedig kan terugkeren eens terug contacten worden gelegd tussen de verweerder en het kind. Het recht op persoonlijk contact met het kind veronderstelt immers een bestaande bijzondere band met het kind en kan bijgevolg niet worden toegekend om deze band te doen terugkeren (schending van het artikel 375bis van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 3.1 van het Verdrag van 20 november 1989 zoals nader gepreciseerd in dit onderdeel en in de aanhef van het middel). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste en tweede onderdeel
- Artikel 375bis, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt onder meer dat aan ieder ander persoon dan de grootouders het recht kan worden toegekend persoonlijk contact met het kind te onderhouden indien hij aantoont dat hij met het kind een bijzondere affectieve band heeft. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat, bij gebreke van een overeenkomst tussen de partijen, over de uitoefening van dat recht in het belang van het kind beslist wordt door de jeugdrechtbank op verzoek van de partijen of van de procureur des Konings. Artikel 3.1 van het Verdrag van New York van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind bepaalt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen die worden genomen, onder meer, door rechterlijke instanties, de belangen van het kind de eerste overweging vormen.
- Als blijkt dat de verzoeker een bijzondere affectieve band heeft met het kind maar dat een affectieve band van het kind met de verzoeker niet of niet meer bestaat, komt het aan de jeugdrechtbank toe na te gaan of de toekenning van een persoonlijk contact in het belang is van het kind.
- Het middel dat ervan uitgaat dat het recht op persoonlijk contact nooit kan worden toegekend als een affectieve band van het kind met de verzoeker niet of niet meer bestaat, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 500,10 euro jegens de eisende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 16 januari 2009 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090116.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div