← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090116.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090116.4 Rolnummer: C.07.0300.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-01-28 Raadplegingen: 471 - laatst gezien 2026-07-03 01:18 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het C.M.R.-Verdrag regelt slechts de aansprakelijkheid van de vervoerder voor het verlies of de beschadiging van de vervoerde goederen en voor de vertraging in de aflevering ervan; het regelt niet diens aansprakelijkheid voor andere schade en meer bepaald niet voor de schade toegebracht aan andere dan de vervoerde goederen, die beheerst wordt door het toepasselijke nationale recht. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Wegvervoer - Internationaal vervoer - C.M.R.-Verdrag Vrije woorden: Internationaal vervoer - C.M.R.-Verdrag - Vervoerder - Aansprakelijkheid - Toepassingsgebied Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-05-1956 - Artt. 17 en 23 - 30 Link Justel databank 19560519-30 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0300.N 1. TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ, naamloze vennootschap, met zetel te 1150 Brussel, Tervurenlaan 182, 2. AGF BELGIUM INSURANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 2650 Edegem, Prins Boudewijnlaan 43, 3. AIG EUROPE, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Kortenbergstraat 168/170, 4. HAMPDEN INSURANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 3062 MB Rotterdam (Nederland), K.P. Van der Mandelaan 90, 5. AVERO BELGIUM INSURANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 1200 Brussel, Wolu¬welaan 64, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen 1. DE DIJCKER, naamloze vennootschap, met zetel te 9520 Sint-Lievens-Houtem, Gent¬sesteenweg 1, verweerster, 2. SONATRA, naamloze vennootschap, met zetel te 5140 Ligny, rue de la Tombe 24, verweerster, 3. AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, partij opgeroepen in gemeen- en bindendverklaring van het tussen te komen arrest, vertegenwoordigd door mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de verweersters en de tot bindendverklaring van het tussen te komen arrest opgeroepen partijen woonplaats kiezen, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 februari 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseressen voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 17, 23 en 28 van het Verdrag betreffende de Overeenkomst tot Internationaal Vervoer van Goederen over de Weg (CMR), ondertekend te Genève, op 19 mei 1956, goedgekeurd bij Belgische wet van 4 september 1962 (en gewijzigd bij Protocol van 5 juli 1978, goedgekeurd bij wet van 25 april 1983) (hierna genoemd: CMR-Verdrag). Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest hervormt het bestreden vonnis in de mate dat er voor recht werd gezegd dat de schade door verontreiniging van de bij Manufert opgeslagen goederen en de kosten in dit verband volgens het gemeen recht dienen te worden beoordeeld en verweersters zich terzake niet op de aansprakelijkheidsbeperkingen van het CMR-Verdrag kunnen beroepen en verder recht doende krachtens de devolutieve werking van het hoger beroep, zegt thans voor recht dat de oorspronkelijke hoofdvordering van de eiseressen ten aanzien van verweersters gegrond is ten belope van 20.782,37 euro, vermeerderd met een intrest van 5 pct. per jaar vanaf 16 mei 2000 tot de dag van algehele betaling en veroordeelt de verweersters hoofdelijk tot betaling van dit bedrag met aankleven, met dien verstande dat de betaling door de eerste verweerster en/of de tweede verweerster aan één van de oorspronkelijke partijen bevrijdend is. De appelrechters verantwoorden hun beslissing o.a. met de overwegingen dat: "A. 2.4. (De eiseressen) scharen zich achter de eerste rechter die stelt dat, naast de schade aan de vervoerde en verontreinigde goederen, ook de schade ten gevolge van de verontreiniging van de bij Manufert opgeslagen goederen en de door Manufert aangerekende kosten - zeg maar de gevolgschade - op grond van het gemeen recht, verhaalbaar zijn buiten de context van artikel 23, vierde lid, CMR. De eiseressen stellen dat ‘een aansprakelijkheid voor schade door toevoeging van bezoedelde stortgoederen aan de reeds in de silo aanwezige goederen niet specifiek in CMR is voorzien, hoewel ook deze schade ten laste van de vervoerder valt" (...). (De verweersters en de partij opgeroepen in gemeen- en bindendverklaring van het tussen te komen arrest) betwisten deze stelling en houden voor dat de aansprakelijkheid van de CMR-vervoerder voor de schade aan de niet-vervoerde goederen in een opslagplaats eveneens en uitsluitend beheerst wordt door het CMR-Verdrag. ‘Het CMR wil een volledige regeling zijn van de aansprakelijkheid binnen de vervoerovereenkomst', aldus de eerste verweerster (...). Zij stellen dat zij maximaal aansprakelijk zijn tot beloop van de waarde van de partij suiker (28.540 kg x 28,25 frank/ kg = 806.255 frank of 19.986,54 euro). Hoe dit te beoordelen ? De vordering in kwestie strekt tot de reparatie van de schade niet alleen aan de vervoerde goederen, maar ook aan de goederen die reeds in de vlaksilo waren opgeslagen en waarmee de vervoerde goederen werden vermengd. De vordering situeert zich volledig binnen het contractuele vervoerkader dat dwingendrechtelijk door het CMR-Verdrag beheerst wordt. De schade is ter zake ontstaan tijdens het vervoer, dat onderworpen is aan het CMR-Verdrag (...) en de schade, ook diegene die betrekking heeft op de goederen opgeslagen in de vlaksilo van Manufert, is het gevolg van de foutieve uitvoering van de overeenkomst door de vervoerder(

  1. s)(...). Gevolgschade die door de beschadigde en vervoerde lading aan goederen van de bij Manufert opgeslagen goederen werd toegebracht valt, anders dan de eerste rechter beoordeelde en de ladingbelanghebbenden voorhouden, wel binnen het bereik van de artikelen 17 en 23, vierde lid, CMR. Het CMR-Verdrag beoogt de aansprakelijkheid van de vervoerder te regelen op uitputtende wijze ten aanzien van de andere partijen betrokken bij de overeenkomst, met name de afzender en/of de geadresseerde, dit voor beschadiging, verlies en vertraging. Zelfs indien de beschadiging, verlies of vertraging, ontstaan in de loop van het aan dit Verdrag onderworpen vervoer volgens de toepasselijke wet kan leiden tot een vordering, die niet op de vervoerovereenkomst is gegrond - hetgeen ter zake niet het geval is - kan de vervoerder zich (toch) beroepen op de bepalingen van het Verdrag die zijn aansprakelijkheid uitsluiten of de verschuldigde schadevergoedingen vaststellen of beperken (artikel 28 CMR). Gevolgschade veroorzaakt door verlies of beschadiging valt niet onder de noemer van artikel 23, vierde lid, CMR: gevolgschade heeft niet het karakter van ‘overige met betrekking tot het vervoer gemaakte kosten'. Artikel 23, vierde lid, in fine CMR stelt dat verdere schadevergoeding niet verschuldigd is, hetgeen inhoudt dat de gevolgschade aan de in vlaksilo opgeslagen goederen in casu niet voor vergoeding in aanmerking komt. A.2.5. Welke is de omvang van de schade. Voor de beschadiging aan de vervoerde goederen geldt als uitgangspunt dat de volledige partij, vervoerd in de kwestieuze oplegger, aangetast was door de restanten van de meststofkorrels. De schade aan de vervoerde goederen wordt berekend naar de waarde van de goederen op de plaats en het tijdstip van de inontvangstneming (artikel 23.1 CMR). Niet betwist is dat de prijs per kilo 28,25 frank bedraagt, zodat de schadevergoeding ten gevolge de beschadiging van de partij van 28.540 kg bestaat uit het aantal kg vermenigvuldigd met de hoger vermelde per kilo-waarde, hetzij 806.255 frank of 19.986,54 euro. Vraag is of er bovenop dit bedrag nog kosten zijn die vallen binnen de toepassing van artikel 23.4 CMR, met name overige met betrekking tot het vervoer der goederen gemaakte kosten. De kosten in verband met de conditionering van de vervoerde goederen na lossing ex vlaksilo, de opslag in duwbak en de kosten in verband houden met het behoud ervan met het oog op noodverkoop komen, pro rata, daartoe in aanmerking, met name tot beloop van 28.540 / 4.417.854ste of 0,0065, hetzij, 32.103,76 frank of 795,83 euro. De globale schadevergoeding bedraagt bijgevolg 20.782.782,37 euro, te vermeerderen met een intrest van 5 pct. vanaf de dag waarop de schriftelijke vordering werd ingediend en indien niet vanaf de dag waarop zij in rechte aanhangig is gemaakt (artikel 27.1 CMR). Er is het hof (van beroep) geen schriftelijke vordering als dusdanig bekend, althans het blijkt niet uit de overgelegde stukken, zodat de rente eerst verschuldigd is vanaf 16 mei 2000 tot de datum van betaling". Grieven Artikel 17 van het CMR-Verdrag bepaalt: "De vervoerder is aansprakelijk voor geheel of gedeeltelijk verlies en voor beschadiging van de goederen, welke ontstaan tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering, alsmede voor vertraging in de aflevering". In het geval dat de vervoerder aansprakelijk wordt gehouden voor het verlies van de goederen ten tijde van het vervoer, regelt artikel 23, lid 1-3, van het CMR-Verdrag de hoogte van de te vergoeden schade. Artikel 23, vierde lid, van het CMR-Verdrag bepaalt: "Bovendien worden de vrachtprijs, de douanerechten en de overige met betrekking tot het vervoer gemaakte kosten, ingeval van geheel verlies volledig en in geval van gedeeltelijk verlies naar verhouding terugbetaald ; verdere schadevergoeding is niet verschuldigd". Luidens artikel 28 van het CMR-Verdrag kan de vervoerder, wanneer het verlies, de beschadiging of de vertraging, ontstaan in de loop van een aan dit Verdrag onderworpen vervoer, volgens de toepasselijke wet kan leiden tot een vordering, die niet op de vervoerovereenkomst is gegrond, zich beroepen op de bepalingen van dit Verdrag, die zijn aansprakelijkheid uitsluiten of de verschuldigde schadevergoedingen vaststellen of beperken. Artikel 17 van het CMR-Verdrag regelt uitsluitend de aansprakelijkheid van de vervoerder voor verlies van of schade aan de door hem vervoerde zaken, alsmede voor vertraging in de aflevering. De aansprakelijkheid van de vervoerder voor beschadiging of verlies van andere dan de vervoerde zaken wordt niet door het CMR-Verdrag doch door het toepasselijke nationale recht beheerst. Waar artikel 23 van het CMR-Verdrag spreekt van geheel of gedeeltelijk verlies van de "goederen", geeft het een regeling van de aansprakelijkheid voor schade door geheel of gedeeltelijk verlies van de vervoerde zaken zoals bedoeld in artikel 17 van het CMR-Verdrag. De bepaling op het einde van artikel 23, vierde lid, van het CMR-Verdrag geeft een uitwerking van hetgeen overigens in artikel 23 van het CMR-Verdrag is bepaald en betreft dan ook alleen schade door geheel of gedeeltelijk verlies of beschadiging van de vervoerde zaken. Artikel 23 geeft geen regeling voor beschadiging of verlies van andere dan de vervoerde zaken. Hetzelfde geldt voor artikel 28 van het CMR-¬Verdrag dat een regeling geeft voor het geval waarin ter zake van verlies of beschadiging van de vervoerde zaken tegen de vervoerder een vordering wordt ingesteld die niet gegrond is op de vervoerovereenkomst maar op de wet. Hieruit blijkt duidelijk dat schade die tijdens de uitvoering van een aan het CMR-Verdrag onderworpen vervoerovereenkomst aan andere dan de vervoerde goederen wordt toegebracht, niet door de schaderegeling van Hoofdstuk IV van het CMR-Verdrag (artikel 17 en volgende) beheerst wordt. Het feit dat de vordering zich volledig binnen het contractuele vervoerkader situeert dat dwingendrechtelijk door het CMR-Verdrag beheerst wordt, dat de schade is ontstaan tijdens het vervoer dat onderworpen is aan het CMR-Verdrag en dat de schade het gevolg is van de foutieve uitvoering van de overeenkomst door de vervoerder(s), doet geen afbreuk aan deze overwegingen. Het hof van beroep heeft aldus niet wettig kunnen beslissen dat de schade aan de in de vlaksilo opgeslagen goederen wel degelijk binnen het bereik van artikel 17 van het CMR-Verdrag valt, zodat de vervoerder ingevolge de slotzinsnede van artikel 23, vierde lid, ("verdere schadevergoeding is niet verschuldigd") van het CMR-Verdrag voor deze schade niet aansprakelijk is (schending van de artikelen 17, 23 en 28 van het Verdrag betreffende de Overeenkomst tot Internationaal Vervoer van Goederen over de Weg (CMR-Verdrag)). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Artikel 17 van het Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, hierna CMR-Verdrag, bepaalt dat de vervoerder aansprakelijk is voor geheel of gedeeltelijk verlies en voor beschadiging van de goederen, welke ontstaan tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering, alsmede voor vertraging in de aflevering. Artikel 23 van het CMR-Verdrag preciseert de regels voor de berekening van de schadevergoeding verschuldigd door de vervoerder bij geheel of gedeeltelijk verlies van de goederen. 2. Bij beschadiging of verlies van de vervoerde goederen komen krachtens artikel 23, vierde lid, naast de waarde van de goederen, enkel de vrachtprijs, de douanerechten en de overige met betrekking tot de vervoerde goederen gemaakte kosten in aanmerking voor vergoeding. Het vierde lid houdt de beperking in dat andere dan de in artikel 23, vierde lid, vermelde schade die wordt veroorzaakt bij beschadiging of verlies van vervoerde goederen, niet voor vergoeding in aanmerking komt. 3. Uit deze artikelen volgt dat het CMR-Verdrag slechts de aansprakelijkheid van de vervoerder regelt voor het verlies of de beschadiging van de vervoerde goederen en voor de vertraging in de aflevering ervan. Het CMR-Verdrag regelt niet de aansprakelijkheid van de vervoerder voor andere schade en meer bepaald niet voor de schade toegebracht aan andere dan de vervoerde goederen, die beheerst wordt door het toepasselijke nationale recht. 4. De appelrechters stellen vast dat de vordering niet enkel strekt tot de vergoeding van de schade aan de vervoerde goederen, maar ook aan de goederen die in een silo waren opgeslagen en waarmee de vervoerde goederen werden vermengd. Zij oordelen dat uit artikel 23.4, in fine, van het CMR-Verdrag, volgt dat de schade aan de in de silo opgeslagen goederen niet voor vergoeding in aanmerking komt. 5. Door aldus te oordelen dat de schade aan andere dan de vervoerde goederen van vergoeding is uitgesloten, verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 16 januari 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090116.4 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140123.1 Link JUSTEL: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070219.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.