id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090116.5 Rolnummer: C.07.0484.N-C.08.0063.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht - Burgerlijk recht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-01-28 Raadplegingen: 629 - laatst gezien 2026-07-03 01:19 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer de curator beslist een overeenkomst, die gesloten is voor de datum van het vonnis van faillietverklaring en waaraan door dit vonnis geen einde wordt gemaakt, verder uit te voeren, geven enkel de prestaties geleverd na het faillissement recht op een vordering ten laste van de boedel
(1).
(1)Zie E. DIRIX, "Faillissement en lopende overeenkomsten", R.W. 2003-04,
(201)210; A. ZENNER en I. VEROUGSTRAETE, "Voortzetting van lopende overeenkomsten door de curators, verbrekingsvergoedingen en boedelschulden", T.B.H. 2004, 517-523. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - Voorrechten - Algemene voorrechten op roerende goederen - Sociale voorrechten HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Verbintenissen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechten van de schuldeisers Vrije woorden: Overeenkomst - Curator - Verdere uitvoering - Gevolg - Prestaties geleverd na het faillissement - Vordering - Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1997 - Art. 46 Fiches 2 - 3 De vergoedingen die verschuldigd zijn wegens de opzegging van een arbeidsovereenkomst, die gesloten werd voor de datum van het vonnis van faillietverklaring en die door de curator verder werd gezet gedurende de tijdelijke voortzetting van de handelsbedrijvigheid, vormen boedelschulden in zoverre zij betrekking hebben op prestaties geleverd na het faillissement; het feit dat wanneer een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd het recht op de opzeggingsvergoeding ontstaat op het ogenblik van de beëindiging van de overeenkomst, wijzigt de aard van de vordering, met name of dit een schuld is van de boedel dan wel een schuld in de boedel, niet
(1).
(1)Zie E. DIRIX, "Faillissement en lopende overeenkomsten", R.W. 2003-04,
(201)210; A. ZENNER en I. VEROUGSTRAETE, "Voortzetting van lopende overeenkomsten door de curators, verbrekingsvergoedingen en boedelschulden", T.B.H. 2004, 517-
- Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzeggingsvergoeding UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - Voorrechten - Algemene voorrechten op roerende goederen - Sociale voorrechten HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Verbintenissen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechten van de schuldeisers Vrije woorden: Faillissement - Gevolgen - Curator - Verderzetting - Opzegging - Vergoeding - Schuld - Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1997 - Artt. 46 en 90 Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - Voorrechten - Algemene voorrechten op roerende goederen - Sociale voorrechten HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Verbintenissen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechten van de schuldeisers Vrije woorden: Arbeidsovereenkomst - Curator - Verderzetting - Gevolg - Opzegging - Vergoeding - Schuld - Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1997 - Artt. 46 en 90 Fiche 4 Artikel 90 Faill.W. 1997, dat voorziet dat voor de werknemers bedoeld in artikel 1 van de Loonbeschermingswet het loon en de in het loon begrepen vergoedingen die aan dezelfde personen verschuldigd zijn wegens beëindiging van hun dienstbetrekking, ongeacht of die beëindiging voor of na de faillietverklaring plaatsheeft, onder de bevoorrechte schuldvorderingen worden opgenomen met dezelfde rang en ten belope van dezelfde bedragen als het voorrecht dat aan dezelfde personen wordt toegekend bij artikel 19, 3° bis, Hyp.W., bevat enkel een chronologisch criterium voor wat betreft de bevoorrechte schuldvorderingen van de in de Loonbeschermingswet bedoelde werknemers en houdt niet in dat de opzeggingsvergoeding voor een arbeidsovereenkomst die gesloten werd voor de datum van het vonnis van faillietverklaring en die door de curator verder werd gezet gedurende de tijdelijke voortzetting van de handelsbedrijvigheid van de gefailleerde, integraal een schuld in de boedel vormt en niet een boedelschuld, in zoverre zij betrekking heeft op de prestaties geleverd na het faillissement. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEVOORRECHTE EN HYPOTHECAIRE SCHULDEISERS UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - Voorrechten - Algemene voorrechten op roerende goederen - Sociale voorrechten HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Gevolgen - Verbintenissen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement - Rechten van de schuldeisers Vrije woorden: Werknemers - Loon en de erin begrepen vergoedingen - Artikel 90 Faill.W. 1997 - Draagwijdte - Arbeidsovereenkomst - Curator - Verderzetting - Opzegging - Vergoeding - Schuld - Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1997 - Artt. 46 en 90 Tekst van de beslissing Nr. C.07.0484.N K. J., eiser, vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- d'IETEREN Alain, advocaat, met kantoor te 1170 Brussel, Ter Hulpsesteenweg 187,
- BAYART Jean, advocaat, met kantoor te 1200 Brussel, de Brocquevillelaan 116-10,
- VAN BUGGENHOUT Christian, advocaat, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106,
- VAN DE MIEROP Ilse, advocaat, met kantoor te 1170 Brussel, Louizalaan 106,
- VAN DOOSSELAERE Thierry, advocaat, met kantoor te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 27, verweerders, allen als curator van het faillissement van de nv Sabena, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerders woonplaats kiezen, Nr. C.08.0063.N
- d'IETEREN Alain, advocaat, met kantoor te 1170 Brussel, Ter Hulpsesteenweg 187,
- BAYART Jean, advocaat, met kantoor te 1200 Brussel, de Brocquevillelaan 116-10,
- VAN BUGGENHOUT Christian, advocaat, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106,
- VAN DE MIEROP Ilse, advocaat, met kantoor te 1170 Brussel, Louizalaan 106,
- VAN DOOSSELAERE Thierry, advocaat, met kantoor te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 27, eisers, allen als curator over het faillissement van de nv Sabena, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen K. J., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep in de zaak C.07.0484.N en in de zaak C.08.0063.N is gericht tegen het arrest, op 27 juni 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in de zaak C.07.0484.N in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 46 en 90 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997; - artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 6.1 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende de autonomie der procespartijen, ook beschikkingsbeginsel genoemd, volgens hetwelk in burgerlijke zaken alleen de partijen het proces sturen; - het algemeen beginsel van het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest doet het bestreden vonnis teniet en, opnieuw beslissend, zegt voor recht dat de schuldvordering van de eiser een boedelschuld uitmaakt ten belope van de nettobedragen overeenstemmend met 760,21 euro en 384,46 euro bruto, veroordeelt de verweerders tot het betalen van deze nettobedragen, vermeerderd met de vergoedende interesten aan 7 pct. per jaar en de gerechtelijke interesten vanaf 21 november 2001, beveelt de opname van de schuldvordering van eiser ten belope van de nettobedragen overeenstemmend met 56.398,27 euro en 10.865,42 euro bruto in het bevoorrechte passief van het faillissement van de nv Sabena en dit op grond van artikel 19.3°bis, respectievelijk artikel 19.4 van de Hypotheekwet, verleent akte van de betaling van de som van 29.117,09 euro die door de curatoren werd verricht en veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten van alle aanleggen en legt de overige helft ten laste van de massa. Het verantwoordt zijn beslissing o.a. met de overwegingen dat: "
- Aan de hand van de overgelegde stukken wordt voldoende aangetoond dat (de verweerders), die werden gemachtigd om de handelsbedrijvigheid van de gefailleerden verder te zetten, weloverwogen en ondubbelzinnig aan (de eiser) hebben gevraagd om zijn arbeidsovereenkomst verder uit te voeren. Veertien dagen na de datum van het faillissement hebben zij dan deze overeenkomst beëindigd. Verder blijkt niet dat ter gelegenheid van dit verder zetten van de arbeidsovereenkomst na het faillissement, werd bedongen dat de schuldvordering van (de eiser) uit hoofde van deze overeenkomst integraal zou worden geregeld als een boedelschuld.
- Artikel 90 van de Faillissementswet bepaalt het volgende: ‘Voor de werknemers bedoeld in artikel 1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, worden het loon, zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, van die wet, en de in het loon begrepen vergoedingen die aan dezelfde personen verschuldigd zijn wegens beëindiging van hun dienstbetrekking, ongeacht of die beëindiging voor of na de faillietverklaring plaatsheeft, onder de bevoorrechte schuldvorderingen opgenomen met dezelfde rang en ten belope van dezelfde bedragen als het voorrecht dat aan dezelfde personen wordt toegekend bij artikel 19.3°bis, van de hypotheekwet van 16 december 1851'. Artikel 46, §1, van dezelfde wet luidt als volgt: ‘Na hun ambtsaanvaarding beslissen de curators onverwijld of zij de overeenkomsten die gesloten zijn voor de datum van het vonnis van faillietverklaring en waaraan door dat vonnis geen einde wordt gemaakt, al dan niet verder uitvoeren. De partij die de overeenkomst met de gefailleerde heeft gesloten, kan de curators aanmanen om die beslissing binnen vijftien dagen te nemen. Indien geen verlenging van termijn is overeengekomen of indien de curators geen beslissing nemen, wordt de overeenkomst geacht door toedoen van de curators te zijn verbroken vanaf het verstrijken van deze termijn, de schuldvordering van de schade die eventueel verschuldigd zou zijn aan de medecontractant wegens de niet-uitvoering, wordt opgenomen in de boedel. Indien de curators beslissen de overeenkomst uit te voeren, heeft de medecontractant recht, ten laste van de boedel, op de uitvoering van de verbintenis in zoverre zij betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement'.
- Uit deze duidelijke wetsbepalingen en meer in het bijzonder uit artikel 46, laatste lid, van de Faillissementswet, volgt dat enkel als boedelschuld wordt beschouwd de verbintenis in zoverre zij betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement. Deze oplossing respecteert het beginsel van de gelijke behandeling van de schuldeisers en het belang van de boedel.
- In voorliggend geval gaat de betwisting over een verbrekingsvergoeding en over het vakantiegeld bij uitdiensttreding. Om vast te stellen welk deel van deze vergoedingen betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement, dient een pro rata berekening dient te worden gemaakt op basis van de duur van elk van deze periodes. Aangezien (de eiser) in dienst trad op 19 oktober 1998, de nv Sabena op 7 november 2001 failliet werd verklaard en de arbeidsovereenkomst van (de eiser) op 21 november 2001 werd verbroken, besluit het hof dat op een totale tewerkstellingsduur van 1.130 dagen, vijftien dagen of 1,33 pct. van de tewerkstelling prestaties vertegenwoordigen die geleverd werden na het faillissement (vanaf 7 november 2001 00.000 uur tot en met 21 november 2001). Wat de verbrekingsvergoeding betreft, die bruto 57.158,48 euro bedraagt, kan derhalve slechts het nettobedrag dat overeenstemt met 760,21 euro bruto als boedelschuld worden beschouwd. Wat het vakantiegeld bij uitdiensttreding betreft, kan slechts dat gedeelte van het enkel en dubbel vakantiegeld voor het vakantiedienstjaar 2001 - vakantiejaar 2002 dat betrekking heeft op de prestaties geleverd na het faillissement, als een boedelschuld worden beschouwd. Volgens stuk 10 van het (dossier) van (de eiser) bedraagt dit 15.509 frank of 384,46 euro bruto, zodat het nettobedrag dat overeenstemt met deze som als boedelschuld kan worden beschouwd. Op deze boedelschulden zijn de vergoedende en gerechtelijke interesten verschuldigd vanaf 21 november
- Voor het overige, namelijk tot beloop van de nettobedragen beantwoordend aan 56.398,27 euro en 10.865,865,42 euro bruto, moet de schuldvordering van (de eiser) worden opgenomen in het bevoorrechte passief op basis van de artikelen 19, 3°bis en 19.4 van de Hypotheekwet". Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig het eerste lid van artikel 46 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 zijn de curators gehouden na hun ambtsaanvaarding onverwijld te beslissen of zij de overeenkomsten die gesloten zijn voor de datum van het vonnis van faillietverklaring en waaraan door dat vonnis geen einde wordt gemaakt, al dan niet verder uitvoeren. De eerste zin van het tweede lid laat de medecontractant toe de curators aan te manen die beslissing te nemen binnen de vijftien dagen. De tweede zin van het tweede lid bepaalt dat indien geen verlenging van termijn overeengekomen is of indien de curators geen beslissing nemen, de overeenkomst geacht wordt verbroken te zijn door toedoen van de curators vanaf het verstrijken van deze termijn en dat de schuldvordering van de schade die eventueel verschuldigd zou zijn aan de medecontractant wegens de niet-uitvoering, wordt opgenomen in de boedel. Overeenkomstig het derde lid, ten slotte, heeft de medecontractant, indien de curators beslissen de overeenkomst uit te voeren, ten laste van de boedel recht op de uitvoering van de verbintenis in zoverre zij betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement. Artikel 90 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalt dat: "Voor de werknemers bedoeld in artikel 1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, worden het loon, zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, van die wet, en de in het loon begrepen vergoedingen die aan dezelfde personen verschuldigd zijn wegens beëindiging van hun dienstbetrekking, ongeacht of die beëindiging voor of na de faillietverklaring plaatsheeft, onder de bevoorrechte schuldvorderingen opgenomen, met dezelfde rang en ten belope van dezelfde bedragen als het voorrecht dat aan dezelfde personen wordt toegekend bij artikel 19, 3°bis, van de hypotheekwet van 16 december 1851". Uit deze bepalingen, en meer in het bijzonder uit het bepaalde van artikel 46, derde lid, dat voorschrijft dat indien de curators beslissen de overeenkomst uit te voeren, de medecontractant recht heeft, ten laste van de boedel, op de uitvoering van de verbintenis in zoverre zij betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement, volgt enkel dat het betalen van het loon voor prestaties geleverd voor het faillissementsvonnis, van dat recht uitdrukkelijk wordt uitgesloten. Het recht op een opzeggingsvergoeding ontstaat slechts op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Bovendien is de opzeggingsvergoeding wettelijk berekend in functie van de anciënniteit die wordt gebaseerd op de volledige overeenkomst. Het uitdrukkelijk voortzetten van de arbeidsovereenkomst impliceert in beginsel dat de curator alle daaraan verbonden rechten en verplichtingen overneemt, dus ook die welke verband houden met het beëindigen van die overeenkomst. Het feit dat, ter gelegenheid van dit verderzetten van de arbeidsovereenkomst na het faillissement, niet werd bedongen dat de schuldvordering van de werknemer in hoofde van deze overeenkomst integraal zou worden geregeld als een boedelschuld, doet geen afbreuk aan deze overwegingen. Hieruit volgt dat indien de curators, gedurende de tijdelijke voortzetting van de handelsbedrijvigheid van de gefailleerde, de arbeidsovereenkomsten verderzetten, de schulden die het gevolg zijn van de opzegging van die overeenkomsten integraal boedelschulden zijn. Uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat de curatoren, die werden gemachtigd om de handelsbedrijvigheid van de gefailleerde verder te zetten, weloverwogen en ondubbelzinnig aan de eiser gevraagd hebben om zijn arbeidsovereenkomst verder uit te voeren, dat de overeenkomst veertien dagen later werd beëindigd, en dat verder niet blijkt dat ter gelegenheid van dit verderzetten van de arbeidsovereenkomst na het faillissement bedongen werd dat de schuldvordering van eiser uit hoofde van deze overeenkomst integraal zou worden geregeld als een boedelschuld. Het hof van beroep heeft aldus niet wettig kunnen beslissen, op grond van deze vaststellingen, dat de verbrekingsvergoeding pro rata zou moeten worden opgedeeld als een schuld in of van de boedel, naargelang van de duur van de tewerkstelling voor en na het faillissementsvonnis (schending van de artikelen 46 en 90 van de Faillissementswet). Het bestreden arrest, voor zover het zou dienen te worden gelezen als hebbende geoordeeld dat het engagement van de curator een vereiste vormt opdat de verbrekingsvergoeding integraal een boedelschuld is, voegt aan de artikelen 46 en 90 van de Faillissementswet een voorwaarde toe die daarin niet voorkomt en schendt derhalve de voornoemde wetsbepalingen. Tweede onderdeel De rechter kan geen geschil opwerpen dat niet indruist tegen de openbare orde en waarvan de partijen in hun conclusie het bestaan hebben uitgesloten (algemeen rechtsbeginsel betreffende de autonomie der procespartijen, ook beschikkingsbeginsel genoemd, zoals aangewezen in het middel). Hij kan geen uitspraak doen over niet gevorderde zaken (artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek). Uit artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden volgt daarenboven dat de partijen bij het proces de mogelijkheid moeten krijgen tegenspraak te voeren over alle stukken of argumenten die een invloed kunnen hebben op de beslissing van de rechter. In zijn beroepsconclusie voerde de eiser aan dat in geval van verderzetting van de activiteit door de curator, de verbrekingsvergoeding, zelfs onder het nieuwe regime, integraal een boedelschuld uitmaakt. De verweerders meenden integendeel dat de artikelen 46 en 90 van de Faillissementswet leiden tot het verdringen van alle verbrekingsvergoedingen van de overeenkomsten naar het passief in de boedel, zelfs indien de curator tijdelijk de overeenkomst heeft voortgezet. Het bestreden arrest, nu het ambtshalve beslist dat de verbrekingsvergoeding pro rata zou moeten worden verdeeld als een schuld in of van de boedel, naargelang van de duur van de tewerkstelling voor en na het faillissementsvonnis, terwijl de conclusies van beide partijen een dergelijke stelling uitsloten, schendt artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en miskent het in het middel aangewezen algemeen rechtsbeginsel betreffende de autonomie der procespartijen, ook beschikkingsbeginsel genoemd. Het bestreden arrest, nu het op dat ambtshalve aangevoerde middel acht slaat zonder het te onderwerpen aan de tegenspraak van de partijen, miskent daarenboven het recht van verdediging van de eiser (miskenning van het algemeen beginsel van het recht van verdediging) evenals het recht van eiser op een eerlijk proces door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie (schending van artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 en, voor zoveel als nodig, van de wet van 13 mei 1955 tot goedkeuring van dat internationaal verdrag)". De eisers voeren in de zaak C.08.0063.N in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 46, §1, 90 en 99 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 (hierna: Faillissementswet). Aangevochten beslissingen Het hof van beroep doet het beroepen vonnis teniet en opnieuw beslissend, zegt voor recht dat de opzeggingsvergoeding, waarop de verweerder gerechtigd is, een boedelschuld uitmaakt pro rata de duur van de tewerkstelling na het faillissementsvonnis, meer bepaald tot beloop van het nettobedrag overeenstemmend met 760,21 euro bruto, veroordeelt de eisers tot het betalen aan de verweerder van dit nettobedrag, vermeerderd met de vergoedende intresten aan 7 pct. per jaar en de gerechtelijke interesten vanaf 21 november
- Deze beslissing steunt op de volgende overwegingen: "
- Aan de hand van de overgelegde stukken wordt voldoende aangetoond dat (de eisers), die werden gemachtigd om de handelsbedrijvigheid van de gefailleerde verder te zetten, weloverwogen en ondubbelzinnig aan (de verweerder) hebben gevraagd om zijn arbeidsovereenkomst verder uit te voeren. Veertien dagen na de datum van het faillissement hebben zij dan deze overeenkomst beëindigd. Verder blijkt niet dat ter gelegenheid van dit verder zetten van de arbeidsovereenkomst na het faillissement, werd bedongen dat de schuldvordering van (de verweerder) uit hoofde van deze overeenkomst integraal zou worden geregeld als een boedelschuld.
- Artikel 90 van de Faillissementswet bepaalt het volgende: (...) Artikel 46, §1, van dezelfde wet luidt als volgt: (...)
- Uit deze duidelijke wetsbepalingen en meer in het bijzonder uit artikel 46, laatste lid, van de Faillissementswet volgt dat enkel als boedelschuld wordt beschouwd, de verbintenis in zoverre zij betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement. Deze oplossing respecteert het beginsel van de gelijke behandeling van de schuldeisers en het belang van de boedel.
- In voorliggend geval gaat de betwisting over een verbrekingsvergoeding en over het vakantiegeld bij uitdiensttreding. Om vast te stellen welk deel van deze vergoedingen betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement, dient een pro rata berekening te worden gemaakt op basis van de duur van elk van deze periodes. Aangezien (de verweerder) in dienst trad op 19 oktober 1998, de nv Sabena op 7 november 2001 failliet werd verklaard en de arbeidsovereenkomst van (de verweerder) op 21 november 2001 werd verbroken, besluit het (hof van beroep) dat op een totale tewerkstellingsduur van 1.130 dagen, vijftien dagen of 1,33 pct. van de tewerkstelling prestaties vertegenwoordigen die geleverd werden na het faillissement (vanaf 7 november 2001 00.00 uur tot en met 21 november 2001). Wat de verbrekingsvergoeding betreft, die bruto 57.158,48 euro bedraagt, kan derhalve slechts het nettobedrag dat overeenstemt met 760,21 euro bruto als boedelschuld worden beschouwd. Op deze boedelschulden zijn de vergoedende en gerechtelijke interesten verschuldigd vanaf 21 november 2001". Grieven Schending van de artikelen 46, §1, 90 en 99 van de Faillissementswet.
- Het bestreden arrest stelt het volgende vast: de verweerder trad op 19 oktober 1998 in dienst van nv Sabena in faillissement; - bij vonnis van 7 november 2001 van de rechtbank van koophandel werd nv Sabena failliet verklaard; - de eisers werden aangesteld als curators en werden gemachtigd om de handelsactiviteit van de gefailleerde voort te zetten; - de overgelegde stukken tonen aan dat de eisers aan de verweerder hebben gevraagd om zijn arbeidsovereenkomst verder uit te voeren; - veertien dagen na de datum van faillissement hebben de eisers de arbeidsovereenkomst met de verweerder beëindigd bij aangetekend schrijven van 21 november 2001; - de arbeidsrechtbank begrootte het bedrag van de opzeggingsvergoeding op 57.158,48 euro bruto; - de verweerder hield voor dat de opzeggingsvergoeding integraal een boedelschuld was; - volgens de eisers was verweerder hoogstens titularis van een schuldvordering in de boedel.
- De volgende wettelijke bepalingen zijn te dezen van toepassing: - artikel 46, §1, van de Faillissementswet, waarvan de tekst overeenstemt met artikel 46 zoals van kracht voor de wet van 15 juli 2005: Na hun ambtsaanvaarding beslissen de curators onverwijld of zij de overeenkomsten die gesloten zijn voor de datum van het vonnis van faillietverklaring en waaraan door dat vonnis geen einde wordt gemaakt, al dan niet verder uitvoeren. De partij die de overeenkomst met de gefailleerde heeft gesloten, kan de curators aanmanen om die beslissing binnen vijftien dagen te nemen. Indien geen verlenging van termijn is overeengekomen of indien de curators geen beslissing nemen, wordt de overeenkomst geacht door toedoen van de curators te zijn verbroken vanaf het verstrijken van deze termijn; de schuldvordering van de schade die eventueel verschuldigd zou zijn aan de medecontractant wegens de niet-uitvoering, wordt opgenomen in de boedel. Indien de curators beslissen de overeenkomst uit te voeren, heeft de medecontractant recht, ten laste van de boedel, op de uitvoering van de verbintenis in zoverre zij betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement. - artikel 90 van de Faillissementswet: Voor de werknemers bedoeld in artikel 1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, worden het loon, zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, van die wet, en de in het loon begrepen vergoedingen die aan dezelfde personen verschuldigd zijn wegens beëindiging van hun dienstbetrekking, ongeacht of die beëindiging voor of na de faillietverklaring plaatsheeft, onder de bevoorrechte schuldvorderingen opgenomen met dezelfde rang en ten belope van dezelfde bedragen als het voorrecht dat aan dezelfde personen wordt toegekend bij artikel 19, 3°bis, van de hypotheekwet van 16 december
- - artikel 99 van de Faillissementswet: Het bedrag van het actief van de gefailleerde wordt onder de schuldeisers verdeeld naar evenredigheid van hun vorderingen en na aftrek van de kosten en uitgaven voor het beheer van de failliete boedel, van de uitkeringen tot levensonderhoud aan de gefailleerde en zijn gezin en van hetgeen aan de bevoorrechte schuldeisers betaald is. 3.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de Faillissementswet blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was om na het faillissement, indien de schuldeisers hierdoor niet werden benadeeld, de economische activiteit te behouden en indien mogelijk de overdracht van een onderneming in werking te realiseren zonder evenwel de boedelschulden te doen toenemen met het aanzienlijke sociale passief gevormd door de opzeggingsvergoedingen van de werknemers wiens bestaande arbeidsovereenkomst door de curators werd verdergezet, zoals te dezen (Kamer, Buitengewone zitting 1991-1992, 631/1, Memorie van Toelichting, p. 25; artikel 75, §4, Faillissementswet). 3.
- Aanvankelijk bepaalde het ontwerp van de Faillissementswet dat de werknemers, wiens bestaande arbeidsovereenkomst door de curator werd verdergezet, zoals te dezen, bij de beëindiging ervan, recht hadden op een forfaitaire opzegtermijn van zes weken of een compensatoire opzeggingsvergoeding ten laste van de boedel plus een opzeggingsvergoeding voor de tewerkstellingsperiode voor het vonnis tot faillietverklaring, die het karakter van schuld in de boedel behield (Kamer, Buitengewone zitting 1991-1992, 631/1-91/92 (B.Z.), p. 133-134, Art. 46, niet aangenomen, p. 24). Deze bepaling werd weggelaten met de uitdrukkelijke verantwoording dat "Het niet aangewezen (blijkt) de arbeidsovereenkomsten anders te behandelen dan de overige overeenkomsten (waarvoor de regeling in artikel 45 (thans 46, §1) is opgenomen)". (Kamer, zitting 1994-1995, 631/11-91/92 (B.Z.), Amendementen, nr. 97 van de regering, p. 2, art. 46). Indien het de bedoeling van de wetgever was de curators aan te moedigen de continuïteit van de activiteiten van de gefailleerde te bewaren, was het dus echter niet de bedoeling om aan de werknemers, die voorlopig door de curator werden tewerkgesteld, een opzeggingsvergoeding ten laste van de boedel toe te kennen voor de periode van tewerkstelling na het faillissement. Bijgevolg diende de wetgever, gelet op voormelde doelstelling, aan de curator de mogelijkheid te bieden de bestaande arbeidsovereenkomsten verder uit te voeren zonder dat de kwestieuze opzeggingsvergoeding een boedelschuld vormde. 3.
- Het ontwerp van artikel (thans) 46, §1, luidde aanvankelijk als volgt: "Indien de curators beslissen de overeenkomst uit te voeren, heeft de medecontractant recht, ten laste van de boedel, op de uitvoering van zijn schuldvordering voor wat de periode na het faillissement betreft." (Kamer, Buitengewone zitting 1991-1992, 631/1-91/92, p. 133, Artikel 45 thans artikel 46, §1; eigen benadrukking). Tijdens de parlementaire voorbereiding werd er letterlijk "in alle duidelijkheid gesteld dat in het geval van (thans artikel 46, §1, derde lid), de schuldeiser natuurlijk enkel ten laste van de massa recht heeft op de betaling van de prestaties geleverd in uitvoering van een overeenkomst voor wat de periode na de uitspraak van het faillissement betreft' (Kamer, zitting 1994-1995, nr. 631/4 - 91/92 (B.Z.) amendementen, nr. 36 van de heer De Clerck, artikel 45, p. 18; eigen benadrukking). De oorspronkelijke tekst werd als volgt geamendeerd: "op de uitvoering van de verbintenis in zoverre zij betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement". (ibidem). Het begrip "periode" werd dus vervangen door "prestaties", zodat duidelijk tot uiting kwam dat de wetgever de schuld van de massa wou beperken. Dit amendement werd aangenomen en stemt overeen met de bewoordingen van het huidige artikel 46, §1, in fine, van de Faillissementswet. 3.
- Uit het voorgaande blijkt dus duidelijk dat het de uitdrukkelijke wil van de wetgever was ingeval een bestaande arbeidsovereenkomst door de curator werd verdergezet, zoals te dezen, om de boedelschuld te beperken tot de vergoeding van de prestaties van de werknemer van na het faillissement. Het lag daarentegen duidelijk niet in de bedoeling van de wetgever om de opzeggingsvergoeding, pro rata de periode van tewerkstelling na het faillissement, als verbintenis die betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement in de zin van artikel 46, §1, in fine, van de Faillissementswet en als boedelschuld aan te merken. De bestreden beslissing die de litigieuze opzeggingsvergoeding pro rata de duur van de tewerkstelling na het faillissementsvonnis aanmerkt als een vergoeding die betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement in de zin van artikel 46, §1, in fine, van de Faillissementswet en als een boedelschuld, schendt bijgevolg deze wetsbepaling.
- Het vonnis tot faillietverklaring vormt bovendien de kiem van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en het ontstaan van het recht op een opzeggingsvergoeding. Dit recht ontstaat dus niet uit de beslissing van de curator, die als het ware geen werkgever is, om de bestaande arbeidsovereenkomst verder uit te voeren in de zin van gezegd artikel 46, §
- Wanneer de curator na het faillissement de economische activiteit tijdelijk behoudt en indien mogelijk de overdracht van de onderneming in werking beoogt, zoals te dezen, doet deze wijze van realisatie van de activa immers geen afbreuk aan het beginsel dat de activiteit van de gefailleerde wordt stopgezet door het vonnis tot faillietverklaring (Kamer, Buitengewone zitting 1991-1992, 631/1-91 (B.Z.), Memorie van toelichting, p. 24; Cass. 19 april 2004, A.R. nr. S.03.0078.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040419.8; Cass 22 februari 1999, A.C. 1999, 103; Cass. 20 januari 1994, A.R. nr. C.93.0184.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940120.14). Het is een fundamentele regel dat alle beheersbeslissingen van een faillissements¬curator per definitie juridisch "eindig" zijn: liquideren brengt onmiddellijk of op termijn de beëindiging van de (steeds voorlopig lopende) overeenkomsten met zich mee. Zelfs in het uitzonderlijke geval van de voortzetting van de onderneming wordt de eigenlijke vereffening - verdeling slechts uitgesteld omdat het door de curator gevoerde beheer over de onderneming geschiedt in het perspectief dat een ander dan de gefailleerde de onderneming zal voortzetten; de voortgezette onderneming is bestemd om losgeweekt te worden van het (buiten bezit gestelde) vermogen van de gefailleerde ondernemer/schuldenaar. Volgens de Belgische wetgeving kan een faillissement niet eindigen in een akkoord waardoor de schuldenaar zijn bedrijf zou kunnen voortzetten. Elke medecontractant van de insolvent geworden schuldenaar dient dus vanaf het vonnis van faillietverklaring rekening te houden met de eindigheid van de lopende overeenkomst die hem met de gefailleerde verbindt; zelfs in het geval de curator een overeenkomst tot zich trekt in het raam van zijn conservatoir of executoir beheer dan wel om de onderneming voort te zetten, moet hij weten dat dit enkel voorlopig kan zijn: de curator heeft immers (slechts) de wettelijke (bevoegdheids)plicht om te vereffenen. Uit het voorgaande volgt dat de litigieuze opzeggingsvergoeding, die haar ontstaan vindt in het vonnis van faillietverklaring en niet in de beslissing van de eisers om de bestaande arbeidsovereenkomst met de verweerder, conform gezegd artikel 46, §1, verder te zetten, integraal een schuld in de boedel vormt en niet een boedelschuld pro rata de duur van de tewerkstelling na het faillissementsvonnis. Het hof van beroep dat anders beslist, te weten dat de litigieuze opzeggingsvergoeding een boedelschuld is pro rata de duur van de tewerkstelling na het faillissementsvonnis, schendt bijgevolg artikel 46, §1, in fine, van de Faillissementswet.
- Boedelschulden zijn de schulden die na het faillissement zijn ontstaan en die door de curator werden aangegaan als beheerder van de failliete boedel (artikel 99 F.W.; Cass. 4 februari 2005, A.R. nr. C.03.0202.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050204.23). Het begrip boedelschulden dient op beperkende wijze uitgelegd te worden (artikel 99 F.W.; Cass. 20 januari 1994, A.R. nr. C.93.0184.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940120.14). Hieruit volgt dat artikel 46, §1, in fine, van de Faillissementswet beperkend dient uitgelegd te worden, rekening houdend met, zoals hierboven gesteld, de uitdrukkelijke wil van de wetgever en het feit dat de opzeggingsvergoeding voortvloeit uit het vonnis van faillietverklaring en niet uit de beslissing van de curators om de bestaande arbeidsovereenkomst verder te zetten. Bijgevolg heeft de litigieuze opzeggingsvergoeding pro rata de duur van de tewerkstelling na het faillissementsvonnis niet het karakter van boedelschuld. Het bestreden arrest dat anders beslist en oordeelt dat de litigieuze opzeggingsvergoeding het karakter van boedelschuld heeft pro rata de duur van de tewerkstelling na het faillissementsvonnis schendt bijgevolg artikel 46, §1, in fine, en artikel 99 van de Faillissementswet, nu het aan de begrippen verbintenis die betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement en boedelschuld in de zin van deze wetsbepalingen een ruimere draagwijdte toekent dan uit deze wetsartikelen voortvloeit.
- Op grond van het hierboven weergegeven artikel 90 van de Faillissementswet worden de in het loon begrepen vergoedingen die verschuldigd zijn wegens beëindiging van de dienstbetrekking, ongeacht of die beëindiging voor of na de faillietverklaring plaatsheeft, opgenomen onder de bevoorrechte schuldvorderingen van artikel 19, 3°bis, van de Hypotheekwet. Indien, zoals te dezen, de curator een arbeidsovereenkomst, die bestond voor de faillietverklaring, na de faillietverklaring verderzet en vervolgens beëindigt, dan heeft de beëindiging van de dienstbetrekking plaats na de faillietverklaring in de zin van voormeld artikel
- Dit voert geen onderscheid in naargelang de opzeggingsvergoeding betrekking heeft op de tewerkstellingsperiode voor of na het faillissement. De opzeggingsvergoeding waarop de werknemer, in casu de verweerder, bijgevolg recht heeft vormt integraal een bevoorrechte schuld in de massa en niet een boedelschuld pro rata de duur van de tewerkstelling na het faillissementsvonnis. Het hof van beroep dat anders oordeelt, te weten dat de litigieuze opzeggingsvergoeding een boedelschuld is pro rata de duur van de tewerkstelling na het faillissementsvonnis, schendt bijgevolg artikel 90 van de Faillissementswet naar luid waarvan de opzeggingsvergoeding een bevoorrechte schuld in de massa is zonder onderscheid naargelang ze betrekking heeft op de tewerkstellingsperiode vóór of na het faillissement. Besluit: De bestreden beslissing waarbij het hof van beroep het beroepen vonnis teniet doet en opnieuw beslissend, voor recht zegt dat de opzeggingsvergoeding, waarop verweerder gerechtigd is, een boedelschuld uitmaakt pro rata de duur van de tewerkstelling na het faillissementsvonnis, meer bepaald tot beloop van het nettobedrag overeenstemmend met 760,21 euro bruto, en de eisers veroordeelt tot het betalen aan de verweerder van dit nettobedrag, vermeerderd met de vergoedende interesten aan 7 pct. per jaar en de gerechtelijke interesten vanaf 21 november 2001, is bijgevolg niet naar recht verantwoord wegens elk van de hierboven ingeroepen redenen (supra, nr. 3 - 6). III. CASSATIEMIDDELEN Beoordeling Voeging De cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest. De zaken dienen te worden gevoegd. Zaak C.O7.O484.N Eerste onderdeel
- Het te dezen toepasselijk artikel 46 van de Faillissementswet, bepaalt: "Na hun ambtsaanvaarding beslissen de curators onverwijld of zij de overeenkomsten die gesloten zijn voor de datum van het vonnis van faillietverklaring en waaraan door dat vonnis geen einde wordt gemaakt, al dan niet verder uitvoeren. De partij die de overeenkomst met de gefailleerde heeft gesloten, kan de curators aanmanen om die beslissing binnen vijftien dagen te nemen. Indien geen verlenging van termijn is overeengekomen of indien de curators geen beslissing nemen, wordt de overeenkomst geacht door toedoen van de curators te zijn verbroken vanaf het verstrijken van deze termijn; de schuldvordering van de schade die eventueel verschuldigd zou zijn aan de medecontractant wegens de niet-uitvoering, wordt opgenomen in de boedel. Indien de curators beslissen de overeenkomst uit te voeren, heeft de medecontractant recht, ten laste van de boedel, op de uitvoering van de verbintenis in zoverre zij betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement".
- Artikel 46, derde lid, maakt aldus een onderscheid, wanneer de curator beslist de overeenkomst uit te voeren, tussen de prestaties geleverd vóór en deze geleverd na het faillissement. Alleen de prestaties geleverd na het faillissement geven recht op een vordering ten laste van de boedel.
- Wanneer een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, ontstaat het recht op de opzeggingsvergoeding op het ogenblik van de beëindiging van de overeenkomst. De aard van de vordering, met name of dit een schuld is van de boedel dan wel een schuld in de boedel, wordt hierdoor niet gewijzigd. De vergoedingen die verschuldigd zijn wegens de opzegging van een arbeidsovereenkomst vormen, in zoverre zij betrekking hebben op prestaties geleverd na het faillissement, boedelschulden.
- Het onderdeel dat ervan uitgaat dat indien de curators gedurende de tijdelijke voortzetting van de handelsbedrijvigheid van de failliet, de arbeidsovereenkomsten verderzetten, de schulden die het gevolg zijn van de opzegging van die overeenkomsten integraal boedelschulden zijn, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- De verweerders voerden in de appelconclusie aan dat de artikelen 46 en 90 van de Faillissementswet leiden tot het verdringen van alle verbrekingsvergoedingen naar aanleiding van het beëindigen van de arbeidsovereenkomsten, naar het passief in de boedel, zelfs indien de curator tijdelijk de overeenkomst heeft voortgezet. De eiser concludeerde dat in geval van verderzetting van de activiteit door de curator, de verbrekingsvergoeding, integraal een boedelschuld uitmaakt.
- De appelrechters overwegen dat te dezen de verbrekingsvergoeding pro rata moet worden verdeeld als een schuld in of van de boedel, op basis van de periode van de tewerkstelling voor en na het faillissementsvonnis.
- Door aldus te oordelen, werpen zij geen beslissing op die door de partijen in conclusie was uitgesloten en waarover zij geen tegenspraak hebben kunnen voeren. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Zaak C.08.0063.N
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel van het middel in de zaak C.07.0484.N volgt dat vergoedingen die verschuldigd zijn wegens de opzegging van de arbeidsovereenkomst, in zoverre zij betrekking hebben op prestaties geleverd na het faillissement, boedelschulden zijn.
- Artikel 90 van de Faillissementswet, bepaalt dat voor de werknemers bedoeld in artikel 1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, het loon en de in het loon begrepen vergoedingen die aan dezelfde personen verschuldigd zijn wegens beëindiging van hun dienstbetrekking, ongeacht of die beëindiging voor of na de faillietverklaring plaatsheeft, onder de bevoorrechte schuldvorderingen worden opgenomen met dezelfde rang en ten belope van dezelfde bedragen als het voorrecht dat aan dezelfde personen wordt toegekend bij artikel 19, 3° bis, van de Hypotheekwet van 16 december
- Vermeld artikel 90 bevat enkel een chronologisch criterium voor wat betreft de bevoorrechte schuldvorderingen van de in de wet van 12 april 1965 bedoelde werknemers. Het houdt niet in dat in een geval zoals te dezen, de opzeggingsvergoeding integraal een schuld in de boedel vormt, en niet een boedelschuld, in zoverre zij betrekking heeft op de prestaties geleverd na het faillissement. Het middel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Voegt de zaken C.07.0484.N en C.08.0063.N. Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser in de kosten van het cassatieberoep in de zaak C.07.0484.N. Veroordeelt de eisers in de kosten van het cassatieberoep in de zaak C.08.0063.N. De kosten zijn begroot, voor wat de zaak C.07.0484.N betreft, op de som van 741,53 euro jegens de eisende partij en op de som van 163,10 euro jegens de verwerende partij. De kosten zijn begroot, voor wat de zaak C.08.0063.N betreft, op de som van 542,64 euro jegens de eisende partijen en op de som van 104,36 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 16 januari 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090116.5 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940120.14 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040419.8 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050204.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div