← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090130.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090130.1 Rolnummer: C.05.0585.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2009-04-08 Raadplegingen: 513 - laatst gezien 2026-07-03 01:03 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het recht dat eenieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, heeft op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, strekt zich uit tot het recht op een tijdige uitvoering van een definitief veroordelende rechterlijke beslissing, hetgeen impliceert dat dergelijke beslissing niet abnormaal lang zonder uitwerking mag blijven als gevolg van het handelen of stilzitten van enige interne overheid

(1).
(1)Cass., 6 okt. 2005, AR C.03.0146.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.13, A.C., 2005, nr. 486. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Redelijke termijn Vrije woorden: Redelijke termijn - Omvang - Tijdige uitvoering van een rechterlijke beslissing - Begrip - Handelen of stilzitten van de overheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 Fiche 2 De partij tegen wie een uitvoerbare rechterlijke beslissing werd uitgesproken en die zelf deze beslissing kan uitvoeren, maar nalaat zulks te doen, vermag zich niet te beroepen op het recht op de behandeling van haar zaak binnen een redelijke termijn
(1).
(1)Cass., 6 okt. 2005, AR C.03.0146.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.13, A.C., 2005, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Redelijke termijn Vrije woorden: Redelijke termijn - Veroordeelde partij - Nalatigheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0585.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Ruimtelijke Ordening, met kantoor te 1210 Brussel, Koning Albert II- laan 19, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre-Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen M.L, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, waar de verweerder woonplaats kiest. .Irechtspleging voor het hof Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 februari 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. .Icassatiemiddel De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ("EVRM"), ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; artikel 149 van de Grondwet; artikel 1498 van het Gerechtelijk Wetboek; de artikelen 149 en 153 van het decreet van 18 mei 1999 "houdende de organi­satie van de ruimtelijke ordening", zoals van toepassing voor de wijzigingen door het decreet van 4 juni 2003, en voor zoveel als nodig tevens artikel 65 van de wet van 29 maart 1962 "houdende organisatie van de ruimtelijke orde­ning en van de stedenbouw" en artikel 68 van het op 22 oktober 1996 gecoör­dineerde decreet betreffende de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing voor diens opheffing door het decreet van 18 mei 1999; het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van de algemene beginse­len van behoorlijk bestuur voorschrijft. Aangevochten beslissingen De eiser komt op tegen de bestreden beslissing in de mate dat de appelrechters daarin zijn hoger beroep tegen het vonnis van 31 oktober 2000 ongegrond verklaren, het vonnis van de eerste rechter bevestigen en dienvolgens de verweerders initiële vordering, ertoe strekkend de handlichting te bevelen van het door de eiser gelegde uitvoerend beslag op roerende goederen, gegrond verklaren en de eiser voorts tot de kosten veroordelen. De appelrechters stoelen hun beslissing op volgende gronden: "Retroacten De eerste rechter heeft de retroacten klaar en overzichtelijk weergegeven en ze kunnen samengevat worden als volgt: 1) Bij vonnis van 30 december 1985 achtte de Correctionele Rechtbank van Leuven (de verweerder) schuldig aan een bouwmisdrijf - oprichting van een paardenstal - en veroordeelde hem tot een geldboete en herstel van de plaats in zijn vorige staat binnen een termijn van 10 maanden vanaf de datum van het vonnis door afbraak op straffe van een dwangsom van 300 frank per dag vertraging in uitvoering van de bevolen maatregel. Zo dit niet zou gebeuren, zou de toenmalige gevolmachtigde ambtenaar van het bestuur van Stedenbouw in de uitvoering voorzien. (De verweerder) en het Openbaar Ministerie tekenden beroep aan. Het arrest van de dertiende kamer van het hof bevestigde het vonnis en voorzag dat de uitvoering moest gebeuren binnen de 10 maanden vanaf de datum van het arrest. 2) Op 6 november 1998 zou een technicus in opdracht van de Administratie van Ruimtelijke Ordening vastgesteld hebben dat de illegale bouwwerken niet verwijderd waren. Hiervan werd aan de (verweerder) geen kennis gegeven. 3) Pas einde 1999 (30 december) werd het arrest betekend, waarna op 31 maart 2000 de verkoop, waartegen verzet, werd betekend. Beoordeling 1) De eerste rechter treedt (de eiser) bij waar (hij) stelt dat zijn eigen vordering naar Belgisch recht pas zou verjaren in
  2. Het hof (van beroep) herneemt de perfecte analyse van de principes, uiteengezet door de eerste rechter. 2) De eerste rechter stelt dat de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens rechtstreeks werking geniet en dus ook artikel 6.1 van het EVRM van toepassing is, en deze bepaling dus prevaleert op het Belgisch recht waar het stelt dat een onafhankelijke en onpartijdige bij wet ingestelde rechterlijke instantie binnen een redelijke termijn dient te oordelen over de toepassing van burgerrechtelijke verplichtingen en rechten van de rechtson­derhorigen. Dit principe is ook van toepassing op de procedure van tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing (Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de arresten Di Pede/ Italië van 26 september 1996 en Hornsby / Griekenland van 17 maart 1997, S.E.W. 1997, pg. 339). De directe werking van het EVRM in België en de voorrang van het verdrag op de nationale wetgeving dient voor wat betreft de verjaringstermijn in casu getoetst te worden aan de criteria van artikel 6.1 van het EVRM. Het doel van dit artikel bestaat erin rechtszekerheid te bieden aan de rechtsonderhorige aangaande zijn rechten en plichten binnen een redelijke termijn, evenals voor wat betreft de uitvoering van de beslissingen dienaangaande anderzijds. 3) Ook in casu zijn de burgerlijke rechten en verplichtingen van (de verweerder) in het geding. Tussen de uitspraak van het arrest (18 februari 1987) en de betekening (30 december 1999) ligt een termijn van bijna 13 jaar. De betekening is het eerste initiatief van (de eiser) om uitvoering van het arrest te bekomen. Nochtans was de toenmalige gevolmachtigde ambtenaar van Stedenbouw door het hof expliciet gemachtigd om van ambtswege het arrest te laten uitvoeren met de mogelijk­heid alle uitvoeringskosten op (de verweerder) te verhalen en kon hij tevens, na de termijn van 10 maanden na het arrest, dit laten betekenen en de dwangsom laten verbeuren lastens dezelfde. 4) Volgens de hoger geciteerde rechtspraak moet het principe gehuldigd wor­den dat de overheid gehouden is tot een positieve verplichting van loyale tenuitvoerlegging binnen een redelijke termijn van de rechterlijke beslissing (R.A. Lawson, noot bij het arrest Hornsby / Griekenland dd. 19 maart 1997, S.E.W. 1997, pg. 339). Het redelijk karakter van de duur van de procedure, in casu de uitvoeringster­mijn, dient beoordeeld in functie van de omstandigheden van de zaak - reke­ning houdend met de criteria bepaald door de rechtspraak van het Europees Hof - in het bijzonder de ingewikkeldheid van de zaak, de houding van de verzoeker en die van de bevoegde overheden (Hof Mensenrechten dd. 7 december 1999, Bouilly / Frankrijk, E.C.H.R., 4 januari 2000). 5) In deze antwoordt (de eiser) niet op de vraag waarom zolang geen enkel initia­tief genomen werd. Zelfs zo de mogelijkheid tot ambtshalve afbraak, voorzien in het arrest, niet de verplichting impliceert om op te treden, werd in deze zaak geen enkel initiatief tot uitvoering genomen noch op het vlak van de beteke­ning, noch op het vlak van de eventuele opeising van de dwangsommen. Er wordt evenmin enige aanvaardbare reden gegeven waarom (de eiser) de door het arrest aangeboden instrumenten en drukkingsmiddelen totaal ongebruikt liet gedurende 13 jaar, zelfs al had (de verweerder) zelf een uitvoeringsplicht. (De eiser) is er voor verantwoordelijk dat zij de doelgebonden bevoegdheid, voorzien in het arrest, niet binnen een redelijke termijn uitvoerde. Evenwel, zo wegens gewijzigde stedenbouwkundige omstandigheden de overheid afziet van uitvoering, omdat de gevorderde maatregel bijvoorbeeld niet meer verantwoord is, blijft het ongemotiveerd en langdurig negeren van een rechterlijke uitspraak zelfs een daad van onbehoorlijk bestuur (De Taeye, S., Handhaving ruimtelijke ordening, Gent, Mys & Breesch, 1999, pg. 82, nr. 197). 6) (De verweerder) heeft dus wel degelijk een rechtmatig belang en het recht om dit langdurig negeren en stilzitten te laten toetsen aan het EVRM en meer bepaald aan de in artikel 6.1 voorziene redelijke termijn. Zo hij veroordeeld werd tot afbraak van het illegaal bouwwerk binnen de voor­ziene termijn van 10 maanden, werd aan de overheid ook machtiging gege­ven, bij gebreke dit te doen, zelf over te gaan tot afbraak of een dwangsom te eisen. Dit wijst erop dat (de verweerder) zich kan en mag vergenoegen met een passieve houding, terwijl hij zich in die hypothese wel aan bepaalde risico's blootstelt. In hoofde van (de verweerder) volgt uit het arrest geen ‘positieve ver­plichting tot loyale uitvoering' van het arrest. (De eiser) gaf geen enkel signaal dat zij de uitvoering van het arrest zou benaar­stigen, zelfs niet door het binnen een redelijke termijn te laten betekenen. Hieruit besluit de eerste rechter, dat tegen deze overheid (de verweerder) terecht een overschrijding van de redelijke termijn kan inroepen voorzien in het EVRM en dat het gelegde beslag dan ook onverenigbaar is met artikel 6.1 van het EVRM en de rechtspraak van het Europees Hof dienaangaande. Het hof treedt die zienswijze bij" (p. 2 in fine - p. 5 van het bestreden arrest), De appelrechters bevestigen aldus ook de motieven van het beroepen vonnis van de beslagrechter, die de verweerders vordering tot ophef­fing van het gelegde beslag als volgt had verantwoord: "I. Feitelijke en procedurele voorgaanden. I.
  3. Bij vonnis van de Correctionele Rechtbank van Leuven van 30 december 1985 werd (de verweerder) schuldig bevonden aan een bouwmisdrijf (oprichting van een paardenstal) en veroordeeld: - tot betaling van één geldboete van 100 frank (x60) of een vervangende gevangenisstraf van 14 dagen, en tot de kosten; - tot herstel van de plaats in zijn vorige staat binnen een termijn van 10 maanden vanaf de datum van het vonnis, door afbraak van de paardenstal en wegruiming van de ervan voortkomende materialen, op straffe van een dwangsom van 300 frank per dag vertraging in de tenuitvoer­legging van de bevolen herstelmaatregel. Indien beklaagde niet zelf overgaat tot het herstel van de plaats in de vorige staat binnen de hem opgelegde termijn, zal de gevolmachtigde ambtenaar van het bestuur voor de stedenbouw van ambtswege in de uitvoering ervan voorzien, aldus het dispositief van het vonnis. (De verweerder) en het openbaar ministerie tekenden beroep aan. Bij arrest van de dertiende kamer van het Hof van Beroep van Brussel van 18 februari 1987 werd het eerste vonnis bevestigd, met dien verstande dat de uit­voeringstermijn van tien maanden een aanvang neemt vanaf de datum van het arrest. I.
  4. Bij proces-verbaal van 6 november 1998 stelde een technicus van de admi­nistratie van ruimtelijke ordening vast dat (de verweerder) de illegale bouwwerken nog niet had verwijderd. Uit het dossier blijkt niet dat aan (de verweerder) kennis werd gegeven van dit proces-verbaal. I.
  5. Bij exploot van 30 december 1999 werd aan (de verweerder) het arrest van het hof van beroep betekend in opdracht van (de eiser). Volgens (de verweerder) werd hem op 31 maart 2000 een bevel betekend tot het betalen van de verbeurde dwangsom à rato van 91 dagen aan 300 frank (niet neergelegd stuk). Bij exploot van 10 april 2000 werd in opdracht van (de eiser) aan (de verweerder) bevel tot betaling gegeven van de som van 42.794 frank (met inbegrip van een dwangsom ten bedrage van 27.300 frank). Er werd ook beslag gelegd op een aantal roerende goederen die deel uitmaakten van de huisdraad van (de verweerder). I.
  6. De dagvaarding van 28 april 2000 strekt ertoe: - te horen zeggen voor recht dat het beslag dat door (de eiser) op de goederen van (de verweerder) werd gelegd bij exploot van 10.4.2000 ten onrechte werd gelegd; te horen bevelen dat (de eiser) binnen de 8 dagen na het tussen te komen vonnis handlichting van het beslag dient te geven, bij gebreke waaraan het tussen te komen vonnis als handlichting zal dienen aanzien te worden. (De verweerder) vordert tevens de veroordeling van (de eiser) tot betaling van de gerechtskosten. II. Beoordeling in rechte II.
  7. Alhoewel de herstelmaatregel behoort tot de strafvordering, is het toch een maatregel van burgerlijke aard (Cass. 26 april 1989, geciteerd door De Geyter, L. in ‘De ambtshalve uitvoering van vonnissen tot afbraak in het kader van het stedenbouwdecreet; noot bij corr. Tongeren, 18 december 1998, A.J.T. 1999-00, p. 18). Bijgevolg kan men zich niet beroepen op de verja­ringstermijn voor de straffen zoals bepaald in artikel 92 van het strafwetboek, doch enkel op artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek. De vordering in hoofde van (de eiser) tot uitvoering van het arrest van het hof van beroep is onderhevig aan de tienjarige verjaringstermijn zoals bepaald in arti­kel 2262bis, §1, van het Burgerlijk Wetboek. Aangezien deze vordering dateert van voor de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verja­ring, neemt de termijn van 10 jaar een aanvang op 27 juli 1998, zijnde de da­tum van inwerkingtreding van de wet. De actio iudicati van verweerder verjaart derhalve maar pas in de loop van het jaar
  8. (De Geyter, L., o.c. p. 17). II.
  9. (De verweerder) beroept zich op artikel 6.1 van het Europees Hof voor de rechten van de Mens dat bepaalt ‘Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rech­ten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingeroepen strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onaf­hankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij wet is ingesteld'. In tegenstelling tot wat (de eiser) stelt beroept (de verweerder) zich niet op het prin­cipe van rechtsverwerking dat overigens door het Hof van Cassatie niet wordt aanvaard (Cass. 6 november 1997, R.W. 1999-2000, 707). II.
  10. Ingevolge de recente rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt artikel 6.1 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna EVRM genoemd) - dat rechtstreekse werking geniet - ook van toepassing geacht op de procedure van tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing. (Europees Hof voor de Rechten van de Mens arrest Di Pede tegen Italië van 26 september 1996, arrest Zappia tegen Italië van 26 september 1996 en arrest Hornsby tegen Griekenland van 19 maart 1997, S.E.W., 1997, p. 339). Gezien de directe werking van het EVRM in België en de voorrang van het verdrag op de nationale wetgeving dient de in de nationale wet voorziene ver­jaringstermijn getoetst te worden aan de criteria van artikel 6.1 van het EVRM. Het doel van artikel 6.1 EVRM bestaat erin rechtszekerheid te bieden aan de rechtsonderhorige aangaande zijn rechten en plichten binnen een redelijke termijn, dit geldt zoals gezegd voor het vaststellen van deze rechten en plich­ten enerzijds en voor het uitvoeren van de beslissing dienaangaande ander­zijds. II.
  11. Ook in casu zijn de burgerlijke rechten en verplichtingen van (de verweerder) in het geding. Tussen de datum van uitspraak van het arrest (18.02.1987) en de betekening ervan (30.12.1999) ligt een termijn van bijna 13 jaar. De betekening is, sinds de uitspraak van het arrest, het eerste initiatief dat door (de eiser) werd genomen om de uitvoering van het arrest te bekomen (de rechtbank houdt geen rekening met het proces-verbaal van 6 november 1998, daar dit niet kan beschouwd worden als een initiatief tot uitvoering en (de verweerder) hier ook geen kennis van had); nochtans werd de gevolmachtigde ambtenaar van het bestuur voor de stedenbouw (die zich vereenzelvigt met (de eiser)) door het hof van beroep er expliciet toe gemachtigd om van ambtswege in de uitvoering van het arrest te voorzien, met de mogelijkheid om op eenvoudige wijze alle uitvoeringskosten te verhalen op (de verweerder) (zie de bewoordingen van het arrest ‘dat beklaagde ertoe gehouden zal zijn alle uitvoeringskosten, verminderd met de opbrengst van de verkoop der materialen en voorwerpen, te vergoeden op vertoon van een staat begroot en invorderbaar verklaard door de beslagrech­ter'). Tevens kon de gevolmachtigde ambtenaar het arrest laten betekenen en de dwangsom laten verbeuren lastens (de verweerder). II.
  12. Volgens de hiervoor geciteerde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dient het principe gehuldigd van een positieve verplich­ting tot loyale tenuitvoerlegging binnen een redelijke termijn van het rechterlijk oordeel in hoofde van de overheid (R.A. Lawson, noot bij arrest Horsnby tegen Griekenland van 19 maart 1997, S.E.W. 1997, 339). Het redelijk karakter van de duur van de procedure, in casu uitvoeringstermijn, wordt beoordeeld in functie van de omstandigheden van de zaak en rekening houdend met de criteria bepaald door de rechtspraak van het hof (van beroep), in het bijzonder de complexiteit van de zaak, de houding van de verzoeker en die van de bevoegde overheden (Hof Mensenrechten, 7.12.1999 (Bouilly / Frankrijk, ECHR.,)). II.
  13. (De eiser) roept geen argumenten in die verklaren waarom hij zo lang geen enkel initiatief heeft genomen. Het staat vast dat de mogelijkheid tot ambtshalve afbraak die voorzien werd in het arrest niet de verplichting impliceert om op te treden (zie de bewoordingen van artikel 68, §2, van het decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening, thans artikel 153 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de orga­nisatie van de ruimtelijke ordening; De Geyter, L., De ambtshalve uitvoering van vonnissen tot afbraak in het kader van het Stedenbouwdrecreet', A.J.T. 1999-00, p. 16) doch in deze zaak werd geen enkel initiatief van uitvoering genomen ook op het vlak van de betekening en de eventuele opeising van dwangsommen. In de rechtsleer wordt opgemerkt dat de administratie tot voor kort zelden overging tot de uitvoering van ambtswege wegens o. a. beperkte overheids­middelen, de omslachtigheid van de aanbestedingsprocedures (zie De Taeye, S., De herstelmaatregelen bij bouwmisdrijven, 1997, p. 57-58). De beperkte financiële slagkracht van (de eiser) voor zover dit de achterliggende reden zou zijn voor haar passiviteit, is geen dienstig argument; (de eiser) kan im­mers alle uitvoeringskosten verhalen op de in gebreke blijvende beklaagde (...) (De eiser) heeft van de hem door het arrest aangeboden instrumenten en drukkingsmiddelen (dwangsom en ambtshalve uitvoering met mogelijkheid van verhaal van de uitvoeringskosten) evenwel totaal geen gebruik gemaakt, en draagt hiervoor zelf de verantwoordelijkheid. Deze doelgebonden bevoegdheid verbonden aan het arrest diende binnen een redelijke termijn te worden uitgevoerd. II.
  14. De overheid heeft gedurende bijna 13 jaar nagelaten de door haarzelf - met het oog op het herstel van de goede ruimtelijke ordening - gevorderde maatregelen uit te voeren. Indien zich gewijzigde stedenbouwkundige omstandigheden voordoen, kan aanvaard worden dat de overheid afziet van uitvoering omdat de gevorderde maatregel bijvoorbeeld niet meer verantwoord is, doch het ongemotiveerd en langdurig negeren van een uitspraak van een rechter­lijke instantie is een daad van onbehoorlijk bestuur (zie ook De Taeye, S., Handhaving ruimtelijke ordening, Gent, Mys & Breesch, 1999, p. 82, nr. 197). (De verweerder) heeft dus wel degelijk een rechtmatig belang en het recht om dit langdurig negeren te laten toetsen aan het EVRM en meer in het bijzonder het recht om zich te beroepen op de redelijke termijn voorzien in artikel 6.1 van het EVRM. (De verweerder) is weliswaar veroordeeld tot afbraak van de kwestieuze paardenstal binnen een termijn van 10 maanden na de uitspraak van het arrest, maar het feit dat aan de overheid de machtiging wordt gegeven om zelf over te gaan tot afbraak, en dat er een dwangsom wordt opgelegd wijst erop dat de beklaagde zich kan en mag vergenoegen met een passieve houding, terwijl hij zich in die hypothese dan wel aan bepaalde (hoofdzakelijk financiële) risico's blootstelt. In hoofde van de beklaagde volgt er impliciet uit het arrest geen ‘positieve verplichting tot loyale uitvoering' van de rechterlijke uitspraak. De overheid vroeg en bekwam de middelen om de uitvoering te benaarstigen in geval van stilzitten van de beklaagde. In casu gaf de overheid zelfs niet het signaal dat zij de uitvoering zou benaarstigen door het arrest te laten betekenen. Hieruit dient besloten dat indien de overheid geen gebruik gemaakt van de op haar verzoek aangeboden middelen (hierboven omschreven), de beklaagde de overschrijding van de redelijke termijn tegen de overheid kan inroepen. II.
  15. De periode van 12 jaar en 10 maanden die verlopen is tussen de uitspraak van het arrest en de betekening (eerste daad van uitvoering) is onverklaard gebleven. (De eiser) geeft geen enkele oorzaak die deze termijn zou kunnen rechtvaardigen of zelfs maar verklaren. In de context van huidige zaak is deze termijn dan ook niet als redelijke termijn te bestempelen zodat (de verweerder) zich terecht beroep op het EVRM. II.
  16. In het licht van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de vordering van (de verweerder) gegrond is, gelet op de onverenigbaarheid van het door (de eiser) gelegde beslag met artikel 6.1 van het EVRM, en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dienaangaande. In de lijn van eerdere rechterlijke uitspraken (o.a. Rechtbank van Eerste Aanleg Brugge, 11 juni 1999, A.R. 99.126/A) is het gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn dat (de eiser) de uitvoering van het arrest van 18 februari 1987 niet meer kan benaarstigen zodat de handlichting wordt bevolen van het beslag dat op grond van dit arrest werd gelegd" (eerste blad tot en met het vierde blad van het beroepen vonnis van 31 oktober 2000). Grieven Te dezen werd niet betwist dat de verweerder door het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 18 februari 1987 strafrechtelijk werd veroor­deeld wegens het bouwen en instandhouden van een paardenstal zonder voorafgaande schriftelijke vergunning, waarbij hij, enerzijds, o.m. werd veroor­deeld tot het herstel van de plaats in de vorige staat binnen een termijn van tien maanden vanaf de datum van het arrest op straffe van verbeurte van een dwangsom van 300 frank per dag vertraging, en waarbij, anderzijds, voor recht werd gezegd dat, in zoverre de verweerder niet zelf tot het herstel zou overgaan, het bestuur van ambtswege in de uitvoering van het vonnis kon voorzien. Voorts staat vast dat de eiser, ter uitvoering van de aldus aan de ver­weerder opgelegde verplichting tot herstel van de plaats in de vorige staat, het voormelde arrest op 30 december 1999 aan de verweerder liet betekenen, waarop de eiser vervolgens beslag liet leggen op bepaalde roerende goederen van de verweerder ingevolge de dwangsommen die in de periode van 30 december 1999 tot 30 maart 2000 volgens de eiser waren verbeurd door de verweerder, die immers in gebreke was gebleven het herstel uit te voeren.
  17. Eerste onderdeel 1.
  18. Het hof van beroep oordeelt, mede door de overname van het standpunt van de beslagrechter in het beroepen vonnis, niet naar recht dat de eiser de uitvoering van de in het arrest van 18 februari 1987 bevolen herstelmaatregel niet meer kan benaarstigen op grond dat de eiser bijna dertien jaar heeft gewacht met deze uitvoering, zodat de redelijke termijn in de zin van artikel 6.1 van het EVRM werd geschonden. Artikel 6.1 van het EVRM waarborgt immers voor iedereen bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen o.m. het recht op een eerlijke behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie. Hoewel deze verdragsrechtelijke bepaling aldus niet alleen van toepassing is op de procedure ten gronde, maar ook op de gebeurlijke proce­dure tot uitvoering van deze of gene veroordeling, kan ze niet worden toegepast wanneer de betrokkene die er zich op beroept, zelf gerechtigd was om de bewuste veroordeling - binnen een redelijke termijn - uit te voeren. Te dezen staat vast dat de verweerder veroordeeld was tot het herstel door het arrest van 18 februari 1987, zodat hij zelf tot de uitvoering van deze beslissing was gehouden. In die context kon dan ook niet wettig worden geoordeeld dat de eiser de in artikel 6.1 van het EVRM bedoelde "redelijke termijn" zou hebben geschonden, nu de termijn die verstreek alvorens de uitvoering op verzoek van de eiser, als overheid, werd benaarstigd, geen inbreuk kon inhouden op de pro­cedurele situatie van de verweerder, die immers zelf gerechtigd en zelfs verplicht was om zelf tot de uitvoering over te gaan. M.b.t. de uitvoering van de in het arrest van 18 februari 1987 bevolen herstelmaatregel kan de verweerder dan ook niet worden beschouwd als de titularis van een recht dat niet binnen een rede­lijke termijn werd gehonoreerd. Hieruit volgt dat de appelrechters dan ook artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, schenden. 1.
  19. Dienaangaande merkt het hof van beroep, in navolging van de beslagrechter in het beroepen vonnis, evenmin wettig op dat de verweerder zich kon beperken tot een "passieve houding" en geen "positieve verplichting" had om mee te werken aan een loyale uitvoering van de desbetreffende veroorde­ling op grond van de bedenking dat er ten voordele van de eiser, als overheid, een dwangsom aan de veroordeling werd gekoppeld en het bestuur in het be­wuste arrest voorts tot ambtshalve uitvoering in de plaats van de verweerder werd gemachtigd. De door de strafrechter overeenkomstig artikel 149 van het de­creet van 18 mei 1999 opgelegde herstelmaatregel (voorheen artikel 68 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet betreffende de ruimtelijke or­dening en nog eerder artikel 65 van de wet van 29 maart 1962) verplicht de veroordeelde immers wel degelijk zelf tot uitvoering van dit herstel, zonder dat hieraan afbreuk wordt gedaan door de omstandigheid dat er ten voordele van het bestuur een dwangsom aan de veroordeling werd gekoppeld, noch door de omstandigheid dat het bestuur gemachtigd werd tot ambtshalve uitvoering van het herstel bij toepassing van artikel 153 van het decreet van 18 mei 1999 mocht de veroordeelde, te dezen de verweerder, in gebreke blijven (voorheen artikel 68 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet betreffende de ruimtelijke ordening en nog eerder artikel 65 van de wet van 29 maart 1962). Hieruit volgt dat de appelrechters door te oordelen dat de verweerder zich kon "vergenoegen met een passieve houding", de artikelen 149 en 153 van het decreet van 18 mei 1999 "houdende de organisatie van de ruim­telijke ordening", zoals van toepassing voor de wijzigingen door het decreet van 4 juni 2003, en voor zoveel als nodig tevens artikel 65 van de wet van 29 maart 1962 "houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de ste­denbouw" en artikel 68 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet betreffende de ruimtelijke ordening, schenden. Het hof van beroep stoelt zijn beslissing in dit verband bovendien ook op tegenstrijdige redenen, die met een afwezigheid van motieven moet worden gelijkgesteld, nu, enerzijds, wordt geoordeeld dat de verweerder "zelf een uitvoeringsplicht (had)" (p. 4 in fine van het bestreden arrest) en, anderzijds, wordt geoordeeld dat verweerder zich kon "vergenoegen met een passieve houding" (p. 5 van het bestreden arrest). Hieruit volgt dat de bestreden beslissing aldus evenmin regelmatig met redenen is omkleed en dienvolgens ook artikel 149 van de Grondwet schendt.
  20. Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 6.1 van het EVRM heeft iedereen bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen o.m. het recht op een eerlijke behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn door een onaf­hankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie. De overschrijding van de redelijke termijn bij de uitoefening van een recht impliceert evenwel niet dat dit recht zou vervallen of door de titularis ervan, zelfs als dit een overheid is, niet meer zou kunnen worden uitgeoefend. Deze sanctie blijkt immers noch uit artikel 6.1 van de voormelde verdragsbe­paling, noch uit enige andere wettelijke of decretale bepaling of algemeen rechtsbeginsel. Evenmin is de beslagrechter, krachtens zijn rechtsmacht om bij toepassing van artikel 1498 van het Gerechtelijk Wetboek te oordelen over de rechtmatigheid en de regelmatigheid van een beslag, ertoe gerechtigd om, bij een door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn n.a.v. de uitvoering van een rechterlijke beslissing, te oordelen dat de beslagleggende schuldeiser niet meer gerechtigd is om deze beslissing uit te voeren. Te dezen stond immers vast dat er van verjaring van het recht op uitvoering van de her­stelvordering geen sprake was en dat de actualiteit van de desbetreffende titel als zodanig derhalve niet ter discussie kon worden gesteld. Te dezen oordelen de appelrechters, n.a.v. eisers hoger beroep tegen de beroepen beslissing van de beslagrechter, dat de eisers vordering om het in het arrest van 18 februari 1987 bevolen herstel uit te voeren, in beginsel weliswaar slechts zou verjaren in de loop van het jaar 2008, doch dat de eiser hoe dan ook de redelijke termijn heeft laten verstrijken vooraleer tot deze uitvoering over te gaan. Deze laatste vaststelling laat evenwel niet toe om op een wettige wijze tot het besluit te komen dat de eiser niet meer gerechtigd zou zijn om de uitvoering te benaarstigen van het bevolen herstel, aangezien die sanctie door geen enkele verdragsrechtelijke, wettelijke of decretale bepaling wordt voorgeschreven noch mogelijk wordt gemaakt. Door te dezen, in navolging van het beroepen vonnis van de beslagrechter, te oordelen dat eiser de uitvoering van het arrest van 18 februari 1987 niet meer kon benaarstigen en door dienvolgens de handlichting te bevelen van het n.a.v. die uitvoering gelegde beslag, hieruit volgt dat het hof van beroep in het bestreden arrest dan ook artikel 1498 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 schendt.
  21. Derde onderdeel De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die ook bindend zijn voor eiser, kunnen in de regel geen afwijking van de wet rechtvaardigen. Het hof van beroep kon te dezen, in navolging van de beroepen beslissing van de beslagrechter, de eiser dan ook niet wettig het recht ontzeggen om de uitvoering van het arrest van 18 februari 1987 na te streven op grond dat "het ongemotiveerd en langdurig negeren van een rechterlijke uitspraak" een daad van onbehoorlijk bestuur zou opleveren. Nu in het bestreden arrest uitdrukkelijk wordt vastgesteld dat eisers vordering om het in het arrest van 18 februari 1987 bevolen herstel uit te voeren in beginsel slechts zou verjaren in de loop van het jaar 2008, kon het hof van beroep, als beslagrechter in hoger beroep, mede gelet op zijn rechtsmacht om bij toepassing van artikel 1498 van het Gerechtelijk Wetboek te oordelen over de rechtmatigheid en de regelmatigheid van een beslag, dan ook niet wettig oordelen dat de beslagleggende schuldeiser, ingevolge een vastgestelde inbreuk op de beginselen van behoorlijk bestuur bij de uitvoering van een rechterlijke beslissing, niet meer gerechtigd is om deze beslissing uit te voeren. Door de beweerde inbreuk op de beginselen van behoorlijk bestuur kon de actualiteit van de desbetreffende titel als zodanig, nl. het arrest van 18 februari 1987, immers niet ter discussie worden gesteld. Bovendien kan het uitvoeren van een rechterlijke beslissing, zelfs na verloop van tijd, hoe dan ook niet worden beschouwd als strijdig met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, aangezien die uitvoering ertoe strekt een einde te stellen aan een onwettige toestand, zoals te dezen aan de door het stedenbouwmisdrijf veroorzaakte wederrechtelijke ruimtelijke toestand. Door te dezen, in navolging van het beroepen vonnis van de beslagrechter, te oordelen dat de eiser de uitvoering van het arrest van 18 februari 1987 niet meer kon benaarstigen en door dienvolgens de handlichting te bevelen van het n.a.v. die uitvoering gelegde beslag, hieruit volgt dat het hof van beroep in het bestreden arrest dan ook artikel 1498 van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur voorschrijft schendt. .IIbeslissing van het hof Beoordeling Eerste onderdeel Ontvankelijkheid .1De verweerder werpt op dat het eerste onderdeel van het middel onnauwkeurig is in zoverre het een schending aanvoert van de artikelen 149 en 153 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing voor de wijzigingen door het decreet van 4 juni 2003, van artikel 68 van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet betreffende de ruimtelijke ordening, zoals van toepassing voor diens opheffing door het decreet van 18 mei 1999 en van artikel 65 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. Het onderdeel zou immers niet met de vereiste nauwkeurigheid aanduiden waarin deze bepalingen zouden geschonden zijn. .2Het onderdeel voert aan dat uit deze wetsbepalingen volgt dat de dader van een bouwmisdrijf zelf verplicht is om de door de strafrechter opgelegde herstelmaatregel uit te voeren. Het preciseert aldus in welk opzicht de bestreden beslissing een schending uitmaakt van deze wetsbepalingen. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Onderdeel .1Krachtens artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, recht op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. .2Dit recht strekt zich uit tot het recht op een tijdige uitvoering van een definitieve veroordelende rechterlijke beslissing, hetgeen impliceert dat dergelijke beslissing niet abnormaal lang zonder uitwerking mag blijven als gevolg van het handelen of stilzitten van enige interne overheid. .3De partij tegen wie een uitvoerbare rechterlijke beslissing werd uitgesproken en die zelf deze beslissing kan uitvoeren, maar nalaat zulks te doen, vermag zich op dat recht niet te beroepen. .4Het arrest stelt vast dat: de Correctionele Rechtbank te Leuven de verweerder bij vonnis van 30 december 1985 schuldig achtte aan een bouwmisdrijf en hem veroordeelde tot een geldboete en tot het herstel van de plaats in zijn vorige staat binnen een termijn van 10 maanden vanaf de datum van het vonnis door afbraak op straffe van een dwangsom van 300 frank per dag vertraging; indien het herstel in de vorige staat niet zou gebeuren, de toenmalige gemachtigde ambtenaar in de uitvoering kon voorzien; het hof van beroep het vonnis op 18 februari 1987 integraal bevestigde maar bepaalde dat de uitvoering van het vonnis moest gebeuren binnen 10 maanden vanaf de datum van het arrest; op 6 november 1998 een technicus in opdracht van de Administratie van Ruimtelijke Ordening zou vastgesteld hebben dat de illegale bouwwerken niet verwijderd waren en dat hiervan aan de verweerder geen kennis werd gegeven; het arrest van het hof van beroep pas einde 1999 (meer bepaald op 30 december 1999) werd betekend, waarna op 31 maart 2000 de datum van de verkoop van de goederen, die werden in beslag genomen wegens de niet-betaling van de opeisbare dwangsommen, werd betekend; de verweerder op 28 april 2000 verzet deed tegen de verkoop. .5Het arrest oordeelt dat: de verweerder wel degelijk een rechtmatig belang en een recht heeft om dit langdurig negeren en stilzitten te laten toetsen aan het EVRM en meer bepaald aan de in artikel 6.
  22. EVRM voorziene redelijke termijn; de eerste rechter terecht heeft besloten dat de verweerder tegen de eiser een overschrijding van de redelijke termijn kan inroepen voorzien in het EVRM en dat het gelegde beslag om die reden onverenigbaar is met artikel 6.
  23. van het EVRM; "zo (de verweerder) werd veroordeeld tot afbraak van het illegaal bouwwerk binnen de voorziene termijn van 10 maanden, werd aan de overheid ook machtiging gegeven, bij gebrek dit te doen, zelf over te gaan tot afbraak" en "dit (erop) wijst dat (de verweerder) zich kan en mag vergenoegen met een passieve houding". .6Het arrest dat het vereiste van de redelijke termijn toepast ten gunste van de partij die definitief veroordeeld werd bij een uitvoerbare rechterlijke beslissing en die de mogelijkheid had die beslissing zelf uit te voeren, maar naliet zulks te doen, is niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 30 januari 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090130.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.