← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090130.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090130.2 Rolnummer: C.06.0234.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Constitutioneel recht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-04-08 Raadplegingen: 772 - laatst gezien 2026-07-03 01:03 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Artikel 68, derde lid, van de Wet Landverzekeringsovereenkomst, dat een bijzondere toepassing is van artikel 86 van deze wet, verleent aan de derden, ingeval van brand in een gebouw, een rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar van het verhaal van derden. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Algemeen Vrije woorden: Brandverzekering - Derde - Vordering tegen de verzekeraar - Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - Artt. 68, derde lid, en 86 Fiches 2 - 3 Wanneer in burgerlijke zaken, een wet voor de verjaring van de vordering een kortere termijn bepaalt dan die gesteld door de vorige wet en het betrokken recht voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet is ontstaan en de wetgever geen bijzondere regel van inwerkingtreding heeft bepaald, begint de nieuwe verjaringstermijn ten vroegste met de inwerkingtreding van de nieuwe wet te lopen, weze het dat dit een eerder ingetreden verjaring overeenkomstig de oude regel niet zal verhinderen

(1).
(1)Zie Cass., 24 jan. 1997, AR C.96.0068.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970124.4, A.C., 1997, nr. 47; Cass., 7 nov. 1997, AR C.96.0276.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971107.3, A.C. 1997, nr. 458; Cass., 12 feb. 2007, AR S.06.0041.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070212.2, A.C., 2007, nr.
  1. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Algemeen Vrije woorden: Wet die een kortere verjaringstermijn invoert - Recht ontstaan vóór de inwerkingtreding van de wet - Aanvang Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Werking in de tijd en in de ruimte HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Algemeen Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Verjaring - Wet die een kortere verjaringstermijn invoert - Recht ontstaan vóór de inwerkingtreding van de wet - Aanvang Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 2 Tekst van de beslissing Nr. C.06.0234.N ETHIAS GEMEEN RECHT, onderlinge verzekeringsvereniging, met zetel te 4000 Luik, rue des Croisiers 24, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 1.DEXIA VERZEKERINGEN BELGIË, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Livingstonelaan 6, 2.V. M., 3.C. H., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweersters woonplaats kiezen, mede inzake 4.AGF BELGIUM INSURANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Lakensestraat 35, 5.V. K., verweerders, 6.AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, waar de verweerster woonplaats kiest, 7.KBC VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 3000 Leuven, Waaistraat 6, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerder woonplaats kiest. .Irechtspleging voor het hof Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 28 september 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. .Icassatiemiddelen De eiseres voeren in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; artikel 34, §2, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzeke­ringsovereenkomst (WLVO); artikel 1138, 2° en 4°, van het Gerechtelijk Wetboek; het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd; het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied van het recht van verdediging; artikel 1138, 2° en 4°, van het Gerechtelijk Wetboek; het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals vervat in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Gedeeltelijk bij bevestiging van het vonnis in eerste aanleg veroordeelt het aangevochten arrest van 28 september 2004 de eiseres Ethias Verzekering tot betaling, telkens met interesten en kosten, (...) Het arrest veroordeelt de eiseres t.o.v. voormelde verweerders op grond dat hun vorderingen tijdig ingesteld werden en niet verjaard waren en op grond dat het vertrekpunt van de verjaringstermijn van hun vorderingen niet de dag van het schadegeval, 14 december 1991, was, maar de datum, 23 juni 1995, van het vonnis van de correctionele rechtbank dat D.B.vrijsprak en de data (14 en 15 mei 1992) waarop de schade van de benadeelden begroot was. Het arrest verklaart de vordering van voormelde verweerders tegen de eiseres niet verjaard in het bijzonder op grond van volgende overwegingen (p. 17, onderaan, t.e.m. 19). "De benadeelden beschikken over een rechtstreekse vordering ten aanzien van Ethias Verzekering voor feiten die zich voor 1 januari 1993 hebben voorgedaan. 4.
  2. Krachtens artikel 34, §2, WLVO, onder voorbehoud van bijzondere wettelijke bepalingen, verjaart de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 86 door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. Indien de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint de termijn pas te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. Die verjaring wordt overeenkomstig artikel 35, §4, WLVO, gestuit zodra de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om een vergoeding te bekomen voor de door hem geleden schade. De stuiting eindigt op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering. De verjaring kan worden geschorst gedurende de tussen de schadelijders en de aansprakelijkheidsverzekeraar gevoerde onderhandelingen. De verjaringstermijn vangt te dezen niet aan vanaf de dag van het schadegeval, zijnde 14 december 1991 nu op dat ogenblik de schadelijders nog geen kennis van de juiste omvang van hun schade hadden. Bovendien was de heer M.D.B., verzekerde van Ethias Verzekering beticht van het feit te Kontich in de nacht van 13 op 14 december 1991, buiten de gevallen in artikel 510 Strafwetboek omschreven, opzettelijk een onroerende eigendom die in dat artikel is vermeld vernield te hebben door het veroorzaken van een ontploffing, te dezen de woning, gelegen te Kontich, Edegemsesteenweg 136, toebehorende aan hemzelf en aan J.R., de ontploffing bij nacht veroorzaakt zijnde en de dader niet moetende vermoeden dat zich aldaar op het ogenblik van de ontploffing een of meer personen bevonden. D.B.werd hiervan vrijgesproken door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen op 23 juni
  3. Op dat ogenblik wisten de benadeelden dat zij hun aanspraken ten aanzien van Ethias Verzekering konden laten gelden. De brief van 30 december 1991 waarbij Ethias Verzekering aan haar verzekerden meedeelde dat zij tussenkomst weigerde, kan te dezen niet als vertrekpunt voor de verjaringstermijn van de vordering van de benadeelden gelden. 4.
  4. De schade van V. werd volgens proces-verbaal van schatting vastgesteld op 15 mei 1992, deze van C. werd door gerechtsdeskundige Huys begroot bij verslag van 14 mei
  5. Slechts na die vaststellingen kenden de benadeelden hun recht en begint de termijn van 5 jaar te lopen. Voordien kon de nv Volksverzekering evenmin tot uitkeringen aan haar verzekerden overgaan. Ze diende tijdig hun verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst in op 18 februari 1997 waarin zij te kennen gaven aanspraak te zullen maken op schadevergoeding. 4.
  6. De voorgelegde schattingen met betrekking tot de schade van V. dateren van in de loop van
  7. Voor de eerste rechter werd binnen de vijf jaar na voormeld vonnis van 23 juni 1995 op 11 maart 1998 een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst door de nv AGF Belgium Insurance en V. ingediend. De vorderingen van V. en van de nv AGF Insurance ten aanzien van Ethias Verzekering werden tijdig ingesteld. (...) Artikel 86 WLVO is te dezen van toepassing. De benadeelden beschikken over een rechtstreekse vordering voor feiten die voor 1 januari 1993 gebeurden. Deze vorderingen zijn zoals gezegd toelaatbaar behoudens de weerhouden verjaring ten aanzien van V. en de nv AGF Belgium Insurance die hun vordering laten rusten op artikel 68 WVLO, minstens op artikel 38 van de wet van 11 juni 1874". Grieven Eerste onderdeel Schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet en van artikel 1138, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek. Het aangevochten arrest van 28 september 2004 dat de eiseres veroordeelt t.o.v. de verweerders de nv AGF Belgium Insurance en Karel V., is met een tegenstrijdigheid in de redengeving en beschikkingen behept, nu het, enerzijds, zegt dat de vorderingen van deze verweerders tegen eiseres tijdig werden ingesteld (p. 19, nr. 4.
  8. in fine) en ontvankelijk zijn (p. 35, midden), doch, anderzijds, overweegt dat de rechtstreekse vorderingen van de benadeelden "toelaatbaar (zijn) behoudens de weerhouden verjaring ten aanzien van V. en de nv AGF Belgium Insurance die hun vordering laten rusten op artikel 68 WLVO, minstens op artikel 38 van de wet van 11 juni 1974". Het is inderdaad tegenstrijdig te overwegen dat de vordering van de verweerders Karel V. en de nv AGF Belgium Insurance, enerzijds, tijdig ingesteld werd en, anderzijds, verjaard was. Wegens deze tegenstrijdigheid is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet, en artikel 1138, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede onderdeel Schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Het arrest erkent (p. 17, laatste al. en p. 18, al. 1) dat overeenkomstig artikel 34, §2, WLVO en onder voorbehoud van bijzondere wettelijke bepalingen de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 86, verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. Het arrest overweegt ook (p. 18, al. 1) dat overeenkomstig voormeld artikel 34, §2, voor de benadeelde die bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, de termijn pas vanaf dat tijdstip begint te lopen. Het arrest antwoordt echter niet op de syntheseappelconclusie van de eiseres waarin op pagina 11, midden, gesteld was dat de benadeelden "moeilijk kunnen ontkennen op of omstreeks 14 december 1991 ‘kennis' gekregen te hebben van hun recht tegen de verzekeraar. Betrokkenen hadden kennis van de schade en de identiteit van (de eiseres)". Het arrest bevestigt noch ontkent dat de getroffenen op of omstreeks 14 december 1991 kennis hadden, enerzijds, van hun schade dus van het bestaan van hun schade (ongeacht de schatting of begroting ervan) en, anderzijds, van de identiteit van de eiseres. Het arrest bevestigt of ontkent evenmin dat de getroffenen op of omstreeks 14 december 1991 kennis hadden van hun recht tegen de eiseres, omdat zij alsdan kennis hadden van het bestaan van hun schade en van de identiteit van de eiseres. Het arrest is bijgevolg wegens gebrek aan antwoord op voormeld middel uit de syntheseappelconclusie van eiseres niet regelmatig gemotiveerd en schendt derhalve artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Derde onderdeel Schending van artikel 34, §2, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst
  9. De wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt in artikel 34, §2: "Onder voorbehoud van bijzondere wettelijke bepalingen, verjaart de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 86 door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. Indien de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint de termijn pas te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd". Het vertrekpunt van voormelde verjaringstermijn is in de regel aldus het schadeverwekkend feit of indien er misdrijf is, de dag waarop dit is gepleegd. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het enkele feit dat voormeld recht van de benadeelde tegen de verzekeraar zou betwist zijn of zou kunnen betwist worden bijvoorbeeld op grond van de bewering dat de verzekerde het schadegeval opzettelijk veroorzaakte. Hieraan wordt evenmin afbreuk gedaan door het enkele feit dat bij de aanvang van voormelde verjaringstermijn de juiste omvang van de schade nog niet zou gekend of vastgesteld zijn of de vergoeding van de schade nog niet bepaald zou zijn. Enkel indien de benadeelde bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint de verjaringstermijn - conform alinea 2 van artikel 34, §2, - pas te lopen vanaf dat tijdstip. Deze versoepeling van het vertrekpunt van de vijfjarige verjaringstermijn in alinea 2 van artikel 34, §2, geldt enkel voor de gevallen waarin de benadeelde gewoonweg in de onmogelijkheid was om zijn vordering tegen de verzekeraar eerder in te stellen, bijvoorbeeld voor de gevallen waarin de benadeelde onwetend was van het bestaan (niet de begroting) van de schade of van de identiteit van de aansprakelijke of zijn verzekeraar. Voor de benadeelde die van meet af aan kennis had van het bestaan van de schade en van de identiteit van de verzekeraar en dus van zijn recht tegen de verzekeraar, wordt het vertrekpunt van de verjaringstermijn van zijn vordering tegen de verzekeraar aldus bepaald in alinea 1 en niet in alinea 2 van voormeld artikel 34, §2, WLVO.
  10. Het aangevochten arrest van 28 september 2004 erkent (p. 17, laatste al. en p. 18, al. 1) dat krachtens artikel 34, §2, WLVO, en onder voorbehoud van bijzondere wettelijke bepalingen de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 86, verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. Het arrest erkent eveneens (p. 18, al. 1) dat indien de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, de termijn pas begint te lopen vanaf dat tijdstip. Het arrest stelt tevens vast dat de vorderingen tegen de eiseres ingesteld werden, enerzijds, op 18 februari 1997 door de verweerders V., C. en de nv De Volksverzekering en, anderzijds, op 11 maart 1998 door verweerders V. en de nv AGF Belgium Insurance (p. 19, al. 1 en 2).
  11. Het aangevochten arrest stelt vervolgens vast (p. 10, al. 2) dat deze zaak betrekking heeft op een ontploffing gevolgd door brand in een woning op 14 december 1991 waardoor deze woning volledig vernield werd en meerdere woningen in de omgeving schade leden, en ontkent niet dat de benadeelden op of omstreeks 14 december 1991 kennis hadden van het bestaan van hun schade en van de identiteit van de eiseres. Het arrest kon vervolgens niet wettig oordelen dat de vorderingen van voormelde verweerders niet verjaard waren, (p. 18, al. 3) dat de litigieuze verjaringstermijn niet aanving op de dag van het schadegeval, 14 december 1991, en weze het impliciet doch zeker - (p. 18, al. 3 in fine, en p. 19, al. 1) dat de benadeelden op 14 december 1991 geen kennis hadden van hun recht tegen de eiseres, zelfs niet nu het arrest tevens overwoog:
(1)(p. 18, al. 3) dat de schadelijders op de dag van het schadegeval, 14 december 1991, nog geen kennis hadden van de juiste omvang van hun schade;
(2)(p. 18, al. 3) dat M.D.B., verzekerde van de eiseres, op 23 juni 1995 door de correctionele rechtbank vrijgesproken werd van het opzettelijk veroorzaakt hebben van voormelde ontploffing;
(3)(p. 19, al. 1) dat de schade van de verweerster V. in een proces-verbaal van schatting vastgesteld werd op 15 mei 1992, deze van de verweerder C. door gerechtsdeskundige Huys in het verslag van 14 mei 1992, en hun verzekeraar de nv Volksverzekering pas vanaf dan kon overgaan tot uitkeringen aan haar verzekerden;
(4)(p. 19, al. 2) dat de voorgelegde schattingen met betrekking tot de schade van de verweerder V. dateren van in de loop van
  1. Het enkele feit dat de benadeelden op 14 december 1991 kennis hadden van het bestaan van hun schade en van de identiteit van de eiseres, volstond immers opdat het vertrekpunt van de verjaringstermijn van hun vordering tegen de eiseres 14 december 1991 was overeenkomstig alinea 1 van voormeld artikel 34, §
  2. Het feit dat M.D.B., verzekerde van de eiseres, voor de strafrechter waar de eiseres geen partij was, vervolgd en vrijgesproken werd van het opzettelijk veroorzaakt hebben van de litigieuze ontploffing, doet hieraan geen afbreuk. Het feit dat de benadeelden op 14 december 1991 geen kennis hadden van de juiste omvang van hun schade of het bedrag dat hun schade kon vergoeden. Het aangevochten arrest kon derhalve niet wettig oordelen dat de litigieuze verjaringstermijn niet aanving op de dag van het schadegeval, 14 december 1991, en de vorderingen van de verweerders de nv De Volksverzekering thans de nv Dexia Verzekeringen België, M. V. en H. C. ingesteld op 18 februari 1997 en de vorderingen van de verweerders de nv AGF De Schelde thans de nv AGF Belgium Insurance en Karel V. ingesteld op 11 maart 1998 niet verjaard waren. Het arrest is derhalve niet wettelijk verantwoord en schendt artikel 34, §2, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst. Vierde onderdeel Schending van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, van het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals vervat in voormeld artikel, en van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging. Overeenkomstig artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, en het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, kan de rechter het vertrekpunt van de termijn van verjaring van de rechtstreekse vordering die de benadeelde conform artikel 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst tegen de verzekeraar heeft en waarbij die verjaring conform artikel 34, §2, van laatstgenoemde wet normaliter vijf jaar beloopt, niet ambtshalve en zonder dat de benadeelden dit vorderden bepalen op de datum van de schadebegroting. In zoverre de rechter dit vertrekpunt toch ambtshalve en zonder dat een partij dit vorderde, op de datum van de schadebegroting bepaalt, moet hij partijen minstens de gelegenheid bieden zich te verdedigen tegen dit ambtshalve bepaalde vertrekpunt. In haar syntheseappelconclusie had de eiseres gesteld (p. 10, onderaan) dat de vorderingen die de benadeelden tegen haar ingesteld hadden meer dan vijf jaar na de litigieuze gasontploffing op 14 december 1991, verjaard waren, vermits hun vorderingen verjaard waren door verloop van vijf jaar vanaf het schadeverwekkend feit, of, indien er een misdrijf was, vanaf de dag waarop dit werd gepleegd. Volgens de eiseres waren aldus de vorderingen ingesteld door onder andere de verweerders de nv De Volksverzekering thans de nv Dexia Verzekeringen België, mevrouw M. V. en de heer H. C. bij verzoekschrift van 18 februari 1997 tot vrijwillige tussenkomst, verjaard. Geen enkele partij had in appelconclusie laten gelden dat het vertrekpunt van de verjaringstermijn van de rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de verzekeraar waarvan sprake in voormeld artikel 34, §2, WLVO, de datum van de schadebegroting zou zijn. Er was wel beweerd dat dit vertrekpunt de datum was van het vonnis van de correctionele rechtbank van 23 juni 1995 zoals blijkt uit pagina 4, onderaan, van de gezamenlijke "Beroepsbesluiten" van de verweerders de nv DVV-Verzekeringen, V. en C.. Het aangevochten arrest van 28 september 2004 beslist bijgevolg ambtshalve en zonder dat de verweerders dit gevorderd hadden, dat de vertrekdatum van de verjaringstermijn van de rechtstreekse vordering van de verweerders tegen de eiseres de datum was van de schadebegroting, met name voor de verweerster V. en haar verzekeraar de nv De Volksverzekering thans de nv Dexia Verzekeringen België, 15 mei 1992 zijnde de datum van het proces-verbaal van schatting en voor verweerder C. en zijn verzekeraar eveneens de nv De Volksverzekering thans de nv Dexia Verzekeringen België, 14 mei 1992 zijnde de datum van het verslag van gerechtsdeskundige Huys. Door het vertrekpunt van voormelde verjaringstermijn ambtshalve te bepalen op de datum van de schadebegroting zonder dat de verweerders dit gevorderd hadden, doet het arrest uitspraak over een niet gevorderde zaak en schendt het artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek alsook het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals vervat in voormeld artikel 1138, 2°. Door de eiseres niet de gelegenheid geboden te hebben zich te verdedigen tegen het ambtshalve bepaalde vertrekpunt van voormelde verjaringstermijn, m.n. de datum van de schadebegroting, schendt het arrest eveneens het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals vervat in voormelde artikel 1138, 2°. Aangevochten beslissingen Gedeeltelijk bij bevestiging van het vonnis in eerste aanleg veroordeelt het aangevochten arrest van 28 september 2004 de eiseres Ethias Verzekering tot betaling, telkens met interesten en kosten,
(1)aan de nv De Volksverzekering thans de nv Dexia Verzekeringen België van 12.046 frank thans 298,61 euro en 767.123 frank thans 19.016,71 euro;
(2)aan M. V. van 6.292 frank thans 155,97 euro;
(3)aan H. C. van 6.292 frank thans 155,97 euro;
(4)aan de nv Axa Belgium van 48.917,84 euro;
(5)aan de nv KBC-Verzekeringen, handelend als verzekeraar van Vissenaekens en Janssens, van 28.587,58 euro;
(6)aan de nv KBC-Verzekeringen, handelend als verzekeraar van het Vrij Technisch Instituut, van 357,61 euro. Het arrest veroordeelt de eiseres t.o.v. voormelde verweerders op grond dat de verzekerden van de eiseres, de echtgenoten de B.-R., op grond van artikel 1384, alinea 1, van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk waren omwille van hun gebrekkige woning. Het arrest overweegt in het bijzonder "Dat op 14 december 1991 de woning van de consorten De B.-R. ingevolge een ontploffing, gevolgd door brand, volledig werd vernield. Meerdere woningen in de omgeving hebben hierdoor schade geleden. "De consorten De B.-R. hebben een brandverzekeringspolis onderschreven bij Ethias Verzekering (...)". "Het strafonderzoek vermeldt dat verschillende bewoners die kort na de ontploffing ter plaatste zijn gekomen, op de eerste verdieping een blauwe steekvlam hebben gezien op de plaats waar de gaskachel werd teruggevonden. Deskundige Huys vermeldt in zijn verslag: ‘Terecht merkt expert Fiems op dat uit het onderzoek nergens kan worden gehaald in welke stand de hoofdkraan stond bij de ontploffing'. Het aanvullend strafonderzoek door Ethias Verzekering meegedeeld, verschaft hierover uitsluitsel. "Volgens het strafonderzoek verklaarde D.B.op 15 mei 1992 dat hij op 13 december 1991 rond 9 uur een bad had genomen, dat de hoofdkraan van de gasmeter in open stand stond sinds de maandag voor de feiten en dat hij na zijn bad vrijdagmorgen de hoofdgaskraan dichtdraaide. Dit gegeven wordt tegengesproken in het daaropvolgend strafonderzoek. Brandweercommandant VDV, hierin op 21 oktober 1994 bijgetreden door de hoofdingenieur van wacht GC, verklaarde op 20 oktober 1994 dat na de ontploffing de gaskraan in de garage duidelijk openstond en dat het opgeroepen personeel van IGAO de gasmeter in gesloten toestand heeft verzegeld. Na het nemen van het bad werd derhalve de hoofdgaskraan niet dicht gedraaid. Bij gebreke van nadere gegevens blijkt niet dat het openstaan van de hoofdgaskraan op zich tot ontploffing kon leiden. Die hoofdgaskraan stond blijkbaar zonder verdere schadelijke gevolgen gedurende enkele dagen open. Het openstaan van de hoofdgaskraan liet wel het vrijkomen van gas langs welke weg ook, mogelijk. De steekvlam op de eerste verdieping in de living wijst op ontsnappend gas. Met de eerste rechter wordt aangenomen dat de ontploffing alleen maar kan zijn ontstaan door het vrijkomen van gas dat op de eerste verdieping met een ontstekingsbron in aanraking kwam. Een gas - luchtmengsel is explosief. Terecht betogen sommige benadeelden dat een woning met dergelijk explosief mengsel gebrekkig is, ongeschikt voor normaal gebruik en aan derden schade kan bezorgen. Zonder dit gebrek was de schade niet veroorzaakt. De consorten De B.-R. zijn eigenaars en bewaarders van hun woning. Zij zijn aansprakelijk op grond van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek". Grieven Schending van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals vervat in voormeld artikel. Overeenkomstig genoemd artikel en het beschikkingsbeginsel mag de rechter geen uitspraak doen over niet gevorderde zaken noch de (rechts)-feiten van de vordering en derhalve de oorzaak van de vordering ambtshalve wijzigen. De verweerders H. C., M. V., de nv DVV-Verzekeringen thans de nv Dexia Verzekeringen België, de nv AXA Belgium en de nv KBC-Verzekeringen hadden de veroordeling van de eiseres gevorderd op grond van artikel 1384, alinea 1, van het Burgerlijk Wetboek omwille van een gebrekkige gasinstallatie. Tot staving van hun vordering op grond van voormeld artikel 1384, alinea 1, schreven verweerders C., V. en de nv DVV-Verzekeringen in hun gezamenlijke "Beroepsbesluiten" dat D.B."als juridische bewaarder van de gasinstallatie moet beschouwd worden" en "dat een installatie waarvan gas ontsnapt duidelijk behept is met een intrinsiek gebrek (...) vermits het niet overeenkomt met het model van een normale gasinstallatie". Tot staving van haar vordering op grond van voormeld artikel 1384, alinea 1, had verweerster de nv AXA Belgium in haar "Syntheseconclusie in hoger beroep" laten gelden dat " de gasinstallatie (..) als een gebrekkige zaak (dient) te worden bestempeld", dat er "een abnormale gedraging van de gasinstallatie (was)" en dat de oorzaak van het schadegeval "een gebrek aan de gasinstallatie (was)". De verweerster de nv KBC-Verzekeringen, handelend als verzekeraar van de echtgenoten Vissenaekens-Janssens had in haar "Conclusie in hoger beroep" tot staving van haar vordering op grond van artikel 1384, alinea 1, van het Burgerlijk Wetboek op pagina 9 laten gelden dat "de gaskachel en/of de gastoever een intrinsiek gebrek moet hebben vertoond". De verweerster de nv KBC-Verzekeringen, handelend als verzekeraar van het Vrij Technisch Instituut, had in haar "Conclusie in hoger beroep" tot staving van haar vordering op grond van voormeld artikel 1384, alinea 1, op pagina 3, midden, laten gelden dat "het bezit van deze gebrekkige leiding en/of aansluiting de toepassing mee(brengt) van artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek". Alle voormelde de verweerders hadden bijgevolg in het kader van artikel 1384, alinea 1, van het Burgerlijk Wetboek als (rechts-) feit waarop hun vordering steunde en als oorzaak van hun vordering de gebrekkige gasinstallatie opgegeven en geenszins de gebrekkige woning. Het aangevochten arrest van 28 september 2004 verklaart hun vorderingen tegen de eiseres geheel of gedeeltelijk gegrond op grond van de vaststellingen dat de consorten De B.-R. op grond van artikel 1384, alinea 1, van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk waren, als eigenaars en bewaarders van hun met een explosief gasluchtmengsel gevulde woning die gebrekkig was, ongeschikt voor normaal gebruik en aan derden schade kon bezorgen. Door de gebrekkige woning in de zin van artikel 1384, alinea 1, ambtshalve als (rechts-) feit en als oorzaak van de vordering van voormelde verweerders te nemen, zonder dat voormelde verweerders dit gevorderd hadden, vermits zij enkel de gebrekkige gasinstallatie als (rechts-) feit en als oorzaak van hun vordering aangeduid hadden, doet het aangevochten arrest uitspraak over een niet-gevorderde oorzaak en schendt het artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. Nu voormeld (rechts-) feit en voormelde oorzaak van de vordering niet van openbare orde of dwingend recht is en voormelde verweerders en eiseres niet betwist hadden dat in het kader van artikel 1384, alinea 1, van het Burgerlijk Wetboek het (rechts- ) feit en de oorzaak van de vordering van voormelde de verweerders de gebrekkige gasinstallatie was en dus niet de gebrekkige woning, wijzigt het arrest - door de woning en niet de gasinstallatie als gebrekkige zaak te aanzien - ambtshalve het (rechts-) feit en de oorzaak van de vordering van voormelde verweerders en schendt het bijgevolg het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals vervat in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. .IIbeslissing van het hof Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel .1De vaststellingen van het arrest enerzijds dat de vorderingen van de vierde en vijfde verweerders ten aanzien van de eiseres tij­dig werden ingesteld, en anderzijds dat de vorderingen van de benadeelden toelaatbaar zijn "behoudens de weerhouden verjaring ten aanzien van (de vierde en vijfde verweerder)" zijn tegenstrijdig. Het onderdeel is gegrond. Tweede tot en met vierde onderdeel
  1. In zoverre de onderdelen gericht zijn tegen de beslissing inzake de vordering van de vierde en vijfde verweerders, behoeven deze onderdelen, die niet tot ruimere cassatie kunnen leiden gelet op het antwoord op het eerste onderdeel, niet beantwoord te worden. .3Artikel 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekerings-overeenkomst verleent aan de benadeelde een rechtstreekse vordering tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar. Artikel 68, derde lid, van voormelde wet verleent aan de derden, ingeval van brand in een gebouw, een rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar van het verhaal van derden. .1Deze laatste bepaling is een bijzondere toepassing van artikel 86 van voormelde wet. .2Krachtens artikel 34, §2, eerste lid, van voormelde wet, verjaart de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de bena­deelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 86 door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd onder voorbehoud van bijzondere wettelijke bepalingen. Indien de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, be­gint de termijn, krachtens het tweede lid van die bepaling, pas te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. .1Artikel 38 van de wet van 11 juni 1874, zoals opgeheven bij artikel 147, 1° van voormelde wet van 25 juni 1992, verleende, in geval van brand, aan de buren een rechtstreekse vordering tegenover de verzekeraar van de risico's van het verhaal van de buren. Deze vordering verjaarde overeenkomstig artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 10 juni 1998, na verloop van dertig jaar. .1Wanneer in burgerlijke zaken, een wet voor de verjaring van de vordering een kortere termijn bepaalt dan die gesteld door de vorige wet en het betrokken recht vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet is ontstaan en de wetgever geen bijzondere regel van inwerkingtreding heeft bepaald, zoals te dezen, begint de nieuwe verjaringstermijn ten vroegste met de inwerkingtreding van de nieuwe wet te lopen, weze het dat dit een eerder ingetreden verjaring overeenkom­stig de oude regel niet zal verhinderen. .2Hieruit volgt dat, voor schadegevallen daterend van voor het in werking treden van de artikelen 68 en 34, §2, van voormelde wet van 25 juni 1992, voor zover de desbetreffende vordering alsdan volgens de oude wet nog niet verjaard was, de nieuwe kortere verjaringstermijn van voormeld artikel 34, §2, pas begint te lopen van de datum van deze inwerkingtreding, hetzij vanaf 21 september 1992, en dat de verjaring voor dergelijke vorderingen derhalve ten vroegste kan intreden op 21 september
  2. .3Op grond van deze in de plaats gestelde redenen, vermochten de appelrechters, die vaststelden dat het schadegeval waarbij door brand schade aan de buren werd berokkend, dateert van 14 december 1991 en dat de vorderingen van de eerste tot en met de derde verweerders werden ingesteld op 18 februari 1997, te oordelen dat deze vorderingen op het ogenblik van het instellen ervan nog niet verjaard waren. De onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden en zijn dienvolgens in zoverre niet ontvankelijk. Tweede middel .1Het middel gaat ervan uit dat de verweerders hun vordering gebaseerd hebben op het gebrek in de gasleiding. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat meerdere partijen die mee in de procedure voor de appelrechters waren betrokken hebben aangevoerd dat een met gas gevulde woning aangetast is door een gebrek. .2Door de aansprakelijkheid van de verzekerden van de eiseres aan te nemen op grond van een gebrek in de woning, invulling van het begrip gebrek dat door medepartijen in het debat was gebracht en waaromtrent de eiseres zich heeft kunnen verdedigen, schenden de appelrechters de in het onderdeel aangegeven wetsbepaling en algemeen rechtsbeginsel niet. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit de vordering van de vierde en vijfde verweerders ten aanzien van de eiseres tijdig en ontvankelijk verklaart en omtrent de grond ervan en de kosten oordeelt. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigd arrest. Veroordeelt de eiseres tot een derde van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. De kosten zijn begroot op de som van 1104,57 euro jegens de eisende partij, op de som van 171,18 euro jegens de verwerende partij sub 6, op de som van 171,18 euro jegens de verwerende partij sub 1, 2 en 3 en op de som van 302,75 euro jegens de verwerende partij sub
  3. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 30 januari 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090130.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170424.2 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180528.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970124.4 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971107.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070212.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091130.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.