← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090130.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090130.4 Rolnummer: D.08.0008.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-04-10 Raadplegingen: 229 - laatst gezien 2026-07-03 01:05 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Ook feiten die buiten de uitoefening van het beroep zijn gepleegd kunnen in aanmerking komen voor het onderzoek en de beoordeling door de tuchtinstantie naar hun bestaanbaarheid met de regelen van de medische plichtenleer en de handhaving van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van het beroep. Thesaurus CAS: ARTS UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Arts - Tucht Vrije woorden: Tuchtzaken - Feiten buiten de uitoefening van het beroep gepleegd - Tuchtinstantie - Bevoegdheid Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - BEROEPSORDEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Arts - Tucht Vrije woorden: Orde der geneesheren - Tuchtzaken - Feiten buiten de uitoefening van het beroep gepleegd - Tuchtinstantie - Bevoegdheid Tekst van de beslissing Nr. D.08.0008.N ORDE DER GENEESHEREN, publiekrechtelijke rechtspersoon, vertegenwoordigd door haar Nationale Raad, met zetel te 1030 Brussel, de Jamblinne de Meuxplein 34-35, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen L. H., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 17 maart 2008 gewezen door de Raad van Beroep van de Orde der geneesheren met het Nederlands als voertaal. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6, enig lid, 2°, juncto artikel 13, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 79 betreffende de Orde der Geneesheren. Aangevochten beslissingen De Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering, op grond van volgende motieven: "Dr. B. zou aan Dr. L. een private lening hebben toegestaan dewelke ondanks het verstrijken van de overeengekomen termijn en ondanks ingebrekestelling niet zou zijn terugbetaald. Dr. B. verzoekt om tussenkomst van de provinciale raad. Deze legt een tuchtsanctie op. De geneeskundige plichtenleer is het geheel van de beginselen, gedragsregels en gebruiken die iedere geneesheer moet eerbiedigen of als leidraad nemen bij de uitoefening van zijn beroep. In de voorliggende zaak is er geen enkele band met de beroepsuitoefening als arts. De Raad van Beroep, net zomin als de provinciale raad, heeft geen enkele bevoegdheid om de burgerrechtelijke gehoudenheid in hoofde van Dr. L. tot betaling van de schuld te onderzoeken. De beweerde feiten kunnen, zoals ze zich in casu zouden voordoen, niet van aard zijn de eer of de waardigheid van het beroep te schenden. De Raad van Beroep is dan ook niet bevoegd om er kennis van te nemen". Grieven 1. Overeenkomstig artikel 6, enig lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 79 betreffende de Orde der geneesheren zijn de Provinciale Raden van de Orde der geneesheren bevoegd om te waken over de handhaving van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van de onder artikel 5, eerste lid, bedoelde geneesheren en zijn de provinciale raden hiertoe belast met het treffen van tuchtmaatregelen wegens fouten die deze geneesheren in de uitoefening van hun beroep of naar aanleiding ervan begaan, "alsook wegens zware fouten bedreven buiten de beroepsbedrijvigheid, wanneer die fouten de eer of de waardigheid van het beroep kunnen aantasten". Artikel 13, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 79 betreffende de Orde der geneesheren stelt betreffende de bevoegdheid van de Raad van Beroep dat elke Raad van Beroep kennis neemt van het hoger beroep tegen de beslissingen die onderscheidenlijk zijn genomen door de provinciale raden met het Nederlands als voertaal, en die de artikelen 6, 1° of 2° toepassen. 2. De Raad van Beroep acht zich in voorliggend geval niet bevoegd om te oordelen over de tuchtvordering aangezien volgens de Raad van Beroep "de geneeskundige plichtenleer het geheel (

  1. is)van de beginselen, gedragsregels en gebruiken die iedere geneesheer moet eerbiedigen of als leidraad nemen bij de uitoefening van zijn beroep"; er "in de voorliggende zaak geen enkele band (
  2. is)met de beroepsuitoefening als arts" en "de beweerde feiten, zoals ze zich in casu zouden voordoen, niet van aard kunnen zijn de eer of de waardigheid van het beroep te schenden". 3. Uit artikel 6, enig lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 79 betreffende de Orde der geneesheren volgt evenwel dat de provinciale raden van de Orde der geneesheren eveneens bevoegd zijn voor de "zware fouten bedreven buiten de beroepsbedrijvigheid, wanneer die fouten de eer of de waardigheid van het beroep kunnen aantasten". Het niet terugbetalen, door een geneesheer, van een van een andere geneesheer ontleende geldsom kan - zelfs indien er "geen enkele band is met de beroepsbedrijvigheid" - onverenigbaar zijn met de tussen hen geldende regels van eerlijkheid, loyaliteit en rechtschapenheid en daardoor wel degelijk "de eer of de waardigheid van het beroep schenden". Het loutere feit dat er in de voorliggende zaak "geen enkele band met de beroepsuitoefening als arts" is volstaat dan ook niet naar recht voor de raad van beroep om de "burgerrechtelijke gehoudenheid (van de verweerder) tot betaling van de schuld niet te onderzoeken" en te besluiten dat de beweerde feiten "niet van aard zijn de eer of de waardigheid van het beroep te schenden". De Raad van Beroep kon aldus niet zonder schending van artikel 6, enig lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 79 oordelen dat hij niet bevoegd was om zich uit te spreken over de tuchtvordering tegen verweerder, op de gronden dat er in de voorliggende zaak "geen enkele band met de beroepsuitoefening als arts" is, de raad niet bevoegd is om de "burgerrechtelijke gehoudenheid (van de verweerder) tot betaling van de schuld te onderzoeken" en, in het algemeen, dat de beweerde feiten zoals ze zich zouden voordoen, "niet van aard zijn de eer of de waardigheid van het beroep te schenden". In zoverre de Raad van Beroep op voormelde gronden oordeelt dat hij niet bevoegd is kennis te nemen van de tuchtvordering, heeft de Raad van Beroep bijgevolg een niet naar recht verantwoorde beslissing genomen en artikel 6, enig lid, 2°, juncto artikel 13, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 79 betreffende de Orde der geneesheren geschonden. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 6, enig lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 79 betreffende de Orde der geneesheren waken de provinciale raden van deze Orde over het naleven van de regelen van de medische plichtenleer en over de handhaving van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van de geneesheren. Zij zijn hiertoe belast met het treffen van tuchtmaatregelen wegens fouten die deze geneesheren in de uitoefening van hun beroep of naar aanleiding ervan begaan, alsook wegens zware fouten bedreven buiten de beroepsbezigheid, wanneer deze de eer of de waardigheid van het beroep kunnen aantasten. Krachtens artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 79 nemen de Raden van Beroep kennis van het hoger beroep tegen de beslissingen van de provinciale raden. 2. Uit het voorgaande volgt dat ook feiten die buiten de uitoefening van het beroep zijn gepleegd in aanmerking kunnen komen voor het onderzoek en de beoordeling door de tuchtinstantie naar hun bestaanbaarheid met de regelen van de medische plichtenleer en de handhaving van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van het beroep. 3. Door zich onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van de naar voren gebrachte feiten in deze zaak, op grond dat deze "niet van aard (kunnen) zijn de eer of de waardigheid van het beroep te schenden" omdat zij "geen enkele band met beroepsuitoefening als arts" vertonen, schendt de bestreden beslissing bovengenoemde artikelen. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt de bestreden beslissing. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Verwijst de zaak naar de Raad van Beroep met het Nederlands als voertaal, anders samengesteld. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 352,26 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 30 januari 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090130.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.