← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090130.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090130.5 Rolnummer: D.07.0021.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige - Handelsrecht Invoerdatum: 2009-04-14 Raadplegingen: 472 - laatst gezien 2026-07-03 01:04 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 In de regel is het met een eerlijk proces strijdig dat een rechtsmiddel tegen een partij kan worden aangewend door iemand die, zelfs in een andere aanleg, betrokken was bij de zetel die van de zaak heeft kennisgenomen. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders Vrije woorden: Eerlijk proces - Kennisname van de zaak - Rechtsmiddel - Zelfde persoon Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 Fiches 2 - 4 Wanneer de vraag rijst in welke mate het met het recht op een eerlijk proces bestaanbaar is dat degene die als partij cassatieberoep instelt samen met de voorzitter van de Nationale Raad van het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars tegen de uitspraak van de kamer van beroep, in dezelfde zaak voorheen als rechtskundig assessor de uitvoerende kamer bijstond bij de rechtsprekende beslissing in eerste aanleg, stelt het Hof de zaak uit op een latere datum teneinde partijen toe te laten omtrent deze vraag standpunt in te nemen

(1).
(1)Het O.M. had geen middel van niet-ontvankelijkheid van de voorziening (overeenkomstig artikel 1097 van het Gerechtelijk Wetboek) opgeworpen, daar de bestreden beslissing genomen werd door de kamer van beroep, niet bijgestaan door een rechtskundig assessor, met volle rechtsmacht en de verweerster, hoewel daartoe gerechtigd, geen memorie van antwoord (houdend zodanig middel) had ingediend. Het nam wel aan dat andere standpunten ter zake konden bestaan en de partijen dan inderdaad de gelegenheid kon geboden worden deze voor het Hof in te nemen. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders Vrije woorden: Eerlijk proces - Tuchtzaken - Dienstverlenende intellectuele beroepen - Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars - Uitvoerende kamer - Rechtskundig assessor - Kennisname van de zaak - Kamer van beroep - Cassatieberoep - Eisers - Rechtskundig assessor samen met de voorzitter van de Nationale Raad - Gevolg - Rechtspleging voor het Hof Wettelijke bepalingen: Wet - 03-08-2007 - Art. 9, §§ 4 en 7 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - TUCHTZAKEN - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders Vrije woorden: Eisers en verweerders - Verdrag Rechten van de Mens - Artikel 6.1 - Eerlijk proces - Dienstverlenende intellectuele beroepen - Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars - Uitvoerende kamer - Rechtskundig assessor - Kennisname van de zaak - Kamer van beroep - Cassatieberoep - Eisers - Rechtskundig assessor samen met de voorzitter van de Nationale Raad - Gevolg - Rechtspleging voor het Hof Wettelijke bepalingen: Wet - 03-08-2007 - Art. 9, §§ 4 en 7 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 Thesaurus CAS: MAKELAAR UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Personen door of tegen wie cassatieberoep kan of moet worden ingesteld - Eisers en verweerders Vrije woorden: Beroepsinstituut voor de dienstverlenende intellectuele beroepen - Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars - Tuchtzaken - Verdrag Rechten van de Mens - Artikel 6.1 - Eerlijk proces - Uitvoerende kamer - Rechtskundig assessor - Kennisname van de zaak - Kamer van beroep - Cassatieberoep - Eisers - Rechtskundig assessor samen met de voorzitter van de Nationale Raad - Gevolg - Rechtspleging voor het Hof Wettelijke bepalingen: Wet - 03-08-2007 - Art. 9, §§ 4 en 7 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 Tekst van de beslissing Nr. D.07.0021.N 1. VIGNERON Olivier, als voorzitter van de Nationale Raad van de Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars (BIV), met zetel te 1000 Brussel, Luxemburgstraat 16b, 2. BAELDE Guy, als rechtskundig assessor van de Nationale Raad van de Uitvoerende Kamer van het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars (BIV), met zetel te 1000 Brussel, Luxemburgstraat 16b, eisers, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen V. K. A., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing op 25 oktober 2007 gewezen door de kamer van beroep van het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars, met het Nederlands als voertaal. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 5, §1, 1°, punten
  1. a)t.e.m.
  2. e)- punt
  3. e)na de wijziging door koninklijk besluit van 27 april 2004 en voor zijn vervanging door koninklijk besluit van 17 mei 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 september 1993 tot bescherming van de beroepstitel en de uitoefening van het beroep van vastgoedmakelaar (B.S., 19 juni 2007) -, en voor zoveel als nodig, §2, van het koninklijk besluit van 6 september 1993 tot bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van het beroep van vastgoedmakelaar (B.S., 13 oktober 1993); - artikel 3, §2, van het stagereglement van 8 december 1998 van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars (B.S., 25 maart 1999), goedgekeurd bij koninklijk besluit van 3 februari 1999 (B.S., 25 maart 1999), voor zijn opheffing door het koninklijk besluit van 3 juni 2007 tot goedkeuring van het stagereglement van het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars van 3 juni 2007. Aangevochten beslissingen Om het beroep van de verweerster tegen de beslissing van de uitvoerende kamer van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars van 5 juli 2007 gegrond te verklaren heeft de Kamer van Beroep van hetzelfde Instituut beslist wat volgt: "Overeenkomstig het koninklijk besluit van 6 september 1993 tot bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van het beroep van vastgoedmakelaar dient (Mevrouw V.K.A..), teneinde te kunnen ingeschreven worden op de lijst van de ‘stagiairs-vastgoedmakelaar', houder te zijn van één der akten zoals bepaald bij artikel 5 §1.1°, van betreffend koninklijk besluit. (Mevrouw V.K.A.) legt een afschrift neer van haar diploma van kandidaat in de rechten (R.U.G. dd. 22.09.99). (Zij) levert derhalve het bewijs dat zij houder is van een diploma of getuigschrift zoals vereist door artikel 5, §1, van het koninklijk besluit van 6 september 1993 tot bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van het beroep van vastgoedmakelaar". Grieven (...) 1. Mevrouw V.K.A. heeft in haar beroep van 19 juli 2007 aangevoerd dat "de uitvoerende Kamer van het B.I.V. onterecht van oordeel (
  4. is)dat (een diploma van kandidaat in de rechten) niet in aanmerking komt" en dat "dit ten zeerste bij licenciaat in de rechten en alleszins bij gegradueerde in de rechten (aansluit) en is derhalve als gelijkwaardig te beschouwen". Zij heeft hieraan toegevoegd dat "in de kandidaturen de algemene vakken worden opgelegd om in de licenties zich in bepaalde vakken meer te verdiepen" en dat "(uit de vakkenlijst met vakresultaten) zal blijken dat (zij) dus onderlegd is in de basisvaardigheden nodig om te kunnen in aanmerking komen om ingeschreven te worden op de lijst van de stagiair-vastgoedmakelaars". Zij heeft ten slotte aangevoerd dat "ook (haar) beide diploma's (diploma van kandidaat in de rechten en een studieattest van (ge)sla(a)g(
  5. d)in de eerste licentie criminologische wetenschappen) gelijk (dienen) gesteld te worden (met) het diploma van licentiaat in de rechten, minstens met graduaat in de rechten". 2. De Kamer van Beroep heeft daarop als volgt geantwoord: "Overeenkomstig het koninklijk besluit van 6 september 1993 tot bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van het beroep van vastgoedmakelaar dient (Mevrouw V.K.A.), teneinde te kunnen ingeschreven worden op de lijst van de ‘stagiairs-vastgoedmakelaar, houder te zijn van één der akten zoals bepaald bij artikel 5, §1, 1°, van betreffend het koninklijk besluit. (Mevrouw V.K.A.) legt een afschrift neer van haar diploma van kandidaat in de rechten (R.U.G. dd. 22.09.99). (Zij) levert derhalve het bewijs dat zij houder is van een diploma of getuigschrift zoals vereist door artikel 5, §1, van het koninklijk besluit van 6 september 1993 tot bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van het beroep van vastgoedmakelaar'. 3. In uitvoering van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen, bepaalt voormeld artikel 5, §1, 1°, van het koninklijk besluit van 6 september 1993 tot bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van het beroep van vastgoedmakelaar dat "de titularissen van het gereglementeerde beroep van vastgoedmakelaar", "houder (moeten) zijn van één der hierna volgende akten", o.a. een van de geciteerde diploma's (punt
  6. a)of "een getuigschrift dat gelijkwaardig is aan een der bovenvermelde akten en dat is uitgereikt door een examencommissie van de Staat of van een Gemeenschap" (punt b). In §2 wordt bepaald dat "de akten waarvan sprake is in de bovenvermelde §1, 1°,
  7. a)tot c), moeten worden uitgereikt door onderwijs- of opleidingsinstellingen, georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door het Rijk of door de Gemeenschappen". Uit voormeld artikel 3, §2, van het stagereglement van 8 december 1998 van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars vloeit voort dat "Om ontvankelijk te zijn, de aanvraag vergezeld (moet) zijn van een dossier waaruit ondermeer moet blijken dat voldaan is aan de voorwaarden bepaald in artikel 5, §1, 1°, van het koninklijk besluit van 6 september 1993 tot bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van het beroep van vastgoedmakelaar door middel van een voor eensluidend verklaard afschrift van het diploma van de kandidaat of van een gelijkwaardig getuigschrift'. 4. Het Hof heeft al in het arrest van 21 juni 2002 (C.01.0294.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020621.5) een middel afgeleid uit de schending van deze bepalingen onderzocht. 5. In zoverre de Kamer van Beroep vaststelt dat "(Mevrouw V.K.A) een afschrift van haar diploma van kandidaat in de rechten (R.U.G. dd. 22.09.99) (neerlegt)", kon de Kamer van Beroep niet wettig beslissen dat "(Zij) derhalve het bewijs (levert) dat zij houder is van een diploma of getuigschrift zoals vereist door artikel 5, §1, van het koninklijk besluit van 6 september 1993 tot bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van het beroep van vastgoedmakelaar". Uit het onderzoek van voormeld artikel 5, §1, 1°, vloeit niet voort dat een diploma van "kandidaat in de rechten" uitgereikt door de "R.U.G." in de lijst van de vereiste diploma's geciteerde in punt
  8. a)wordt hernomen. Deze lijst bevat weliswaar het diploma van "licentiaat of doctor in de rechten" of van "gegradueerde in de rechten", maar niet dit van "kandidaat in de rechten". Een "diploma van kandidaat in de rechten (R.U.G. dd. 22.09.99)" stemt bovendien niet overeen met "een getuigschrift dat gelijkwaardig is aan een der bovenvermelde akten en dat is uitgereikt door een examencommissie van de Staat of van een Gemeenschap", zoals bepaald in punt b), noch met de andere diploma's vermeld in de punten c),
  9. d)of
  10. e)van voormeld artikel 5. De beslissing van de Kamer van Beroep heeft dus voormeld artikel 5, §1, 1° - en, voor zoveel als nodig, §2 - van het koninklijk besluit van 6 september 1993 en artikel 3, §2, van het voormelde stagereglement van 8 december 1998 geschonden. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 6, 1, van het EVRM, heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die bij de wet is ingesteld. In de regel is het met een eerlijk proces strijdig dat een rechtsmiddel tegen een partij kan worden aangewend door iemand die, zelfs in een andere aanleg, betrokken was bij de zetel die van de zaak heeft kennisgenomen. 2. Volgens de termen van de wet moet het cassatieberoep ingesteld worden door de voorzitter van de nationale raad samen met een rechtskundig assesor. 3. De vraag rijst in welke mate met het recht op een eerlijk proces bestaanbaar is dat degene die als partij cassatieberoep instelt samen met de voorzitter van de nationale raad tegen de uitspraak van de kamer van beroep, in dezelfde zaak voorheen als rechtskundig assessor de uitvoerende kamer bijstond bij de rechtsprekende beslissing in eerste aanleg. 4. De zaak dient op een latere datum te worden uitgesteld teneinde partijen toe te laten omtrent deze vraag standpunt in te nemen. Dictum Het Hof, Verdaagt de zaak tot de openbare terechtzitting van 24 april 2009 teneinde de partijen standpunt te laten innemen over de in randnummer 2 gerezen vraag. Houdt de beslissing over de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 30 januari 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090130.5 Gerelateerde publicatie(
  11. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020621.5 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090424.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.