id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090202.10 Rolnummer: S.08.0091.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-05-07 Raadplegingen: 195 - laatst gezien 2026-07-03 01:02 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit artikel 91, § 4, eerste lid van het koninklijk besluit van 19 december 1967, volgt dat de enkele omstandigheid dat de aanvraag tot vrijstelling slechts de op het ogenblik van de aanvraag vervallen bijdragen uitdrukkelijk viseert, niet inhoudt dat de Commissie voor vrijstelling van bijdragen niet rechtsgeldig vrijstelling zou kunnen verlenen voor de bijdragen die vervallen zijn tussen het ogenblik van de aanvraag en het ogenblik waarop zij haar beslissing neemt. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ZELFSTANDIGEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Sociale zekerheid - Zelfstandige - Sociaal statuut - Verplichtingen Vrije woorden: Aanvraag tot vrijstelling - Geviseerde vervallen bijdragen - Beslissing van de Commissie voor vrijstelling Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 19-12-1967 - Art. 91, § 4, eerste lid Tekst van de beslissing Nr. S.08.0091.N C.M., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen V.A., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 februari 2008 gewezen door het Arbeidshof te Gent. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, 11, §1, 15, §1, derde lid, en 17, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, voornoemd artikel 11, §1, in zijn versie vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 18 november 1996; - de artikelen 88, §1, en 91, §4, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen; - artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genoemd, luidens hetwelk de rechter geen aan de openbare orde vreemd geschil mag opwerpen dat door de conclusies der partijen was uitgesloten, zoals ondermeer afgeleid uit de artikelen 807 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, - het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging. Bestreden beslissing In het bestreden arrest van 12 februari 2008 verklaart de vierde kamer van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, na alle andere en strijdige conclusies als ongegrond te hebben verworpen, verweerders hoger beroep deels gegrond en bevestigt (zonder op dit vlak te worden bestreden door de eiseres) het bestreden vonnis van 8 mei 2007 van de derde kamer van de Arbeidsrechtbank te Ieper in zover hierbij de hoofdvordering van de vzw Multipen lastens de verweerder ontvankelijk en gegrond werd verklaard. Het arbeidshof vernietigt echter hetzelfde vonnis in zoverre de vordering in gedwongen tussenkomst van de verweerder lastens de eiseres ongegrond werd verklaard. Opnieuw wijzende, verklaart het arbeidshof deze vordering in gedwongen tussenkomst ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en veroordeelt de eiseres tot betaling aan de verweerder van 3.518,40 euro, meer de gerechtelijke intresten vanaf 1 december
- Het arbeidshof veroordeelt de eiseres tevens tot de kosten van de dagvaarding in tussenkomst. Het arbeidshof grondt zijn beslissing op volgende motieven (arrest pp. 7-8): "3.
- Uit de stukken blijkt dat (de verweerder) bij (de vzw Multipen) als helper-zelfstandige aangesloten was over de periode 18 april 1991 tot 23 oktober 1996 (...). De bijdragen in het kader van het sociaal statuut van de zelfstandigen werden (steeds) door (de eiseres) via haar bankrekening betaald en dit als hoofdelijk aansprakelijke. Deze laatste bekwam op 20 november 1997 ontheffing van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de sociale bijdragen m.b.t. de kwartalen 2/93 tot en met 4/97 (...). (De vzw Multipen) brengt de bewijsstukken naar voor dat (de verweerder) steeds door haar werd ingelicht over de gevoerde procedure en daaruit volgend resultaat. Er kan haar bijgevolg niet verweten worden dat zij (de verweerder) hierover nooit heeft ingelicht. 3.
- Wel is het zo dat de beslissing tot vrijstelling van 20 november 1997 in het beschikkend gedeelte foutief vermeldt dat deze betrekking heeft op de voorlopige bijdragen van 2/93 t.e.m. 4/
- Uit het overwegend gedeelte blijkt dat de aanvraag betrekking had op de periode van 2/93 t.e.m. 3/94 (...). (De eiseres) heeft trouwens haar aanvraag maar verstuurd op 28 juni 1994 (...). Dat betekent dat de voorlopige bijdragen vanaf 4/94 tot 4/96 ten onrechte werden terugbetaald aan (de eiseres) terwijl (de verweerder) wel degelijk deze bijdragen ver¬schuldigd blijft. Blijkens het rekeninguittreksel van 12 december 1997 gaat het voor de kwartalen 4/94 t.e.m. 4/96 om een bedrag van 141.932 BEF of 3.518, 40 euro (...). 3.
- Aangezien de beslissing van ontheffing voor de overige perioden verleend aan de solidair verantwoordelijke niet geldt voor de helper, dient (de verweerder) de gevorderde bijdragen te betalen zoals herleid voor de eerste rechter. In het nog verschuldigd overzicht opgemaakt door (vzw Multipen) blijkt dat wel degelijk re¬kening werd gehouden met de indertijd aan (de verweerder) toegestane vrijstelling m.b.t. het eerste kwartaal 1994 (...). De hoofdvordering zoals toegestaan door de eerste rechter is bijgevolg terecht. Gezien intussen reeds een ontwerp van vereffening en verdeling werd opgemaakt van de onverdeeldheid die heeft bestaan tussen (de eiseres) en (de verweerder) waaruit blijkt dat deze laatste nog 200.179,29 euro zal ontvangen, is er geen reden om hem thans afbetalingstermijnen toe te staan (...). Besluit: Het eerste vonnis dient wat betreft de hoofdvordering bevestigd te worden. Gezien (de eiseres) evenwel 3.518,40 euro ten onrechte heeft teruggekregen van de vzw Multipen en de schuld van (de verweerder) evenredig werd verhoogd dient zij (de verweerder) voor dit bedrag te vrijwaren. De tussenvordering in vrijwaring is bijgevolg gedeeltelijk gegrond en het eerste vonnis dient in die zin gewijzigd." Grieven De helper, in de zin van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, is bijdrageplichtig overeenkomstig artikel 11 van hetzelfde koninklijk besluit nr.
- De zelfstandige is, luidens artikel 15, §1, derde lid, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 38 samen met de helper hoofdelijk gehouden tot betaling van de door deze laatste verschuldigde bijdragen. De zelfstandige kan echter, overeenkomstig de artikelen 17, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 38 en 88, §1, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het genoemd koninklijk besluit nr. 38, vragen ontheven te worden van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid tot betaling van de door de helper verschuldigde bijdragen. Zoals door het arbeidshof erkend (arrest p. 7, nr. 3.2.) bekwam de eiseres op 20 november 1997 ontheffing van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de sociale bijdragen (die de verweerder verschuldigd was) met betrekking tot de kwartalen 2/93 tot en met 4/
- Verweerders vordering lastens de eiseres tot zijner vrijwaring voor de betalingen inzake sociale zekerheidsbijdragen die hij aan de vzw Multipen zou verschuldigd zijn, wordt, nadat het arbeidshof oordeelde dat de verweerder gehouden was tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen aan de vzw Multipen, deels ingewilligd op grond van de vaststelling dat de vrijstelling die de eiseres bekwam van de hoofdelijke gehoudenheid tot betaling van deze sociale zekerheidsbijdra¬gen niet gold voor de periode van het tweede kwartaal 1993 tot en met het vierde kwartaal 1997, zoals vermeld wordt in het dispositief van de beslissing van de Commissie voor vrijstelling van bijdragen van 20 november 1997, doch gold voor de periode van het tweede kwartaal 1993 tot en met het derde kwartaal 1994, zoals zou blijken uit de motieven van deze beslissing van 20 november
- Eerste onderdeel De eiseres voerde in haar synthesebesluiten in hoger beroep voor het arbeidshof aan (p. 2, II) dat zij "op 20 november 1997 ontheffing (bekwam) van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de sociaal zekerheidsbijdrage met betrekking tot de kwartalen 2/93 tot en met 4/97 (stuk 3 van de vzw Multipen)". Niet alleen werd dit door de andere procespartijen niet ontkend, het werd zelfs door hen uitdrukkelijk erkend (syntheseconclusies hoger beroep voor de verweerder, p. 3, eerste alinea; syntheseconclusie voor de vzw Multipen, p. 2, eerste alinea). Luidens het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genoemd, en artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, mag de rechter de door partijen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van ver¬dediging van de partijen eerbiedigt. De rechter kan de door de partijen voorgedragen middelen ambtshalve aanvullen met de gegevens van een regelmatig in de debatten gebracht stuk waarvan een partij gebruik maakt. Door uit dergelijk stuk het bestaan van een feitelijk gegeven af te leiden, ofschoon geen van de partijen dat heeft gedaan, werpt de rechter geen geschil op dat de partijen hem niet hebben voorgelegd. In dezen waren de partijen het erover eens dat de eiseres vrijstelling had bekomen van de hoofdelijke gehoudenheid voor de door de verweerder verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen voor de periode van het tweede kwartaal 1993 tot en met het vierde kwartaal
- Het arbeidshof oordeelt dat de ontheffing van hoofdelijkheid voor de betaling van de door de verweerder verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen niet gold voor de periode van het tweede kwartaal 1993 tot en met het vierde kwartaal 1997, zoals vermeld wordt in het dispositief van de beslissing van de Commissie voor vrijstelling van bijdragen van 20 november 1997, doch gold voor de periode van het tweede kwartaal 1993 tot en met het derde kwartaal 1994, zoals zou blijken uit de motieven van deze beslissing van 20 november
- Aldus put het arbeidshof niet louter een nieuw feit uit een stuk dat regelmatig aan het (arbeids)hof was overgelegd door een partij, het neemt, met miskenning van het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genoemd, en van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, een beslissing over een rechtsvraag, met name de vraag te weten of een beslissing van een bevoegde commissie anders moet worden gelezen dan de bewoordingen van deze beslissing laten blijken, waarover geen betwisting bestond tussen de partijen. Aldus werpt het arbeidshof een geschil op en beslecht het dit geschil dat door de conclusies der partijen was uitgesloten en waarover zij dus geen tegenspraak hebben gevoerd (schending van het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genoemd, luidens hetwelk de rechter geen aan de openbare orde vreemd geschil mag opwerpen dat door de conclusies der partijen werd uitgesloten, zoals ondermeer afgeleid uit de artikelen 807 en 1138, 2° van het Gerechtelijk Wetboek, en van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek). Door aldus te beslissen miskent het arbeidshof tevens eiseres' recht van verdediging (schending van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging) en kon het arbeidshof niet wettig de eiseres veroordelen tot vrijwaring van de verweerder (schending van alle in de aanhef van het middel aangehaalde wetsbepalingen, artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek uitgezonderd). Tweede onderdeel Het arbeidshof is van oordeel dat de beslissing tot vrijstelling van 20 november 1997 in het beschikkend gedeelte foutief vermeldt dat de vrijstelling van de hoofdelijke gehoudenheid voor de sociale zekerheidsbijdragen die de verweerder verschuldigd was, betrekking heeft op de voorlopige bijdragen van 2/93 tot en met 4/
- Ter staving hiervan verwijst het (arbeids)hof naar het feit dat de motieven van deze beslissing vermelden dat de aanvraag betrekking had op de periode van het tweede kwartaal 1993 tot en met het derde kwartaal 1994, nu de aanvraag verstuurd werd op 28 juni
- De beslissing van de commissie voor vrijstelling van bijdragen, die overeenkomstig artikelen 88 e.v. van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 uitspraak moet doen over de verzoeken tot vrijstelling van de hoofdelijke gehoudenheid voor de betaling van sociale zekerheidsbijdragen, kan overeenkomstig artikel 91, §4 van hetzelfde koninklijk besluit van 19 december 1967 betrekking hebben op de bijdragen 1° die vervallen zijn op het ogenblik van de aanvraag en uitdrukkelijk bedoeld werden door deze aanvraag en 2° de bijdragen die vervallen zijn tussen het ogenblik van de aanvraag en het ogenblik waarop de commissie beslist. Aldus kan de bevoegde commissie volkomen wettig vrijstelling van hoofdelijke gehoudenheid tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen verlenen voor een periode die ligt na de datum van indiening van de aanvraag tot vrijstelling. Het arbeidshof kon bijgevolg niet wettig oordelen op grond van de loutere vaststelling dat de aanvraag tot vrijstelling van de hoofdelijke gehoudenheid tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen, ingediend was einde juni 1994 en betrekking had op de periode van het tweede kwartaal 1993 tot en met het derde kwartaal 1994, dat de beslissing van 20 november 1997 tot vrijstelling voor de periode van het tweede kwartaal 1993 tot en met het vierde kwartaal 1997 een foutieve vermelding bevatte van de periode van vrijstelling. Het arbeidshof schendt bijgevolg alle in de aanhef aangehaalde wetsbepalingen (artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek uitgezonderd), meer in het bijzonder artikel 91, §4, van het genoemd koninklijk besluit van 19 december
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, 11, §1 en 15, §1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, voornoemd artikel 11, §1, in zijn versie vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 18 november 1996; - de artikelen 1200, 1203, 1213 en 1216 van het Burgerlijk Wetboek. Bestreden beslissing In het bestreden arrest van 12 februari 2008 verklaart de vierde kamer van het Arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, na alle andere en strijdige conclusies als ongegrond te hebben verworpen, verweerders hoger beroep deels gegrond en bevestigt (zonder op dit vlak te worden bestreden door de eiseres) het bestreden vonnis van 8 mei 2007 van de derde kamer van de Arbeidsrechtbank te Ieper in zover hierbij de hoofdvordering van de vzw Multipen lastens de verweerder ontvankelijk en gegrond werd verklaard. Het arbeidshof vernietigt echter hetzelfde vonnis in zoverre de vordering in gedwongen tussenkomst van de verweerder lastens de eiseres ongegrond werd verklaard. Opnieuw wijzende, verklaart het arbeidshof deze vordering in gedwongen tussenkomst ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en veroordeelt de eiseres tot betaling aan de verweerder van 3.518,40 euro, meer de gerechtelijke intresten vanaf 1 december
- Het arbeidshof veroordeelt de eiseres tevens tot de kosten van de dagvaarding in tussenkomst. Het arbeidshof grondt zijn beslissing op volgende motieven (arrest pp. 7-8) : "3.
- Uit de stukken blijkt dat (de verweerder) bij (de vzw Multipen) als helper-zelfstandige aangesloten was over de periode 18 april 1991 tot 23 oktober 1996 (...). De bijdragen in het kader van het sociaal statuut van de zelfstandigen werden (steeds) door (de eiseres) via haar bankrekening betaald en dit als hoofdelijk aansprakelijke. Deze laatste bekwam op 20 november 1997 ontheffing van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de sociale bijdragen m.b.t. de kwartalen 2/93 tot en met 4/97 (...). (De vzw Multipen) brengt de bewijsstukken naar voor dat (de verweerder) steeds door haar werd ingelicht over de gevoerde procedure en daaruit volgend resultaat. Er kan haar bijgevolg niet verweten worden dat zij (de verweerder) hierover nooit heeft ingelicht. 3.
- Wel is het zo dat de beslissing tot vrijstelling van 20 november 1997 in het beschikkend gedeelte foutief vermeldt dat deze betrekking heeft op de voorlopige bijdragen van 2/93 t.e.m. 4/
- Uit het overwegend gedeelte blijkt dat de aanvraag betrekking had op de periode van 2/93 t.e.m. 3/94 (...). (De eiseres) heeft trouwens haar aanvraag maar verstuurd op 28 juni 1994 (...). Dat betekent dat de voorlopige bijdragen vanaf 4/94 tot 4/96 ten onrechte werden terugbetaald aan (de eiseres) terwijl (de verweerder) wel degelijk deze bijdragen verschuldigd blijft. Blijkens het rekeninguittreksel van 12 december 1997 gaat het voor de kwartalen 4/94 t.e.m. 4/96 om een bedrag van 141.932 BEF of 3.518, 40 euro (...). 3.
- Aangezien de beslissing van ontheffing voor de overige perioden verleend aan de solidair verantwoordelijke niet geldt voor de helper, dient (de verweerder) de gevorderde bijdragen te betalen zoals herleid voor de eerste rechter. In het nog verschuldigd overzicht opgemaakt door (vzw Multipen) blijkt dat wel degelijk rekening werd gehouden met de indertijd aan (de verweerder) toegestane vrijstelling m.b.t. het eerste kwartaal 1994 (...). De hoofdvordering zoals toegestaan door de eerste rechter is bijgevolg terecht. Gezien intussen reeds een ontwerp van vereffening en verdeling werd opgemaakt van de onverdeeldheid die heeft bestaan tussen (de eiseres) en (de verweerder) waaruit blijkt dat deze laatste nog 200.179,29 euro zal ontvangen, is er geen reden om hem thans afbetalingstermijnen toe te staan (...). Besluit: Het eerste vonnis dient wat betreft de hoofdvordering bevestigd te worden. Gezien (de eiseres) evenwel 3.518,40 euro ten onrechte heeft teruggekregen van de vzw Multipen en de schuld van (de verweerder) evenredig werd verhoogd dient zij (de verweerder) voor dit bedrag te vrijwaren. De tussenvordering in vrijwaring is bijgevolg gedeeltelijk gegrond en het eerste vonnis dient in die zin gewijzigd." Grieven De helper, in de zin van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, is bijdrageplichtig overeenkomstig artikel 11 van hetzelfde koninklijk besluit nr.
- De zelfstandige is, luidens artikel 15, §1, derde lid, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 38 samen met de helper hoofdelijk gehouden tot betaling van de door deze laatste verschuldigde bijdragen. In zoverre het arbeidshof wettig zou hebben kunnen oordelen dat de eiseres niet ontheven was van hoofdelijke gehoudenheid voor de sociale zekerheidsbijdragen die de verweerder, als helper, verschuldigd was voor de periode van het vierde kwartaal 1994 tot en met het vierde kwartaal 1997, moet worden opgemerkt dat er, luidens artikel 1200 van het Burgerlijk Wetboek, hoofdelijkheid tussen schuldenaars bestaat, wanneer zij verplicht zijn tot één en dezelfde zaak, zodat ieder voor het geheel kan worden aangesproken, en de betaling door één van hen gedaan, de overige schuldenaars jegens de schuldeiser bevrijdt. Overeenkomstig artikel 1203 van het Burgerlijk Wetboek kan de schuldeiser van een hoofdelijke verbintenis van de schuldenaars degene aanspreken die hij verkiest, zonder dat deze het voorrecht van schuldsplitsing tegen hem kan inroepen. Naar luid van artikel 1213 van het Burgerlijk Wetboek is de verbintenis die hoofdelijk jegens de schuldeiser is aangegaan, weliswaar van rechtswege deelbaar tussen de schuldenaars, die onder elkaar slechts ieder voor zijn aandeel verbonden zijn, doch deze bepaling is niet toepasselijk op de wettelijk voorziene hoofdelijke verbintenis van artikel 15, §1, derde lid, van het genoemde koninklijk besluit nr.
- Te dezen geldt artikel 1216 van het Burgerlijk Wetboek luidens hetwelk, indien de zaak waarvoor de schuld hoofdelijk is aangegaan, slechts één van de hoofdelijke medeschuldenaars aangaat, deze tot voldoening van de gehele schuld gehouden is ten aanzien van de overige medeschuldenaars, die te zijnen opzichte slechts als borgen beschouwd worden. De helper is, net als de zelfstandige, gehouden tot betaling van so¬ciale zekerheidsbijdragen. De verschuldigdheid van sociale zekerheidsbijdragen door de helper is een eigen schuld van de helper. Deze schuld gaat hem aan. De principiële hoofdelijke gehoudenheid van de zelfstandige voor de sociale zeker¬heidsbijdragen die zijn helper verschuldigd is, heeft niet tot gevolg dat deze schuld geheel of ten dele ook als een schuld van de zelfstandige is te aanzien. De omstandigheid dat een schuldeiser, die zich tot meerdere, hoofdelijk gehouden schuldenaars kan wenden ter voldoening van de jegens hem bestaande schuld van één dezer schuldenaars, zijn aanspraak slechts formuleert ten aanzien van de schuldenaar wiens schuld het betreft, heeft niet tot gevolg dat de andere, niet aangesproken schuldenaar(s), tot vrijwaring zouden zijn gehou¬den (voor een deel of voor het geheel) van de aangesproken schuldenaar. Er was derhalve geen enkele wettelijke grondslag voorhanden om de eiseres te veroordelen tot vrijwaring van de verweerder voor de door hem verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen. Het arbeidshof schendt aldus alle in het middel aangehaalde wetsbepalingen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 91, §4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, hebben de door de Commissie voor vrijstelling van bijdragen genomen beslissingen betrekking (1°) op de bijdragen die vervallen zijn op het ogenblik van de aanvraag en uitdrukkelijk bedoeld werden door deze aanvraag en (2°) op de bijdragen die vervallen zijn tussen het ogenblik van de aanvraag en het ogenblik waarop de Commissie beslist.
- Uit deze bepaling volgt dat de enkele omstandigheid dat de aanvraag tot vrijstelling slechts de op het ogenblik van de aanvraag vervallen bijdragen uitdrukkelijk viseert, niet inhoudt dat de Commissie voor vrijstelling van bijdragen niet rechtsgeldig vrijstelling zou kunnen verlenen voor de bijdragen die vervallen zijn tussen het ogenblik van de aanvraag en het ogenblik waarop zij haar beslissing neemt.
- De appelrechters oordelen dat de beslissing tot vrijstelling van 20 november 1997 in het beschikkend gedeelte foutief vermeldt dat deze betrekking heeft op de voorlopige bijdragen van het tweede kwartaal van 1993 tot en met het vierde kwartaal van 1997 en slechts kon gelden voor de periode gaande tot en met het derde kwartaal van 1994, om reden dat uit het overwegend gedeelte van de beslis¬sing blijkt dat de aanvraag betrekking had op de periode gaande van het tweede kwartaal van 1993 tot en met het derde kwartaal van 1994 en de aanvraag ook maar verstuurd werd op 28 juni
- Door aldus te oordelen miskennen de appelrechters de voor de Commissie bestaande mogelijkheid om vrijstelling te verlenen voor alle bijdragen die vervallen zijn tussen het ogenblik van de aanvraag en het ogenblik waarop zij haar beslissing neemt, ook al werden die bijdragen niet uitdrukkelijk door de aanvraag geviseerd, en schenden zij mitsdien het artikel 91, §4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 december
- Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de tussenvordering tot vrijwaring van de verweerder tegen de eiseres gedeeltelijk gegrond verklaart en uitspraak doet over de kosten aan deze vordering verbonden. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 2 februari 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090202.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div