id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090202.11 Rolnummer: S.08.0127.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-05-07 Raadplegingen: 841 - laatst gezien 2026-07-03 01:02 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechter beoordeelt op onaantastbare wijze in feite de bewijswaarde van medische attesten, voor zover hij de bewijskracht van die stukken niet miskent, zodat het onderdeel dat aanvoert dat het arrest, waar het niet oordeelt dat het attest vervalst was of enig "(wils)gebrek" vertoonde, het ondertekend getuigschrift overeenkomstig de artikelen 1319 en 1322 BW als bewijskrachtig had moeten beschouwen zoals een authentieke akte en tussen de partijen alleszins bewijs opleverend krachtens artikel 1320 BW, faalt naar recht
(1).
(1)Zie Cass., 21 feb. 1984, AR nr 8443, A.C., 1983-1984, nr
- Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Schriftelijk bewijs - Onderhandse akte - Onderhandse biljetten Vrije woorden: Medisch attest - Beoordeling Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1319, 1320 en 1322 Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Geschriften - Bewijskracht UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Schriftelijk bewijs - Onderhandse akte - Onderhandse biljetten Vrije woorden: Akten - Medisch attest - Bewijswaarde - Beoordeling Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1319, 1320 en 1322 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. S.08.0127.N HEGO, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2970 Schilde, Fondatiedreef 15, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen D.M., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 april 2008 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 26, eerste lid, 31, 32, aanhef en enig lid, 5°, 39, §1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; - de artikelen 1315, 1319, 1320, 1322, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek. Bestreden beslissing In het bestreden arrest verklaart het Arbeidshof te Antwerpen eise¬res' hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 13 augustus
- Het veroordeelt dienvolgens de eiseres tot betaling aan de verweerder van 18.406,08 euro opzeggingsvergoeding (te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf de datum van opeisbaarheid en met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van dagvaarding, intresten te berekenen op het netto opeisbaar gedeelte van de toegekende vergoedingen), tot afgifte van sociale documenten en tot betaling van de kosten van het geding, en legt de kosten van het hoger beroep voor 3/4 ten laste van de eiseres. Het arbeidshof gaat uit van volgende feitelijke vaststellingen (arrest vanaf p. 3, V.1.):
(1)de verweerder trad op 1 september 2001 als bediende in dienst met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur;
(2)eind 2004/begin 2005 ontstond een ernstig conflict tussen de echtgenote van de verweerder en de personeelsverantwoordelijke van de eiseres, conflict dat er kennelijk toe geleid heeft dat beide dames strafklacht tegen elkaar hebben neergelegd;
(3)dit conflict veroorzaakte een spanning bij de verweerder, waardoor deze (met staving door een medisch attest) arbeidsongeschikt werd vanaf 7 februari 2005; een tweede attest van 18 februari 2005 verlengde de arbeidsongeschiktheid;
(4)een controlearts stelde op 23 februari 2005 vast dat de verweerder arbeidsgeschikt was, doch voegde er aan toe dat "om psychologische (redenen) hij niet meer het huidige werk (kan) doen";
(5)de verweerder nam contact op met zijn behandelende arts die met een attest van 24 februari 2005 bevestigde dat verweerder "om psychische redenen niet in staat is om zijn huidige functie bij het bedrijf Hego nog verder uit te oefenen. Deze onmogelijkheid is definitief en gaat in op 24 februari 2005";
(6)de verweerder gaf dit attest van 24 februari 2005 af aan de eiseres;
(7)op 25 februari 2005 overhandigde de eiseres aan de verweerder een C4 document met vermelding dat de arbeidsovereenkomst op 24 februari 2005 was beëindigd wegens medische overmacht;
(8)met een brief van 5 april 2005 betwistten de toenmalige raadslieden van de verweerder dat de arbeidsovereenkomst een einde had genomen ingevolge definitieve arbeidsongeschiktheid;
(9)op 21 maart 2006 heeft verweerders behandelende geneesheer nog een bijkomende verklaring afgelegd in verband met zijn eerder attest van 24 februari
- Het arbeidshof grondt zijn beslissing op volgende motieven (arrest vanaf p. 5, nr. 2.1.) : "(...) Krachtens artikel 32, 5°, van de Arbeidsovereenkomstenwet nemen, behoudens de algemene wijzen waarop de verbintenissen tenietgaan, de verbintenissen voortspruitend uit de door deze wet geregelde overeenkomsten een einde door overmacht. De blijvende arbeidsongeschiktheid waardoor het de werknemer definitief onmogelijk is de bedongen taak, met inbegrip van de overeengekomen arbeidstijd, te hervatten, is krachtens de artikelen 31, §1, en 32, 5°, Arbeidsovereenkomstenwet een geval van overmacht waardoor de arbeidsovereenkomst een einde neemt. De overmacht dient enkel beoordeeld te worden ten aanzien van de bedongen arbeid en niet op grond van de mogelijkheid die de werkgever heeft om aan de werknemer ander passend werk te verschaffen. (...) In deze zaak staat niet ter discussie dat de BVBA het einde van de arbeidsovereenkomst met de heer D.C. heeft vastgesteld wegens overmacht, inzonderheid wegens de (vermeende) blijvende arbeidsongeschiktheid van de heer D.C. om zijn functie uit te oefenen. Als partij die zich op overmacht beroept om het einde van de arbeidsovereenkomst op grond daarvan vast te stellen, draagt de BVBA de bewijslast van de ingeroepen definitieve arbeidsongeschiktheid. Zoals de eerste rechters is dit arbeidshof van oordeel dat de BVBA faalt in deze op haar rustende bewijslast. De medische stukken die in dit dossier voorliggen laten inderdaad niet toe te besluiten dat (verweerder) op 24 februari 2005 definitief arbeidsongeschikt was om zijn functie bij de BVBA uit te oefenen. Enerzijds is er weliswaar het medisch attest van dr. S. van 24 februari 2005, doch anderzijds kan niet voorbijgegaan worden aan het feit dat de controlearts (de verweerder), na onderzoek de dag voordien, arbeidsgeschikt bevond. De definitieve ongeschiktheid die plots op 24 februari 2005 door dr. S. werd geattesteerd staat bovendien in schril contrast met zijn eerdere attesten, waarin telkens sprake was van een relatief korte periode van arbeidsongeschiktheid en waarin telkens een datum voor werkhervatting werd vermeld. Gelet op de niet betwiste, directe aanleiding voor de afwezigheid van de heer D.C. sedert 7 februari 2005, de tegenstrijdige medische gegevens en de bijkomende verklaring van dr. S. van 21 maart 2006, bestaat er bij dit arbeidshof niet de minste twijfel dat (verweerder) op 24 februari 2005 niet definitief arbeids¬ongeschikt was om zijn functie bij de BVBA verder uit te oefenen. Het valt dan ook te betreuren en het getuigt van weinig beroepsernst dat dr. S. , allicht om de heer D.C. behulpzaam te zijn, op 24 februari 2005 het hiervoor vermelde attest heeft afgeleverd. (...) Vermits de BVBA ten onrechte de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht heeft vastgesteld wordt zij geacht de arbeidsovereenkomst eenzijdig en onrechtmatig te hebben beëindigd." Grieven Eerste onderdeel Ingevolge artikel 32, aanhef en enig lid, 5°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gelezen in verband met de artikelen 26, eerste lid, en 31, §1, van dezelfde wet, neemt de arbeidsovereenkomst een einde wanneer de onmogelijkheid van de werknemer om zijn werk te verrichten ten gevolge van ziekte of ongeval, definitief is. Onder het begrip "zijn werk" moet worden begrepen de in de overeenkomst bedongen taak. Luidens de artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 1315 van het Burgerlijk Wetboek dient de partij die zich beroept op het einde van de arbeidsovereenkomst ingevolge overmacht, bestaande in de definitieve onmogelijkheid om het bedongen werk nog te verrichten, het bewijs hiervan te leveren. Overeenkomstig artikel 31, §2, van de genoemde Arbeidsovereenkomstenwet is de werknemer verplicht zijn werkgever onmiddellijk op de hoogte te brengen van zijn arbeidsongeschiktheid, wat in beginsel zal geschieden door overlegging van een geneeskundig getuigschrift, dat onder meer melding maakt van de arbeidsongeschiktheid en van de waarschijnlijke duur ervan. Een ondertekend geneeskundig getuigschrift is in beginsel bewijskrachtig zoals een authentieke akte, overeenkomstig artikelen 1319 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en levert tussen partijen alleszins bewijs op krachtens artikel 1320 van het Burgerlijk Wetboek. Het arbeidshof erkent dat verweerder, nadat hij op 23 februari 2005 een controlearts op bezoek had gehad, op 24 februari 2005 zijn behandelende geneesheer raadpleegde die in een geneeskundig attest van dezelfde datum bevestigde dat de verweerder "om psychische redenen niet in staat is om zijn huidige functie bij het bedrijf Hego nog verder uit te oefenen. Deze onmogelijkheid is definitief en gaat in op 24 februari 2005". Het arbeidshof erkent dat aldus een geneeskundig attest voorlag dat de definitieve (en onmiddellijke) arbeidsongeschiktheid van verweerder attesteerde om de bedongen functie nog verder uit te oefenen bij de eiseres. Het arbeidshof stelde tevens vast dat de verweerder dit attest aan de eiseres bezorgde, waarna en ten gevolge waarvan de eiseres met een C4 document van 25 februari 2005 stelde dat de arbeidsovereenkomst was ten einde gekomen op 24 februari 2005 wegens medische overmacht. Het arbeidshof stelt niet vast dat de verweerder zou hebben voorgehouden, toen hij op 24 februari 2005 het geneeskundig attest van zijn behande¬lende geneesheer aan de eiseres overhandigde of ten laatste op het ogenblik waarop de eiseres zich op dit attest zou beroepen, dat dit attest vervalst was of enig "(wils)gebrek" vertoonde, waardoor het niet als bewijskrachtig zou kunnen worden opgevat of dat dit attest door de eiseres redelijkerwijze niet als geneeskundig attest, in de zin van artikel 31, §2, van de Arbeidsovereenkomstenwet, kon worden opgevat. De eiseres mocht er aldus van uitgaan dat de verweerder, die op de arbeidsrechtelijk voorgeschreven wijze, met overlegging van een regelmatig opgesteld geneeskundig attest, zonder voorbehoud melding maakte van zijn definitieve en onmiddellijke onmogelijkheid om de bedongen arbeidstaak nog verder te zetten bij de eiseres, definitief arbeidsongeschikt was om de bedongen arbeidstaak nog verder uit te oefenen. De werkgever beschikt over de mogelijkheid, krachtens artikel 31, §§3 en 4, van de genoemde Arbeidsovereenkomstenwet om een hem door de werknemer gemelde en gestaafde arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of ongeval, te laten controleren en desgewenst te betwisten, doch hij is hiertoe niet verplicht. De werkgever is volkomen gerechtigd het hem door een werknemer overhandigd geneeskundig attest inzake de arbeidsongeschiktheid van de werknemer voor waar aan te nemen en hieruit de wettelijk voorgeschreven arbeidsrechtelijke gevolgen af te leiden. Waar het arbeidshof oordeelt dat, gelet op het door verweerder in hogergenoemde omstandigheden overgelegd geneeskundig getuigschrift, de eiseres ten onrechte de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht heeft vastgesteld en zij geacht moest worden zelf de arbeidsovereenkomst te hebben verbroken, schendt het arbeidshof bijgevolg alle in dit onderdeel vermelde wetsbepalingen, te weten de artikelen 26, eerste lid, 31, 32, aanhef en enig lid, 5°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Het arbeidshof kon bijgevolg, bij gebreke aan een onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de eiseres, evenmin wettig de eiseres veroordelen tot betaling van de bij artikel 39, §1, van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 bedoelde opzeggingsvergoeding. Het arbeidshof schendt dus eveneens deze wettelijke bepaling. Tweede onderdeel Ingevolge artikel 32, aanhef en enig lid, 5°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gelezen in verband met de artikelen 26, eerste lid, en 31, §1, van dezelfde wet, neemt de arbeidsovereenkomst een einde wanneer de onmogelijkheid van de werknemer om zijn werk te verrichten ten gevolge van ziekte of ongeval, definitief is. Onder het begrip "zijn werk" moet worden begrepen de in de overeenkomst bedongen taak. Luidens de artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 1315 van het Burgerlijk Wetboek dient de partij die zich beroept op het einde van de arbeidsovereenkomst ingevolge overmacht, bestaande in de definitieve onmogelijkheid om het bedongen werk nog te verrichten, het bewijs hiervan te leveren. Overeenkomstig artikel 31, §2, van de genoemde Arbeidsovereenkomstenwet is de werknemer verplicht zijn werkgever onmiddellijk op de hoogte te brengen van zijn arbeidsongeschiktheid, wat in beginsel zal geschieden door overlegging van een geneeskundig getuigschrift dat onder meer melding maakt van de arbeidsongeschiktheid en van de waarschijnlijke duur ervan. Het arbeidshof erkent dat de verweerder, nadat hij op 23 februari 2005 een controlearts op bezoek had gehad, op 24 februari 2005 zijn behandelende geneesheer raadpleegde die in een geneeskundig attest van dezelfde datum bevestigde dat de verweerder "om psychische redenen niet in staat is om zijn huidige functie bij het bedrijf Hego nog verder uit te oefenen. Deze onmogelijkheid is definitief en gaat in op 24 februari 2005". Het arbeidshof stelde tevens vast dat de verweerder dit attest aan de eiseres bezorgde, waarna en ten gevolge waarvan de eiseres met een C4 document van 25 februari 2005 stelde dat de arbeidsovereenkomst was ten einde gekomen op 24 februari 2005 wegens medische overmacht. Indien er zou moeten worden van uitgegaan, wat volgens de eiseres niet het geval is, dat de eiseres zich niet kon beroepen op de bewijskracht van het haar door de verweerder zelf overgemaakt geneeskundig getuigschrift van zijn behandelende geneesheer van 24 februari 2005, om vast te stellen dat de verweerder in de definitieve onmogelijkheid verkeerde om de bedongen arbeid bij de eiseres nog verder uit te oefenen, moet worden vastgesteld dat de door het arbeidshof vermelde bijkomende elementen het (arbeids)hof niet toelieten wettig te besluiten dat de eiseres niet het bewijs leverde van de definitieve arbeidsongeschiktheid van verweerder om de bedongen arbeid nog verder te verrichten. Zo stelt het arbeidshof vooreerst dat er "niet (kan) voorbijgegaan worden aan het feit dat de controlearts (de verweerder), na onderzoek de dag voordien, arbeidsgeschikt bevond". In dat verband weze niet alleen opgemerkt dat, zoals door het arbeidshof zelf vastgesteld, het bezoek van de controlearts dateerde van vóór de vaststellingen van de behandelende geneesheer. De omstandigheid dat een arts op een bepaald ogenblik een bepaalde vaststelling doet, neemt niet weg dat een dag later een andere vaststelling kan worden gedaan. Bovendien erkende het arbeidshof zelf (arrest p. 4, alinea's 4 en 5) dat de controlerende geneesheer daags vóór de behandelende geneesheer reeds had vastgesteld dat de verweerder "om psychologische (redenen) niet meer het huidige werk (kan) doen". De vaststelling dat iemand om psychologische redenen zijn werk niet meer kan doen is volkomen verenigbaar met de vaststelling dat dezelfde persoon "om psychische redenen niet in staat is om zijn huidige functie bij het bedrijf Hego nog verder uit te oefenen", zoals vastgesteld in het attest van 24 februari
- Voorts wijst het arbeidshof erop dat de definitieve arbeidsongeschiktheid die op 24 februari 2005 werd geattesteerd door dokter S. "in schril contrast (staat) met zijn eerdere attesten, waarin telkens sprake was van een relatief korte periode van arbeidsongeschiktheid en waarin telkens een datum voor werkhervatting werd vermeld". De omstandigheid dat een geneesheer achtereenvolgens korte en aaneensluitende periodes van arbeidsongeschiktheid erkent bij een werknemer, is niet onverenigbaar met het feit dat hij na deze tijdelijke arbeidsongeschiktheden op een bepaald ogenblik van oordeel is dat vanaf dan een definitieve arbeidsongeschiktheid voorligt. Vervolgens wijst het arbeidshof op de "directe aanleiding voor de afwezigheid van de heer D.C. sedert 7 februari 2005", te weten, volgens de vaststellingen van het arbeidshof zelf, "een vrij ernstig conflict tussen de echtgenote van de heer D.C. en de personeelsverantwoordelijke van de BVBA, mevrouw V.D. , conflict dat er kennelijk ook toe heeft geleid dat beide dames strafklacht tegen elkaar hebben neergelegd" en waarvan het arbeidshof vaststelt dat dit conflict bij de verweerder "een zodanige spanning veroorzaakt dat hij zich op 7 februari 2005 ziek meldde" (arrest p. 3, onderaan). Deze door het arbeidshof geschetste omstandigheden sluiten niet uit dat de arbeidsongeschiktheid van verweerder ingevolge de spanning en de psychologische problemen die zij meebrachten, definitief kon zijn. Het arbeidshof laat overigens na aan te wijzen op welke wijze deze omstandigheden op één of andere manier onverenigbaar zouden zijn met de definitieve arbeidsongeschiktheid. Tot slot verwijst het arbeidshof ook naar de "bijkomende verklaring van dr. S. van 21 maart 2006". Een verklaring die dateert van ruim één jaar na de afgifte van het geneeskundig attest dat de definitieve arbeidsongeschiktheid vaststelt, kan niet wettig worden betrokken in de beoordeling - op het ogenblik van en onmiddellijk na deze afgifte van het attest - van de waarachtigheid of geldigheid van dit geneeskundig attest. De rechter vermag, overeenkomstig artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek, in de zaken waar het bewijs door vermoedens is toegelaten, op grond van de door hem vastgestelde feiten de gevolgtrekking maken, die hij passend acht, op voorwaarde weliswaar dat de door de rechter geformuleerde gevolgtrekking verenigbaar of bestaanbaar is met de hiervoor vastgestelde feitelijke elementen. De vier door het arbeidshof vastgestelde, hierboven besproken, feitelijke elementen laten niet toe bij wege van vermoedens te besluiten tot de onwaarachtigheid van de vaststelling, door een geneesheer, van de definitieve arbeidsongeschiktheid in hoofde van verweerder om de bedongen arbeid te verrichten bij de eiseres. Het arbeidshof schendt bijgevolg de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, alle andere bepalingen aangehaald in de aanhef van het middel. Het arbeidshof kon bijgevolg, bij gebreke aan een onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de eiseres, evenmin wettig de eiseres veroordelen tot betaling van de bij artikel 39, §1, van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 bedoelde opzeggingsvergoeding. Het arbeidshof schendt dus eveneens deze wettelijke bepaling. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- De rechter beoordeelt op onaantastbare wijze in feite de bewijswaarde van medische attesten, voor zover hij de bewijskracht van die stukken niet miskent. De als geschonden aangewezen wetsbepalingen sluiten dit niet uit. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest, waar het niet oordeelt dat het attest vervalst was of enig "(wils)gebrek" vertoonde, het ondertekend getuigschrift overeenkomstig de artikelen 1319 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek als bewijskrachtig had moeten beschouwen zoals een authentieke akte, en tussen de partijen alleszins bewijs opleverend krachtens artikel 1320 van het Burgerlijk Wetboek, faalt het naar recht.
- Het arrest geeft van het attest van dokter S. van 24 februari 2005 geen uitlegging. In zoverre het onderdeel door de schending aan te voeren van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, de miskenning door het arrest van de bewijskracht van voormeld attest aanvoert, mist het feitelijke grondslag.
- Het arrest beoordeelt op onaantastbare wijze in feite de bewijswaarde van dit medisch attest en oordeelt eveneens onaantastbaar in feite dat de verweerder niet definitief arbeidsongeschikt was en dat er geen overmacht was. In zoverre het onderdeel opkomt tegen die feitelijke beoordelingen, is het niet ontvankelijk.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat de werkgever volkomen gerechtigd is het hem door een werknemer overhandigd geneeskundig attest inzake de arbeidsongeschiktheid van de werknemer voor waar aan te nemen en hieruit de wettelijk voorgeschreven arbeidsrechtelijke gevolgen af te leiden, geeft het niet aan hoe en waardoor het arrest welke van de aangewezen wetsbepalingen schendt. In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Anders dan het onderdeel aanvoert, heeft het arrest uit de feitelijke omstandigheden die het aangeeft, met inbegrip van de in het onderdeel aangehaalde vaststellingen, naar recht en zonder schending van de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen kunnen afleiden dat de inhoud van het attest van dokter S. van 24 februari 2005 niet met de werkelijkheid strookte en dat de verweerder niet definitief arbeidsongeschikt was voor de bedongen arbeid bij de eiseres. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 278,70 euro jegens de eisende partij en op de som van 116,22 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 2 februari 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. Ph. Van Geem K. Mestdagh A. Smetryns E. Dirix E. Waûters R. Boes PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090202.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CTBRL:2023:ARR.20230220.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div