← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090203.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090203.2 Rolnummer: P.08.1021.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-02-24 Raadplegingen: 655 - laatst gezien 2026-07-03 01:01 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Niet ontvankelijk, bij gebrek aan belang, is het cassatiemiddel dat de miskenning van de bewijskracht van een akte aanvoert, indien de rechter uitspraak doet zoals hij had moeten doen ongeacht of hij de aangevoerde miskenning van bewijskracht van de akte al dan niet had begaan

(1).
(1)Cass., 28 april 1995, AR C.93.0250.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950428.11, A.C., 1995, nr 213; Cass., 8 jan. 2004, AR C.01.0461.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040108.6, A.C., 2004, nr. 7. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in strafzaken - Belang PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Motiveringsplicht - art. 149 Vrije woorden: Middel afgeleid uit de miskenning van de bewijskracht van een akte - Rechter die uitspraak doet zoals hij ook zonder die miskenning had moeten doen - Ontvankelijkheid Fiche 2 Het arrest dat oordeelt dat de bestraffing die het oplegt een juiste en afdoende bestraffing vormt gelet op de ernst en de omvang van de feiten en rekening houdend met het strafrechtelijk verleden van de beklaagde, antwoordt aldus op de conclusie van de beklaagde die op grond van allerlei omstandigheden een mildere straf vroeg
(1).
(1)Zie Cass., 30 juni 1993, AR P.93.0262.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930630.9, A.C., 1993, nr.
  1. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in strafzaken - Belang PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Motiveringsplicht - art. 149 Vrije woorden: Aanvraag om uitstel - Verwerping Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.08.1021.N Y R Y, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Philip Somers, advocaat bij de balie te Turnhout. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 22 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: de eiser heeft in zijn appelconclusie de telastlegging A.2 betwist in zoverre ze betrekking heeft op W J, zodat het arrest dat oordeelt dat de ten laste gelegde feiten niet worden betwist, de bewijskracht van eisers appelconclusie miskent.
  4. De appelrechters hebben de schuld van de eiser aan de hem ten laste gelegde feiten A.2 onderzocht. Met verwijzing naar de vaststellingen van de sociale inspecteurs en de lokale politie en met overname van de redengeving van de eerste rechter, oordelen zij dat eisers schuld aan die feiten door het strafonderzoek en het onderzoek ter rechtszitting bewezen is gebleven. Zij doen aldus uitspraak zoals zij hadden moeten doen ongeacht of zij de aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten al dan niet hadden begaan, zodat de aangevoerde miskenning van de bewijskracht zonder belang is. Het middel is niet ontvankelijk. Tweede middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest overweegt dat de telastleggingen A.1 en C niet bewezen zijn en de eiser ervan dient te worden vrijgesproken; enerzijds spreekt het de eiser in het dictum slechts vrij van het hem ten laste gelegde feit A.1; anderzijds motiveert het wegens deze tegenstrijdigheid de opgelegde straf niet wettig.
  6. Het arrest verklaart de eiser enkel schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten A.2, zoals heromschreven, B, D en E, stelt vast dat hij zich in staat van bijzondere herhaling bevindt wat de feiten A.2 en B betreft, en veroordeelt hem voor deze vermengde feiten tot straf.
  7. Het middel dat ervan uitgaat dat het arrest de eiser ook schuldig verklaart aan en tot straf veroordeelt voor de telastlegging C, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist aldus feitelijke grondslag. Derde middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en van de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: de opgelegde straf is clichématig en niet individueel en concreet gemotiveerd.
  9. Krachtens artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering vermeldt het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, waarom de rechter, als de wet hem daartoe vrije beoordeling overlaat, dergelijke straf of dergelijke maatregel uitspreekt.
  10. Anders dan waarvan het middel uitgaat, vermeldt het arrest de elementen van de zaak, waaronder de omstandigheid dat de eiser zich in staat van bijzondere herhaling bevindt, op grond waarvan het de opgelegde straf bepaalt. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel
  11. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op de door de eiser aangevoerde argumenten voor een mildere straf.
  12. Het arrest dat oordeelt dat de bestraffing die het oplegt, een juiste en afdoende bestraffing vormt gelet op de ernst en de omvang van de feiten die het sociaal zekerheidsstelsel ontwrichten en rekening houdend met het strafrechtelijk verleden van de eiser die zich in staat van bijzondere herhaling bevindt, antwoordt aldus op de conclusie van de eiser die op grond van allerlei omstandigheden een mildere straf vroeg. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 63,39 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 3 februari 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090203.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140403.15 precedenten: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930630.9 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950428.11 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040108.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.