← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090203.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 14

.7 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Non bis in idem Vrije woorden: Artikel 14.7 - "Non bis in idem" - Identiteit van de feiten - Onaantastbare beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Algemeen

Art. 14

.7 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Non bis in idem Vrije woorden: Strafzaken - "Non bis in idem" - Identiteit van de feiten Wettelijke bepalingen: Algemeen

Art. 14.7 Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN.

OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Non bis in idem Vrije woorden: Opdracht van het Hof - Strafzaken - "Non bis in idem" - Identiteit van de feiten - Onaantastbare beoordeling door de rechter - Toezicht van het Hof - Grenzen - Marginale toetsing Wettelijke bepalingen: Algemeen

Art. 14

.7 Fiche 7 Met hetzelfde strafbaar feit wordt niet enkel de wettelijke telastlegging maar ook de erdoor beoogde werkelijke feitelijke gedraging en zijn omstandigheden bedoeld

(1).
(1)DECLERCQ R., Beginselen van Strafrechtspleging, 4de ed. 2007, p. 159, nr. 264. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Non bis in idem Vrije woorden: Strafzaken - "Non bis in idem" - Identiteit van de feiten Wettelijke bepalingen: Algemeen

Art. 14

.7 Fiche 8 Naar een binnen de interne Belgische rechtsorde bestaand algemeen rechtsbeginsel en krachtens artikel 14.7 IVBPR mag niemand door de strafrechter worden berecht of bestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij vroeger reeds bij een kracht van gewijsde gegaan vonnis is veroordeeld of vrijgesproken; aangezien overeenkomstig artikel 20 Gerechtelijk Wetboek middelen van nietigheid niet kunnen worden aangewend tegen vonnissen en deze alleen kunnen worden vernietigd door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald, kan de omstandigheid dat het vroeger vonnis in zijn beoordeling van het strafbare feit een onwettigheid zou hebben begaan, geen afbreuk doen aan de vaststelling dat het een bepaalde feitelijke gedraging en zijn omstandigheden heeft beoordeeld. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Non bis in idem Vrije woorden: Strafzaken - "Non bis in idem" - Identiteit van de feiten - Onwettigheid in het vroegere vonnis - Vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan Tekst van de beslissing Nr. P.08.1742.N I PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, eiser, tegen M J V, beklaagde, gedetineerd, verweerder. II J L C, beklaagde, eiser, tegen 1. F V, burgerlijke partij, 2. C V, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 30 september 2008. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert geen middel aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconclueerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Middel 1. Het middel voert schending aan van "niet limitatief" artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 1 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 179, 199, 200, 202, 211, 226 en 227 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 8, 23, 556 en 609 Gerechtelijk Wetboek alsmede miskenning van het rechtsbeginsel "ne bis in idem" en het rechtbeginsel van het volstrekt gezag van gewijsde in strafzaken. 2. Het middel komt op tegen, enerzijds, de verwerping van eisers verzoek om een conclusie van de verweerder wegens laattijdigheid te weren, anderzijds, tegen de beslissing van het bestreden arrest dat in toepassing van het rechtsbeginsel "ne bis in idem" elke verdere strafvervolging van de verweerder met betrekking tot de thans tegen hem aangevoerde enige telastlegging onmogelijk is geworden. Het middel bevat derhalve twee onderscheiden grieven. Eerste grief 3. In strafzaken leggen de partijen hun conclusie neer ter rechtszitting. Geen enkele bepaling verplicht de beklaagde zijn conclusie vooraf aan het openbaar ministerie mede te delen. De grief die ervan uitgaat dat een op de laatste rechtszitting neergelegde en niet vooraf medegedeelde conclusie wegens laattijdigheid moet worden geweerd, faalt naar recht. Tweede grief 4. Naar een binnen de interne Belgische rechtsorde bestaand algemeen rechtsbeginsel mag niemand door de strafrechter worden berecht of bestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij vroeger reeds bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis is veroordeeld of vrijgesproken. 5. Zowel artikel 14.7 IVBPR en artikel 4 zevende aanvullend protocol EVRM verkondigen een gelijkaardige regel. Artikel 4 zevende aanvullend protocol EVRM is in België enkel goedgekeurd bij ordonnantie van het Hoofdstedelijk Brusselse Gewest van 7 december 2006, in werking getreden op 13 januari 2007. Zolang het protocol evenwel niet is goedgekeurd door de Belgische Staat, heeft het in België geen werking. 6. Het komt de strafrechter toe in feite te oordelen of een beklaagde wordt vervolgd voor een strafbaar feit waarvoor hij vroeger reeds bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis is veroordeeld of vrijgesproken. Zijn oordeel desomtrent is in beginsel onaantastbaar. Het Hof toetst alleen of de maatstaven die de rechter bij zijn beoordeling in acht neemt, zijn beslissing wettig kunnen verantwoorden. 7. Met hetzelfde strafbaar feit wordt niet enkel de wettelijke telastlegging maar ook de erdoor beoogde werkelijke feitelijke gedraging en zijn omstandigheden bedoeld. 8. Overeenkomstig artikel 20 Gerechtelijk Wetboek kunnen middelen van nietigheid niet worden aangewend tegen vonnissen; deze kunnen alleen worden vernietigd door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. De omstandigheid dat het vroegere vonnis in zijn beoordeling van het strafbare feit een onwettigheid zou hebben begaan, kan derhalve geen afbreuk doen aan de vaststelling dat het een bepaalde feitelijke gedraging en zijn omstandigheden heeft beoordeeld. 9. De verweerder staat in de huidige strafzaak terecht wegens mededaderschap aan: "Bij inbreuk op artikel 1, 2bis §§ 1, 3.

  1. c)en 5, artikel 4, §§ 1, 4 en 6, en artikel 6 van de wet van 24. februari 1921 betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (B.S. 6 maart 1921), op de artikelen 1, 2, 11, 15, 26bis 10 en 40 en 28, § 1 en 2.3°, van het KB van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies (B.S. 10 januari 1931), buiten de aankoop of het bezit krachtens geneeskundig voorschrift zonder voorafgaande vergunning van de minister van Volksgezondheid, onder bezwarende titel of om niet, verdovingsmiddelen, te hebben verkocht, te koop gesteld of afgeleverd, namelijk het zogenaamde product heroïne dat substanties bevat welke onder de wetenschappelijke benaming heroïnum opgenomen zijn in artikel 1, nr. 36 van voormeld KB van 31 december 1930, terzake te hebben verkocht, te koop gesteld of afgeleverd; met de omstandigheid dat het gebruik dat ten gevolge van de misdrijven van de in § 1 bepaalde stoffen is gemaakt de dood heeft veroorzaakt, en meer bepaald verkoop en/of verschaffen van een niet nader te bepalen hoeveelheid heroïne, te Zedelgem op 3 en 4 juni 2005 met de omstandigheid dat ten gevolge het misdrijf van het gebruik dat van de heroïne is gemaakt de dood heeft veroorzaakt van [x. verweerders broer] te Zedelgem op 3 of 4 juni 2005, met [onder meer] de omstandigheid dat [de verweerder] zich bevindt in staat van bijzondere herhaling, gezien de nieuwe similaire feiten gepleegd zijn binnen de vijf jaren na het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de correctionele rechtbank van Brugge de dato 6 februari 2001 waarin hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, wegens: - verdovende middelen: bezit, - verdovende middelen: bezit/verkoop/het te koop stellen." 10. Blijkens het bestreden arrest werd de verweerder door het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de correctionele rechtbank te Brugge van 13 april 2006 veroordeeld voor: "A. te Zedelgem en elders in het Rijk, in de periode van 1 maart 2005 tot 8 november 2005, verkoop van minstens 80 tot 100 gram heroïne; B. te Zedelgem in de periode van 1 maart 2005 tot 8 november 2005, herhaaldelijk aangezet te hebben tot het gebruik van heroïne, cocaïne en marihuana. " Dit vonnis werd reeds uitgevoerd. 11. Ingevolge artikel 2bis, § 3, c Drugswet is de straf op drugsmisdrijven opsluiting van tien tot vijftien jaar "indien het gebruik dat tengevolge van de in 1 bepaalde stoffen is gemaakt, de dood heeft veroorzaakt". De veroorzaakte dood is aldus een louter feitelijke omstandigheid die strafverzwaring bij een drugsmisdrijf meebrengt. 12. Anders dan de grief aanvoert is de omstandigheid dat in de lezing die het bestreden arrest ervan geeft, het vonnis van de Correctionele Rechtbank van Brugge van 13 april 2006 onwettigheden zou bevatten, te dezen irrelevant. Integendeel, op grond van de feitelijke gegevens die het bestreden arrest vermeldt en bespreekt, heeft het wettig kunnen oordelen zoals het heeft gedaan. De grief kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering 13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Laat de kosten van het cassatieberoep I ten laste van de Staat. Veroordeelt de eiser II in de kosten van zijn cassatieberoep. Begroot de kosten op in het geheel op 134,84 euro waarvan de eiser I 60,47 euro verschuldigd is en de eiser II 74,37 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 3 februari 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090203.4 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130129.3 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160302.1 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170921.2 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210106.2F.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070410.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110719.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130625.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140409.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.