← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090206.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090206.5 Rolnummer: C.08.0295.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-04-06 Raadplegingen: 586 - laatst gezien 2026-07-03 00:57 Versie(s): Vertaling FR Fiche Hoewel de bepaling dat de eigenaar wiens erf ingesloten ligt omdat dit geen voldoende toegang heeft tot de openbare weg en deze toegang niet kan inrichten zonder overdreven onkosten of ongemakken, voor het normale gebruik van zijn eigendom naar de bestemming ervan, een uitweg kan vorderen over de erven van zijn naburen, tegen betaling van een vergoeding in verhouding tot de schade die hij mocht veroorzaken, niet vereist dat het erf van degene die een uitweg vordert, volledig moet zijn ingesloten, kan geen uitweg worden toegekend als blijkt dat de moeilijkheden die de eigenaar van het beweerd ingesloten erf ondervindt om een voldoende toegang te hebben tot de openbare weg in overeenstemming met het normale gebruik van zijn eigendom en de bestemming ervan, niet voortspruiten uit de ligging van zijn erf, maar uit de bouwwerken die op dit erf zijn uitgevoerd door de eigenaar of zijn rechtsvoorganger

(1).
(1)Zie Cass., 14 juni 1985, AR 4639, A.C., 1984-85, nr.
  1. Thesaurus CAS: ERFDIENSTBAARHEID UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Erfdienstbaarheid - Door de wet - Uitweg en overgang Vrije woorden: Recht van uitweg - Ingeslotenheid - Bouwwerken door de eigenaar Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 682, § 1 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.08.0295.N S.F., eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
  2. D. P.,
  3. V. V. K., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 22 februari 2008 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 682, §1, en 683, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden vonnis van 22 februari 2008 verklaart de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent het hoger beroep van de eiser tegen het vonnis van 3 april 2006 van het Vredegerecht van het tweede kanton Gent, waarbij gezegd werd voor recht dat ten voordele van het perceel kadastraal gekend onder sectie C nr. 514/P/2 gelegen te Gent/Drongen aan de Luchterenkerkweg 35 en thans eigendom van de verweerders een recht van uitweg wordt toegekend ten laste van het perceel kadastraal gekend onder sectie C nr. 514/L/2 meer bepaald over de strook gelegen voor de garage en tussen de muren en de perceelgrens uitgevoerd op de Groene Wandeling en thans toebehorend aan de eiser, ontvankelijk doch ongegrond. De rechtbank van eerste aanleg stoelt deze beslissing op volgende motieven: "
  4. Het recht van uitweg De Vrederechter stelde vast dat door de (eiser) gedurende jaren een uitweg werd gedoogd over zijn eigendom. Hij oordeelde vervolgens dat gelet op de zeer specifieke omstandigheden (met name de verdeling van de percelen, het onmiddellijk erna optrekken van de woning met achterliggende garage, de jarenlange niet verstoorde gedoogzaamheid om de strook te gebruiken, gekoppeld aan de afwezigheid van enig protest voor de aankoop door de huidige eigenaars noch tegen de wijze van bouwen noch tegen de exploitatie van het gebouw) er pas sprake was van insluiting sinds het verzet tegen het verdere gebruik van de vrije strook, zodat (de verweerders) wel degelijk een recht op uitweg wegens ingeslotenheid konden vorderen. (De eiser) blijft in beroep ontkennen dat de garage van (de verweerders) een autobergplaats zou geweest zijn en als dusdanig werd gebruikt. Uit de door de Vrederechter gehouden getuigenverhoren kon evenwel duidelijk blijken dat vorige huurders van de woning van (de verweerders) steeds de vrije strook als inrit konden gebruiken en dat de vorige eigenaars (de eiser) zelfs hadden gevraagd om de gedoogzaamheid schriftelijk te willen bevestigen, hetgeen deze evenwel weigerde. De Vrederechter oordeelde terecht dat het om een gedoogzaamheid ging, doch niet meer dan dat. De opwerping van (de eiser) dat er door hem nooit enig recht van uitweg werd verleend, zoals overigens bevestigd door de verklaring van I. S. (stuk 8 eiser), werd hierdoor bevestigd. (De eiser) stelt verder dat zijn erf niet behoorde tot het perceel dat werd gesplitst. Dit is correct en blijkt uit de voorliggende documenten: niet de erven van F. en I. S. werden gesplitst, doch wel de erven van I. en E. S.. De Vrederechter wijst evenwel niet op een splitsing van de percelen, doch op de verdeling ervan naar aanleiding van de akte van verdeling van 30 juni
  5. De opwerping van (de eiser) is dan ook niet pertinent ten aanzien van de redenering die de Vrederechter opbouwde. (De eiser) betwist dat het perceel van (de verweerders) ingesloten is aangezien het grenst aan de Luchterenkerkweg. De ingeslotenheid van een erf dient evenwel beoordeeld te worden, niet enkel op grond van het al dan niet palen aan de openbare weg, maar ook naar de omstandigheden van normaal gebruik van het perceel volgens de bestemming ervan en de kosten of ongemakken voor het inrichten van de toegang tot het erf. In die zin is het perceel van (de verweerders) wel degelijk ingesloten wat betreft de garage, aangezien het normale gebruik van de garage voor voertuigen niet mogelijk is langs de Luchterenkerkweg. Volgens (de eiser) werd de ingeslotenheid met betrekking tot de garage door de rechtsvoorgangers van (de verweerders) zelf veroorzaakt. Op dit punt haalde de eerste rechter aan dat men niet kan aannemen dat er sprake was van ingeslotenheid voor de aankoop van de woning door (de verweerders), aangezien (de eiser) gedoogde dat de vrije strook achter zijn woning werd gebruikt om toegang tot de garage te nemen. Het feit dat (de eiser) dit gedoogde leidde de Vrederechter af uit de getuigenverhoren, alsook uit het feit dat (de eiser) nooit enig verzet deed tegen het optrekken van een garage met uitgang naar zijn eigendom. De Vrederechter oordeelde terecht. Uit het geheel der feitelijke omstandigheden kan voldoende worden afgeleid dat (de eiser) gedurende tientallen jaren gedoogde dat er uitweg werd genomen over zijn eigendom. Gelet op de aldus aanwezige gedoogzaamheid, was er geen ingeslotenheid (Cass., 6 april 2000, Arr. Cass. 2000, afl. 4, 721). Pas wanneer (de verweerders) werden geconfronteerd met de weigering van (de eiser) om nog langer de uitweg te gedogen, werden zij ingesloten, zodat zij overeenkomstig artikel 682 van het Burgerlijk Wetboek een uitweg kunnen vorderen. De rechtbank bevestigt dan ook de gronden en motieven die door de Vrederechter werden aangehaald en die ertoe leidden dat (de verweerders) een recht op uitweg werd toegekend. Met overname van de motieven van het beroepen vonnis beslist de rechtbank van eerste aanleg tevens als volgt: 2.
  6. De rechtbank stelt vast dat er geen betwisting is tussen de partijen over het eigendomsrecht van de strook die voor de garage ligt en gaat derhalve niet verder in op de akte van verdeling die terzake niet zo duidelijk is. 2.
  7. Er weze aan herinnerd dat het getuigenverhoor werd gehouden om duidelijkheid te krijgen over het effectieve gebruik van de garage in het verleden en na te gaan of er een buitengerechtelijke bekentenis, eventueel een titel van erkenning, met betrekking tot de erfdienstbaarheid is in hoofde van (de eiser), eigenaar van het beweerde dienstbare erf. Of, in andere woorden, de eigenaar van het (beweerde) dienstbare erf de onbetwistbare wil heeft geuit om die erfdienstbaarheid te erkennen en of dit uit de feiten kan worden afgeleid. Het getuigenverhoor werd dus gehouden met het oog op het bewijs van het bestaan van een conventioneel recht van overgang. 2.
  8. Uit de getuigenverklaringen moet worden besloten, in tegenstelling tot de halsstarrige houding van (de eiser) die hangende de procedure steeds beweerde dat er geen sprake was van toegang tot de garage, dat alle vroegere bewoners, of zij nu eigenaars of huurders waren, hun auto in de garage stalden en toegang namen langs de garagepoort. Pas met de huidige eigenaars, (de verweerders), neemt dat gebruik ingevolge zijn veranderde houding noodgedwongen een einde. Anderzijds kan uit de feiten niet worden afgeleid dat het hier al die tijd om meer dan een gedoogzaamheid ging. Niets wijst op een erkenning, door (de eiser), van een recht in hoofde van het aangrenzende perceel. Dat het hier om een gedoogzaamheid ging blijkt ook uit de verklaring van notaris Claerhout maar ook uit die van de vorige eigenaars, J.-C., aan wie op hun vraag om iets op papier te zetten negatief werd geantwoord. Niet in het minst blijkt (de eiser) formeel te hebben geprotesteerd tegen het gebruik van de strook naar de garage. Men vergete tenslotte niet dat het in hoofde van (de eiser) geen verplichting is om een deel van zijn eigendomsrecht op de helling te zetten om de buren ter wille te zijn. 2.
  9. Wat de oorsprong van de problematiek betreft verwijzen (de verweerders) naar het feit dat één en ander het gevolg is van een uit onverdeeldheidtreding die gerealiseerd werd bij akte van notaris Jan Gheeraert in 1967: daarbij kreeg I. S. een stuk braakliggende grond naast de toen reeds bestaande woning die toebedeeld werd aan (de eiser). Op 28 juni 1967 werd een bouwvergunning verleend door de toenmalige gemeente Drongen op basis van een plan van architect De Maertelaere waarin de autobergplaats is getekend zoals die thans in werkelijkheid bestaat. (De verweerders) gaan een stap te ver wanneer zij voorhouden dat door het ondertekenen van de akte van verdeling een erfdienstbaarheid werd gevestigd. Zelfs indien het zo is dat bij de akte van verdeling de bouwvergunning voorlag en ook (de eiser) daar kennis van had, dan zou daaromtrent ongetwijfeld iets vermeld geworden zijn in de akte indien (de eiser) had ingestemd met de erfdienstbaarheid. Het tegendeel is waar en spoort met wat hierboven onder 2.5 is uiteengezet. Het feit dat die bouwvergunning ter kennis was van (de eiser), wordt evenwel niet bewezen. Er moet voor zoveel als nodig worden op gewezen dat bij de verdeling aan I. S. geenszins een ingesloten perceel wordt toebedeeld: het perceel is immers gelegen aan de Luchterenkerkweg. In die zin is de door (de verweerders) aangehaalde rechtspraak inzoverre die betrekking zou hebben op het recht van overgang niet van toepassing: die rechtspraak heeft betrekking op insluiting en dus op het wettelijke recht van uitweg. Het gaat daarbij telkens om de problematiek dat door een verkoop of een verdeling één van de betrokken percelen ‘niet meer' beschikt over een voldoende toegang tot de openbare weg, maar dat is niet het voorliggende probleem: het braakliggende stuk grond had terdege, over zes à zeven meter breedte toegang tot de openbare weg met name aan de Luchterenkerkweg. Het probleem ligt anders (zie verder). 2.
  10. Nogmaals: het feit dat gedurende vele jaren de strook grond gebruikt werd als oprit voor de garage schept als zodanig geen recht nu toch de erfdienstbaarheid van overgang niet door verjaring kan worden bekomen. Dat (de eiser) van dat gebruik niet zou in kennis zijn geweest dient met een korreltje zout te worden genomen nu hij toch in diezelfde buurt woont, maar is op zichzelf irrelevant. 2.
  11. In ondergeschikte orde vorderen (de verweerders) een recht van uitweg in toepassing van artikel 682 van het Burgerlijk Wetboek. Terecht wijzen zij erop dat de onmiskenbare garage onbruikbaar is indien zij geen toegang kunnen nemen tot de Groene Wandeling. Zij kunnen terzake niet meer rechten laten gelden dan hun rechtsvoorgangers doch dezen (of hun huurders) hadden geen werkelijke problemen nu toch, zoals uit de diverse getuigenverklaringen blijkt, zij over de strook konden rijden om de garage te bereiken, ingevolge de niet ernstig te ontkennen gedoogzaamheid. De aanvankelijke rechtsvoorganger, meer bepaald I. S., heeft eigenlijk zichzelf, althans wat de garage betreft, ingesloten door het plan aldus te laten concipiëren dat de garage uitgeeft op andermans grond. 2.
  12. De rechtbank moet echter vaststellen dat tegen de bouwvergunning zoals die voorlag geen bezwaar werd aangetekend door (de eiser) zodat het gebouw werd opgetrokken zoals voorzien in het plan: met een volwaardige autobergplaats uitgevend op zijn perceel. Het blijkt evenmin dat (de eiser) tijdens de uitvoering van de bouwwerken, of minstens na de afwerking toen hij de zekerheid moet hebben gehad dat er een garagepoort op zijn erf uitgaf, niet heeft gereageerd laat staan hieromtrent zijn rechten heeft doen gelden. Al kan, zoals hoger vermeld, niet besloten worden tot een erkenning van een erfdienstbaarheid dan moet minstens worden vastgesteld dat er een toegeeflijkheid was waardoor het gebouw aldus kon worden opgetrokken en volwaardig kon worden gebruikt. Men kan dan niet zomaar zeggen dat I. S. zichzelf ingesloten heeft en, noch hij noch zijn rechtsopvolgers, dus niets meer kan ondernemen. Het is immers zeer onwaarschijnlijk dat over het gebruik van de voorliggende strook geen stilzwijgend akkoord zou hebben bestaan op het ogenblik van de concipiëring/bouw van de garage. Deze zeer specifieke omstandigheden (met name de verdeling van de percelen, het onmiddellijk erna optrekken van de woning met de achterliggende garage, jarenlange niet verstoorde gedoogzaamheid om de strook te gebruiken, gekoppeld aan de afwezigheid van enig protest voor de aankoop door de huidige (de verweerders) noch tegen de wijze van bouwen noch tegen de exploitatie van het gebouw) leiden tot het besluit dat er (pas!) sprake is van een insluiting sinds het verzet tegen het verdere gebruik van de voorliggende strook. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het normale gebruik dat de bewoners sinds 1967 van het goed hadden, zoals het conform de wettelijke bepalingen was opgetrokken, er niet meer is sinds (de verweerders) eigenaars werden. Zeer duidelijk gesteld: het perceel, thans eigendom van (de verweerders), had voorheen toegang tot de openbare weg vanuit de garage en heeft dat nu niet meer. Voor zoveel als nodig: artikel 682 van het Burgerlijk Wetboek vergt geen absolute ingeslotenheid (zie ten deze de toegang tot de straat aan de Luchterenkerkweg-gewone toegangsdeur) en een zogenaamde relatieve ingeslotenheid, met name onvoldoende toegang tot de openbare weg om een normaal gebruik te kunnen hebben van de eigendom, volstaat. In de specifieke gegeven omstandigheden kan aan (de verweerders) een recht van uitweg worden toegestaan". Grieven Eerste onderdeel Luidens artikel 682, §1, van het Burgerlijk Wetboek kan de eigenaar wiens erf ingesloten ligt omdat dit geen voldoende toegang heeft tot de openbare weg en deze toegang niet kan inrichten zonder overdreven onkosten of ongemakken, voor het normale gebruik van zijn eigendom naar de bestemming ervan, een uitweg vorderen over de erven van zijn naburen, tegen betaling van een vergoeding in verhouding tot de schade die hij mocht veroorzaken. Voor de toepassing van artikel 682, §1, van het Burgerlijk Wetboek dient de ingeslotenheid van een erf niet enkel beoordeeld te worden op grond van het al dan niet palen aan de openbare weg, maar ook naar de omstandigheden van normaal gebruik van het perceel volgens de bestemming ervan en de kosten of ongemakken voor het inrichten van de toegang tot het erf. Er is geen ingeslotenheid in de zin van artikel 682, §1, van het Burgerlijk Wetboek wanneer de moeilijkheden die de eigenaar ondervindt om een voor het normale gebruik en de bestemming van zijn erf voldoende toegang tot de openbare weg te hebben, niet voortspruiten uit de natuurlijke ligging van het erf, maar het gevolg zijn van door de eigenaar zelf uitgevoerde materiële handelingen waardoor hij zijn erf heeft ingesloten. Er is evenmin ingeslotenheid in de zin van voornoemd artikel 682, §1, van het Burgerlijk Wetboek wanneer het erf een toegang heeft tot de openbare weg, die wordt gedoogd door de eigenaar of gebruiker van het naburige erf. Zo de eigenaar of gebruiker van het naburige erf een einde stelt aan die gedoogzaamheid, ontstaat er evenmin een ingeslotenheid in de zin van artikel 682, §1, van het Burgerlijk Wetboek wanneer deze toestand het gevolg is van de door de eigenaar van het ingesloten erf zelf uitgevoerde materiële handelingen. De loutere beëindiging van die gedoogzaamheid doet in dat geval immers geen recht van uitweg ontstaan. Met bevestiging van de gronden en de motieven van de eerste rechter, stellen de appelrechters vast dat de rechtsvoorganger van verweerders eigenlijk zichzelf, althans wat de garage betreft, heeft ingesloten door het plan aldus te concipiëren dat de garage uitgeeft op andermans grond (bestreden vonnis, folio 416, zesde lid, en vonnis van de eerste rechter, p. 5, voorlaatste lid). De appelrechters stelden tevens vast dat er geen sprake was van ingeslotenheid voor de aankoop van de woning door de verweerders aangezien eiser gedoogde dat de vrije strook achter zijn woning werd gebruikt om toegang tot de garage te nemen (bestreden vonnis, folio 416, vierde lid). Op grond van die vaststellingen kon het bestreden vonnis niet wettig beslissen dat de verweerders pas ingesloten werden toen zij geconfronteerd werden met de weigering van eiser om nog langer een uitweg te gedogen zodat zij overeenkomstig artikel 682 van het Burgerlijk Wetboek een uitweg kunnen vorderen (bestreden vonnis folio 416, vijfde lid). Het louter feit dat eiser niet langer een uitweg over zijn erf gedoogde, deed immers geen ingeslotenheid ontstaan in de zin van artikel 682, §1, van het Burgerlijk Wetboek vermits de feitelijke ingeslotenheid van het erf van de verweerders, volgens de vaststellingen van de appelrechters, veroorzaakt werd door de rechtsvoorganger van de verweerders zelf en vermits de appelrechters, met overname van de motieven van de eerste rechter, bevestigen dat de verweerders terzake niet meer rechten kunnen laten gelden dan hun rechtsvoorgangers (bestreden vonnis folio 416, zesde lid, en vonnis van de eerste rechter, p. 5, nr. 2.8). Door op grond van de in het middel aangehaalde overwegingen het gevorderde recht van uitweg toe te kennen, miskennen de appelrechters dan ook het artikel 682, §1, van het Burgerlijk Wetboek. Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet is elk vonnis met redenen omkleed. Wanneer een vonnis evenwel een tegenstrijdigheid bevat, hetzij tussen de motieven in het overwegend gedeelte van de beslissing, hetzij tussen de motieven en het beschikkend gedeelte van de beslissing, worden de elkaar tegensprekende motieven geacht elkaar op te heffen, hetgeen overeenkomt met het ontbreken van redenen. Voor zover het bestreden vonnis aldus zou moeten worden uitgelegd dat de appelrechters, met overname van de motieven van de eerste rechter, beslisten dat er een stilzwijgend akkoord zou hebben bestaan over het gebruik van een strook grond over het erf van eiser, is het bestreden vonnis behept met een tegenstrijdigheid in zijn redengeving. De appelrechters beslissen immers enerzijds met eigen motieven en deze overgenomen uit het vonnis van de eerste rechter, dat uit de feiten niet kan worden afgeleid dat het gebruik (van de strook grond over het erf van de eiser) om meer dan een gedoogzaamheid ging, dat niets wijst op een erkenning, door de eiser, van een recht in hoofde van het aangrenzend perceel (bestreden vonnis folio 416, voorlaatste lid, en vonnis eerste rechter p. 4, nr. 2.5), dat niet kan worden besloten tot een erkenning van een erfdienstbaarheid, enkel tot een toegeeflijkheid waardoor (de garage) aldus kon worden opgetrokken en volwaardig kon worden gebouwd (bestreden vonnis folio 416, voorlaatste lid, en vonnis eerste rechter p. 6, derde lid) en dat het om niet meer dan een gedoogzaamheid ging en er door eiser nooit enig recht van uitweg werd verleend (bestreden vonnis folio 416, eerste lid). Anderzijds beslissen de appelrechters, met overname van de motieven van de eerste rechter, dat het zeer onwaarschijnlijk is dat over het gebruik van de voorliggende strook geen stilzwijgend akkoord zou hebben bestaan op het ogenblik van de concipiëring/bouw van de garage (bestreden vonnis, folio 416, voorlaatste lid, en vonnis van de eerste rechter, p. 6, vijfde lid). Door te beslissen dat het gebruik van de strook grond (over het erf van de eiser) louter gedoogd werd en er in dit verband nooit enig recht werd verleend, hetgeen impliceert dat er geen akkoord over dit gebruik bestond, en door tegelijkertijd te beslissen dat het zeer onwaarschijnlijk is dat er over dit gebruik geen stilzwijgend akkoord zou hebben bestaan, is het bestreden vonnis in deze lezing tegenstrijdig gemotiveerd en schendt het aldus artikel 149 van de Grondwet. Derde onderdeel Overeenkomstig artikel 683, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek kan, indien de ingeslotenheid het gevolg is van de splitsing van een erf na verkoop, ruiling, verdeling of enige andere omstandigheid, de uitweg slechts worden verleend over de percelen die voor de splitsing tot dat erf behoorden, tenzij de openbare weg op die wijze niet voldoende bereikbaar is. In zoverre het bestreden vonnis aldus zou moeten worden gelezen dat er sprake is van insluiting, gelet op de zeer specifieke omstandigheden, met name de verdeling van de percelen ( bestreden vonnis folio 415, voorlaatste lid), is het eveneens onwettig. De appelrechters stelden immers, met overname van de motieven van de eerste rechter, vast dat bij de verdeling aan de rechtsvoorganger van de verweerders, geenszins een ingesloten perceel werd toebedeeld (bestreden vonnis folio 416, voorlaatste lid, en vonnis van de eerste rechter, p. 5, derde lid) en oordeelden met eigen motieven dat het erf van eiser, n.a.v. de akte van verdeling van 30 juni 1967, niet werd gesplitst (bestreden vonnis, folio 416, tweede lid). In zoverre de appelrechters ten voordele van het erf van de verweerders een recht van uitweg toekennen over het erf van de eiser, gelet op de verdeling van de percelen, schenden zij het artikel 683, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek vermits uit de in het middel aangehaalde overwegingen blijkt dat de aangevoerde ingeslotenheid geen gevolg is van een splitsing van het erf van de eiser en evenmin van de akte van verdeling van 30 juni
  13. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  14. Artikel 682, §1, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de eigenaar wiens erf ingesloten ligt omdat dit geen voldoende toegang heeft tot de openbare weg en deze toegang niet kan inrichten zonder overdreven onkosten of ongemakken, voor het normale gebruik van zijn eigendom naar de bestemming ervan, een uitweg kan vorderen over de erven van zijn naburen, tegen betaling van een vergoeding in verhouding tot de schade die hij mocht veroorzaken.
  15. Hoewel deze bepaling niet vereist dat het erf van degene die een uitweg vordert, volledig moet zijn ingesloten, kan geen uitweg worden toegekend als blijkt dat de moeilijkheden die de eigenaar van het beweerd ingesloten erf ondervindt om een voldoende toegang te hebben tot de openbare weg in overeenstemming met het normale gebruik van zijn eigendom en de bestemming ervan, niet voortspruiten uit de ligging van zijn erf, maar uit de bouwwerken die op dit erf zijn uitgevoerd door de eigenaar of zijn rechtsvoorganger.
  16. Uit het beroepen vonnis van de vrederechter van 3 april 2006 blijkt dat: - de eiser en zijn broer, rechtsvoorganger van de verweerders, eigenaars zijn geworden van hun respectieve erven bij een akte verdeling uit 1967; - het perceel dat aan de broer van de eiser is toebedeeld niet ingesloten is, vermits het een voldoende toegang heeft tot de Luchterenkerkweg te Drongen; - de broer van de eiser op zijn perceel een woning heeft gebouwd en een garage; - de voormelde garage geen toegang heeft tot de Luchterenkerkweg; - de broer van de eiser, zijn rechtsopvolgers en hun huurders gebruik hebben gemaakt van het erf van de eiser om voor het gebruik van de garage toegang te nemen tot een achterliggende straat; - het gebruik van het erf van de eiser niet het gevolg is van een conventioneel recht van overgang, maar van een gedoogzaamheid; - de verweerders vanuit de achterliggende straat niet langer toegang hebben tot hun garage omdat de eiser het gebruik van zijn erf niet langer gedoogt. De appelrechters oordelen, met bevestiging van de redenen van het vonnis van de vrederechter, dat: - de aanvankelijke rechtsvoorganger van de verweerders zichzelf, althans wat de garage betreft, heeft ingesloten door het plan van zijn woning aldus te laten concipiëren dat de garage uitgeeft op andermans grond; - de zeer specifieke omstandigheden van de zaak met name de verdeling van de percelen, het onmiddellijk erna optrekken van de woning met de garage, jarenlange niet verstoorde gedoogzaamheid om de betwiste strook te gebruiken, gekoppeld aan de afwezigheid van enig protest voor de aankoop door de verweerders noch tegen de wijze van bouwen, noch tegen de exploitatie van het gebouw leiden tot het besluit dat er pas sprake is van een insluiting sinds het verzet tegen het verdere gebruik van de voorliggende strook; - in de specifieke gegeven omstandigheden aan de verweerders een recht van uitweg kan worden toegestaan.
  17. De omstandigheid dat de eiser gedurende vele jaren het gebruik van zijn erf heeft gedoogd om de toegang tot de garage op het erf van de verweerders mogelijk te maken en dat het probleem van de uitweg zich pas heeft gesteld op het ogenblik dat de eiser aan de verweerders het gebruik van zijn erf heeft verboden, neemt niet weg dat volgens de appelrechters de ingeslotenheid van de garage op het erf van de verweerders het gevolg is van de wijze waarop de aanvankelijke rechtsvoorganger van de verweerders de gebouwen op zijn eigendom heeft ingeplant.
  18. De appelrechters die enkel op grond van die omstandigheden oordelen dat voor het gebruik van de garage op het erf van de verweerders niettemin een recht van uitweg wordt verleend over het erf van de eiser, schenden artikel 682, §1, van het Burgerlijk Wetboek. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van 6 februari 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Fettweis E. Stassijns E. Dirix E. Waûters I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090206.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101014.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.