← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090206.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090206.6 Rolnummer: C.07.0211.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Familierecht Invoerdatum: 2009-04-14 Raadplegingen: 323 - laatst gezien 2026-07-03 00:57 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De mogelijkheid voor de rechtbank om, naar billijkheid en gelet op de uitzonderlijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, in het vonnis waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, te beslissen dat bij de vereffening van de huwelijksgemeenschap geen rekening zal worden gehouden met bepaalde goederen of schulden, betreft enkel goederen verworven na de feitelijke scheiding dan wel schulden aangegaan na de feitelijke scheiding die volgens de normale werking van het gemeenschapsstelsel gemeenschappelijk zouden zijn; bijgevolg kan de rechtbank die mogelijkheid niet toepassen, in een stelsel van gemeenschap beperkt tot de aanwinsten, op goederen die zijn verworven of schulden die zijn aangegaan voor de feitelijke scheiding en evenmin op goederen of schulden van de partijen die volgens de normale werking van het gemeenschapsstelsel eigen zijn, eventueel mits vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen. Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - ALLERLEI UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen Vrije woorden: Huwelijksgemeenschap - Vereffening - Feitelijke scheiding - Gevolgen t.a.v. de goederen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1278, tweede en vierde lid Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE GOEDEREN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen Vrije woorden: Huwelijksvermogensstelsels - Huwelijksgemeenschap - Vereffening - Feitelijke scheiding Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1278, tweede en vierde lid Fiche 3 De regel dat echtgenoten voor de ontbinding van hun huwelijksvermogensstelsel geen overeenkomst mogen aangaan over de vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap, sluit niet uit dat een goed dat door een echtgenoot is aangekocht met een door de andere echtgenoot bevestigde verklaring van wederbelegging van eigen gelden, buiten de vereffening en verdeling van de huwelijksgemeenschap wordt gehouden. Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - ALLERLEI UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (OUD) - Gevolgen - Goederen Vrije woorden: Huwelijksgemeenschap - Vereffening-verdeling - Eigen gelden - Wederbelegging Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1394 en 1396 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.07.0211.N M. D., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest, tegen M. L., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 4 januari 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1394 tot 1396, 1398 tot 1408, 1430, 1432, 1434 en 1435 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 1401, 1402, 1404, 1468, 1469, 1470, 1498 en 1499 van het Burgerlijk Wetboek zoals zij bestonden voor de wijziging of opheffing ervan bij artikel 2 van de wet van 14 juli 1976; - artikel 1278, tweede, vierde en vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren het door de eiser ingestelde hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigen de beslissing van de eerste rechter waarbij deze voor recht zegde dat bij de vereffening-verdeling van de huwgemeenschap geen rekening mag worden gehouden met de reeds verdeelde opbrengst van de handelszaak Audima en van het onroerend goed waarin deze zaak werd uitgebaat, noch met de woning van de verweerster aan de (...)te Knokke-Heist, en dit op grond van de volgende motieven: "

  1. (De eiser) is het er niet mee eens dat de eerste rechter overeenkomstig artikel 1278, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek beslist heeft dat, met betrekking tot de hierna volgende goederen: - de reeds door de partijen bij gelijke helften verdeelde opbrengst van de verkoop door (de eiser) van het handelsfonds en het onroerend goed ‘Audima', respectievelijk verkocht op 27 mei 1999 (stavingstuk 17 van (de eiser)) en 19 augustus 1999 (stavingstuk 7 van (de verweerster)); - het onroerend goed gelegen te Knokke-Heist, (...), aangekocht door (de verweerster) bij notariële akte van 27 oktober 1999 voor notaris Sabine Destrooper uit Ledegem (stavingsuk 7 van (de verweerster)); de terugwerkende kracht van de ontbinding van het huwelijksvermogen tussen partijen wordt uitgebreid tot op de datum van hun feitelijke scheiding, zoals bepaald door het in kracht van gewijsde getreden vonnis van 20 december 2001, gewezen door de zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk, waardoor de echtscheiding tussen de partijen overeenkomstig artikel 232, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek werd uitgesproken.
  2. Het voornoemd vonnis heeft 15 november 1998 als datum van feitelijke scheiding van de partijen bepaald. Het artikel 1278, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek staat de rechter toe, op vordering van één van de echtgenoten, hetzij tijdens de echtscheidingsprocedure zelf hetzij nadien bij de notaris in de loop van de werkzaamheden van vereffening en verdeling, om de gevolgen van de echtscheiding wat bepaalde goederen en schulden betreft te laten terugwerken tot de datum van de feitelijke scheiding, indien hij dit billijk acht wegens concrete en uitzonderlijke omstandigheden eigen aan de zaak. Daardoor wordt er met die bepaalde goederen en schulden bij de werkzaamheden van vereffening en verdeling van de boedelnotaris geen rekening meer gehouden. Voor het terugwerken van de vereffeningdatum tot de datum van het ontstaan van de feitelijke scheiding, stelt het artikel 1278, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek twee cumulatieve criteria voorop waarop de rechter zich moet steunen, namelijk uitzonderlijke omstandigheden eigen aan de zaak en billijkheid. 3.
  3. Uitzonderlijke omstandigheden eigen aan de zaak zijn aanwezig telkens wanneer wordt aangetoond dat er tussen de echtgenoten, op het ogenblik van het verwerven van bepaalde activa en/of het ontstaan van bepaalde schulden, geen ‘affectio societatis' of belangengemeenschap meer aanwezig was, omdat zij op dat ogenblik van gescheiden inkomsten en met gescheiden uitgaven hebben geleefd. De feitelijke scheiding op zich impliceert echter niet noodzakelijk de onmiddellijke afwezigheid van een belangengemeenschap. De toepassing van artikel 1278, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek is derhalve uitgesloten telkens wanneer er tussen de echtgenoten na de feitelijke scheiding nog een gemeenschappelijke bekommernis met betrekking tot bepaalde goederen is blijven bestaan. Te dezen stelt het hof (van beroep) samen met de eerste rechter en de boedelnotarissen vast dat de partijen, na de feitelijke scheiding, globaal gezien van gescheiden inkomsten en met gescheiden uitgaven hebben geleefd. 3.2.
  4. Vooreerst hebben de partijen in de loop van 1999, na hun feitelijke scheiding, de nodige stappen gezet om, middels de verkoop van een zeer belangrijk vermogenselement, namelijk de handelszaak en het gebouw Audima, ervoor te zorgen dat ieder van hen verder financieel op eigen benen zou kunnen staan. Nadat (de eiser) immers zowel het handelsfonds als het onroerend goed Audima had verkocht aan een derde, heeft hij het initiatief genomen om de verkoopopbrengst daarvan in twee gelijke delen aan elke partij te laten uitbetalen. Alhoewel de partijen over die verdeling geen stavingstukken overleggen, kan over één en ander nochtans geen twijfel bestaan. Enerzijds houdt (de verweerster) op p. 3 van haar samenvattende besluiten II immers voor dat (de eiser) haar zonder voorbehoud de helft van de verkoopopbrengst heeft laten geworden via een cheque op haar naam, met dewelke haar rekening bij de ING-bank op 26 augustus 1999 werd gecrediteerd. Anderzijds bevestigt de raadsman van (de eiser) in een e-postbericht aan de boedelnotarissen, overgenomen op p. 9 van het door hen opgesteld tussentijds proces-verbaal van beweringen en zwarigheden van 11 mei 2004 dat ‘... Door de instrumenterende notaris Maeyens Harry werden twee cheques uitgekeerd, elk groot 4.915.254 frank (thans 121.845,96 euro) ...' en volgens punt 8 van een nota van (de eiser) gehecht aan het proces-verbaal van inventaris van 8 juli 2003 werden de ‘... tegoeden na verkoop Audima ... feitelijk provisioneel tussen partijen verdeeld zonder juridische aanwijzing ...' (stuk 10 van (de eiser)). 3.2.
  5. Daarenboven is die verdeling bij gelijke helften ook belangrijk ter appreciatie van de respectieve inbreng van de partijen voor de groei en bloei van Audima tijdens hun samenleven. De omstandigheid dat (de eiser) er mede akkoord is gegaan om de verkoopopbrengst van Audima in gelijke helften tussen de partijen te verdelen wijst er duidelijk op dat het bedrijf Audima zoals het bestond in 1999 het levenswerk van de beide partijen samen geweest is (= versie van de (verweerster)), en niet van de (eiser) alleen (= versie van (de eiser)), waarbij de rol van (de verweerster) in het bedrijf slechts marginaal zou zijn geweest. Tevens is het niet geloofwaardig dat (de eiser), met betrekking tot de verdeling van de opbrengst van dat belangrijk vermogenselement, er niet zou hebben op gestaan, gelet toch vooral op de reeds bestaande feitelijke scheiding van de partijen, dat de termen en voorwaarden van die verdeling op enigerlei wijze werden geregistreerd of dat er dienaangaande niet minstens voorbehoud voor latere verrekeningen zou worden gemaakt, indien de partijen, hetgeen hij thans betwist, toen geen definitieve en afgesloten verdeling van die verkoopopbrengst onder mekaar op het oog zouden hebben gehad. Daarenboven was er op het ogenblik van die verdeling tussen de partijen nog geen echtscheidingsprocedure aan de gang en was er nog geen sprake van een toekomstige vereffening en verdeling van hun ontbonden huwgemeenschap. Slechts meer dan anderhalf jaar later heeft de (verweerster) het initiatief genomen om een echtscheidingsprocedure tussen de partijen op te starten. (De eiser) blijkt ook niet te betwisten dat (de verweerster) op 27 oktober 1999 een onroerend goed te Knokke-Heist heeft aangekocht, met gebruikmaking onder meer van een bedrag van 24.789,35 euro (1.000.000 frank), zijnde een gedeelte van hetgeen zij ontving uit de verkoopopbrengst van de firma Audima (zie immers p. 11) en p.14, eerste alinea, van de samenvattende beroepsconclusies van (de eiser)). In de notariële aankoopakte heeft (de eiser) toen bevestigd dat (de verweerster) die aankoop deed als wederbelegging met eigen kapitalen (zie verder). 3.2.
  6. Gelet op die hiervoor beschreven feitelijke elementen moet worden aangenomen dat de partijen bij de verdeling van de verkoopopbrengst ‘Audima' wel degelijk een definitieve en afgesloten verdeling op het oog hadden. De door (de eiser) aangebrachte argumentatie tot bewijs van het tegendeel overtuigt helemaal niet en de officiële briefwisseling tussen de respectieve advocaten van de partijen (stavingstukken 14 en 15 van (de verweerster)) met betrekking tot de te betalen belastingen op de gerealiseerde meerwaarde na verkoop van de handelszaak Audima, laat zeker niet uitschijnen dat (de eiser) de door (de verweerster) in 1999 ontvangen helft van de verkoopsom Audima niet reeds van meet af aan als haar persoonlijke eigendom heeft beschouwd, integendeel zelfs. 3.3.
  7. (De eiser) is zoals reeds gezegd tussengekomen bij de aankoop op 27 oktober 1999 door (de verweerster) van een onroerend goed te Knokke-Heist aan de (...)(stavingstuk 20 van de (verweerster). De notariële aankoopakte van 27 oktober 1999, verleden voor notaris Sabine Destrooper uit Ledegem, vermeldt dat (de verweerster) toen verklaard heeft dat de desbetreffende aankoop geschiedde als wederbelegging van eigen kapitalen door de (verweerster). 3.3.
  8. Hieruit blijkt vooreerst duidelijk dat de partijen met betrekking tot het onroerend goed te Knokke het erover eens waren dat dit louter en volledig deel zou uitmaken van het patrimonium van (de verweerster). De bewering van (de eiser) dat de aankoop van dat onroerend goed daarenboven voor de helft betaald werd met een lening door de beide partijen aangegaan, zodat er van de afwezigheid van een belangengemeenschap met betrekking tot dat onroerend goed geen sprake kon zijn, moet dan ook met de nodige voorzichtigheid en aan de hand van de overgelegde stavingstukken worden benaderd. Op 12 oktober 1999 bevestigde de BBL-Bank immers het toestaan van een kredietopening aan (de verweerster) alleen ten bedrage van 99.157,41 euro (4.000.000 frank), zijnde de helft van het aankoopbedrag van het onroerend goed te Knokke-Heist, aan de (...). In dat schrijven werden de modaliteiten van die kredietopening vermeld - onder andere dat het krediet onderworpen zal zijn aan een notariële akte waardoor een hypotheek in eerste rang ten gunste van de bank wordt gevestigd op het aan te kopen onroerend goed - en dat (de eiser) louter zal tussenkomen voor kennisname en toestemming (stavingstuk 21 van (de verweerster)). Op 27 oktober 1999 werden twee notariële akten en twee onderhandse akten met betrekking tot het aangekocht onroerend goed te Knokke-Heist opgesteld: - de aankoopakte verleden voor notaris Sabine Destrooper uit Ledegem waarbij (de verweerster) het onroerend goed te Knokke-Heist aankocht en waarbij (de eiser) is tussengekomen om de juistheid te erkennen van de verklaring van (de verweerster) dat zij het onroerend goed met eigen kapitalen en als wederbelegging aankocht; - de akte kredietopening met hypotheekvestiging eveneens verleden voor notaris Sabine Destrooper, met standplaats te Ledegem, waarbij de BBL-Bank ten gunste van (de verweerster) een krediet van 99.157,41 euro (4.000.000 frank) toestond met hypotheekvestiging op het aangekocht onroerend goed te Knokke-Heist en waarin (de eiser) is tussengekomen om zijn uitdrukkelijke instemming te betuigen met de inhoud van de desbetreffende akte en de hypotheekvestiging die daaruit voortvloeide, zelfs indien het bezwaard gebouw zou dienen als voornaamste woning van het gezin in de zin van artikel 215, §1, van het Burgerlijk Wetboek (stavingstuk 8 van de (verweerster); - een door (de verweerster) aangegane schuldsaldoverzekering ter dekking van het door de BBL-Bank toegestaan hypothecair krediet (stavingstuk 23 van (de verweerster)); - een onderhandse akte van hypothecair krediet ten bedrage van 99.157,41 euro (4.000.000 frank) toegekend aan de beide partijen, die beiden als ontleners werden aangeduid, die beiden verklaarden deze som te hebben ontvangen en beiden ervoor kwijting gaven (stavingstuk 2 van de (eiser). 3.3.
  9. In het licht van deze akten in hun chronologische en onderlinge samenhang kan nochtans niet worden besloten dat (de eiser) in feite ook zou tussengekomen zijn in de terugbetaling aan de bank van het ontleend bedrag van 99.157,41 EUR (4.000.000 frank) en dat dit zelfs ooit in de bedoeling van de beide partijen zou gelegen hebben. Vooreerst dient vastgesteld dat (de eiser) niet betwist dat louter en alleen de (verweerster) alle maandelijkse afkortingen aan de bank heeft afgelost en nog steeds aflost. Tevens dient vastgesteld dat de ING-Bank op 24.03.04 aan (de verweerster) heeft bevestigd dat zij met betrekking tot het desbetreffend hypothecair krediet akkoord ging om (de eiser) als medeschuldenaar te schrappen (stavingstuk 16 van de (verweerster). De bewering van (de verweerster) dat het op vraag van de ING-Bank zelf is geweest om de onderhandse leningsakte van 27 oktober 1999 veiligheidshalve op naam van de beide echtgenoten te plaatsen, omdat die - gelet onder meer op de afwezigheid van een reeds aangevatte echtscheidingprocedure op dat ogenblik - niet wist of het aangaan van de kwestieuze lening tot het exclusief dan wel het gezamenlijk bestuur behoorde, is dan ook aannemelijk. Tenslotte staat vast dat (de eiser) bij het verlijden van de notariële aankoopakte van 27 oktober 1999 van het onroerend goed te Knokke door (de verweerster), ook heeft bevestigd dat zij dat onroerend goed met eigen kapitalen als wederbelegging heeft aangekocht. 3.3.
  10. Uit de voorgaanden dient besloten dat het antwoord op de vraag naar de oorsprong van de gelden aangewend door (de verweerster) voor de aankoop van het onroerend goed te Knokke (cf. 1422 van het Burgerlijk Wetboek) niet meer aan de orde is. De breed uitgesponnen discussie dienaangaande gevoerd door de partijen in hun conclusies is te dezen dan ook niet dienstig. Enerzijds vereisten de toepasselijke artikelen 1434 en 1435 (oud) van het Burgerlijk Wetboek, voor de geldigheid van de wederbelegging, niet dat in de verklaring van wederbelegging of in de akte waarin die voorkomt, de oorspong van de voor de wederbelegging gebruikte gelden werd aangegeven of gepreciseerd. Anderzijds is de bevestiging van (de eiser) zelf in de aankoopakte van 27 oktober 1999 dat het desbetreffend onroerend goed met de eigen kapitalen van de (verweerster) en met de bedoeling van wederbelegging werd aangekocht, wel degelijk van aard om tussen de partijen onderling elke toekomstige betwisting over de herkomst van het verkregen goed en het bedrag van de eventuele vergoeding te vermijden en het sluit derhalve uit dat (de eiser) thans nog zou worden toegelaten om aan te tonen dat de verklaring van wederbelegging door (de verweerster) in de aankoopakte 27 oktober 1999 niet aan de werkelijkheid zou beantwoorden". (bestreden arrest, blz. 6 t.e.m. 11, vierde alinea). "3.5.
  11. Na de feitelijke scheiding van de partijen welke een einde maakte aan 26 jaar huwelijk, hebben de partijen niet onmiddellijk een einde gemaakt of kunnen maken aan hun nog verstrengelde financiële verplichtingen. (De eiser) toont aan dat hij nog maanden na de feitelijke scheiding voor rekening van (de verweerster) een paar betalingen heeft verricht (o.a. pensioensparen, hospitalisatieverzekering) en dat (de verweerster) voor het ziekenfonds ten zijne laste bleef (stavingstukken 22 tot en met 24 van (de eiser)). Die beperkte en sporadische betalingen van (de eiser) ten behoeve van (de verweerster) tonen naar het oordeel van het hof (van beroep) als dusdanig echter niet aan dat de partijen na de feitelijke scheiding globaal niet met gescheiden inkomsten en uitgaven hebben geleefd en dat er nog een gemeenschappelijke bekommernis was voor de goederen en schuld waarvoor (de verweerster) de toepassing van artikel 1278, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek vordert.
  12. Besluit: de eerste rechter heeft terecht beslist dat er wel degelijk én uitzonderlijke omstandigheden eigen aan de zaak én billijkheidsoverwegingen aanwezig waren om in het kader van de vereffening en verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van de partijen, overeenkomstig artikel 1278, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek terug te gaan tot de datum van de feitelijke scheiding, namelijk 15 november 1998, met betrekking tot enerzijds het door (de verweerster) ontvangen deel van de verkoopopbrengst van het handelsfonds en het onroerend goed Audima en anderzijds het door (de verweerster) aangekocht onroerend goed te Knokke-Heist aan de (...), alsook de hypothecaire leningschuld bij de ING-Bank die zij in dat verband heeft aangegaan" (bestreden arrest, blz. 13 en 14). Grieven Artikel 1401 (oud) van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de gemeenschap omvat, wat de baten betreft: 1 ° Alle roerende goederen die de echtgenoten op de dag van de voltrekking van het huwelijk bezaten, alsook alle roerende goederen die zij gedurende het huwelijk verkrijgen door erfenis of zelfs door schenking, indien de schenker niet anders heeft bepaald; 2° Alle vruchten, inkomsten, interesten en rentetermijnen, van welke aard ook, gedurende het huwelijk vervallen of ontvangen en voortkomend van de goederen die aan de echtgenoten bij de voltrekking van het huwelijk toebehoorden, of van de goederen die zij gedurende het huwelijk, onder welke titel ook, verkrijgen; 3° Alle onroerende goederen die gedurende het huwelijk worden verkregen. Overeenkomstig artikel 1402 (oud) van het Burgerlijk Wetboek wordt ieder onroerend goed als een aanwinst van de gemeenschap beschouwd, tenzij het bewezen is dat een van de echtgenoten de eigendom of het wettelijk bezit daarvan had voor het huwelijk, of dat hij het sindsdien door erfenis of schenking heeft verkregen. Artikel 1404 (oud) van het Burgerlijk Wetboek bepaalt nog dat de onroerende goederen die de echtgenoten op de dag van de huwelijksvoltrekking bezitten of die zij gedurende het huwelijk door erfenis verkrijgen, niet in de gemeenschap vallen. Wanneer de echtgenoten bedingen dat tussen hen slechts een gemeenschap van aanwinsten zal bestaan, worden zij geacht de tegenwoordige en toekomstige schulden van ieder van hen, alsook de tegenwoordige en toekomstige roerende goederen van ieder van hen, van de gemeenschap uit te sluiten. In dit geval, en nadat ieder echtgenoot zijn behoorlijk bewezen inbrengsten heeft voorafgenomen, blijft de verdeling beperkt tot de aanwinsten die gedurende het huwelijk door de echtgenoten samen of afzonderlijk zijn verwezenlijkt, en die voortkomen zowel van hun gemeenschappelijke arbeid als van de besparingen op de vruchten en inkomsten van de goederen van beide echtgenoten (artikel 1498 (oud) van het Burgerlijk Wetboek). Indien roerende goederen die bij het aangaan van het huwelijk aanwezig waren of nadien zijn verkregen, niet werden vastgesteld in een boedelbeschrijving of een staat in behoorlijke vorm, worden zij als aanwinst beschouwd (artikel 1499 (oud) van het Burgerlijk Wetboek). Onder de huidige regeling wordt de samenstelling van de vermogens bepaald door de artikelen 1398 tot 1408 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 1430 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de ontbinding van het stelsel vereffening en verdeling ten gevolge heeft. Vooraf wordt voor elke echtgenoot een rekening opgemaakt van de vergoedingen tussen het gemeenschappelijk vermogen en zijn eigen vermogen. Vervolgens wordt overgegaan tot de verrekening van de lasten en de verdeling van de netto-baten. Elk der echtgenoten is vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen (artikel 1432 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1468 en 1469 (oud) van het Burgerlijk Wetboek). Het gemeenschappelijk vermogen is vergoeding verschuldigd ten belope van de eigen of uit vervreemding van een eigen goed voortkomende gelden die in dat vermogen zijn gevallen en niet zijn belegd of wederbelegd, alsook, in het algemeen, telkens als het voordeel heeft getrokken uit de eigen goederen van een der echtgenoten (artikel 1434 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1470 (oud) van het Burgerlijk Wetboek). De vergoeding mag niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. Hebben de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is; is het vervreemde goed vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed (artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek). De artikelen 1394 tot 1396, die van openbare orde, of minstens van dwingend recht zijn en de regel van de bestendigheid van de huwelijksstelsels bevatten, laten niet toe dat de echtgenoten, zolang het huwelijksstelsel niet ontbonden is, overeenkomsten sluiten inzake de vereffening van de huwelijksgemeenschap en inzake de eventueel verschuldigde vergoedingen. Artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terug werkt tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet. Dit betekent dat het huwelijksstelsel geacht wordt ontbonden te zijn op de dag van de inleiding van de eerste vordering tot echtscheiding en dat de gemeenschap vereffend wordt volgens zijn samenstelling op het ogenblik van de dag van de inleiding van de vordering. Artikel 1278, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek laat toe dat er in beperkte mate wordt afgeweken van deze regel. Artikel 1278, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt immers dat de rechtbank, op vordering van één van de echtgenoten, indien zij dit wegens uitzonderlijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, billijk acht, in het vonnis waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, kan beslissen dat bij de vereffening van de gemeenschap geen rekening zal worden gehouden met sommige goederen die zijn verworven of met sommige schulden die zijn aangegaan sedert het tijdstip dat de echtgenoten feitelijk gescheiden leefden. De partijen kunnen dergelijke vordering ook instellen in de loop van de vereffening van de gemeenschap (artikel 1278, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat tijdens de feitelijke scheiding van de echtgenoten hun animus societatis onbestaand is geworden en dat het derhalve billijk is dat de ene niet van het tijdens die periode van scheiding door de andere verwezenlijkte actief zou genieten, of omgekeerd, niet mede het door de andere opgestapelde passief zou moeten dragen. De rechter kan dan ook slechts beslissen dat bij de vereffening van de gemeenschap geen rekening zal worden gehouden met sommige goederen indien deze verworven zijn sedert het tijdstip dat de echtgenoten feitelijk gescheiden leefden. Het enkele feit dat de echtgenoten tijdens de feitelijke scheiding een overeenkomst gesloten hebben betreffende de verdeling van bepaalde goederen, laat de rechter niet toe om deze goederen buiten de vereffening te houden. Dergelijke overeenkomsten zijn immers nietig overeenkomstig voormelde artikelen 1394 tot 1396 van het Burgerlijk Wetboek. Eerste onderdeel Terzake blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan dat tussen partijen niet betwist was dat de eiser, nog voor hij huwde onder de naam Audima taallessen gaf en vertaalopdrachten uitvoerde en dat hij nog voor het huwelijk een stuk grond van zijn ouders kreeg waarop de kantoren van Audima werden gevestigd. De appelrechters stellen vast dat de vordering tot echtscheiding werd ingeleid bij dagvaarding van 9 april 2001 en dat de datum van de feitelijke scheiding bepaald werd op 15 november
  13. De appelrechters stellen nog vast dat de eiser in de loop van 1999, na de feitelijke scheiding, maar voor de inleiding van de vordering tot echtscheiding, zowel de handelszaak als het onroerend goed Audima verkocht heeft en de verkoopopbrengst in twee gelijke delen aan elke partij heeft uitbetaald. Volgens de appelrechters wijst deze verdeling van de verkoopopbrengst in gelijke helften er duidelijk op dat het bedrijf Audima, zoals het bestond in 1999, het levenswerk van beide partijen samen is geweest. De appelrechters beslissen dat deze verdeling van de verkoopopbrengst van het handelsfonds en onroerend goed Audima die tussen partijen werd overeengekomen tijdens de feitelijke scheiding, maar voor het inleiden van de echtscheidingsprocedure, definitief is en dat hiermee overeenkomstig artikel 1278, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek geen rekening mag worden gehouden bij de vereffening van de gemeenschap. Door aldus te beslissen dat overeenkomsten inzake de vereffening van de huwelijksgemeenschap die afgesloten zijn nog voor het huwelijksstelsel ontbonden is, geldig zijn, en dat partijen derhalve gebonden zijn door de door hen nog voor de ontbinding van het huwelijksstelsel afgesloten overeenkomst inzake de verdeling van voormelde verkoopopbrengst, schenden de appelrechters de artikelen 1394 tot 1396 van het Burgerlijk Wetboek inzake de bestendigheid van de huwelijksstelsels, die verbieden dat de echtgenoten nog voor de ontbinding van het huwelijksstelsel overeenkomsten sluiten inzake de vereffening en verdeling. Door verder te beslissen dat bij de vereffening geen rekening mag worden gehouden met de verkoopopbrengst van het handelsfonds en het onroerend goed Audima, op de enkele grond dat partijen over de verdeling van deze verkoopopbrengst nog vóór de ontbinding van het huwelijksstelsel een overeenkomst sloten, zonder vast te stellen dat dit goed verworven werd sedert het tijdstip van de feitelijke scheiding en terwijl zij integendeel vaststellen dat dit goed het levenswerk van beide partijen samen is geweest, schenden de appelrechters de artikelen 1394 tot 1396 van het Burgerlijk Wetboek inzake de bestendigheid van de huwelijksstelsels die verbieden dat partijen een overeenkomst inzake de verdeling sluiten nog voor het huwelijksstelsel ontbonden is en 1278, tweede, vierde, en voor zoveel als nodig vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek op grond waarvan de rechter enkel kan beslissen bij de vereffening geen rekening te houden met een goed indien dit verworven is sedert de feitelijke scheiding. In zoverre de appelrechters beslissen dat de verkoopopbrengst een goed is dat verworven is sedert de feitelijke scheiding, nu het handelsfonds en onroerend goed tijdens de feitelijke scheiding verkocht zijn, is hun beslissing evenmin naar recht verantwoord. Artikel 1278, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek is kennelijk enkel van toepassing op goederen die door de inspanning van één van de echtgenoten tijdens de feitelijke scheiding zijn verworven en niet op gelden die tijdens de feitelijke scheiding verworven zijn ingevolge de verkoop van een goed dat voor de feitelijke scheiding verworven is. Enkel een tijdens de feitelijke scheiding bekomen meerwaarde kan overeenkomstig artikel 1278, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek buiten de vereffening worden gehouden. Terzake blijkt uit de vaststellingen van de appelrechters niet dat het betwiste goed een meerwaarde heeft bekomen tijdens de feitelijke scheiding. Integendeel stellen de appelrechters vast dat het bedrijf Audima, zoals het bestond in 1999 het levenswerk van de beide partijen samen is geweest en derhalve dat de in 1999 gerealiseerde verkoopsom de weergave is van inspanningen die partijen tijdens het samenleven hebben geleverd. De appelrechters konden in die omstandigheden niet zonder schending van artikel 1278, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek beslissen dat bij de vereffening met deze verkoopsom geen rekening mag worden gehouden. Minstens dienden de appelrechters te beslissen dat bij de vereffening-verdeling van het huwelijksstelsel rekening diende te worden gehouden met de waarde van het handelsfonds en onroerend goed Audima op het ogenblik van de feitelijke scheiding en dat derhalve de notarissen dienden te onderzoeken of deze goederen op dat ogenblik al dan niet eigen goederen waren dan wel tot de gemeenschap behoorden en of er al dan niet vergoedingen verschuldigd waren. Door dit niet te doen, schenden de appelrechters de artikelen 1398 tot 1408, 1430, 1432, 1434 en 1435 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 1401, 1402, 1404, 1468, 1469, 1470, 1498 en 1499 van het Burgerlijk Wetboek zoals zij bestonden voor de wijziging ervan bij wet van 14 juli 1976, alsook artikel 1278, tweede, vierde en vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede onderdeel De appelrechters stellen vast dat de verweerster op 27 oktober 1999 een onroerend goed te Knokke-Heist heeft aangekocht en daarvoor een gedeelte gebruikte van het bedrag dat zij uit de verkoopopbrengst van de firma Audima ontving. De appelrechters stellen vast dat de eiser uitdrukkelijk verklaard heeft dat deze aankoop geschiedde als wederbelegging met eigen kapitalen door de verweerster. De appelrechters beslissen dat deze verklaring van die aard is om tussen de partijen onderling elke toekomstige betwisting over de herkomst van het verkregen goed en het bedrag van de eventuele vergoeding te vermijden en derhalve uitsluit dat eiser thans nog zou worden toegelaten om aan te tonen dat de verklaring van wederbelegging niet aan de werkelijkheid zou beantwoorden. De appelrechters besluiten met bevestiging van de beslissing van de eerste rechter dat overeenkomstig artikel 1278, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bij de vereffening geen rekening gehouden mag worden met dit onroerend goed. Door te beslissen dat de verklaring van de eiser van die aard is om tussen de partijen onderling elke toekomstige betwisting over de herkomst van het verkregen goed en het bedrag van de eventuele vergoeding te vermijden en dat deze verklaring derhalve bindend is, beslissen de appelrechters dat de partijen nog voor de ontbinding van het huwelijksstelsel afstand kunnen doen van hun recht op vergoeding en schenden zij de artikelen 1394 tot 1396 van het Burgerlijk Wetboek inzake de bestendigheid van de huwelijksstelsels die het sluiten van overeenkomsten inzake de vergoedingen nog voor het huwelijksstelsel is ontbonden, verbieden. Door verder op grond van deze beslissing dat eiser zijn verklaring dat voormeld onroerend goed gekocht werd door verweerster met eigen kapitalen als wederbelegging te beslissen dat er bij de vereffening met dit onroerend goed overeenkomstig artikel 1278, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek geen rekening mag worden gehouden, schenden de appelrechters eveneens deze bepaling. Derde onderdeel In zoverre het bestreden arrest aldus gelezen moet worden dat met betrekking tot enerzijds de verkoopopbrengst van het handelsfonds en onroerend goed Audima en anderzijds het door verweerster aangekochte onroerend goed te Knokke-Heist er in het kader van de vereffening-verdeling terug gegaan moet worden tot de datum van de feitelijke scheiding en dat derhalve wel degelijk rekening gehouden moet worden met de waarde die deze goederen (of de goederen in de plaats waarvan deze goederen gekomen zijn) op het ogenblik van de feitelijke scheiding hadden, is het door een tegenstrijdigheid aangetast. Het is immers tegenstrijdig enerzijds te beslissen dat de verdeling van de verkoopopbrengst definitief is en dat ook de verklaring van eiser dat het onroerend goed te Knokke-Heist door verweerster als wederbelegging met eigen kapitalen werd aangekocht definitief is, zodat bij de vereffening-verdeling noch met voormelde verkoopopbrengst, noch met voormeld onroerend goed te Knokke-Heist rekening dient te worden gehouden, en anderzijds te beslissen dat niettemin nog rekening moet worden gehouden met de waarde die deze goederen (of de goederen in plaats waarvan deze goederen gekomen zijn) hadden op het ogenblik van de feitelijke scheiding. In zoverre schenden de appelrechters dan ook artikel 149 van de Grondwet. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Grond van niet-ontvankelijkheid
  14. De verweerster werpt op dat het onderdeel nieuw en derhalve niet ontvankelijk is, in zoverre het aanvoert dat: - de appelrechters bij hun hierna vermelde beslissing dienden vast te stellen dat de bedoelde verkoopopbrengst een goed is dat is verworven in de periode na de feitelijke scheiding van de partijen en voor de procedure tot echtscheiding; - de appelrechters minstens dienden te beslissen dat bij de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogen rekening diende te worden gehouden met de waarde van het handelspand en de handelszaak "Audima" op het ogenblik van de feitelijke scheiding en dat derhalve de instrumenterende notarissen dienden te onderzoeken of deze goederen op dat ogenblik al dan niet eigen goederen waren dan wel tot de gemeenschap behoorden en of er al dan niet vergoedingen verschuldigd waren.
  15. In zijn appelconclusie voerde de eiser onder meer aan dat: - het handelspand en de handelszaak "Audima" zijn eigen goederen waren, eventueel mits vergoeding aan het gemeenschappelijke vermogen; - het handelspand immers is opgericht op een grond die de eiser deels bij schenking van zijn ouders heeft verworven en deels heeft aangekocht; - de handelszaak een voorhuwelijks goed was; - de opbrengst van de verkoop door de eiser van het handelspand en de handelszaak "Audima" in de periode na de feitelijke schending en voor de procedure tot echtscheiding ook eigen is van de eiser, eventueel mits vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen; - de verdeling van de verkoopopbrengst bij helften tussen de partijen in de periode na hun feitelijke scheiding en voor de procedure tot echtscheiding enkel een provisioneel karakter kon hebben; - deze verdeling niet als definitief kan worden aangezien en zodoende evenmin, bij toepassing van artikel 1278, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, buiten de vereffening-verdeling kan worden gehouden. Aldus is het middel niet nieuw. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Onderdeel
  16. Het arrest stelt vast dat de partijen zijn gehuwd op 24 oktober 1972 onder het stelsel van de gemeenschap beperkt tot de aanwinsten, ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris Roger Demeyere te Roeselare op 20 juni
  17. Krachtens artikel 1278, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, werkt de echtscheidingsuitspraak, ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, terug tot op de dag waarop de vordering tot echtscheiding is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet. Krachtens het vierde lid van dezelfde bepaling, kan de rechtbank, op vordering van een van de echtgenoten, indien zij dit wegens uitzonderlijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, billijk acht, in het vonnis waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, beslissen dat bij de vereffening van de gemeenschap geen rekening zal worden gehouden met sommige goederen die zijn verworven of met sommige schulden die zijn aangegaan sedert het tijdstip dat de echtgenoten feitelijk gescheiden leefden. Krachtens het vijfde lid van dezelfde bepaling, kunnen de partijen dergelijke vordering ook instellen in de loop van de vereffening van de huwelijks-gemeenschap.
  18. De mogelijkheid voor de rechtbank om, naar billijkheid en gelet op de uitzonderlijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, te beslissen dat bij de vereffening van de huwelijksgemeenschap geen rekening zal worden gehouden met bepaalde goederen of schulden, betreft enkel goederen verworven na de feitelijke scheiding dan wel schulden aangegaan na de feitelijke scheiding die volgens de normale werking van het gemeenschapsstelsel gemeenschappelijk zouden zijn. Bijgevolg kan artikel 1278, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in een stelsel van gemeenschap beperkt tot de aanwinsten, geen toepassing vinden op goederen die zijn verworven of schulden die zijn aangegaan vóór de feitelijke scheiding en evenmin op goederen of schulden van de partijen die volgens de normale werking van het gemeenschapsstelsel eigen zijn, eventueel mits vergoeding aan het gemeenschappelijke vermogen.
  19. Bij toepassing van voormelde bepaling beslissen de appelrechters naar billijkheid en gelet op de uitzonderlijke omstandigheden van het concrete geval, die volgens hen wijzen op een gebrek aan belangengemeenschap tussen de partijen, dat bij de vereffening van het huwelijksvermogen van de partijen geen rekening moet worden gehouden met de verkoop door de eiser van het handelspand en de handelszaak "Audima" en de als definitief bedoelde verdeling van de verkoopopbrengst bij helften tussen de partijen in de periode na hun feitelijke scheiding en voor de procedure tot de echtscheiding.
  20. Door aldus te beslissen, zonder daarbij het verweer van de eiser te betrekken dat het handelspand en de handelszaak "Audima" eigen goederen van de eiser waren van voor de feitelijke scheiding, zo ook de opbrengst van de verkoop ervan na de feitelijke scheiding, miskennen de appelrechters artikel 1278, tweede, vierde en vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Tweede onderdeel
  21. De regel dat echtgenoten voor de ontbinding van hun huwelijksvermogensstelsel geen overeenkomst mogen aangaan over de vereffening en verdeling van de huwelijksgemeenschap, sluit niet uit dat een goed dat door een echtgenoot is aangekocht met een door de andere echtgenoot bevestigde verklaring van wederbelegging van eigen gelden, buiten de vereffening en verdeling van de huwelijksgemeenschap wordt gehouden. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Derde onderdeel
  22. Het onderdeel gaat ervan uit dat de appelrechters ook beslissen dat, eensdeels, met betrekking tot de verkoopopbrengst van het handelspand en de handelszaak "Audima" en, anderdeels, met betrekking tot het door de verweerster aangekocht onroerend goed te Knokke-Heist moet worden teruggegaan tot de datum van de feitelijke scheiding en dat derhalve rekening moet worden gehouden met de waarde die deze goederen of de in de plaats gekomen goederen op de datum van de feitelijke scheiding hadden.
  23. De appelrechters beslissen niet in die zin. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre dit beslist: - dat bij de vereffening en verdeling van de huwelijksgemeenschap geen rekening moet worden gehouden met de verkoop door de eiser van het handelspand en de handelszaak "Audima" en de verdeling van de verkoopsopbrengst bij helften tussen de partijen in de periode na hun feitelijke scheiding en voor de procedure tot echtscheiding; - de zaak te dien einde terug naar de instrumenterende notarissen te verwijzen; en in zoverre het uitspraak doet over de kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. De kosten zijn begroot op de som van 733,23 euro jegens de eisende partij en op de som van 163,10 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van 6 februari 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Fettweis E. Stassijns E. Dirix E. Waûters I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090206.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.