← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090206.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090206.7 Rolnummer: C.07.0341.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-04-14 Raadplegingen: 733 - laatst gezien 2026-07-03 00:56 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een verkeersongeval in de zin van artikel 601bis Ger.W. is elk ongeval in het wegverkeer waarbij middelen van vervoer, voetgangers of de in het Wegverkeersreglement bedoelde dieren betrokken zijn en dat verband houdt met de risico's van het wegverkeer; de enkele omstandigheid dat er contact is tussen een op de openbare weg gestationeerd voertuig en het slachtoffer volstaat niet opdat er sprake zou zijn van een verkeersongeval

(1).
(1)Zie Cass., 5 dec. 2003, AR C.02.0261.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031205.27, A.C., 2003, nr. 626. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Volstrekte bevoegdheid (Materiële. Persoonlijke) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Algemene bevoegdheid rechtbank van eerste aanleg Vrije woorden: Politierechtbank - Verkeersongeval - Begrip - Gestationeerd voertuig - Contact Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 601bis Fiche 2 Wanneer het Hof van Cassatie een beslissing vernietigt wegens schending van een regel inzake bevoegdheid, verwijst het de zaak, indien mogelijk, naar de bevoegde rechtbank
(1).
(1)Zie Cass., 22 sept. 2005 (voltallige zitting), AR C.03.0427.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050922.6, A.C., 2005, nr. 456, met concl. van advocaat-generaal TIMPERMAN. Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - BURGERLIJKE ZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Algemene bevoegdheid rechtbank van eerste aanleg Vrije woorden: Schending van een regel inzake bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 660 Fiches 3 - 4 Wanneer het Hof van Cassatie een beslissing van de rechtbank van eerste aanleg, in hoger beroep, vernietigt op grond dat deze rechtbank, met miskenning van het begrip verkeersongeval, oordeelt dat de politierechtbank bevoegd was om in eerste aanleg kennis te nemen van de vordering tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval, verwijst het de zaak naar dezelfde rechtbank, anders samengesteld, om er kennis van te nemen en te oordelen in een beslissing waartegen hoger beroep openstaat. Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - BURGERLIJKE ZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Algemene bevoegdheid rechtbank van eerste aanleg Vrije woorden: Rechtbank van eerste aanleg in hoger beroep - Verkeersongeval - Politierechtbank bevoegd - Vernietiging - Bevoegde rechtbank - Aanleg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 601bis en 660 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Volstrekte bevoegdheid (Materiële. Persoonlijke) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Rechtbank van eerste aanleg - Algemene bevoegdheid rechtbank van eerste aanleg Vrije woorden: Rechtbank van eerste aanleg in hoger beroep - Verkeersongeval - Politierechtbank bevoegd - Vernietiging - Verwijzing - Bevoegde rechtbank - Aanleg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 601bis en 660 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.07.0341.N P&V VERZEKERINGEN, coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koningsstraat 151-153, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen MERCATOR VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Desguinlei 100, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 14 november 2006 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING 1. Een aangestelde van de nv Genker Transport, raakte bij het afladen van betonnen waterputten van een oplegger van de nv Genker Transport op een vrachtwagen van de nv Genker Transport tussen de beide stellen gekneld en overleed ter plaatse. 2. De verweerster keerde als arbeidsongevallenverzekeraar van de nv Genker Transport vergoedingen uit aan de nabestaanden van het slachtoffer. 3. De verweerster dagvaardde de eiseres, WAM-verzekeraar van de vrachtwagen van de nv Genker Transport, voor de Politierechtbank te Mechelen, teneinde op grond van artikel 48ter van de Arbeidsongevallenwet en artikel 29bis van de WAM-wet terugbetaling te bekomen van haar uitgaven. 4. De Politierechtbank te Mechelen verklaarde de vordering bij vonnis van 2 februari 2005 ongegrond. De verweerster tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis. 5. Bij vonnis van 16 mei 2006 beval de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen de heropening van het debat om de partijen toe te laten standpunt in te nemen over de bevoegdheid van de politierechtbank in eerste aanleg en de rechtbank van eerste aanleg in hoger beroep op grond van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek. 6. Bij vonnis van 14 november 2006 beslist de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen dat de politierechtbank bevoegd was om in eerste aanleg kennis te nemen van het geschil tussen de partijen en de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is in hoger beroep. De rechtbank verklaart het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en gegrond, veroordeelt de eiseres om haar de som van 1 euro als provisie te betalen en verzendt de zaak naar de bijzondere rol. III. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 568, 577, eerste lid, 590, 601bis en 1070 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen beslist in het aangevochten vonnis van 14 november 2006, uitgesproken in hoger beroep (vonnis, p. 4, in medio), dat de politierechtbank bevoegd was om in eerste aanleg kennis te nemen van de betwistingen tussen partijen en de rechtbank van eerste aanleg in hoger beroep bevoegd is om daarvan kennis te nemen. Vervolgens verklaart de Rechtbank van Eerste Aanleg te Meche¬len in het vonnis van 14 november 2006 het door de verweerster tegen het vonnis van de Politierechtbank te Mechelen van 2 februari 2005 aangetekende hoger beroep ontvankelijk en gegrond. De rechtbank doet het beroepen vonnis teniet behalve in zoverre het de oorspronkelijke vordering van de verweerster ontvankelijk heeft verklaard en de kosten heeft begroot. Opnieuw rechtsprekende veroordeelt de rechtbank de eiseres tot betaling van de som van 1 euro als provisie aan de verweerster en tot de kosten, en verzendt de zaak naar de bijzondere rol. De rechtbank van eerste aanleg stoelt haar beslissing betreffende de materiële bevoegdheid op volgende gronden: "De rechtbank stelt vast dat er een contact is geweest tussen het slachtoffer en de vrachtwagen(
  1. s)van de nv Genker Transport, verzekerde van (de eiseres). Het ongeval deed zich daarenboven voor op de openbare weg. Nu ook een stilstaand voertuig als deelnemend aan het verkeer kan beschouwd worden en een ‘betrokken voertuig' kan zijn in de zin van artikel 29bis, §1, van de WAM-wet, zijn alle voorwaarden verenigd om het betreffend ongeval als een verkeersongeval te kwalificeren. De politierechter was dan ook bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van de betwistingen tussen de partijen, en deze rechtbank is in hoger beroep bevoegd daarvan kennis te nemen" (vonnis, p. 2, nr. 2). Voorts stelt de rechtbank in feite nog vast: "Het volstaat te herinneren dat wijlen de heer D.D.A, aangestelde van de nv Genker Transport, bij het afladen van betonnen waterputten van een oplegger van de nv Genker Transport op een vrachtwagen van de nv Genker Transport tussen de beide stellen gekneld raakte en overleed ter plaatse. Hiervoor werd in verband met de beoordeling van de bevoegdheid van de eerste rechter en van deze rechtbank voldoende gesteld dat het ongeval in kwestie een verkeersongeval betreft dat beheerst wordt door artikel 29bis van de WAM-wet" (vonnis, p. 3, nrs. 2.1-2.2). Met verwijzing naar de uiteenzetting door de eerste rechter (vonnis, p. 3, nr. 2.1) wordt tevens vastgesteld: "Uit het geseponeerd strafdossier en de door partijen neergelegde stukken blijken volgende nuttige feitelijke gegevens: Wijlen de heer D.D.A, aangestelde van de nv Genker Transport, raakte bij het afladen van waterputten gekneld tussen een oplegger en een vrachtwagen, beide toebehorende aan de nv Genker Transport en in WAM verzekerd bij (de eiseres)" (vonnis van de politierechtbank, p. 2, in medio). Tenslotte stelt de rechtbank nog vast dat "deze sterkere positie (van de bestuurder) niet meer (bestaat) van zodra een ‘bestuurder' zijn voertuig heeft gestationeerd, de motor heeft stilgelegd en zijn voertuig heeft verlaten, zoals in casu" (vonnis, p. 4, nr. 2.4). Grieven 1.1 De politierechtbank neemt, overeenkomstig artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek, kennis, ongeacht het bedrag, van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval, zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek. De rechtbank van eerste aanleg neemt, naar luid van artikel 577, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in hoger beroep kennis van de vonnissen in eerste aanleg gewezen door de politierechtbank in de gevallen bepaald door artikel 601bis. 1.2 De politierechtbank is aldus bevoegd voor vorderingen tot vergoeding van schade naar aanleiding van ongevallen in het wegverkeer waarbij middelen van vervoer, voetgangers of de in het Wegverkeersreglement bedoelde dieren betrokken zijn. Hoewel een stilstaand voertuig in een verkeersongeval kan betrokken zijn in de zin van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, neemt een stilstaand voertuig niet deel aan het verkeer. "(Weg)verkeer" betreft immers het komen en gaan, het zich bewegen van voertuigen en personen langs de wegen. Het stilstaan van een voertuig sluit dus uit dat het aan het verkeer deelneemt. Het bestaan van een verkeersongeval kan m.a.w. niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat er contact is geweest tussen het slachtoffer en een op de openbare weg stilstaande vrachtwagen. Er is slechts sprake van een verkeersongeval voor zover de feiten gebeurd zijn ingevolge een activiteit of rijverrichting, zoals bedoeld in het Wegverkeersreglement of elke andere reglementering die tot doel heeft het algemeen verkeer op de openbare weg te organiseren. Er is dus alleszins geen sprake van een verkeersongeval wanneer een (al dan niet stilstaand) motorrijtuig aldus wordt gebruikt, en/of een persoon aldus handelt, dat schade wordt veroorzaakt op een wijze die niet karakteristiek is voor schadeveroorzaking in het verkeer, zoals bv. wanneer schade wordt veroorzaakt bij het laden en/of lossen van een stilstaand motorrijtuig. 2.1 De rechtbank van eerste aanleg beslist in het aangevochten vonnis dat alle voorwaarden vervuld zijn om het litigieuze ongeval als een verkeersongeval te kwalificeren - zodat de politierechtbank in eerste aanleg bevoegd was om kennis te nemen van de vordering van de verweerster tot vergoe¬ding van schade ontstaan uit dit ongeval - nu - er contact is geweest tussen het slachtoffer en de door de eiseres verzekerde vrachtwagen(s), - het ongeval op de openbare weg plaatsvond, - een stilstaand voertuig kan worden beschouwd als deelnemend aan het verkeer en een "betrokken voertuig" kan zijn in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet. Voorts stelt de rechtbank in feite vast dat het slachtoffer, bij het afladen van betonnen waterputten van een oplegger op een vrachtwagen tussen beide stellen gekneld raakte. Tevens stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer zijn voertuig heeft gestationeerd, de motor heeft stilgelegd en zijn voertuig heeft verlaten, waaruit ontegensprekelijk blijkt dat de vrachtwagen stilstond. Uit deze feitelijke vaststellingen blijkt niet dat de vrachtwagen(
  2. s)en/of het slachtoffer aan het wegverkeer deelnamen, nu "(weg)verkeer" veronderstelt dat voertuigen en/of personen zich bewegen en komen en gaan langs de weg, hetgeen in casu niet het geval was. Schade veroorzaakt doordat een persoon bij het afladen van een oplegger tussen oplegger en vrachtwagen gekneld raakte wordt overigens niet veroorzaakt op een wijze die ka¬rakteristiek is voor schadeveroorzaking in het verkeer. 2.2 Uit de feitelijke vaststellingen in het aangevochten vonnis kon de rechtbank derhalve niet wettig beslissen dat het litigieuze ongeval een "verkeersongeval" in de zin van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek betreft. Door te beslissen dat de politierechtbank in eerste aanleg bevoegd was om van de vordering tot schadevergoeding van de verweerster kennis te nemen en de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is om daarvan in hoger beroep kennis te nemen, schendt de rechtbank derhalve de artikelen 577, eerste lid, en 601bis van het Gerechtelijk Wetboek. 3. De rechtbank van eerste aanleg neemt, overeenkomstig artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek, kennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep of het Hof van Cassatie komen. De vrederechter neemt, overeenkomstig artikel 590 van het Gerechtelijk Wetboek, kennis van alle vorderingen waarvan het bedrag 1860 euro niet te boven gaat, behalve die welke de wet aan zijn rechtsmacht onttrekt, inzonderheid de vorderingen bedoeld in artikelen 569 tot 571, 574 en 578 tot 583 van voornoemd wetboek. Nu de verweerster in de inleidende dagvaarding van 23 februari 2004 vorderde de eiseres te veroordelen tot betaling van 1 euro provisioneel, doch meldde dat de omvang van de vordering 10.000 euro overschrijdt, behoorde het geschil, gelet op de waarde ervan, tot de algemene bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg, overeenkomstig artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek. Luidens artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek beslist de rechtbank van eerste aanleg, die zitting houdt in tweede aanleg, over de zaak zelf en daartegen staat hoger beroep open indien het geschil tot haar bevoegdheid behoorde. De rechtbank van eerste aanleg had inzake derhalve dienen vast te stellen dat de politierechtbank niet bevoegd was om kennis te nemen van het geschil, en zelf, ingevolge artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek, ten gronde uitspraak dienen te doen. Door de onbevoegdheid van de politierechtbank niet te erkennen en als appelrechter uitspraak te doen, schendt de rechtbank van eerste aanleg alle in de aanhef van het middel aangehaalde wetsbepalingen. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen; - de artikelen 48bis en 48ter van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971. Aangevochten beslissingen De Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen verklaart in het bestreden vonnis van 14 november 2006 het door de verweerster tegen het vonnis van de Politierechtbank te Mechelen van 2 februari 2005 aangetekende hoger beroep ontvankelijk en gegrond. De rechtbank doet het beroepen vonnis teniet behalve in zoverre het de oorspronkelijke vordering van de verweerster ontvankelijk heeft verklaard en de kosten heeft begroot. Opnieuw rechtsprekende veroordeelt de rechtbank de eiseres tot betaling van de som van 1 euro als provisie aan de verweerster en tot de kosten, en verzendt de zaak naar de bijzondere rol. De Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen stoelt de veroordeling van de eiseres op de vaststelling dat het ongeval in kwestie een verkeersongeval betreft dat beheerst wordt door artikel 29bis van de WAM-wet. Deze beslissing wordt op volgende gronden gestoeld: "2. Betreffende de materiële bevoegdheid De rechtbank stelt vast dat er een contact is geweest tussen het slachtoffer en de vrachtwagen(
  3. s)van de nv Genker Transport, verzekerde van (de eiseres). Het ongeval deed zich daarenboven voor op de openbare weg. Nu ook een stilstaand voertuig als deelnemend aan het verkeer kan be¬schouwd worden en een ‘betrokken voertuig' kan zijn in de zin van artikel 29bis, §1, van de WAM-wet, zijn alle voorwaarden verenigd om het betreffend ongeval als een verkeersongeval te kwalificeren. De politierechter was dan ook bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van de betwistingen tussen de partijen, en deze rechtbank is in hoger beroep bevoegd daarvan kennis te nemen. 2. Beoordeling 2.1 Voor wat de feitelijke gegevens van de zaak betreft verwijst de rechtbank naar de uiteenzetting daarvan gedaan door de eerste rechter in het bestreden vonnis. Het volstaat te herinneren dat wijlen de heer D.D.A, aangestelde van de nv Genker Transport, bij het afladen van betonnen waterputten van een oplegger van de nv Genker Transport op een vrachtwagen van de nv Genker Transport tussen de beide stellen gekneld raakte en overleed ter plaatse. (...) 2.2 Hiervoor werd in verband met de beoordeling van de bevoegdheid van de eerste rechter en van deze rechtbank voldoende gesteld dat het ongeval in kwestie een verkeersongeval betreft dat beheerst wordt door artikel 29bis van de WAM-wet" (vonnis, pp. 2-3). Met verwijzing naar de uiteenzetting door de eerste rechter (vonnis, p. 3, nr. 2.1) wordt tevens vastgesteld: "Uit het geseponeerd strafdossier en de door partijen neergelegde stukken blijken volgende nuttige feitelijke gegevens: Wijlen de heer D.D.A, aangestelde van de nv Genker Transport, raakte bij het afladen van waterputten gekneld tussen een oplegger en een vrachtwagen beide toebehorende aan de nv Genker Transport en in WAM verzekerd bij (de eiseres)" (vonnis van de politierechtbank, p. 2, in medio). Tenslotte stelt de rechtbank nog vast dat "deze sterkere positie (van de bestuurder) niet meer (bestaat) van zodra een ‘bestuurder' zijn voertuig heeft gestationeerd, de motor heeft stilgelegd en zijn voertuig heeft verlaten, zoals in casu" (vonnis, p. 4, nr. 2.4). Grieven 1. Artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen bepaalt dat bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, §1, van deze wet, met uitzondering van de stof¬felijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk wordt vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken. De arbeidsongevallenverzekeraar is, overeenkomstig artikel 48bis van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 verplicht om, onverminderd de bepalingen van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, de vergoedingen die voortvloeien uit de Arbeidsongevallenwet te betalen binnen de in de artikelen 41 en 42 van deze wet gestelde termijnen. Artikel 48ter van de Arbeidsongevallenwet bepaalt dat de arbeidsongevallenverzekeraar een rechtsvordering kan instellen tegen de verzekeringsonderneming die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of van de houder van het motorvoertuig tot beloop van de krachtens artikel 48bis, §1, gedane uitkeringen, de ermee overeenstemmende kapitalen, alsmede de bedragen en kapitalen bedoeld in de artikelen 51bis, 51ter en 59quinquies. De arbeidsongevallenverzekeraar kan die vordering instellen op dezelfde wijze als de getroffene of zijn rechthebbenden en wordt gesubro¬geerd in de rechten die de getroffene of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig artikel 48bis, §1, hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. 2. De WAM-verzekeraar van een bij een ongeval betrokken motorrijtuig is slechts gehouden tot vergoeding van het slachtoffer en zijn rechthebbenden (of de in hun rechten gesubrogeerde arbeidsongevallenverzekeraar) op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, indien het ongeval een verkeersongeval betreft. De loutere omstandigheid dat een stilstaand motorrijtuig bij een ongeval op de openbare weg betrokken is, impliceert nog niet dat dit ongeval een verkeersongeval betreft. "(Weg)verkeer" betreft immers het komen en gaan, het zich bewegen van voertuigen en personen langs de wegen. Hieruit volgt dat een stilstaand voertuig niet aan het verkeer deelneemt. Een verkeersongeval wordt veroorzaakt bij komen en gaan, het zich bewegen van voertuigen en personen langs de wegen. Er is slechts sprake van een verkeersongeval voor zover de feiten gebeurd zijn ingevolge een activiteit of rijverrichting, zoals bedoeld in het Wegverkeersreglement of elke andere reglementering die tot doel heeft het algemeen verkeer op de openbare weg te organiseren. Er is dus alleszins geen sprake van een verkeersongeval wanneer een (al dan niet stilstaand) motorrijtuig aldus wordt gebruikt, en/of een persoon aldus handelt, dat schade wordt veroorzaakt op een wijze die niet karakteristiek is voor schadeveroorzaking in het verkeer, zoals bv. wanneer schade wordt veroorzaakt bij het laden en/of lossen van een stilstaand motorrijtuig. 3. Nu uit het aangevochten vonnis slechts blijkt dat zich een ongeval heeft voorgedaan op een openbare weg, waarbij een contact is geweest tussen het slachtoffer en de stilstaande, door eiseres verzekerde, vrachtwagen(
  4. s)en dat het slachtoffer, bij het afladen van betonnen waterputten van een oplegger op een vrachtwagen tussen beide stellen gekneld raakte, uit welke vaststellingen geenszins blijkt dat de vrachtwagen(
  5. s)en/of het slachtoffer aan het verkeer deelnamen en waaruit bovendien blijkt dat de schade ontstaan is op een wijze die niet karakteristiek is voor schadeveroorzaking in het verkeer, kon de rechtbank niet wettig beslissen dat het ongeval in kwestie een verkeersongeval betreft dat wordt beheerst door artikel 29bis van de wet van 21 november 1989. Door de vordering van verweerster, ertoe strekkende eiseres te veroordelen tot terugbetaling van de uitkeringen die zij als arbeidsongevallen-verzekeraar heeft gedaan naar aanleiding van het ongeval waarbij de heer D.D.A om het leven kwam, gegrond te verklaren en de eiseres te veroordelen tot betaling van 1 euro als provisie aan de verweerster, schendt de rechtbank derhalve de artikelen 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, 48bis en 48ter van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Krachtens artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek, neemt de rechtbank van eerste aanleg kennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep of het Hof van Cassatie komen. 2. Artikel 577, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtbank van eerste aanleg in hoger beroep kennis neemt van de vonnissen in eerste aanleg gewezen door de vrederechter en, in de gevallen bepaald bij artikel 601bis, door de politierechtbank. 3. Krachtens artikel 60lbis van het Gerechtelijk Wetboek, neemt de politierechtbank kennis, ongeacht het bedrag, van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval, zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek. 4. Een verkeersongeval in de zin van deze bepaling is elk ongeval in het wegverkeer waarbij middelen van vervoer, voetgangers of de in het Wegverkeersreglement bedoelde dieren betrokken zijn en dat verband houdt met de risico's van het wegverkeer. 5. De enkele omstandigheid dat er contact is tussen een op de openbare weg gestationeerd voertuig en het slachtoffer volstaat niet opdat er sprake zou zijn van een verkeersongeval. 6. Het bestreden vonnis stelt vast dat een werknemer op de openbare weg de lading aan het lossen was van een oplegger en daarbij geklemd raakte tussen de oplegger en de daarnaast stilstaande vrachtwagen, beide toebehorende aan zijn werkgever. 7. Uit die vaststellingen blijkt dat het ongeval een bedrijfsongeval is, vreemd aan iedere deelname aan het wegverkeer van vervoersmiddelen, voetgangers of de in het Wegverkeersreglement bedoelde dieren, zonder verband met de risico's van het wegverkeer. 8. Op grond van die vaststellingen oordelen de appelrechters dat het bedoelde ongeval een verkeersongeval uitmaakt. Door aldus te oordelen dat de politierechtbank en in hoger beroep de rechtbank van eerste aanleg bevoegd waren kennis te nemen van de vordering van de verweerster, miskennen de appelrechters het begrip verkeersongeval als bedoeld in artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek en schenden zij de artikelen 568, 577, eerste lid, en 601bis van het Gerechtelijk Wetboek. Het middel is gegrond. Verwijzing 9. Wanneer het Hof van Cassatie een beslissing vernietigt wegens schending van een regel inzake bevoegdheid, verwijst het de zaak overeenkomstig artikel 660 van het Gerechtelijk Wetboek indien mogelijk naar de bevoegde rechter die het aanwijst. Gelet op de door het bestreden vonnis vastgestelde feitelijke gegevens is de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen bevoegd om kennis te nemen van de zaak en te oordelen met een beslissing waartegen hoger beroep openstaat. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, anders samengesteld, om kennis te nemen van de zaak en te oordelen in een beslissing waartegen hoger beroep openstaat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van 6 februari 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols A. Fettweis E. Stassijns E. Dirix E. Waûters I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090206.7 Gerelateerde publicatie(
  6. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111007.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031205.27 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050922.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181102.1 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250326.2F.9 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250326.2F.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.